ff n studiebreak

Klasgenoten stonden vroeger als hongerige hyena's om Jorieke heen. Klaar om het jonge hertje aan te vallen dat nog scoubidoutouwtjes had.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

Mii.. (5 havo)

Datum ingestuurd:

24 januari 2005

Taal:

Woorden:

11.000

Bekeken:

8589 keer (12 deze maand)

Waardering:

2.7/5 (30 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
UITTREKSEL TRANSACTIE

REKENEN

2 miljard = 2
1 miljard
1 miljard = 1.000 miljoen
2 miljard = 2.000 miljoen = 2.000
1 miljoen 1 miljoen
2 miljard = 2.000.000.000 = 1 miljoen
2.000 2.000

1 van 4 = ¼ x 100% = 25%.
Procentuele verandering = N-O x 100%
O
Van 4 (oud) naar 5 (nieuw) = ¼ x 100% = 25%

1 van 4 = ¼ x 100% = 25%.
A als percentage van B = A x 100%
B
1 als percentage van 4 = ¼ x 100% = 25%.

Nieuw als percentage van Oud = N x 100%
O
Oud 4
Nieuw 5
5 als percentage van 4 = 5/4 x 100% = 125%

Indexcijfer = Nieuw x 100
Oud
= Waarde in jaar x x 100
Waarde in het basisjaar
In het basisjaar is het indexcijfer altijd 100.
Basisjaar 2000 2002
Prijs € 4,- 5,-
Index 100 5/4 x 100 = 120.


25% van 4 = 0,25 x 4 of 25/100 x 4 = 1


4 + 25% van 4 = 1 x 4 + 0,25 x 4 = 1,25 x 4 = 5.
800 + 10% van 800 = 800 x 1,10 = 880.

(100% van) x
10% van x
110% van x 880
x = 880 : 110 . 100 = 800.
Of:
x = 880 : 1,10 = 800

+ = + + = - - = +
+ - -

6 = 3 dus 6 = 3 x 2
2

X = 3 X = 3 x 2 = 6
2


156 = 12. X = 156 : 12 = 13.
X
0,25 = 12 X = 12 = 48.
X 0,25

Als C = A dan is index C = index A x 100
B index B

A 100 150
B 100 75
C 100 x 100 = 100 150 x100 = 200 (+100%)
100 75

A + 50%, B - 50%: C 150 x 100 = 300 (+ 200%)
50
Proefwerk 8 Schriftelijk 5
Als een schriftelijk 1x telt en een proefwerk 2x , dan is het gemiddeldde 21/3 = 7.
Dan telt het so in het totaal mee voor 1/3 deel. De wegingsfactor is 1/3e.
Als het schriftelijk 1 punt hoger wordt, stijgt het gemiddelde 1/3.

Als iets naar de andere kant van het = teken gaat, verandert + in - en - in +.
6-2 = 4 dus 6 = 4 + 2.
A - B = C dus C = A + B.

Opgaven (tussen horizontale lijnen en cursief) :
Elke regel is een stelling.
0 = geen enkele juist, 1 = alleen 1 juist, 2 = alleen 2 juist, 3 = 1 en 2 juist.

1. Proc. verandering = (N-O) : O x 100%.
x + 50% = y. Dan is y 150%
2. x + 50% = y. Dan is x 50%
x + 50% van x = 3. x = 3/150x100 = 1,5.
3. Gegeven: x + 25% = 10,-
· x = 7,50.
· x = 8.
4. Gegeven: x + 25% = 10,-
· 10 = 100%.
· 10 = 125%.
5. x + 20% = 50 x = 40.
3 =12 x = 4.
x
6. 0,3 = 1,2 x = 1,2 . 0,3.
x
63 =129 x = 129/63
x
7. a + b = c - d
· c = a - b - d
· b = c - d - a

8. 3q = q + 6
· 3q + q = 6
· q = 3




1 P 2
3 4 5

6 7 8 9 10
Euro Bb M EV,Y Wlh Loon

11 12 13 14 15
Rente 16 Coll. S.

P = Prijspeil, Bb = betalingsbalans, M = Maatschappelijke geldhoeveelheid, EV = Effectieve Vraag, de bestedingen, Y = Nationaal Inkomen, Wlh = Werkloosheid, Coll. S = Collectieve
Sector.

1. Lagere Euro koers = stijging $ koers dus stijging import-
prijzen bv. olie (geïmporteerde kosteninflatie)
2. Inflatie dus hogere prijzen dus duurdere export dus minder vraag naar Euroland-producten en minder eurovraag dus daling eurokoers.
3. Doorberekening in de prijzen van hogere loonkosten per product. (Loonkosteninflatie).
4. Hoger inkomen dus meer gekocht, ook in het buitenland, dus meer import en daling betalingsbalanssaldo.
5. Loon- en prijsspiraal: Hogere prijzen leidt tot hogere looneisen.
6. A. Betalingsbalansoverschot betekent dat buitenland ons moet betalen dus euro's moet kopen dus meer vraag en hogere koers.
B. Hogere eurokoers leidt tot duurdere export en goedkopere import en tot een daling van een betalingsbalansoverschot.
7. Bv. exporteurs ruilen ontvangen vreemd geld om in euro's
8. Meer geld (bv. door krediet of transformatie) dus meer bestedingen, dus meer productie.
9. Meer productie dus meer vraag naar arbeid, dus daling werkloosheid.
10. Als de lonen sterker stijgen dan de gemiddelde arbeidsproductiviteit stijgen de loonkosten per product, dus:
a. Mechanisatie omdat kapitaal relatief goedkoper is
b. Minder winst dus minder investeringen
c. Doorberekening in de prijs dus slechtere internationale concurrentiepositie, dus
Kwantitatieve structurele werkloosheid (relatief tekort aan arbeidsplaatsen).
11. Als het rentepeil hier stijgt, vragen buitenlandse beleggers meer euro’s om te beleggen in o.a. spaarrekeningen, dus hogere koers.
12. Een hogere rente leidt tot minder krediet.
13. a. De bestedingen, Effectieve Vraag en dus de productie stijgt als de overheid zelf meer besteedt of als de belastingen worden verlaagd.
b. Als Y stijgt en dus de inkomens, wordt er meer inkomstenbelasting betaald.
14. Minder werkloosheid leidt tot minder uitkeringen.
15. Een hogere collectieve lastendruk leidt tot hogere belasting en sociale premies en dus tot hogere loonkosten.
16. a.Als de overheid meer leent wordt er meer krediet gevraagd en stijgt het rentepeil.
b. Als het rentepeil stijgt moet de overheid meer rente betalen over nieuwe leningen.

1. PRODUCTIE

Rechtsvormen
Een indeling van ondernemingen is naar rechtsvorm, de juridische vorm van een onderneming.
Eenmanszaak
Eén eigenaar die privé aansprakelijk is voor de schulden.
Als bv. de eenmanszaak van een boer failliet gaat worden niet alleen de stallen en de koeien verkocht maar ook het woonhuis en de auto.
Vennootschap onder firma
Meerdere eigenaren, hoofdelijk aansprakelijk (ieder apart voor het geheel). Als de ene firmant de schuld maakt en de andere betaalt dan moeten ze dat onderling verrekenen.
BV en NV:
BV en NV zijn zelf aansprakelijk voor de schulden, want zij zijn rechtspersoon (hebben zelfstandig rechten en plichten), dus niet de aandeelhouders (de eigenaren), behalve bij bewust mismanagement.
Een NV of BV moet de jaarstukken (o.a. balans en resultatenrekening) publiceren.
Bij een NV zijn er aandeelbewijzen aan toonder d.w.z.. er staat geen naam op. Daarom zijn zij vrij verhandelbaar, in tegenstelling tot de aandelen in een BV. Daar staan de namen van de aandeelhouders in een register.

1. Firmant A maakt een schuld van 2000.
· De schuldeiser kan firmant B aanspreken voor 2000.
· De schuldeiser kan het privé vermogen van B aanspreken .
2. De aandeelhouders zijn aansprakelijk voor de schulden
Bij een NV zijn er aandeelbewijzen aan toonder

Balans
Een balans is een overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen van een bedrijf op een bepaald tijdstip.
Debiteuren zijn door de klanten te betalen bedragen.
Schulden aan de leveranciers zijn de crediteuren.
Door het eigen vermogen van 30, het verschil tussen de bezittingen (100) en de schulden (70), als saldo aan de rechterkant te boeken is de balans in evenwicht.
Activa Balans Passiva
Kas en bank 75 Crediteuren 50
Debiteuren 25 Overige schulden 20
Voorraden 100 Eigen vermogen 200 - 70 = 130
200 200

2. Als de debiteuren betalen:
· Is de kas 50
· Is het Eigen vermogen 155.

Resultatenrekening
Een resultatenrekening is een overzicht van opbrengsten en kosten en het verschil daartussen, de winst of het verlies, over een bepaalde periode.
Voorbeeld
Omzet 70
Inkopen 40
Loonkosten 25
65
Winstsaldo 5
De Toegevoegde waarde is 30.
Het verschafte inkomen is 25 + 5, is ook weer 30.

1.2 PRODUCEREN
De bedrijfskolom is een overzicht van de productiefasen van oerproducent tot en met winkelier. Tussen elke fase wordt er verkocht (bestaat een markt).

Als je werkt verkoop je je productiefactor arbeid.
Gezinnen of consumenten zijn eigenaren van de productiefactoren (Arbeid, Natuur, Kapitaal en Ondernemer-schap) die zij aanbieden aan de bedrijven met als beloning de primaire inkomens Loon, Pacht, Intrest en Winst, LPIW.

Nationaal Product = Nationaal Inkomen.
Het nationaal product = productie van alle bedrijven (en overheid) samen = de totale toegevoegde waarde van de bedrijven = de som van de beloningen van de productiefactoren = nationaal inkomen.
Voorbeeld
A en B maken samen een product, waard 70.
Bedrijf A levert voor 40 aan bedrijf B.
A heeft als Pachtkosten 30, dus Winst is 10.
Bedrijf B verkoopt het eindproduct voor 70.
Het product is voor 40 gemaakt door A en voor 30 door B.
Van de prijs van 70 gaat 30 als beloning van de productiefactoren naar het bedrijf van B en 40 naar het bedrijf van A.

Productie, 70

A 40 B 70 Klant

P+W 40 L+W 30

Omzet A 40
Pachtkosten 30-
Winst 10
TW, verschaft inkomen 30 +10 = 40.

Omzet B 70
Inkopen (van A) 40
Loonkosten 25 -
Winst 5
TW, verschaft inkomen 25 + 5 = 30.

3. Toegevoegde waarde = winst.
De productiefactoren worden betaald uit de toegevoegde waarde

De productiecapaciteit
Structuur is de (samenstelling en opbouw van de) productiecapaciteit, de maximale productie, en hangt af van de hoeveelheid en kwaliteit van de productiefactoren, de aanbodfactoren. (Aanbodzijde van de economie).
Deze kan alleen op lange termijn toenemen door toename van de hoeveelheid en kwaliteit van de productiefactoren.
Investeren is het aanschaffen van kapitaalgoederen, niet te verwarren met beleggen.
Dit wordt betaald uit leningen of uit de winst.
Breedte-investering: een zelfde machine er bij. Daardoor blijft de hoeveelheid kapitaal per werknemer, de kapitaalintensiteit, gelijk.
Bij diepte- of arbeidsbesparende investeringen stijgt de kapitaalintensiteit. Deze stijgen als de loonkosten per product stijgen.

