ff n studiebreak

Online een chick scoren, je liefde laten zien op Whatsapp en digitale kusjes sturen. Zonder een blauwtje te lopen. Aanrader?

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

anoniem (4 vwo)

Datum ingestuurd:

17 januari 2005

Taal:

Woorden:

2.350

Bekeken:

5884 keer (23 deze maand)

Waardering:

3.1/5 (26 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
4.1 * Het aanbod van arbeid *

Het aanbod van arbeid is gelijk aan de omvang van de beroepsbevolking. De beroepsbevolking is het aantal mensen tussen de 15 en 65 jaar die meer dan 12 uur in de week wil en kan werken. Dit zijn dus niet alleen de mensen met een baan ( de werkzame beroepsbevolking) maar ook de mensen zonder een baan staan in geschreven bij een centrum voor werk en inkomen. (arbeidsbureau).(dat is dan de werkloze beroepsbevolking).
Om erachter te komen waar het aanbod van arbeid van afhangt kijken we naar de factoren waardoor de beroepsbevolking toe of af neemt…dat zijn:
1. De omvang en samenstelling van de bevolking.
2. de wetgeving
3. de maatschappelijke opvattingen.
4. de organisatie van het arbeidsproces.

De omvang en samenstelling van de bevolking.
De totale bevolking neemt toe door een geboorte en n migratie overschot (migratiesurplus).
Migratie overschot. Er komen meer mensen in Nederland wonen dan dat er Nederlanders in het buitenland gaan wonen.
Geboorte overschot. Er worden meer mensen geboren dan dat er dood gaan.

Als er meer bevolking komt. Zullen die mensen ook naar werk zoeken. Een stijging van de bevolking leidt dus tot een toename van het aanbod van arbeid.

De wetgeving.
Je bent leerplichtig tot je 16e. Het aanbod van arbeid neemt dus af als je langer leerplichtig bent.
Als je met de VUT(vrijwillige vervroegde uittreding) gaat dan ga je voor je 65e stoppen met werken. De vutters krijgen een uitkering die wordt betaald uit de VUT-premies die werknemers van hun brutoloon en werkgevers uit de winst betalen.
Veel bedrijven zijn hiermee gestopt omdat t aantal oudere werknemers toenam en t aantal jongere afnam en dat werd de bedrijven te duur.
Werknemers en werkgevers ebtalen niet alleen VUT-premies maar ook WAO- en WW-uitkeringen.
Afschaffing van Vut » toename van het van t arbeidsaanbod. Oudere werknemers blijven tot hun 65e jaar werken en blijven tot de beroepsbevolking horen.
VUT-regeling is vervangen door flexibele pensionering ook daarbij kun je stoppen voor je 65e. Je moet dan wel zelf geld sparen voor de jaren dat je niet meer werkt en nog geen 65 bent.

De maatschappelijke opvattingen.
Vroeger werkte de man en deed de vrouw de huishouding. Nu bestaat een gezin meestal uit 2 verdieners. De arbeidsparticipatie (arbeidsdeelname) van vrouwen is flink gestegen . Het aanbod van arbeid is sterk toegenomen.
Maar de mannen en vrouwen volgen nu ook steeds langer onderwijs dat zorgt weer tot een afname van het aanbod van arbeid.

De organisatie van het arbeidsproces.

Er komen meer vrouwen op de arbeidmarkt door de mogelijkheid van kinderopvang en deeltijdwerk. Flexibele werktijden zijn dat je zelf mag bepalen wanneer je begint met je werk en wanneer je ermee eindigt.
Ook willen ze gehandicapten aan het arbeidsproces laten meewerken. De bedrijven passen de plek aan, aan de werknemer.

4.2 * De vraag naar arbeid *

De vraag naar arbeid bepaalt de omvang en de samenstelling van de werkgelegenheid. Ondernemingen en overheid zijn vragers van arbeid. Hoeveel mensen ze in dienst willen nemen is afhankelijk van de conjuncturele en de structurele factoren.
- Bij conjuncturele factoren gaat het om het totale aantal bestedingen.(vraagfactoren)
- Bij structurele factoren gaat het om(veranderingen in) de manier van produceren (aanbodfactoren)

6 Factoren die de vraag naar arbeid bepalen.

1 De effectieve vraag (conjunctureel)
Als het totaal aantal bestedingen van de gezinnen (consumptie) stijgt, van de ondernemingen (investeringen) stijgt, van de overheid (overheidsbestedingen) stijgt, en van het buitenland (export) stijgt moeten er meer goederen en diensten worden voortgebracht. De effectieve vraag stijgt. In het algemeen zal de toename van de effectieve vraag(= totaal aantal bestedingen) leiden tot een toename van de vraag naar arbeid.

