Geschreven door: | anoniem (4 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 16 januari 2005 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.050 |
Bekeken: | 9071 keer (50 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Antwoorden artikel 11 VWO Leven is….
Tekstvragen
1. Empedokles (van Agrigentum).
2. Aarde, water, lucht en vuur.
3. Pneuma.
4. Gele gal, zwarte gal, bloed en slijm.
5. Wanneer het evenwicht tussen de vier lichaamsvloeistoffen was verstoord.
6. A.
7. Doordat een organisme stoffen met zijn omgeving kan uitwisselen, kan het ervoor zorgen dat zijn interne milieu in een dynamisch evenwicht (homeostase) is. De stoffen waaraan een tekort bestaat, kunnen worden opgenomen uit de omgeving, terwijl de afvalstoffen en overbodige stoffen naar de omgeving kunnen worden afgevoerd.
8. A. Waar.
B. Waar.
C. Waar.
D. Waar.
E. Waar.
9. Onder ‘groei’ verstaan we toename in massa en/of volume, terwijl er geen nieuwe kenmerken ontstaan. Bij ‘ontwikkeling’ ontstaan er langzamerhand nieuwe kenmerken (denk aan geestelijke ontwikkeling van baby tot volwassene, de lichamelijke veranderingen die tijdens de puberteit optreden of de veranderingen die optreden tijdens de gedaanteverwisseling van rups via pop naar vlinder). Er hoeft niet eens een toename van massa en/of volume op te treden.
Onder ‘evolutie’ verstaan we het veranderingsproces van soorten organismen waarbij uit ‘oude’ soorten ‘nieuwe’ kunnen voortkomen.
10. A. Niet waar. (Het moet zijn: ei, larve, pop, vliegje)
B. Waar.
C. Niet waar. (Deze regelgenen zijn alleen actief bij de larvale stadia, maar zijn altijd wel aanwezig.
D. Niet waar. (De regelgenen die bepalen dat er een kop moet ontstaan, vinden we in alle cellen).
11. A. Niet waar. (Iedere cel bevat alle erfelijke informatie, maar er wordt alleen iets met deze informatie gedaan wanneer de cel die informatie nodig heeft en wanneer die informatie toegankelijk is.)
B. Waar.
C. Waar.
D. Niet waar. (Naast erfelijke informatie/aanleg speelt ook de omgeving (het milieu) een grote rol bij wat er in de toekomst met je gaat gebeuren.)
Antwoorden artikel 12 VWO Op verkenning langs de grenzen van het leven.
Tekstvragen
12. a) Dat de bacteriën niet vanzelf in de bouillon ontstonden en dat er dus geen 'generatio spontanea' bestaat.
b) Op deze manier kan er uitwisseling plaatsvinden tussen de lucht binnen en buiten de kolf. Het enige verschil is nu de aan- of afwezigheid van de bacteriën.
c) De omstandigheden (bijvoorbeeld de samenstelling van de atmosfeer van de aarde) zijn tegenwoordig heel anders dan toen het leven op aarde voor het eerst ontstond.
13. a) Exobiologie.
b) Aminozuren (bouwstenen van eiwitten) en nucleïnezuren (bestanddelen van DNA/erfelijk materiaal).
c) Er bestaan zeer veel sterrenstelsels en er worden sinds kort steeds meer planeten ontdekt. Wanneer er sprake is van zulke grote aantallen, zullen er wellicht ook planeten zijn waarop vergelijkbare omstandigheden als op aarde een rol hebben gespeeld of spelen.
d) Sojourner zou in grondmonsters eventueel organische stoffen (waaruit organismen zijn opgebouwd) kunnen aantonen. Een andere mogelijkheid zou zijn dat er stofwisselingsactiviteit kan worden waargenomen.
14. a) Virussen hebben geen zelfstandige stofwisseling of voortplanting.
b) Virussen hebben andere organismen nodig om zich voort te planten. Zonder gastheer kan een virus niets.
c) Het nagemaakte virus was waarschijnlijk toch niet precies gelijk aan het oorspronkelijke virus.
15. a) Prionen.
b) Het zenuwweefsel, bijvoorbeeld in hersenen of ruggenmerg, en het lymfatisch weefsel.
c) CJD (Creutzfeld Jakobs Disease).
d) De dieren zouden andere dieren gemakkelijk kunnen besmetten met deze ziekte. Dit geldt niet alleen binnen het bedrijf, maar ook daarbuiten (denk bijvoorbeeld aan veetransport).
e) Waarschijnlijk zullen alle dieren van hetzelfde 'besmette' voer hebben gegeten en binnen kortere of langere tijd ook ziek worden.