1.3 TK en TO, KOSTEN EN OPBRENGSTEN

Totale Kosten TK

De totale kosten TK bestaan uit de totale constante kosten en de totale variabele kosten: TK = TVK + TCK.
De totale constante kosten TCK zijn op korte termijn constant.
De totale variabele kosten TVK variëren met de productiehoeveelheid of afzet q.
De TK per product heten de Gemiddelde Totale Kosten GTK die weer bestaan uit de Gemiddelde Variabele Kosten GVK en de gemiddelde Constante Kosten GCK.
Als de GVK steeds eenzelfde bedrag is, zijn de TVK proportioneel. De TVK-lijn is dan een rechte stijgende lijn.
TK = GVK . q + TCK

TK = TVK + TCK dus
q q q
GTK = GVK + GCK en
TK = GVK.q + TCK

Voorbeeld. Grondstofkosten per stuk € 1, TCK = 6.
TK = GVK.q + TCK
TK = 1.q + 6
q 0 1 2 3 4 5 6
TK 6 7 8 9 10 11 12

TO, OPBRENGSTEN
Totale Opbrengst of Totale Omzet = TO.
TO = prijs x hoeveelheid = p . q.
Als de prijs p 3 is, is de TO vergelijking TO = 3q.
q 0 1 2 3 4 5 6
p 3 3 3 3 3 3 3
TO 0 3 6 9 12 15 18
De totale opbrengst of totale omzet TO zal steeds stijgen.
De TO lijn is een rechte stijgende lijn.

4. Prijs € 5
Grondstofkosten per stuk € 2, TCK = 600.
· TO = 5q
· TK = 2q - 600

1.4 TW, WINST
Totale Winst = Totale Opbrengst – Totale Kosten
Totale Winst = Totale Opbrengst - Totale Kosten = of
TW =TO - TK.

Als de prijs €3 is gelden de volgende functies (formules):
TO = p . q = 3q
TK = GVK . q + TCK = q + 6
Als de afzet 100 is, is de winst op 2 manieren te berekenen:
TO = 300, TK = 106, TW = 194.
Of met de functie van de TW:
TW = TO - TK dus 3q -(q+6) = 2q -6.
Als q = 100 is TW 194.

Kostendekking, Break-evenafzet (TW = 0, TO = TK)
Manier 1 met de TO en de TK-functie
TO = TK
3q = q + 6
2q = 6
q = 3.
Manier 2 met de TW-functie
TW = 2q - 6
0 = 2q - 6
6 = 2q dus q = 3. Dus geen winst bij 3 stuks.
Stel de productiecapaciteit is 100. Hoe groot is dan de
Winst?
TW = 2. 100 - 6 = 194 euro.

5. Prijs €5 , Inkoopprijs € 2, TCK = 600.
· Geen winst bij q = 200.
· TK = 2q + 600

Grafieken
Neem twee of drie willekeurige waarden voor q, bepaal de TO en trek een rechte lijn. Bij de TK idem. Bij het snijpunt (break-evenpoint) geldt TW = 0.
De q op de horizontale lijn is de break-evenafzet.

6. Prijs € 4
Grondstofkosten per stuk € 2, TCK = 600. Productiecapaciteit 1000.
· Geen winst bij q = 200.
· De maximale winst is TK = 2q + 600

1.5 HET MARKTMECHANISME

Abstracte markt = geheel van vraag en aanbod, bv. de arbeidsmarkt.
Concrete markten bv. Weekmarkten

Hoe hoger de prijs, hoe meer de bedrijven willen aanbieden.
Bijvoorbeeld geldt het volgende
Prijs in euro's Aanbod qa (in miljoen stuks)
1 1
2 2
3 3
4 4
Dan geldt qa = p (p in euro's, aanbod in miljoen stuk)
In een grafiek is de aanbodlijn stijgend.

Hoe hoger de prijs, hoe minder de mensen willen kopen.
Bijvoorbeeld geldt het volgende
Prijs in euro's Vraag qv (in miljoen stuks)
6 0
5 1
4 2
3 3
2 4
Als p 1 stijgt, daalt qv 1.
Dan geldt qv = -p + 6 (p in euro's, aanbod in miljoen stuk)
In een grafiek is de vraaglijn dalend.

Evenwicht (qa = qv)
Als bedrijven teveel produceren zullen ze de prijs verlagen en hun aanbod beperken.
Als de mensen meer willen kopen dan het aanbod zal de prijs stijgen.
Zo wordt het aanbod gelijk aan de vraag en ontstaat een prijs waarbij er evenwicht is.

Voorbeeld
qa = p, qv = -p + 6. (q in miljoen, p in euro's)
p = -p + 6
Als iets naar de andere kant van het = teken gaat, verandert het teken van + in - en omgekeerd:
p + p = 6
2p = 6 dus p = 3.
Om de hoeveelheid (de afzet uit te rekenen vul je de gevonden waarde van p in in de qv en in de qa vergelijking. Er moet dan een zelfde waarde uitkomen.
p = 3, qv = -p + 6, dus qv = -3 + 6 = 3.
p = 3, qa = p, dus qa is (ook) 3.
Omdat q in miljoenen is, is qa en dus qv 3 miljoen.
Totale marktomzet van alle aanbieders, hun totale opbrengst is prijs x afzet = 3 x 3 miljoen = 9mln.

7. qa = 2p, qv = -p + 6. (q in miljoen, p in euro's)
· p = 6
· q = 4 miljoen
8. qa = 2p, qv = -p + 6. (q in miljoen, p in euro's)
· p = 2
· pxq = 2 x 4 miljoen.

Verschuiving van de vraaglijn, bv. naar rechts:
als de prijs gelijk blijft maar één van de overige vraagfactoren verandert:
- Voorkeur stijgt (iets komt bv. in de mode)
- Prijs van andere goederen stijgt
- Inkomen (budget) stijgt
- Aantal consumenten stijgt

Verschuiving van de aanbodlijn, bv. naar rechtsonder:
als de prijs gelijkblijft maar één van de overige aanbodfactoren verandert:
- de prijs van andere goederen daalt zodat daarvan minder wordt aangeboden.
- de productiekosten dalen
- het aantal producenten daalt

Het marktmechanisme werkt niet altijd perfect.
- Monopolievorming
Eén aanbieder.

- Kartelvorming
Overeenkomst tot concurrentiebeperking in dezelfde bedrijfstak.
Dit kan een prijskartel zijn maar er zijn meer vormen.

- Marketing-mix ter behoud van eigen positie (4 x p)
Productbeleid o.a. via productdifferentiatie: onderscheid. in product.
Promotiebeleid: reclame.
Prijsbeleid:via de prijs, bv. via kortingen of penetratiepolitiek: de markt veroveren via lage prijzen.
Plaatsbeleid: welke verkooppunten.

1.6 OVERHEIDSINGRIJPEN IN HET MARKTMECHANISME

1. Niet markt conform (uitschakeling van de marktwerking)

a. Maximumprijs.
qa = p en qv = -p + 6, p in euro's , q in miljoen stuks.
Als de overheid niets doet zou de evenwichtsprijs € 3 zijn.
Als de overheid dat te hoog vindt kunnen ze ingrijpen.
Een interventieprijs van bv. 2 is dan een maximumprijs, een plafond, ter bescherming van de consument tegen die te hoge prijs.
Een maximumprijs ligt onder! de evenwichtsprijs.
qa = 2
qv = -2 + 6 = 4: (aanbod)tekort 2 milj.
Dit geldt o.a. voor huurwoningen. Daardoor zijn er wachtlijsten en bestaat huursubsidie.

b. Minimumprijs
qa = p en qv = -p + 6, dus p zou worden € 3.
Een interventieprijs van 4 is dan een minimumprijs, een bodem, ter bescherming van de producent tegen die te lage prijs.
Een minimumprijs ligt boven! de evenwichtsprijs.
qa = p = 4, qv = -p + 6 = -4 + 6 = 2, dus aanbodoverschot van 2 miljoen.
Als de overheid het overschot zou opkopen zou zij de minimumprijs van 4 moeten betalen. Totale kosten 8 miljoen.
Kosten opkopen (of doordraaien, vernietigen): overschot x minimumprijs.

9. qa = p, qv = -p + 6. (q in miljoen, p in euro's)
· Een interventieprijs van 1 is dan een minimumprijs.
· Een interventieprijs van 5 is ter bescherming van de producent.

c. Quotum
Dit is een maximale productie, dus een maximaal aanbod.

2. Markt conform (via de marktwerking)
- De overheid treedt zelf als vrager of aanbieder op
- De kostprijs wordt veranderd via heffingen of subsidies

3. Via convenanten en wetten
Een convenant is een overeenkomst met het bedrijfsleven bv. om milieuvriendelijker te produceren.

10. Grondstofkosten per stuk €2, Huur bedrijf € 10.000
De vergelijking van de
· TK = 2q + 10.000
· GVK = 2q
11. TK = TVK + TCK
q q q
De prijs is altijd gelijk aan de gemiddelde opbrengst.
12. P = 2,50, GVK is steeds 0,50, TCK = 20.000.
· TW = 0 als q = 3.500.
· De TW is maximaal als TO = TK.

13. qa = 2p - 2 en qv = -2p + 10, p in euro’s, q in mln.
· de evenwichtsprijs is 3.
· de marktomzet is 12 miljoen euro.
14. qa = 2p - 2 en qv = -2p + 10.
· Een interventieprijs van 2 is dan een minimumprijs ter bescherming van de producent.
· Als er een garantieprijs is van 4, zijn de kosten van opkopen 16.
15. Als de maximumprijs geldt, ligt deze boven de evenwichtsprijs.
Maatregelen zoals distributiebonnen of wachtlijsten bestaan bij minimumprijzen.
16. Een alternatief voor een maximumhuurverhoging is huursubsidie.
Als de minimumprijs geldt, ligt deze boven de evenwichtsprijs.

2. DE ARBEIDSMARKT

2.1 WERK

Betaald werk:
- in loondienst. Beloning loon.
- zelfstandig. Beloning winst.
Tot de verborgen economie behoort
a. Verborgen werkgelegenheid:
- Onbetaald werk zoals huishoudelijk werk, vrijwilligerswerk.
- Zwart werk: geen belasting of premie betaald, zoals de beunhazerij en drugshandel.
b. Verborgen werkloosheid: bv. werkzoekende huisvrouwen of mensen die ten onrechte arbeidsongeschikt zijn verklaard.
Ontmoedigingseffect: minder inschrijvingen als werkloze omdat er minder kans is op een baan.

2.2 ARBEIDSAANBOD

Werkenden en werklozen bieden hun arbeid aan.
Voorbeeld
Werkgelegenheid = werkenden (in
loondienst of zelfstandig) 6
Werklozen 2
Beroepsbevolking, arbeidsaanbod 8
Overige beroepsgeschikten:
scholieren, huisvrouwen en
–mannen, 7
Beroepsgeschikte bevolking 15
Mensen < 15 jaar of > 64 jaar 15
Totale bevolking 30

De werkloosheid is 2/8e of 25%.
De deelnemings- of participatiegraad is 8/15e.

Het arbeidsaanbod stijgt door meer inschrijvingen als werkloze, bv. als schoolverlaters eerder gaan werken omdat er maar kans op een baan is. aanzuigeffect. Dan stijgt de participatiegraad.
Ontmoedigingseffect: minder inschrijvingen als werkloze omdat er minder kans is op een baan.

De kwaliteit van het arbeidsaanbod stijgt door scholing.

1. Arbeidsaanbod = beroepsbevolking.
Het arbeidsaanbod stijgt door meer inschrijvingen bv. door verborgen werklozen (niet geregistreerde werklozen zoals ontmoedigde werklozen, bv. huisvrouwen).
2. Deelnemings% = Werkenden + werklozen x 100%
Beroepsgeschikte bevolking
Gezinnen bieden de productiefactoren aan de bedrijven aan

2.3 DE ARBEIDSVRAAG

Werkenden (in loondienst of zelfstandig) = werkgelegenheid = arbeidsvraag.
Twee halve banen tellen als een hele baan, een mensjaar of arbeidsjaar. Daardoor is de arbeidsvraag in personen groter dan die in. mensjaren (bv. 1,2).

Door de emancipatie zijn er meer deeltijdbanen en is de werkgelegenheid in personen sterker gestegen dan de werkgelegenheid in hele banen, mensjaren.
De arbeidsvraag stijgt door:
- meer vraag naar producten: meer mensen nodig.
- lagere loonkosten per product:
-- arbeid wordt goedkoper dan kapitaal dus minder mechanisatie dus minder verlies van arbeidsplaatsen.
-- producten worden goedkoper dus een betere internationale concurrentiepositie.
- een lagere arbeidsproductiviteit: minder mensen nodig voor hetzelfde werk.
- een hogere arbeidsproductiviteit: minder mensen nodig voor hetzelfde werk, dus lagere loonkosten per product. Zie punt 2.