2 De arbeids- of loonkosten per werknemer.(structureel)
Ondernemers proberen altijd tegen zo laag mogelijke kosten te produceren. Des te hoger de arbeidskosten per werknemer zijn des te eerder vervangt een onderneming arbeid door kapitaal. De productie wordt dan kapitaal intensiever. Het rendement (de winstgevendheid) van de investeringen in de machines is dan groot, omdat de investering veel dure arbeidskrachten uitspaart.
Bij hoge arbeidskosten kan een onderneming het productieproces ook gedeeltelijk verplaatsen naar lage lonen landen.
Hoge arbeidskosten remmen de vraag naar arbeid af en lage arbeidslasten stimuleren de vraag naar arbeid..als lagere arbeidskosten leiden tot een lager netto loon( werknemers krijgen minder geld in handen.) dan daalt de koopkracht van de werknemers. Das nadelig voor de ondernemingen.

3 De arbeidsproductiviteit. (structureel)
Arbeidsproductiviteit = de productie per werknemer per tijdseenheid. Als de arbeidsproductiviteit stijgt dan zijn er minder werknemers nodig voor dezelfde productieomvang. Een stijging van de arbeidsproductiviteit veroorzaakt dus op de korte termijn (bij dezelfde productieomvang) een daling van de vraag naar arbeid. Op de lange termijn kan door een stijging`van de arbeidsproductiviteit de vraag naar arbeid toenemen. Doordat ondernemingen minder werknemers hoeven te betalen voor hetzelfde aantal producten »dalen de kosten van de onderneming » als dan ook de verkoopprijs naar beneden gaat» neemt de afzet toe. Dan concurrentiepositie van de onderneming is verbeterd. Doordat er meer producten voortgebracht moeten worden, kan de vraag naar arbeid toenemen.

4 De arbeids- of loonkosten per product. (structureel)
De werknemer let meestal meer op de arbeidskosten per product dan de arbeidskosten per werknemer. Een toename van de loonkosten betekent namelijk niet automatisch een toename van de loonkosten per product. Een loonkostenstijging veroorzaakt per product alléén een arbeidskostenstijging als de lonen met een hoger percentage stijgen dan de arbeidsproductiviteit.
Eens stijging van de arbeidskosten per product remt vraag naar arbeid af. Als de loonkosten in een land minder zijn gestegen dan in een ander land verbeterd dat de concurrentiepositie.

5 De arbeidstijd. (structureel)
In veel bedrijven is sprake geweest van arbeidsduurverkorting. Meestal komt dat neer op een verkorting van de werkweer bijv van 38 uur naar 36 uur in de week. Ook kun je roostervrije dagen krijgen minder dagen werken in een jaar. Vervroegde uittreding of flexibele pensionering. ADV veroorzaakt een afname van de arbeidsproductiviteit. Wie korter werkt brengt minder producten voort. Er zijn meer arbeiders nodig voor hetzelfde aantal producten. De vraag naar arbeid neemt dus toe bij arbeidsverkorting.
Dat zit ingewikkelder..meestal houden de werknemers wel hun oude loon of nog hoger zelfs. Er is dus niet alleen een daling van de arbeidsproductiviteit maar ook een stijging van de arbeidskosten per product. En dat leidt weer tot een daling van de vraag naar arbeid. Door dat te voorkomen worden ook maar zelden de vrijgekomen uren 100% herbezet.

6 De bedrijfstijd. (structureel)
Bij ADV stijgen meestal de loonkosten per product. Die stijging kan worden opgevangen door de bedrijfstijd te verlengen. Als een bedrijf langer open is, kunnen de machines langer draaien, en zijn er dus minder machines nodig voor evenveel producten voort te brengen. Zo dalen de kapitaalkosten(machinekosten) per product.

4.3 * Productie en werkgelegenheid in de economische sector *

De ondernemingen en instellingen kunnen we onderverdelen volgens de soorten goederen en/of diensten die ze voortbrengen.

De economische sectoren.
Het Centraal Bureau voor Statistiek verdeelt de ondernemingen over de volgende 4 sectoren.

1 Primaire sector
Ondernemingen die zich bezig houden met landbouw, visserij en bosbouw.

2 Secundaire sector
Ondernemingen waarin fabricage en verwerking van grondstoffen central staan. Bijv. De industrie, de delfstoffenwinning.

3 Tertaire sector
Ondernemingen die zich bezighouden met de commerciële dienstverlening. Alle ondernemingen die zich met commerciële dienstverlening bezig houden streven naar winst. Bijv winkels horeca handel transport

4 Quartaire sector
Instellingen die zich bezig houden met de NIET-commerciële dienstverlening. Zij streven niet naar winst. Maatschappelijke dienstverlening. Het gaat hierbij om:
- de rijksoverheid (ambtenaren op ministeries) en lagere overheden (ambtenaren bij provincies en gemeenten)
- de instelling die sociale verzekeringen uitvoeren (zoals mensen die premies innen en sociale uitkeringen verstrekken aan werklozen en arbeidsongeschikten.)
- de instellingen die grotendeels door de overheid worden bekostigd.(scholen. Bibliotheken, ziekenhuizen en publieke omroepen.)