16. A Niet waar. (We noemen dit stasis.)
B Waar. (Mits het ontdooien op de juiste wijze plaatsvindt.)
C Niet waar.
D Waar.
E Niet waar. (Tegenwoordig wordt het criterium hersendood, waarbij de hersenen geen enkele activiteit meer vertonen, gebruikt.)
17. a) Het vaststellen van de hersendood gebeurt aan de hand van de resultaten van de onderzoeken die in het Hersendoodprotocol zijn voorgeschreven. Voordat de hersendood kan worden vastgesteld, moet er aan bepaalde voorwaarden zijn voldaan. Zo moeten bepaalde oorzaken van bewusteloosheid en reactieloosheid (zoals onderkoeling en vergiftiging) zijn uitgesloten en moet de hersenbeschadiging onbehandelbaar zijn. Uit onderzoek moet het ontbreken van zowel bewustzijn als van hersenstamreflexen blijken.
Uit aanvullend onderzoek in de vorm van een elektroencefalogram (EEG) en een apneutest (ademhalingstest) moet blijken dat er in de hersenen geen elektrische activiteit meer is en dat er geen spontane ademhaling meer is.
b) Een hersendode donor die nog kunstmatig wordt beademd, ziet er niet dood uit. De nabestaanden zien een ogenschijnlijk slapende patiënt. De overledene heeft een normale huidkleur en voelt nog warm aan. Op de monitor is de hartslag te zien. Door de kunstmatige beademing lijkt er uiterlijk niets veranderd.
Antwoorden art. 14 VWO Ontdekkingsreis naar het binnenste van de mens.
Tekstvragen
18. Griekse oudheid (niet snijden)
Herophilus (1330 v. Chr.) (snijden in dieren)
Celsus (25 v. Chr.) (niet snijden)
Galenus (130-201) (snijden in dieren, daarna lange tijd niet meer)
Vesalius (1515-1561) (snijden in mensen)
Koning (1787-1834) (snijden in mensen)
Von Hagen (1945-nu) (snijden in mensen)
19. a) Ingrijpen/experimenteren betekende volgens de Grieken in de Oudheid dat er geen sprake meer is van een 'normale' situatie. De normale werkelijkheid kon je volgens hen dus niet via het uitvoeren van experimenten leren kennen, maar alleen door denkwerk. In de tweede plaats vonden zij dat het (praktisch) werken met de handen minderwaardig werk was.
b De quantumtheorie. Volgens de onzekerheidsrelatie van (Werner) Heizenberg kun je niet tegelijkertijd de plaats en de snelheid van een quanturndeeltje bepalen. Zodra je het ene meet, heb je het andere beïnvloed.
c) Dit bezwaar geldt alleen voor het hierboven beschrevene. In andere situaties gaat dit probleem niet op, want door metingen kunnen we juist allerlei verbanden en relaties aantonen/testen ('Meten is weten') en eventueel zelfs in formules 'vangen'.
20. Galenus zag bij de mens twee dingen die er niet waren: een wondernetwerk (dat wel bij schapen voorkomt) en poriën in het tussenschot tussen de linker en rechterharthelft. Het wondernetwerk had hij al zo vaak bij dieren die hij ontleedde gezien, dat hij zich niet kon voorstellen dat dit bij de mens niet voorkwam. De poriën moesten er wel zijn, omdat zijn theorie anders niet klopte. Zo blijkt maar weer dat zuiver waarnemen, los van een achterliggende theorie of veronderstelling, niet meevalt.
21. a) Beide boeken benadrukken dat de samenstellende delen ( organen of hemellichamen) samenwerken, zodat er een volmaakt op elkaar afgestemd geheel ontstaat.
b) Men wilde zelf ontdekken hoe alles in elkaar zit en de werking van het 'systeem' begrijpen, zonder af te gaan op het 'gezag' van anderen (bijvoorbeeld de kerk).
22. a) Was is gemakkelijk te kneden (zeker als het even is verwarmd) en in de juiste vorm te brengen. Bovendien is er gemakkelijk (in zuivere vorm) aan te komen.
b) Was is minder vormvast dan moderne kunststoffen. Wellicht spelen duurzaamheid en kleur (moderne kunststoffen zijn minder glimmend dan was) ook een rol.
c Je zou de 'preparaten' van Von Hagen ook modellen kunnen noemen, want ze staan model voor de anatomie van de mens in het algemeen.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.