3. Werkgevers vragen arbeid.
Arbeidsvraag = werkgelegenheid.
4. Productie = werkenden x arbeidsproductiviteit apt.
Apt = Productie/werkenden
5. Bezettingsgraad = productie/productiecapaciteit
De werkloosheid wordt uitgedrukt in procenten van de werkgelegenheid.
6. Gegeven: Werkloosheid 2 mln, werkgelegenheid 8 mln, beroepsgeschikte bevolking 20 mln.
· De werkloosheid is 20%
· Het deelnemingspercentage 50%.
7. Werkgevers vragen arbeid.
Als het aanbod < vraag is er werkloosheid.
8. Werkloos zijn mensen die werk zoeken of (officieel:) ieder tussen 16 en 65 die staan ingeschreven voor een baan van 12 uur of meer per week).
Als er meer kans op een baan is zal het aantal inschrijvingen stijgen.
9. Arbeidsjaren = mensjaren
Twee halve banen = 1 arbeidsjaar.

2.4 LOONVORMING

CAO
Een CAO bevat primaire (loon) en secundaire arbeidsvoorwaarden en wordt niet centraal maar per bedrijftak gesloten.
Contractloonstijgingen:
. Prijscompensatie: loonstijging die gelijk is aan de inflatie, zodat de koopkracht blijft behouden.
. Initiële loonstijging: de rest van de loonstijging. Deze wordt bepaald door de stijging van de arbeidsproductiviteit.

Voorbeeld
Loon €. 100 € 104
Arbeidsproductiviteit 100 stuks 104 stuks
Loonkosten per product € 1,- € 1,-.

Incidentele loonverhoging: door o.a. promotie.

Voorbeeld
Loonkosten €. 60.000
Sociale premies werkgever € 6.000
Loonbelasting en sociale premies
werknemer € 21.000+
Wig € 27.000 _
Netto loon € 33.000

Hoe groter de wig:
hoe hoger de loonkosten
hoe hoger het netto loon.

Het minimumloon is een soort minimumprijs van de arbeid en dient tegen te lage (evenwichts)lonen.

2.5 WERKLOOSHEID

Geregistreerde werkloosheid
Criteria voor geregistreerde werkloosheid:
. Behoren tot de beroepsbevolking
. Ingeschreven staan bij het arbeidsbureau
. 12 uur of meer betaald werk verrichten
. Direct beschikbaar voor een betaald baan van minstens 12 uur.
Omdat de bestanden van het arbeidsbureau niet helemaal kloppen houdt het CBS steekproeven.

Verborgen, niet geregistreerde werkloosheid: o.a. huisvrouwen die een baan zouden willen hebben maar zich niet laten inschrijven omdat er weinig kans is op een baan of ten onrechte afgekeurde mensen.

Oorzaken van werkloosheid
1. Conjuncturele werkloosheid
Als er (landelijk) te weinig gekocht, gevraagd, wordt staan fabrieken gedeeltelijk stil Er zijn machines en dus arbeidsplaatsen onbezet.

2. Structurele werkloosheid
a. Als er teveel mensen en dus te weinig fabrieken zijn is er een tekort aan machines en dus arbeidsplaatsen. Er is kwantitatieve structurele werkloosheid.
s o
s o
c o ÿ
o ÿ 100
o ÿ 100
o = werknemers ÿ = arbeidsplaatsen,
Gevraagde productie = 200, Maximale productie 300.
Conjuncturele werkloosheid [c] 1
Kwantitatieve structuurwerkloosheid [s] 2.
(Conjunctuur is de op- en neergaande beweging van de economie door verandering van de bestedingen.)

b. Kwalitatieve structurele werkloosheid: onvervulde vacatures omdat de werkloze onvoldoende geschoold of niet wil verhuizen voor een baan: lage arbeidmobiliteit

3. Seizoenswerkloosheid, bv. in de horeca.

4. Frictiewerkloosheid. I.v.m de sollicitatieprocedure.

Arbeidsmarkt

Ruime arbeidsmarkt: arbeidsvraag > arbeidsaanbod dus werkloosheid.

Krappe of overspannen arbeidsmarkt: arbeidsvraag > arbeidsaanbod dus een (aanbod)tekort aan arbeid en een hoge prijs van de arbeid.
Deze hoge loonkosten werden in de prijs doorberekend.
Om daling in koopkracht te voorkomen stijgen de looneisen en de lonen.
Zo ontstaat een loon- en prijsspiraal.
Als oplossing geldt o.a. verborgen werklozen zoals huisvrouwen te stimuleren zich als werkloze te laten inschrijven bv. via een betere kinderopvang of flex-werk.

2.6 WERKLOOSHEIDSBESTRIJDING

1. Tegen conjuncturele werkloosheid:
- belastingverlaging zodat o.a. de consumenten meer kopen.
- de overheid gaat zelf meer besteden, bv meer gebouwen laten bouwen.
In beide gevallen krijgt de overheid een groter tekort.
2a. Tegen kwantitatieve structurele werkloosheid o.a.:
- Subsidie op vernieuwing (innovatie) van producten of productieprocessen.
- Matiging van de loonkosten zodat arbeid minder snel wordt vervangen door kapitaal (minder mechanisering).
2b. Tegen kwalitatieve structurele werkloosheid oa.:
- Verbetering van de geografische arbeidsmobiliteit door verhuiskostenvergoedingen
- Verbetering van de mobiliteit tussen beroepen via o.a. omscholing.
- Melkert banen
- Verbetering van de mobiliteit tussen werken en niet werken door werkenden een groter belastingvoordeel te geven.
Tegen seizoenswerkloosheid: o.a. vakantiespreiding.
Tegen frictiewerkloosheid: betere arbeidsbemiddeling zoals vacaturekranten.

10. In arbeidsjaren gerekend is de beroepsbevolking kleiner dan die in personen.
Door deeltijdbanen is dit verschil kleiner geworden.
11. Als de verhouding werkgelegenheid in mensjaren - werkgelegenheid in personen 0,75 / 1 is en de werkgelegenheid in arbeidsjaren is 12 miljoen, dan is de werkgelegenheid in personen:
0,75 x 12 mln = 9 mln.
16 mln
12. Structurele werkloosheid door veranderingen in de productiestructuur, de aanbodkant.
Kwalitatieve structurele werkloosheid : vraag en aanbod sluiten niet aan o.a. door te geringe scholing of arbeidsmobiliteit.
13. Maatregelen tegen frictiewerkloosheid zijn: her-, bij- en omscholing.
Frictiewerkloosheid: ivm sollicitatietijd voor mensen voor wie er wel werk is. Maatregel: beterere arbeidsbemiddeling.
14. Door kwalitatieve structurele werkloosheid en frictiewerkloosheid kunnen vacatures en werkloosheid tegelijkertijd bestaan.
Kwantitatieve structurele werkloosheid ontstaat door een (relatief) tekort aan rendabele arbeidsplaatsen.
15. Kwantitatieve structurele werkloosheid ontstaat door meer arbeidsaanbod door meer inschrijvingen als werkloze.
Kwantitatieve structurele werkloosheid ontstaat door minder rendabele arbeidsplaatsen o.a. door mechanisering.
16. Als de lonen sterker stijgen dan de arbeidsproductiviteit, gaat een ondernemer mechaniseren.
17. De winst daalt niet als de loonkosten van een werknemer evenveel stijgen als diens opbrengst.
De lonen worden te hoog als de loonkosten sterker stijgen dan de arbeidsproductiviteit, de opbrengst van een werknemer.
18. Maatregel tegen kwantitatieve structurele werkloosheid: Vergroting van de arbeidsvraag door stimuleren van bedrijfsinvesteringen dus arbeidsplaatsen en verkleinen van de wig (loonkosten - netto loon).
19. Stel loon € 100 apt 100 stuks. Als het loon 21% stijgt en de apt 10%, worden de loonkosten per product € 1,10.
De lonen worden te hoog als de loonkosten sterker stijgen dan de arbeidsproductiviteit, de opbrengst van een werknemer.`
20. Een stijging van de loonkosten per product stimuleert mechanisering dus kwantitatieve structurele werkloosheid en loonkosteninflatie.
Loonkosteninflatie is doorberekening in de verkoopprijs van hogere loonkosten.
21. Loonkosten - werkgeverslasten soc. premies = bruto loon
Bruto loon - werknemerslasten (loonbelasting en soc. premies) = netto loon.
22. Lager loon leidt tot minder rendabele arbeidsplaatsen.
Als de loonkosten sterker stijgen dan de apt dalen de loonkosten per product.
23. Loonstijging > stijging apt leidt tot hogere loonkosten per product, mechanisering en doorberekening in de prijzen, dus tot een verslechtering van de internationale concurrentiepositie.
Werkloosheid leidt tot WW-uitkeringen dus hogere WW-premies en hogere loonkosten enz..
24. Als de productie gelijk blijft en de apt stijgt, stijgt de werkgelegenheid.
Productie -6%, apt -2%, De werkgelegenheid stijgt.
25. Gegeven: productie -6%, apt -2%,
§ De werkgelegenheid stijgt 4%.
§ De werkgelegenheid daalt 4,08%.

Extra oefening kun je vinden op de site Kerneconomie.nl, toetsen Havo.
Kerneconomie deel I H. 3 versie A

3 INKOMENSVERDELING

3.1 WAT IS INKOMEN

Om te kunnen produceren maakt een bedrijf gebruik van productiemiddelen: arbeid, natuur en kapitaal (en ondernemer schap)
Voorbeeld
A en B maken samen een product, waard 70.
Bedrijf A levert voor 40 aan bedrijf B.
A schrijft 6 af en heeft als Pachtkosten 30, dus Winst is 4.
Bedrijf B verkoopt het eindproduct voor 70.
Dus de waarde vande (bruto) productie 70.

Primair inkomen: beloning van de productiefactoren.
Nationaal inkomen: alle primaire inkomens in een land.
Secundair inkomen: Wat je uiteindelijk in handen krijgt. Of: Primaire inkomen – directe belastingen en sociale premies + uitkeringen en subsidies als huursubsidies.

3.2 INKOMENSVERSCHILLEN

Categoriale inkomensverdeling
Dit gaat over de verdeling van het inkomen naar soort.
Bv. Loon 70, Rest, o.a. Winst 30. Dus aandeel van het loon 70%.
Als het loon stijgt ten koste van de winst dalen de investeringen en dus het aantal arbeidsplaatsen.

Personele inkomensverdeling
Dit gaat over de verdeling van het inkomen over personen dus over hoog en laag.

Voorbeeld
A B Verhouding Totaal
Eerst € 1.000 3.000 1 : 3 € 4.000
+ 1.000 + . 1.000
nu € 2.000 4.000 1 : 2 € 6.000

Het aandeel van A in het totaal was 25%.
Als A en B elk 100% er bij zouden krijgen blijft dat zo (2.000 van de 8.000).
Als A en B er elk 1.000 bij krijgen is dat voor A in verhouding meer: dit is nivellerend. Dan ontvangt hij 2.000 van de 6.000 = 33%.
Nivellering: kleinere inkomensverhoudingen, of: de lagere inkomensgroepen ontvangen een kleiner deel van het geheel.

Lorenzcurve Aandeel in totale inkomen
voor na
0% van de bevolking 0% 0%
laagste 50% van de mensen (A) 25% 33%
100% van de mensen (A + B) 100% 100%

100%
Cumulatief
aandeel in het
nationale inkomen

33%
25%

0% 50% 100%
Cumulatief aandeel in de bevolking

Secundair inkomen = (primair inkomen + uitkeringen + huursubsidies) min (belastingen en sociale premies). Wat je uiteindelijk krijgt.

Oorzaken van (personele) inkomensverschillen:
schaarste, productiviteit, macht, vermogen, opleiding.