De marktsector en de collectieve sector.
De 4 economische sectoren worden vaak verdeeld in 2 groepen. De marktsector en de collectieve sector.
Marktsector – primaire secundaire en tertiaire sector. Bedrijven in deze sectoren concurreren op versch. markten met elkaar en proberen daarbij winst te maken.
Collectieve sector –grotendeels gelijk aan de quartaire sectoren bestaat uit de overheid en de instellingen die de sociale verzekeringen uitvoeren, zoals t uitvoeringsorgaan Werknemersverzekeringen. (UWV).

De toegevoegde waarde in de economische sectoren.
In de loop der jaren is in Nederland de toegevoegde waarde in alle sectoren gestegen. In de dienstverlening is de toegevoegde waarde veel meer gestegen dan in de overige sectoren. Enige oorzaken daarvan zijn:
- de primaire sector kun je niet onbeperkt uitbreiden (mensen kunnen niet meer dan een bepaalde hoeveelheid voedsel tot zich nemen)
- de secundaire sector ondervindt veel concurrentie van buitenlandse ondernemingen.
- De stijging van het gezinsinkomen gaat de laatste jaren vooral naar de tertiaire sector(vakanties, horeca, afhaalmaaltijden). Bedrijven maken steeds vaker gebruik van de dienstverlening(reclamebureaus, exportbedrijven, organisatieadviesbureaus.)
- In de quartaire sector nam de overheid in de loop van de 20e eeuw steeds meer taken op zich. Het stelsel van sociale zaken werd steeds verder uitgebreid. De laatste jaren zien we echter dat de overheid allerlei taken afstoot en bezuinigt op de kosten van sociale zekerheid.

De werkgelegenheid in de economische sectoren.
De toegevoegde waarde van de dienstverlenende sector is gestegen. Dat ging ten koste van de primaire en de secundaire sector. Dat geld nog sterker voor de werkgelegenheid.

In de primaire en secundaire sector is de arbeidsproductiviteit sterk gestegen dat komt door de sterk toegenomen mechanisatie en automatisering. Bij mechanisatie worden meer arbeidsproducten gebruikt zonder dat er arbeidsplaatsen verdwijnen. Bij automatisering worden wel werknemers vervangen door kapitaalgoederen. In de dienstverlenende sector zijn mechanisatie en automatisering veel minder goed mogelijk. De arbeidproductiviteit wordt daarom ook veel minder makkelijk verhoogd in deze sectoren. Als de productie in dienstverlening stijgt zijn er altijd meer mensen nodig. In de winkel is altijd personeel nodig en een ziekenhuis kan ook niet zonder verplegend personeel In de landbouw, de visserij en de industrie kan de productie daarentegen wel gemakkelijk worden verhoogd via mechanisatie en automatisering. Denk maar aan landbouw machines robots lopende band enz. voor een grotere productie zijn vaak evenveel of minder mensen nodig. De mechanisatie en automatisering maken de productie kapitaalintensiever doordat het aantal kapitaalgoederen stijgt in verhouding tot de hoeveelheid arbeidskrachten. Arbeidsintensieve productie , zoals in de dienstverlening, heeft veel arbeidskrachten nodig in verhouding tot het aantal kapitaal goederen.

4.4 * de werkgelegenheid en de werkloosheid *

Er zijn verschillende manieren om werkloosheid en werkgelegenheid te definiëren en te meten. Dat zijn de volgende manieren.

Arbeidsjaren personen.
De omvang van zowel de werkgelegenheid (de werkzame beroepsbevolking) als de werkloosheid ( de werkloze beroepsbevolking) kunnen we meten in arbeidsjaren en in personen.
Een Arbeidsjaar is het aantal uren dat iemand met een volledige baan gedurende 1 jaar werkt.
Meestal bestaat zo’n jaar uit 1720 uur. Er is dan werkgelegenheid van 1 arbeidsjaar als 2 mensen elk een halve ban hebben. de werkgelegenheid in arbeidsjaren is dus altijd lager dan de werkgelegenheid dan de werkgelegenheid uitgedrukt in personen. Ook werkloosheid kunnen we uitdrukken in arbeidsjaren en in personen.

De samenstelling van de werkgelegenheid.
Behalve de omvang van de werkgelegenheid is ook de samenstelling van de werkgelegenheid belangrijk. Een belangrijk verschil hierbij is werken in loondienst of werken als zelfstandige. Dat het aantal werkende personen groter is dan het aantal arbeidsjaren word veroorzaakt door deeltijdbanen en/of flexibel werken.
Bij een deeltijdbaan ben je meestal vast in dienst en werk je op vaste tijden in de week.
Bij flexibel werken heb je een tijdelijk contract of ben je een oproepkracht of een uitzendkracht.