3.3 HERVERDELING

Voor- en nadelen van inkomensverschillen
Een voordeel van personele inkomensverschillen is o.a. de stimulans om harder te werken, een opleiding te volgen, te verhuizen of te gaan werken.
Nadeel van grote inkomensverschillen is de onrechtvaardigheid.

Inkomensnivellering
Nivellering: verschillen procentueel, in verhouding, kleiner maken.
Manieren:
- progressieve inkomstenbelasting (een steeds hoger percentage van je inkomen)
- sociale uitkeringen zoals bijstandsuitkeringen.
De lijn in de Lorenzcurve komt dichter bij de diagonaal van volledige nivellering.

3.4 INKOMSTENBELASTINGSTELSEL

Inkomensheffing = loonbelasting + sociale premies.
Loonbelasting wordt ingehouden door de werkgever (voorheffing). Het bedrag van loon- en inkomstenbelasting is gelijk.
Ondernemers betalen over hun winst inkomstenbelasting.
De inkomstenbelasting is progressief: procentueel meer belasting als het inkomen stijgt. Oorzaak: het schijventarief.

Voorbeeld
Harm Rijk
Bruto inkomen 25.000 100.000 (4x)
Inkomensheffing 5.000 40.000
Netto inkomen 20.000 60.000 (3x)

Er zijn drie soorten inkomen:

Box 1 Inkomen uit werk en woning. Hiertoe behoren o.a. loon, pensioen en sociale uitkeringen. Wie als eigenaar in zijn eigen huis woont moet als eigenwoningforfait een bedrag bij het inkomen optellen. Dit is een percentage van de getaxeerde waarde, na aftrek van de betaalde hypotheekrente.
Het inkomen in Box 1 wordt belast volgens het progressieve schijventarief. Progressief wil zeggen dat je naar verhouding meer belasting betaalt bij een hoger inkomen. Het schijventarief ziet er met afgeronde bedragen als volgt uit:
schijf 1 t.m. € 15.000 30% belasting en premies
schijf 2 € 15.000 t.m. € 25.000 35% belasting en premies
schijf 3 € 25.000 t.m. € 45.000 42% belasting
schijf 4 € 45.000 of meer 52% belasting
De percentages hoef je niet te leren.
Iedereen heeft recht op een heffingskorting waarvan de hoogte afhankelijk is van de persoonlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld: is er inkomen uit arbeid, zijn er thuiswonende kinderen, wel of niet alleenstaande ouder etc.
Er bestaat meerdere kortingen.
Box 2 Inkomen uit aanmerkelijk belang. Hiervan is sprake wanneer je tenminste 5% bezit van de aandelen van een NV of een BV.
Box 3 Inkomen uit sparen en beleggen. Het gaat om o.a. om rente, dividend en huur die zijn verkregen uit spaargeld, effecten of een verhuurd pand. De waarde van de eigen woning en de hypotheek op de eigen woning blijven in Box 3 buiten beschouwing. De belastingdienst gaat voor het gemak uit van een vast rendement van 4% over het gemiddelde vermogen gedurende het belastingjaar. Daarover wordt 30% belasting geheven.
De laatste twee boxen zijn niet belangrijk.

Voorbeeld
We laten Box 2 en 3 buiten beschouwing.
Box 1
Inkomen uit arbeid € 45.000
Inkomen uit eigen woning € 2.000
(Een percentage van de getaxeerde waarde, minus
de betaalde hypotheekrente)
Belastbaar inkomen € 47.000

Tarief, stel:
1e schijf 30% van de eerste € 10.000 = € 3.000
2e schijf 35% van de volgende € 10.000 = € 3.500
3e schijf 40% van de volgende € 20.000 = € 8.000
4e schijf 50% van de rest.

Dus hier:
1e schijf 30% van de eerste € 10.000 = € 3.000
2e schijf 35% van de volgende € 10.000 = € 3.500
3e schijf 40% van de volgende € 20.000 = € 8.000
4e schijf 50% van € 7.000 = € 3.500
Totaal € 47.000 € 18.000
Af: Heffingskortingen, stel € 2.000
Verschuldigde belasting € 16.000

Het marginale tarief/druk is het percentage dat over de laatste euro wordt betaald, dus hier 50%.
Beredeneer zelf dat als het belastbaar inkomen 100 stijgt de verschuldigde belasting stijgt met 0,5 x 100.

De heffing van 30% en 35% over de eerste 2 schijven bestaat ook uit premies Volksverzekeringen zoals AOW, stel 20%. Het maximum bedrag aan premies is dan 0,2 x 20.000 = 4.000.
Voor iemand met een hoog inkomen is dat in verhouding minder dan voor iemand met een laag inkomen.

Aftrekposten
Het marginale tarief, dwz over de laatste schijf, is 50%, dus als de belastbare som 100 stijgt, stijgt de belasting 50.
Stel dat de aftrekposten 100 hoger zouden zijn en de belastbare som dus 100 daalt, dan zou de belasting 50 lager zijn.
Iemand in de derde schijf heeft dus meer voordeel van aftrekposten dan iemand in de eerste schijf.
Aftrekposten werken dus degressief en dus denivellerend: grotere relatieve inkomensverschillen.

3.5 HET SOCIALE VERZEKERINGSSTELSEL

Collectieve sector = Overheid (Rijk, provincies en gemeenten) + sociale verzekeringinstellingen.
Sociale verzekeringinstellingen zijn o.a. de instanties die o.a. de AOW en de WW uitkeringen betalen.
Sociale zekerheid:
1. Sociale voorzieningen (geen premie, betaald uit belasting e.d.)
2. Sociale verzekeringen (betaald uit premies):
a. Volksverzekeringen (beginnen met A), voor iedereen.
Solidariteitsbeginsel: uitkering gelijk, premie hangt af van het inkomen.
b. Werknemersverzekeringen, ook niet voor zelfstandigen
Equivalentiebeginsel: uitkering zowel als premie hangen af van het inkomen.

Omslagstelsel: De uitkeringen worden bij elkaar gebracht door de huidige premiebetalers, zoals de AOW.
Omdat de AOW door steeds minder mensen voor steeds meer mensen moet worden opgebracht ontstaat uit groot probleem.
De AOW is een basisvoorziening: men kan zelf ook een aanvullend pensioen regelen. Daarvoor geldt het:
Kapitaaldekkingsstelsel: Uit de premies wordt een fonds gevormd waaruit de pensioenen worden betaald.

Nederland heeft een georiënteerde markteconomie: de overheid heeft veel invloed op de economie, zoals via de sociale zekerheid.
Daarom is het percentage dat van elke euro aan collectieve lasten zoals belasting en sociale premies wordt betaald, de collectieve lastendruk, hoog.
Waardevast pensioen: gekoppeld aan de inflatie.
Welvaartvast: gekoppeld aan de gemiddelde loonstijging.

3.6 CONSEQUENTIES VAN HET SOCIALE ZEKERHEIDSSTELSEL

De i/a ratio = Inactieven (uitkeringstrekkers) x 100%
Actieven (werkenden)
Als de sociale zekerheid te duur wordt zal deze ratio te hoog worden. Dan wordt de loonwig te groot en de collectieve lastendruk, het percentage dat van elke euro aan collectieve lasten zoals belasting en sociale premies wordt betaald, te hoog en ontstaat nog meer werkloosheid.
Een te hoge collectieve lastendruk leidt tot:
Ontduiking zoals zwart werk.
Ontwijking: legaal minder belasting betalen zoals het gaan wonen in België.
Afwenteling: hogere belastingen bij anderen in rekening brengen.
a. Als werknemers als gevolg van hogere belastingen meer loon eisen
b. Als werkgevers als gevolg van hogere lonen de prijzen verhogen, dus inflatie.

Een stelsel van sociale zekerheid leidt tot oneigenlijk gebruik.
a. Fraude, o.a. 'baaldagen'.
Daarom worden ziektedagen niet meer uitgekeerd maar moet de werkgever het loon grotendeels doorbetalen.
b. Weigering van niet-passende arbeid. Daarom is het begrip 'passende arbeid' (werk waar je op moet solliciteren) uitgebreid.
c. Zwart werk naast een uitkering.
d. Onterechte WAO-ers. Tegenwoordig geldt de WAO alleen bij 100% afkeuring.

Een hoge collectieve lastendruk leidt tot lagere loonkosten en tot mechanisatie en een slechtere internationale concurrentiepositie.
Hierdoor groeit de werkloosheid en dus weer de collectieve lastendruk.
Om de werkloosheid terug te dringen en dus de sociale zekerheid betaalbaar te houden kunnen bedrijven subsidie krijgen als zij langdurig werklozen aan een baan helpen (Melkertbaan) en bestaan er JWG banen.

1. Door het aftoppen van de prijscompensatie wordt de inkomensverdeling schever.
De prijscompensatie heeft betrekking op dat deel van de loonstijging, dat bedoeld is om de koopkracht te behouden.
2. Eén vast BTW-tarief werkt de-nivellerend op de inkomensverdeling
De diagonaal in de Lorenz-grafiek van een inkomensverdeling geeft de volkomen gelijke verdeling
3. De primaire inkomensverdeling wordt gelijkmatiger wanneer:
- iedereen 3% extra loon krijgt met een maximum van € 1.000 per jaar.
- de progressie in de loon- en inkomstenbelasting wordt verhoogd
4. De primaire inkomensverdeling wordt gelijkmatiger wanneer:
- Iedereen er 100 euro krijgt.
- Het aantal aftrekposten in het belastingstelsel wordt beperkt
5. I. De verdeling van het nationaal inkomen over loon, interest, pacht en winst noemt men de categoriale inkomensverdeling.
II. Het netto nationaal product en het nationaal inkomen zijn altijd even groot, omdat ze allebei gelijk zijn aan de totale netto toegevoegde waarde.

4 GELD, KOOPKRACHT EN INFLATIE

4.1 GELD

Directe ruil: goed - goed.
Indirecte ruil: goed – geld – goed.
Omdat directe ruil werd vervangen door indirecte ruil ontstond de behoeft aan geld.

Geld = algemeen aanvaard ruilmiddel.

Geldfuncties:
ruil- of betaalmiddel
reken- of waardemiddel
spaarmiddel.

Geld bestaat uit:
- Chartaal geld: munten en bankbiljetten.
- Giraal geld: geld op je gewone bankrekening, je rekening-courant-tegoed. Niet: spaartegoed of cheques.

Gedwongen besparingen zijn o.a. premies bij pensioenverzekeringen.
Pensioenfondsen hebben dagelijks grote bedragen te beleggen.
Zij worden institutionele beleggers genoemd.

4.2 BANKEN

ECB
Taken van de Europese Centrale Bank ECB:
1. Circulatiebank (bankbiljetten in omloop brengen).
2. Bank der banken (krediet aan banken en betaling onderling). Banken betalen elkaar via de ECB.
3. Toezichthouder op de banken
4 Hoedster van de Euro: bestrijding van inflatie.

Institutionele beleggers zoals pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen beleggen grote geldbedragen.

Banken
Primaire banken kunnen geld scheppen. Secundaire banken niet: zij kennen geen betaalrekeningen (RCT’s).
Primaire banken kunnen (giraal) geld scheppen door vergroting van de betaalrekeningen van de klanten zonder dat zij geld hebben gestort.
De klanten hebben dan geleend.
Zolang niet iedereen tegelijk zijn tegoed opneemt kan dat.
Omdat teveel geld kan leiden tot teveel vraag naar goederen en dus inflatie en een dalingvan de koopkrachtige waarde van het geld is de ECB hoedster van de Euro.

Secundaire banken lenen niet uit via vergroting van betaalrekeningen maar via uitlening van ontvangen spaargeld. Zij kunnen dus niet geld scheppen.
Hypotheekbanken zijn secundaire banken die spaargeld ontvangen doordat spaarders pandbrieven kopen. Dit zijn waardepapieren van € 1.000 met een vast rentepercentage.
De hypotheekbanken lenen het geld weer uit voor hypotheken.

Bij banken is sprake van branchevervaging door verkoop van bv. verzekeringen.

4.3 INFLATIE

Wegingsfactor
Als een schriftelijke overhoring van 6,0 1x telt en een proefwerk van 9,0 2x , dan telt het so in het totaal mee voor 1/3 deel. De wegingsfactor van het so is 1/3e.
Cijfer = 1/3 x 6 + 2/3 x 9 = 8.

Enkelvoudig prijsindexcijfer
Indexcijfer = Nieuw x 100
Oud
= Waarde in jaar x 100
Waarde in het basisjaar

In het basisjaar is het indexcijfer altijd 100.
Basisjaar 2000 2002
Prijs € 1,- 2-
Index 100 2/1 x 100 = 200.

Inflatie
De inflatie is de stijging van de prijzen van alle goederen, de stijging van de consumentenprijsindex van de gezinsconsumptie CPI (ook wel PIC).
Basisjaar 2000 2002 2003
CPI 100 120 180
Inflatie sinds vorig jaar 20% 50%

Wegingsfactor
Om de inflatie te meten moet rekening worden gehouden met de belangrijkheid van elk goed, het aandeel in de totale uitgaven, de wegingsfactor.
40 broden à € 1,- = € 40,-
10 fl. melk à € 1,- = € 10,-
Totaal € 50,- Wegingsfactor
Totale uitgaven van € 50,- = 100% = 1
Aandeel broden 40/50 x 100% = 80% = 0,8
Aandeel melk 10/50% x 100% = 20% = 0,2

De wegingsfactoren worden door het CBS gemeten via budgetonderzoeken en geven aan hoe zwaar de prijsstijging van elk goed telt.
Dit geldt ook voor het gewicht van elke enkelvoudige prijsindex in de consumentenprijsindex van de gezinsconsumptie CPI of PIC.

Gewogen prijsindexcijfer.
Basisjaar Nu
40 broden à € 1,- = € 40,- 40 broden à € 1,- = € 40,-
10 fl. melk à € 1,- = € 10,- 10 fl. melk à € 2,- = € 20,-
Totaal € 50,- € 60,-
Stijging +20%

Wegingsfactor Enkelvoudig prijsindexcijfer
Basisjaar Nu
Brood 0,8 100 100
Melk 0,2 100 200
PIC 100 ?
Inflatie ?%

PIC = Wegingsfactor x Enkelvoudig prijsindexcijfer [van elk goed].

PIC in het basisjaar : 0,8 x 100 + 0,2 x 100 = 100
80 + 20 = 100
PIC nu: 0,8 x 100 + 0,2 x 200 = 120
80 + 40 = 120
De 100% inflatie van melk telt voor 0,2e deel = 0,2 x 100% = 20% mee.

Reëel en nominaal inkomen
Inflatie is stijging van het prijspeil = daling van de koopkracht van de euro .
Als alles 2x zo duur wordt, is je inkomen reëel de helft waard.
Voorbeeld van iemand die alleen brood koopt.
Inkomen € 10 € 10 € 25
Prijs brood € 1 € 1,25 € 1,25
Aantal broden 10 8 20
Reëel inkomen € 10 € 8 € 20
+/- % -20% + 100%

Nominaal is in geld., inclusief inflatie.
Reëel inkomen is voor inflatie gecorrigeerd, exclusief inflatie
= Nominaal inkomen x 100:
PIC
Nominaal Inkomen € 10 € 10 € 25
PIC 100 125 125
Reëel inkomen € 10 € 8 € 20
(PIC = CPI = Prijsindexcijfer = consumentenprijsindex)

RIC = NIC x 100
PIC
RIC = reële inkomensindexcijfer.
NIC = Nominale inkomensindexcijfer
PIC = CPI = Prijsindexcijfer = consumentenprijsindex
Jaar 0 1 2
NIC 100 100 250
PIC 100 125 125
RIC 100 80 200
+/- sinds jaar 0 -20% +100%

Jaar 0 1 2
NIC 100 + 0% + 150%
PIC 100 + 25% + 25%
RIC 100 -20% +100%

4.4 OORZAKEN VAN INFLATIE

1. Bestedingsinflatie.
Als de vraag naar een goed stijgt, zal een bedrijf meer produc
ceren totdat de productiecapaciteit is bereikt.
Als de vraag verder stijgt wordt verkocht aan de hoogste bieder en stijgen de verkoopprijzen.
Bestedingsinflatie is prijsinflatie doordat de Totale vraag < Productiecapaciteit van een land.
Oorzaken van teveel vraag door:
a. gezinnen: consumptie door o.a. teveel kredietverstrekking dus geldschepping
b. bedrijven: investeringen door o.a. teveel kredietverstrekking dus geldvernietiging
c. overheid: door teveel overheidsbestedingen.
d. buitenland: via teveel vraag naar Nederlandse producten, de export (bestedingsinflatie door het buitenland).

2. Kosteninflatie,
Doorberekening in de prijs van hogere kosten per product, o.a.:
- Loonkosteninflatie
Doorberekening in de prijs van hogere loonkosten per product.
De loonkosten per product stijgen als de loonkosten per werknemer sterker stijgen dan de gemiddelde arbeidsproductiviteit, de productie per werknemer per tijdseenheid

- Kosteninflatie door het buitenland.
Doorberekening in de prijs van duurdere geïmporteerde grondstoffen e.d. omdat we meer moeten betalen voor buitenlands geld en dus buitenlandse producten door bv. een lagere dollarkoers t.o.v. de euro dus een lage eurokoers.
- Overheidsinflatie, bv door een hogere BTW.

3. Winstinfatie
Verhoging van de winstmarge.
Kostprijs + winstmarge = verkoopprijs.

4.5 GEVOLGEN VAN INFLATIE

Gevolgen van inflatie o.a. :
- Loon- en prijsspiraal: Hogere prijzen leiden tot hogere looneisen omdat anders de koopkracht daalt. Dit leidt weer tot loonkosteninflatie. Enz. Enz.
- Stijging van het reële inkomen (behalve bij prijscompensatie), vooral van mensen met een niet-waardevast pensioen.
Waardevast: gekoppeld aan de inflatie. Welvaartsvast: gekoppeld aan de CAO-lonen.
- Nadeel voor schuldeisers omdat zij terugbetaald krijgen met euro's met een lagere rëele waarde.
- Slechtere internationale concurrentiepositie, omdat de prijs van de export in euros stijgt.

4.6 INFLATIE BESTRIJDEN

1.Bestedingsinflatie.
a. Teveel vraag van gezinnen
- Verlaging van het netto inkomen via hogere loon- en inkomstenbelasting.
- Lagere looneisen van de vakbonden proberen te bereiken.
b. Teveel vraag van gezinnen of bedrijven
- Leningen dus geldschepping afremmen via lagere rente. Dit gebeurt door ECB.
ECB leent aan de banken als zij kasgeld tekort hebben. Als de banken zullen een hogere rente van ECB doorberekenen aan hun klanten die dan minder lenen en minder kopen, dus vragen.
c. Teveel vraag van de overheid
Verlaging van de overheidsbestedingen.
d. Teveel vraag van het buitenland.
Verhoging van de koers van de euro.
Het buitenland moet dan meer betalen voor Nederlands geld en dus Nederlandse producten. Dan daalt de vraag.

2. Kosteninflatie,

- Loonkosteninflatie o.a.
Lagere looneisen van de vakbonden proberen te bereiken.
Kosteninflatie door het buitenland.
- Overheidsinflatie, bv door een lagere BTW.

3. Winstinfatie
Verhoging van de winstmarge beperken via voorschriften.

Landen met de euro zijn lid van de Europese Monetaire Unie.
Voordelen van de euro: geen koersrisico's, geen omwisselingskosten en lagere prijzen door meer concurrentie door betere mogelijkheid tot prijsvergelijking.
Convergentiecriteria van de EMU:
Een financieringstekort niet hoger dan 3% van het Bruto Binnenlands Product (het Nationaal Inkomen).
Een financieringstekort niet hoger dan 3% van het BBP.
Een overheidsschuld van minder dan 60% van het BBP.
Een inflatie die niet 1,5% hoger is dan in de drie EU landen met de geringste geldontwaarding.

1. Als het PIC stijgt van 120 naar 132 is de inflatie:
12%
110%
2. Enkelvoudige prijsindex = P nu / P ih basisjaar x 100.
Wegingsfactor wf = uitgaven aan een goed : totale uitgaven (in het basisjaar).
3. Ieder mens heeft andere wegingsfactoren.
De wegingsfactoren en het basisjaar worden elke 5 jaar aangepast om rekening te houden met nieuwe producten.
4. Wf goed A = 0,8, wf B = 0,2. Prijs A +20% , B +45%:
§ PIC = 125.
§ Inflatie 125 %.
5. Inflatie = stijging van het prijspeil = stijging van het CPI = daling van de koopkrachtige of reële waarde van de euro.
Inflatie = daling van de eurokoers.
6. Als de vraag naar een goed stijgt, zal een bedrijf eerst meer produceren totdat de productiecapaciteit is bereikt en dan de prijs verhogen.
Kenmerken van overbesteding: bestedingsinflatie en loonstijgingen.
7. Bestedingsinflatie is prijsinflatie doordat de EV > Productiecapaciteit, bv. meer consumptie of meer investeringen door meer krediet of door meer export.
De loonkosten per product stijgen als de loonkosten per werknemer sterker stijgen dan de gemiddelde arbeidsproductiviteit, de productie per werknemer per tijdseenheid
8. Stel loon 100 apt 100 stuks. Als het loon 21% stijgt en de apt 10%, worden de loonkosten per product 1,11.
Een stijging van de loonkosten per product stimuleert mechanisering dus kwantitatieve structurele werkloosheid en loonkosteninflatie.
9. Loonkosteninflatie is doorberekening in de verkoopprijs van hogere loonkosten.
De loonkosten per product stijgen als de loonkosten per werknemer sterker stijgen dan de gemiddelde arbeidsproductiviteit, de productie per werknemer per tijdseenheid
10. Geïmporteerde kosteninflatie: Doorberekening in de prijs van duurdere geïmporteerde grondstoffen e.d. door bv. een lagere dollarkoers t.o.v. de euro of omgekeerd.
Overheidsinflatie, bv door een hogere BTW.
11. Gevolgen van inflatie: Minder koopkrachtige of reële waarde van de euro en het inkomen (behalve bij prijscompensatie), vooral voor mensen met een niet-waardevast pensioen.
Inflatie is daling van de eurokoers.
12. Huiseigenaren met hypotheken profiteren dubbel van inflatie omdat het huis meer waard wordt en de schuld reëel steeds minder.
De overheid heeft via de staatsschuld nadeel omdat zij terugbetaald krijgt met euro’s met een lagere reële waarde.
13. Inflatie leidt tot een lagere nominale rente.
Inflatie leidt tot een slechtere internationale concurrentiepositie, omdat de prijs van de export in euro’s stijgt.
14. Als de prijzen 50% stijgen, daalt je koopkracht 50%.
Reëel = exclusief inflatie of: in koopkracht..
15. Gegeven: Nominale inkomen steeds € 10,-. Inflatie 25%.
Reëel inkomen € 10 : 125 x 100 = € 8,-. (-20%).
Reëel inkomensindex RIC = NIC/ PIC x 100 = 75.
16. Indexcijfer = Waarde in jaar x 100
Waarde in het basisjaar
Reëel inkomen = secundair inkomen.
17. Gegeven 1995 1996
Inkomen 24.000 30.000
PIC 110 117
De inflatie was in 1996 7%.
Het reële inkomen is in 1996 18% gestegen.
18. Gegeven: Het inkomen stijgt van 100.000 naar 110.000, het PIC steeg van 120 naar 126.
§ De inflatie was 6%.
§ Het reële inkomen steeg 5,00 %.

Kerneconomie deel I H. 2 versieA

5 OVERHEID

Economische orde: betreft economische beslissingen. Wie, wat waar en hoe wordt geproduceerd.