Het meten van de werkloosheid.
Het verschil tussen de geregistreerde werkeloosheid en de werkelijke werkeloosheid is er omdat een aantal werkelozen zich niet laat uitschrijven bij het CWI na het vinden van werk. Ook schrijven een aantal mensen die graag een baan willen zich niet in bij het CWI.
Dit laatste heet verborgen werkeloosheid, het gaat vooral om:
- huisvrouwen die best betaald werk willen doen
- jongeren die na hun opleiding een baan willen, maar toch doorstuderen
- WAO-ers die best bepaalde werkzaamheden kunnen en willen doen.

Verborgen werkloosheid.
Als de economie vooruitgaat en de werkgelegenheid stijgt bieden veel verborgen werkelozen zich op de arbeidsmarkt aan: het aanmoedigings- of aanzuigeffect.
Het gevolg is dat de officieel geregistreerde werkeloosheid (bijna) niet daalt.

Verborgen werkgelegenheid.
Er is ook nog verborgen werkgelegenheid. Een voorbeeld hiervan is zwartwerken, maar ook vacatures die bedrijven met opzet open laten ter besparing van bijv. loonkosten is een vorm van verborgen werkeloosheid.

Gevolgen van werkloosheid.
- een verlies van je koopkracht (sociale uitkering is meestal lager dan loon)
- zonder werkkring kun je in een sociaal isolement komen

4.5 * Oorzaken van werkloosheid *

Er is sprake van werkloosheid als de vraag naar arbeid kleiner is dan het aanbod van arbeid. Dat is een gevolg van conjuncturele factoren en structurele factoren.

Conjunctuurwerkloosheid.
Conjunctuur werkloosheid is als de bestedingen dalen brengen ondernemingen minder producten voort( want ze kunnen minder verkopen) dan is er minder personeel nodig. Als daardoor de vraag naar arbeid kleiner is dan het aanbod van arbeid noemt met dat conjunctureel werkloosheid.

Structuurwerkloosheid.
Bij structuurwerkloosheid is het ingewikkelder er zijn namelijk allerlei ontwikkelingen die de aanbodkant (in de productiestructuur) die werkloosheid kunnen veroorzaken.
Hier komen de 6 oorzaken.’

1. Verslechtering van de internationale concurrentiepositie
Nederland brengt in vergelijking met buitenlandse bedrijven dure en slechte producten voor. » de afzet daalt dan en er is dan minder personeel nodig. De werkloosheid word dus veroorzaakt door de manier waarop Nederland produceert.
Als de internationale concurrentiepositie verslechterd, daalt de winstgevendheid van Nederlandse ondernemingen (het rendement van de ondernemingen daalt.) ondernemingen zullen nu ook minder geld voor t personeel hebben..
Je kunt dit tegen gaan door: verlaging van de productiekosten. Door bijvoorbeeld een fusie. Samengaan met een andere onderneming. Ook bij fusies worden veel mensen ontslagen.

2. Lage Scholingsgraad.
2 lage scholingsgraad:
Hoe hoger de scholing van je personeel hoe hoger de arbeidsproductiviteit. Een hoge arbeidsproductiviteit zorgt voor lage kosten p. product en verbetert dus de concurrentiepositie. Korte termijn : minder personeel – lange termijn: meer personeel
scholing maakt innovatie mogelijk. Innovatie is het ontwikkelingen van nieuwe en/of verbeterde producten of productieprocessen.

3 arbeidsongeschiktheid:
Het is nu moeilijker een WAO-uitkering te krijgen. Minder WAO-uitkeringen betekent dat de WAO-premies die werkgevers en nemers moeten betalen omlaag kunnen. Daardoor dalen de productiekosten en verbeterd de concurrentiepositie. Dan kan de werkeloosheid dalen

4. geringe (arbeids)mobiliteit en slechte arbeidsbemiddeling
vaak willen geschikte werknemers niet verhuizen voor een beter baan en geschikte werknemers veranderen vaak niet van baan als het veel moeite kost.
Als dit op grote schaal optreedt, spreken we van geringe mobiliteit. Deze geringe mobiliteit kan ook komen door slechte arbeidsbemiddeling door het CWI.

5. frictiewerkeloosheid
Het vinden van een baan/werknemers kost tijd. Het gevolg is frictiewerkeloosheid. De eerste 3 maanden tussen 2 banen in ben je frictiewerkeloos

6. seizoenswerkeloosheid:
De vraag naar een product kan soms schommelen tussen winter en zomermaanden.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.