Vormen:
Planeconomie of Centraal geleide economie: Overheid beslist via plannen. Productiefactoren zijn staatseigendom (genationaliseerd). (Omgekeerde: privatisering).
Nadelen:
Geen ruimte voor eigen initiatieven en veel bureaucratie

Markteconomie: Vraag en aanbod ('de ruilverkeers-huishouding) beslist. Hoe schaarser hoe duurder hoe meer aanbod hoe lager de prijs.
Voordeel:
Efficiënte productie door concurrentie.
Nadelen:
Geen productie van collectieve goederen omdat deze niet splitsbaar zijn.
Negatieve externe effecten als milieuvervuiling zijn niet in de prijs verwerkt.
Gemengde economie. Markteconomie met flinke overheidsinvloed. (Nederland).
De overheidsproductie gebeurt via het budgetmechanisme: Door middel van budgetten, door het parlement vastgesteld.

5.1 DE OVERHEID

Collectieve sector
Collectieve sector = overheid + sociale verzekeringsorganen.
Overheid = Rijk, provincies en gemeenten.

Sociale zekerheid = sociale verzekeringen + sociale voorzieningen.
Sociale verzekeringen (betaald uit premies)
a. Volksverzekeringen uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank.
b. Werknemersverzekeringen (alleen voor werknemers dus niet voor zelfstandige ondernemers, uitgevoerd door bedrijfsverenigingen.
Sociale voorzieningen zijn uitkeringen die niet uit premies maar uit de schatkist worden betaald. bijv. bijstandsuitkeringen, uitgevoerd door de gemeentelijke overheid (sociale dienst).

Advies en belangenorganisaties
SER: adviesorgaan.
CPB: maakt o.a. de Macro Economische Verkenningen, een voorspelling van gevolgen van beleidmaatregelen.
Dit doet men via computermodellen: vereenvoudigde weergaven van de werkelijkheid.
CBS: verzamelt gegevens, o.a. via budgetonderzoeken.

5.2 DE FUNCTIES VAN DE OVERHEID

Bedrijfskosten
+ Externe effecten (niet in de prijs verrekende kosten, betaald door de overheid uit de algemene middelen, zoals milieuvervuiling)
= Maatschappelijke kosten van de productie.

Functies van de overheid
De besluitvorming van de Nederlandse overheid is gebaseerd op het budgetmechanisme: de goederen worden niet geproduceerd via vraag en aanbod, het marktmechanisme, maar via de begoting, het budget van de overheid.
1. Allocatiefunctie: Sturen wat wordt geproduceerd, dus waarvoor de productiefactoren worden bestemd. Manieren:
a. Zelf collectieve goederen produceren: goederen waarvoor e niet apart kunt betalen, bv. straatverlichting. Daarom moeten deze worden betaald uit de algemene middelen.
b. Zelf semi-collectieve goederen produceren: goederen waarvoor je wel apart kunt betalen en die de bedrijven dus ook hadden kunnen produceren maar onder de kostprijs worden
aangeboden om hierna vermelde sociale redenen.
c. Zelf zuiver individuele goederen te produceren. De gebruiker betaalt de gewone prijs. Bv. aardgas.
Door deze staatsmonopolies worden particuliere machtsposities voorkomen. Een aantal is overgedragen aan de particulier sector om via meer concurrentie de productie efficiënter te laten verlopen. Bv. N.S..
d. Door de productie van bedrijven:
- Via subsidies goedkoper te maken, bv. kunst. Dit zijn bemoeigoederen of meritgoederen omdat de overheid vindt dat we ze moeten consumeren, bv. kunst en sport.
- Via accijnzen duurder te maken., bv. alcohol. Dit zijn demeritgoederen.
Sociale redenen om als overheid semi-collectieve goederen en individuele goederen aan te bieden: o.a.:
- iedereen moet er gebruik van kunnen maken
- positieve externe effecten zoals een goed geschoolde bevolking.

2. Stabilisatiefunctie: stabiliseren van de groei.

Als een land voor € 100 mrd kan produceren en er voor € 100 mrd wordt gekocht is er bestedingsevenwicht.
Als er maar voor € 80 mrd produceert omdat er niet meer gekocht wordt, is er onderbesteding, laagconjunctuur (baisse) en werkloosheid door onderbesteding: conjuncturele werk-loosheid.
Conjunctuur is de op- en neergaande beweging van de economie door verandering van de bestedingen.
. De productie kan dan stijgen via conjunctuurbeleid:
a. door meer bestedingen, dus via de vraagzijde van de economie. Middelen:
- Belastingverlaging, zodat de mensen meer consumeren. Dus meer overheidsinkomsten.
- Meer overheidsbestedingen. Dus meer uitgaven.
Een nadeel van deze twee middelen is dat de overheid een tekort krijgt, dat moet worden geleend.
- renteverlaging door de ECB, zodat er meer geleend (dus meer giraal geld wordt geschapen) en dus meer gekocht wordt.
Een nadeel hiervan is dat de koers van de Euro daalt.

Als er teveel vraag is, raakt de economie oververhit.
Dan ontstaat er inflatie door overbesteding, hoogconjunctuur (hausse).
De koopkracht van de euro stijgt dan.
De middelen moeten dan tegengesteld worden gebruikt.

3. Herverdelingsfunctie: van de primaire inkomens
Via progressieve belastingen (steeds hoger percentage) en via uitkeringen aan mensen met een laag inkomen en o.a. huursubsidies.

Collectieve lasten
Collectieve sector = overheid + sociale zekerheidsorganen.
De inkomsten van de collectieve sector, de collectieve lasten,
bestaan uit:
a. Overheidsinkomsten: belastingen en niet-belastingen, zie hierna.
b. Inkomsten van de sociale verzekeringsorganen: sociale premies.

1. Belastingen
Belastingen zijn gedwongen betalingen aan de overheid zonder directe tegenprestatie (van de overheid). Daarom is schoolgeld geen belasting maar een retributie, een bijdrage.
Belastingbeginselen:
Met het draagkrachtbeginsel bedoelt men dat iemand met een hoog inkomen meer belasting moet betalen.
Het profijt beginsel houdt in dat de overheid verband legt tusen de diensten die zij aan een individu levert en de hoogte van de heffing die zij vaststelt., bv. schoolgeld.

a. Directe belastingen, o.a.:
Inkomstenbelasting (over pacht, intrest huur en winst)
Loonbelasting (werknemers)
Vennootschapsbelasting (winst van NV's en BV's)
Vermogensbelasting (Vermogen = Bezittingen – Schulden).

b. Indirecte belastingen
Over goederen (en diensten), o.a.
Accijnzen
Invoerrechten (over buitenlandse goederen)
BTW.

Een ondernemer moet afdragen de BTW over de toegevoegde waarde maar de consument betaalt.
Voorbeeld (bedragen excl. BTW)
Inkopen 40 Omzet 70
Loonkosten 25
Winstsaldo 5 .
70 70
De toegevoegde waarde is 70 – 40 = 30.
Stel de BTW is 10%.
Ontvangen BTW van de consument 7
Betaalde BTW aan de leverancier 4 -
Af te dragen 3
Dit is 10% van € 30, de toegevoegde waarde.

Prijs excl. 10% BTW = 100% = 70
BTW 10% = 7
Prijs incl. BTW= 110% = 77

2. Niet-belastingen
Bv. aardgasbaten en retributies.
Retributies zijn betaling aan de overheid met direct aanwijsbare tegenprestatie (van de overheid), bv. schoolgeld.

Inkomsten van de sociale verzekeringsorganen: sociale premies

Collectieve uitgaven
De uitgaven van de collectieve sector, de collectieve uitgaven,
bestaan uit:

Overheidsuitgaven
a. Overheidsbestedingen
Overheidsbestedingen leggen beslag op de productiecapaciteit: de overheid krijgt er producten van bedrijven en diensten van ambtenaren voor terug. Zij worden verdeeld in overheids-consumptie bv. krijt en overheidsinvesteringen bv. wegen.

b. Overdrachtsuitgaven (inkomensoverdrachten)
Inkomensoverdrachten via de overheid zijn o.a. bijstandsuitkeringen.
Een groot deel van de uitgaven bestaat uit rente en aflossing van de staatsschuld.

Uitgaven van de sociale verzekeringsorganen:
Sociale verzekeringsuitkeringen, o.a. AOW- en WW.

5.5 DE OVERHEIDSBEGROTING

In de begroting staat hoe de overheid geld wil uitgeven.
In de MEV van het CPB worden de gevolgen hiervan voorspeld.
Plannen is moeilijk o.a.:
1. Bv. de studiefinanciering is een open einde regeling: het maximum is niet vast te stellen.
2. Tegenvallende prognoses en dus lagere inkomsten.

Financieringstekort en staatsschuld
Als je 10 leent en 8 aflost, stijgt je schuld met 2.
Vb. Overheidsinkomsten 100, overheidsuitgaven 110 (inclusief aflossing staatsschuld 8).
Begrotingstekort: uitgaven > inkomsten, dus 10.
Financieringstekort = begrotingstekort - aflossing staatsschuld = toename staatsschuld, 10 - 8 = 2.
Geleend het begrotingstekort van 10, afgelost 8, dus per saldo geleend het financieringstekort van 2.
Stel oude staatsschuld 500. Nieuwe staatsschuld 502.
Een stijgende staatsschuld betekent:
- Meer lenen door de overheid, dus meer vraag op de kapitaalmarkt dus lagere rente dus
a. Minder investeringen dus structurele werkloosheid.
b. Hogere rentekosten voor bedrijven (en hogere prijzen).
- Rentelast die andere overheidsuitgaven verdringt.
Voor de deelname aan de Euro gold een norm van o.a. een maximale staatschuldquote van 60%.
Staatsschuldquote: Staatsschuld x 100%
Nat. Inkomen.

Financieringstekort en rentepeil.
Als het financieringstekort stijgt, bv. omdat de overheid de economie stimuleert door veel uit te geven, moet de overheid meer lenen en stijgt de vraag naar krediet op de kapitaalmarkt.
Dan stijgt het rentepeil.

(De minister van Financiën kan niet de middelen verkrijgen om het tekort te financieren door kortlopend te lenen op de geldmarkt.)

Gulden financieringsregel.
Lenen voor een huis is normaal, voor een vakantie niet.
Volgens de euro financieringsregel mag de overheid wel lenen voor investeringen maar niet voor consumptie: het land houdt er niets aan over.

De overheid voert verschillende soorten beleid:
Begrotingsbeleid. Bv. meevallers alleen gebruiken voor aflossing op de staatsschuld. Of: anticycyclisch begrotingsbeleid. (Zie par. 5.5.).
Inkomensbeleid: veranderen van de inkomensverschillen
Loonbeleid: beperking van de lonen.
Mededingingsbeleid: bevorderen van de concurrentie. O.a. bestrijden van prijsafspraken.

1. Gemengde economie. Een vrije markteconomie met flinke overheidsinvloed.
Quasi-collectieve goederen hadden ook door het bedrijfsleven geproduceerd kunnen worden.
2. De betaling van de overheidsgoederen vindt plaats via het (democratisch) budgetmechanisme.
Allocatiefunctie: bv. via tabaksaccijns.
3. Collectieve goederen moet de overheid wel produceren
Quasi-collectieve goederen zoals aardgas worden gedeeltelijk door de overheid betaald.
4. Sociale zekerheid: Volksverzekeringen en Werknemersverzekeringen
Retributies zijn een soort koopsom en zijn dus geen belastingen.
5. Bij overheidsbestedingen koopt de overheid iets.
Collectieve lasten bv. uitkeringen.
6. Collectieve lasten drukken op de burgers.
Een hoge collectieve lastendruk leidt tot hogere loonkosten en tot structurele werkloosheid door het verdwijnen van rendabele arbeidsplaatsen.
7. De particuliere sector is het draagvlak van de collectieve sector omdat zij de lasten moet opbrengen.
Loonwig = brutoloon - collectieve lasten.
8. Afwentelen is bv. hogere loonkosten per product doorberekenen in de prijs.
Ontduiken en ontwijken is stafbaar.
9. De inkomstenbelasting is progressief: meer belasting als het inkomen stijgt. Oorzaken: de aftrekposten en de premie Volkverzekeringen.
De Miljoenennota is een toelichting op een wetsontwerp..
10. Bruto inkomen 60.000, aftrekposten 10.000, Heffingskorting 1.000.
Eerste schijf 40.000 40%, tweede schijf 40.000 50% en derde schijf (boven 80.000) 60%.
. De heffing is 20.000.
. Netto inkomen is 30.000.
11. Voordeel van de aftrekposten = 0,50 x10.000.
Aftrekposten werken nivellerend.
12. Stel de premie volksverzekeringen is 30% van de eerste schijf
. Maximale premiebedrag 12.000,-
. De premie werkt nivellerend.
13. De premie volksverzekeringen is progressief
De inkomstenbelasting werkt progressief door het schijventarief.
14. Financieringstekort = begrotingstekort - aflossing staatsschuld
Begrotingstekort = toename staatsschuld.
15. Overheidsinkomsten 100, overheidsuitgaven 112 inclusief aflossing staatsschuld van 20.
De overheid leent bruto 12 maar lost netto 8 af
Financieringssaldo -12.
16. De overheid exporteert en ontvangst de exportopbrengsten..
Deregulering betekent minder regeltjes
17. Nationalisering is het tegenovergestelde van privatisering.
Een stijgend financieringstekort leidt tot minder conjuncturele werkloosheid maar leidt tot meer vraag op de kapitaalmarkt.
18. Een hoge rente leidt tot meer (buitenlandse) beleggingen, minder investeringen en meer kwantitatieve structurele werkloosheid.
Een verlaging van de collectieve lastendruk bestrijdt zowel conjuncturele als structurele werkloosheid.
19. Een stijgende staatsschuld betekent meer rentebetalingen en aflossing zodat er minder geld is voor andere uitgaven.
Een stijgende staatsschuld betekent meer vraag naar leningen dus een hogere rente.
20. Kwantitatieve structurele werkloosheid : door een (relatief) tekort aan rendabele arbeidsplaatsen door meer arbeidsaanbod door meer inschrijvingen als werkloze of minder rendabele arbeidsplaatsen o.a. door mechanisering doordat de loonkosten sterker stijgen dan de arbeidsproductiviteit.
Maatregelen tegen kwantitatieve structurele werkloosheid: Verkleining van het aanbod door stimulering van ATV, VUT, deeltijdarbeid
21. Maatregelen tegen kwantitatieve structurele werkloosheid: Vergroting van de arbeidsvraag door stimuleren van bedrijfsinvesteringen, verkleinen van de wig.
Als het loon 21% stijgt en de apt 10%, stijgen de loonkosten per product 11%.
22. Multipliereffect: Bv. O stijgt, Y stijgt, C stijgt Y stijgt C stijgt, Y stijgt enz..
Door de hogere Y stijgen de belastingopbrengsten en dalen de uitkeringen en wordt weer wat terugverdiend.
23. Loonstijging > stijging apt leidt tot hogere loonkosten per product, mechanisering en doorberekening in de prijzen, dus tot een verslechtering van de internationale concurrentiepositie.
Werkloosheid leidt tot WW-uitkeringen dus hogere WW-premies en hogere loonkosten enz..
24. Bezuinigen maakt verlaging van de (loon)belasting mogelijk dus lagere loonkosten, minder mechanisatie enz..
Koppeling: als de uitkeringen de CAO-lonen in het bedrijfsleven zouden volgen.
25. Collectieve sector = Overheid (Rijk, provincies en gemeenten) + sociale verzekeringinstellingen.
Sociale zekerheid:
Sociale voorzieningen (geen premie, betaald uit belasting
e.d.)
26. Men spreekt van negatieve externe effecten als de productie of consumptie:
. nadelig is voor de welvaart en dat het niet in de prijs van het goed verwerkt is
. nadelig is voor het welzijn.

Kerneconomie deel I H. 7 en H. 9 versie A

6. CONSUMEREN

Schaarste en welvaart
Een land kan niet alles maken wat de mensen wel zouden willen hebben: er is een tekort aan productiemiddelen (en tijd).
Omdat er niet voldoende productiefactoren zijn om in alle behoeften te voorzien is er spanning tussen behoeften en middelen om in de behoeften te voorzien: schaarste.
Door deze schaarste ontstaan prijzen en vraag en aanbod (keuzegedrag) van productiefactoren en consumptiegoederen en dus handel, de kern van het vak economie.
Hoe schaarser een goed hoe duurder.
Goederen leiden tot plezier of liever bevrediging.
Welvaart is de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien via schaarse productiemiddelen, zoals arbeid of natuur en vrije tijd.
Genieten van de natuur is dus welvaart.
Welzijn kost geen schaarse productiemiddelen, bv. vriendschap.

De welvaart van een land wordt gemeten via het reeel (koopkrachtig) inkomen per inwonen.
Nadelen:
Het zegt niets over bv. de inkomensverdeling of de informele (niet geregistreerde) economie.

Het doel van de economische wetenschap is:
het bestuderen van de schaarste en de keuze die daaruit voortvloeit

6.2 VRAAGFACTOREN

De vraag naar een product
Vraagfactoren:
a. Prijs van het product
b. Overige factoren:
- Prijs van andere goederen
- Inkomen (budget)
- Behoeften
- Aantal vragers

De collectieve vraagvergelijking
geeft het verband weer tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid van alle vragers.
p softijsje aantal dat je per week zou kopen
in glds in april in mei
1 5 6
2 4 5
3 3 4
Voor april geldt qv = - p + 6.
Voor mei geldt qv = - p + 7.
Als in april q stijgt van 4 naar 5 door een prijsdaling van 2 naar 1, is er een 'verschuiving langs' de vraaglijn, dwz een ander punt op de lijn.
Als in mei q stijgt van 4 naar 5 (bij dezelfde prijs van 2)
verschuift de vraaglijn naar rechts en wordt qv = -p + 7.
Dan is niet meer voldaan aan de ceteris-paribus voorwaarde.
De ceteris-paribus voorwaarde
houdt in dat dit verband geldt onder de voorwaarde dat de overige omstandigheden (vraagfactoren) gelijk blijven, zoals de behoeften en dus het weer.
Bij de collectieve vraaglijn gaat het niet om 1 maar om alle kopers. De collectieve vraaglijn is de optelsom van alle individuele vraaglijnen en verschuift dus ook door een verandering van het aantal consumenten.

Prijselasticiteit van de vraag Ep
Herhaling
6 = 3 dus 6 = 3 x 2
2
X = 3 X = 3 x 2 = 6
2

Prijselasticiteit van de vraag Ep is een verhoudingsgetal dat weergeeft hoeveel procent qv verandert als p 1% stijgt.:
hoe sterk qv reageert op een prijsverandering.
Als p 1% en qv daarvoor 2% daalt (-2% verandert dus –2 keer zo sterk verandert) is de elasticiteit – 2.

Ev = Procentuele verandering qv = - 2% = - 2
Procentuele verandering p +1%

Ev = % qv dus % qv = Ep . %p
% p

p qv
Oud Nieuw Oud Nieuw
1,00 1,01 100 98
%p %q
1/100 . 100% = 1% -2/100 . 100% = -2%
Ev = -2% = -2.
+1%
Als qv sterker verandert dan p is de teller > noemer en is Ep groter dan 1 (afgezien van de min)
Dan is qv elastisch.
Als qv minder sterk verandert, dus als qv prijsongevoelig is, is qv inelastisch.

Totale opbrengst of totale omzet TO = p . q
De TO zal in de twee voorbeelden dalen omdat q procentueel sterker daalt dan p steeg: TO = p . q
- + --
Een product met korting is elastisch.

Zo zal omgekeerd een prijsstijging leiden tot een omzetstijging als qv inelastisch is: TO = p . q
+ ++ -
Door bv. zegeltjes wordt een product inelastischer.

Hoe elastischer, hoe groter de reactie van qv op p, hoe horizontaler de vraaglijn.

Als de p van shag stijgt, daalt de qv van shag.
Als de p van shag stijgt, daalt ook de qv van het aanvullende goed vloei ook. De q van het concurrerende goed sigaretten zal stijgen.

P shag q shag q vloei q sigaretten
+ - - +

6.3 DE GEVOLGEN VAN CONSUMPTIE

Van jouw gettoblaster op het strand geniet jij: jouw welvaart stijgt. Die van anderen soms maar meestal niet. Hun welvaart (genieten van de uitgaven voor een dagje strand) verandert ook. Dit zijn positieve of negatieve externe effecten.
Hetzelfde geldt voor meeroken, een voetbal, vuurwerk of milieuvervuiling
Duurzame economische ontwikkeling houdt rekening met toekomstige generaties.
Consumentenorganisaties als de Consumentenbond en de Alternatieve Konsumentenbond proberen de consument kritischer te maken of te streven naar een duurzame en rechtvaardige samenleving.
Consumentensoevereiniteit: de consument beslist.

6.4 DE ROL VAN DE OVERHEID

In een georiënteerde economie als de Nederlandse wordt de productie bepaald door het marktmechanisme maar stuurt de overheid bij.
Bv. openbaar vervoer wordt gestimuleerd en roken wordt afgeremd.
Via het consumentenbeleid wordt de consument beschermd, bv. via de Warenwet en de Colportagewet.
Via de Wet Economische Mededinging wordt de mededinging (concurrentie) bevorderd en dus hogere prijzen. Kartels die niet in het belang van de consument zijn, zijn verboden.
Via het prijsbeleid en maximumprijzen wordt de consument beschermd tegen o.a. te hoge huren.

1. Kraanwater is schaars omdat je met de daarvoor gebruikte productiemiddelen ook andere producten had kunnen maken.
De schaarste van een goed komt tot uitdrukking in de prijs.
2. Een bos is een vrij goed.
Milieuvervuiling heeft te maken met welzijn en niet met welvaart.
3. Iemand met een laag inkomen is niet welvarend.
Omdat er niet voldoende productiemiddelen zijn om in alle behoeften te voorzien (schaarste) ontstaan prijzen.
4. Welvaart in enge zin: Reëel Nationaal Inkomen per hoofd van de bevolking.
Welvaart in enge zin houdt rekening met milieuvervuiling.
5. Waterzuivering leidt tot meer welvaart door meer productie en meer welvaart door een schoner milieu.
Met (schaarse) productiefactoren worden goederen geproduceerd die leiden tot welvaart in ruime ‘zin: de mate van behoeftebevrediging door schaarse goederen, een niet meetbaar gevoel.
6. Nationaal inkomen NI: het totale primaire (bruto) inkomen in een land in een jaar LPIW. Dit is wel meetbaar en internationaal te vergelijken.
Om rekening te houden met inflatie en bevolkingsomvang kijkt men naar het begrip reëel NI / bevolking, (per hoofd), de welvaart in enge zin.
7. Bij de berekening van het nationaal inkomen door het CBS wordt rekening gehouden met:
- inkomen in natura,
- zwart, of onbetaald werk.
8. Bij de welvaart in enge zin wordt rekening gehouden met de inkomensverdeling en negatieve externe (onbetaalde) effecten bv. onbetaalde milieuvervuiling
Omdat er niet voldoende productiemiddelen zijn om in alle behoeften te voorzien (schaarste) ontstaan prijzen.
9. Hoe duurder een goed hoe schaarser: hoe meer productiemiddelen het kost.
Voor een schaars goed is een productiemiddel, bv. grondstof, opgeofferd dat ook voor een ander goed gebruikt (aangewend) had kunnen worden.
10. De vraaglijn is dalend: als de prijs daalt, stijgt de gevraagde hoeveelheid.
qv = -p + 10 (p = prijs in euro’s, qv = gevraagde hoeveelheid x 1 miljoen). Als p daalt van 5 naar 4 daalt de opbrengst van alle ondernemers 1 miljoen.
11. qv = -p + 10 Als p steeds 5 is en qv toch stijgt, dan is een van de overige vraagfactoren veranderd, bv. de prijs van een ander goed.
De collectieve vraaglijn verschuift als qv verandert bij eenzelfde prijs. Dan is niet meer voldaan aan de ceteris paribus voorwaarde: de overige factoren worden constant verondersteld.
12. Prijselasticiteit van de vraag E is een verhoudingsgetal dat aangeeft hoeveel procent qv verandert als de prijs 1% stijgt.
Een Prijselasticiteit van de vraag Ev van -10 betekent dat qv 10% daalt als de prijs 1% stijgt
13. Ev = Procentuele verandering p
Procentuele verandering qv
Als Ev = -1,2 en p stijgt 12% dan daalt q 10%.
14. De Totale Opbrengst stijgt als qv procentueel sterker is gedaald dan p procentueel is gestegen.
Als qv procentueel sterk reageert op bv. een verandering van p, dan is de vraag naar dat goed inelastisch.
15. Ev = -2. Een prijsstijging leidt dan tot een omzetstijging.
Als de prijs van goed X stijgt, daalt de vraag van een substitutiegoed (concurrerende goed).

Kerneconomie deel I thema markten, toets A..

7. INTERNATIONALE HANDEL

7.1 INTERNATIONALE HANDEL

Export (van goederen of diensten) = verkopen aan het buitenland (kopen, besteden door het buitenland) en leidt tot betaling van (vreemd) geld, deviezen.

Om te kunnen importeren moet een land exporteren zodat er deviezen (vreemd geld) wordt verdiend.

Nederland heeft een open economie: relatief veel export en import, dus een hoge export- en importquote, samen de handelsquote.
Exportquote = Exportwaarde x 100%
Nationaal Inkomen
Waarde = hoeveelheid x prijs.
Importquote = Importwaarde x 100%
Nationaal Inkomen
Handelsquote = Export- + Importwaarde x 100%
Nationaal Inkomen
Een hoge handelsquote betekent een gesloten economie.

Reden voor internationale handel o.a.: Een land maakt iets niet zelf maar koopt het van een land dat goedkoper is.
Oorzaken: o.a. het is gespecialiseerd in een product, bv. Japan in camera's. De arbeidsproductiviteit is dan hoog en de loonkosten per product zijn dan laag.

7.2 DE BETALINGSBALANS

Je inkomsten en uitgaven zou je kunnen bijhouden als volgt
Zakgeld € 100 Uitgaan € 80
Saldo € 20
€ 100
Je materiële saldo is + 20.
De rekening is dan (formeel) in evenwicht.

De betalingsbalans is een soortgelijke rekening van een land (let op: niet de overheid).
Dit is een overzicht van alle ontvangsten en betalingen van de overheid met het buitenland over een jaar en bestaat uit de lopende rekening (eerste 3 rekeningen), de kapitaalrekening en de goud- en deviezenrekening.
Goederenrekening Saldo 2
Dienstenrekening Saldo 1
Primaire inkomensrekening Saldo 1
Inkomensoverdrachtenrekening Saldo 3 +
Inkomensrekening 4
Lopende rekening Saldo 5

Kapitaalrekening Saldo 1 +
Materiële betalingsbalanssaldo 6

Verandering officiële reserves (internationale
betaalmiddelen zoals de dollar) +6

Niet alleen goederen maar ook diensten (bv. onderdak) kunnen worden verkocht.
De inkomensrekening bestaat uit
de primaire inkomensrekening en
de Inkomensoverdrachtenrekening.
Primair inkomen is loon, pacht, intrest, huur en winst (bv. dividend op buitenlandse aandelen).
Inkomensoverdrachten zijn o.a. schenkingen en de EU-contri-butie.
De kapitaalrekening bestaat uit:
de vermogenoverdrachtenrekening (ontwikkelingshulp voor investeringen) en
de financiële rekening: buitenlandse beleggingen van spaargelden en investeringen door bedrijven in fabrieken e.d..

In balansvorm:
Goederenrekening .
Exportopbrengsten 2 Importbetalingen. 0

Dienstenrekening .
Ontv. ivm verleende diensten Betalingen ivm ontvangen
b.v. transport ed 1 diensten, bv. toerisme ed 0

Inkomensrekening .
Ontvangen intrest van uitge- Bv. winst van buitenlandse
leend (belegd) kapitaal enz. 4 bedrijven 0

Kapitaalrekening .
Kapitaalimport (buitenlandse Nederlandse beleggingen
landse beleggingen, ontvan- in het buitenland, betaalde
gen leningen, aflossingen) 1 aflossingen enz 0

Goud en deviezenrekening (salderingsrekening)
Toename 8
8 8

Formeel evenwicht: boekhoudkundig via boeking van het materiele saldo aan de kleinste kant.
Materieel evenwicht: evenwicht: ' echte' evenwicht.

7.3 PROTECTIE, DE ROL VAN DE OVERHEID

Protectionisme: bescherming van de binnenlandse economie tegen het buitenland.
Protectie bevordert de internationale concurrentie.
Daardoor blijven inefficiënte bedrijven bestaan.
Dus te dure producten voor de consument.

Motieven:
- bescherming binnenlandse werkgelegenheid.
- bescherming jonge industrie.
- bescherming tegen dumping (onder de kostprijs)
- bewaren onafhankelijkheid.

Instrumenten:
a. Tarifaire belemmeringen, via de prijs:
1. Invoerrechten.
Een importeur moet een heffing betalen over buitenlandse producten, zodat buitenlandse producten kunstmatig duurder worden.
2. Subsidies
Nederlandse bedrijven kunnen de prijs verlagen en dus beter concurreren.

b. Non-tarifaire belemmeringen, niet via de prijs:
1. Importcontingenten of invoerquota (maximale importhoeveelheden dus minder concurrentie).
2. Invoerverbod
3. Administratieve belemmeringen (douaneformaliteiten)
4. Kwaliteitseisen.

Gevolgen o.a.
- Handelsconflicten (andere landen doen hetzelfde)
- Inflatie.
Door invoerrechten worden producten hier goedkoper.

7.4 DE WISSELKOERS

Wisselkoers: de prijs van een valuta (munt) in euro's.

Een Nederlander zal vreemd geld omruilen in euro's als hij vreemd geld heeft ontvangen.
Dit geldt bij verkoop aan het buitenland, bij export.
Daarom leidt een toename van de export(ontvangsten) uit het buitenland tot een vraag naar euro's en een hogere prijs van de euro in o.a. de dollar.
Hetzelfde geldt als een Nederlander (of een Nederlandse bank) vreemd geld heeft ontvangen omdat een buitenlander hier kapitaal heeft belegd (gespaard) , omdat de rente hier hoog is.

Omgekeerd geldt dat een Nederlander euro's zal omruilen in vreemd geld als hij vreemd geld moet betalen.
Dit geldt bij koop uit het buitenland, bij import.
Daarom leidt een toename van de import(betalingen) tot een aanbod van euros en een lagere eurokoers.
Hetzelfde geldt als een Nederlander (of een Nederlandse bank) vreemd geld koopt om in het buitenland te beleggen, omdat de rente daar hoog is.

Kortom:
Geld uit het buitenland: koers stijgt.
Geld naar het buitenland: koers daalt.

Appreciatie: koersstijging door vraag en aanbod.
Depreciatie: koersdaling door vraag en aanbod.

Koersschommelingen
betekenen onzekerheid hoeveel vreemd geld opbrengt en maakt handel met het buitenland onzeker en riskant.
Dit belemmert de internationale handel.
Daarom worden afspraken gemaakt over vaste wisselkoersen, zoals in de EU in het verleden.

7.5 ECONOMISCHE SAMENWERKING IN EUROPA.

Hoe internationaler een bedrijf, hoe groter en hoe goedkoper.
Door Europese samenwerking kunnen bedrijven dus beter concurreren met o.a. de VS.

De Euro maakt internationaal handelen gemakkelijker:
- Geen omwisselingskosten;
- Geen koersrisico's.

De landen die meedoen aan de euro vormen de Europese Monetaire Unie, de EMU.
Een EU-land als Groot Brittannië neemt niet deel aan de euro.

De koers van een munt hangt af van de vraag er naar door o.a. beleggers, die letten op de economische situatie in een land.
Om koersschommelingen te voorkomen moest daarom het economisch beleid één worden.
Om aan de euro mee te kunnen doen golden een aantal voorwaarden (convergentiecriteria).

1. Nederland heeft een open economie: relatief veel export en import, dus een hoge export- en importquote.
Waarde = prijs x hoeveelheid.
2. Exportquote = Exportwaarde x 100%
Importwaarde
Ruilvoet = Prijspeil export x 100
Prijspeil import
3. Een betere ruilvoet is nadelig.
Exportquote = 0,1, E = 500. Dus Y = 50.
4. Export (van goederen of diensten) = verkopen aan het buitenland (kopen, besteden door het buitenland) en leidt tot ontvangst van (vreemd) geld, deviezen.
Om te kunnen importeren moet je deviezen verdienen via export of door deviezen lenen.
5. Exportopbrengsten leiden tot omruil van deviezen in euro’s, eurovraag, geldschepping door transformatie en toename van de goud en deviezenvoorraad.
Hetzelfde geldt voor buitenlandse beleggingen.
6. De betalingsbalans is een overzicht van bezittingen, schulden en eigen vermogen.
De betalingsbalans is een overzicht van alle transacties van de overheid met het buitenland over een jaar.
7. Ontvangen intrest van uitgeleend (belegd) kapitaal wordt geboekt op de kapitaalrekening.
Door Nederlanders betaalde aflossingen vormen kapitaalexport, verminderen de kapitaalrekening, maar vermeerderen op den duur de inkomensrekening via lagere rentebetalingen.
8. De opbrengst van goederenexport staat links, evenals die van verleende diensten.
Kapitaalexport staat links op de inkomensrekening.
9. Kapitaalimport staat rechts op de kapitaalrekening.
Als de Amerikaanse rente stijgt, stijgen de Nederlandse beleggingen in het buitenland en daalt de kapitaalrekening maar stijgt op den duur de inkomensrekening.
10. Afname van goud en deviezen staat rechts.
Door een krappe geldmarkt wordt Nederland aantrekkelijker voor buitenlandse beleggers en stijgt de kapitaalbalans.
11. De reserves dienen als dekking voor de bankbiljetten, als internationaal betaalmiddel en voor steunaan- en verkopen. (interventies).
Een betalingsbalansoverschot bv. door meer buitenlandse beleggingen leidt tot ontvangst van vreemd geld door Nederlanders die dit omruilen in euro’s bij de banken dus euro’s vragen. Door deze eurovraag stijgt de eurokoers en stijgt M.
12. Een internationale recessie blijkt vooral uit het afnemen van de export.
Een daling van de Export leidt tot een daling van Y en van C en heeft dus ook een multipliereffect.
13. De prijs van de export stijgt door appreciatie van de euro.
De prijs van de export stijgt door inflatie.
14. Een hogere eurokoers (dus lagere vreemd geldkoers) en inflatie leiden tot minder exportopbrengsten.
Depreciatie: koersdaling.
15. Revaluatie: koersstijging.
Flexibele koersen stimuleren de internationale handel.
16. Een te lage koers van het £ moet bij interventies worden gekocht: vraaglijn naar rechts.
Een centrale bank kan oneindig lang interventies plegen.
17. De-, revaluatie = verandering van de spilkoers
Een tekort op de betalingsbalans kan o.a. worden verminderd door het kopen van Toyota's te beperken.
18. Voordeel Euro: betere prijsvergelijking mogelijk dus meer concurrentie.
Voor een hogere eurokoers kan de Europese Centrale Bank vreemd geld verkopen, de rente verhogen via het disconto of door de ‘geld’markt te verkrappen.
19. Overbesteding en een te hoge koers kunnen gemakkelijk tegelijkertijd worden bestreden via het rentebeleid.
Een begrotingstekort kan leiden tot een hogere koers.
20. Gevolgen van een harde munt:
Veel koopkracht en weinig koersveranderingen.
Duurdere export en import.
21. Een hoge externe waarde is niet hetzelfde als een hoge interne waarde maar kan er wel toe leiden via goedkope import.
Door een hoge koers hoeven buitenlandse beleggers niet gelokt te worden met een hoge rente.
22. Een ontvangen lening betekent dat kapitaal is ontvangen en is kapitaalimport.
Een krappere geldmarkt leidt tot kapitaalimport.
23. Vooral importerende bedrijven hebben belang bij een harde euro.
Een dalende import leidt tot een koersdaling.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.