geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Experiment: geen Twitter, mail en Whatsapp meer voor Nina. Wel faxen, brieven in enveloppen en ouderwetsch bellen.

Geschreven door:

anoniem [meer]

Datum ingestuurd:

30 oktober 2004

Taal:

Woorden:

1.950

Bekeken:

4855 keer (2 deze maand)

Waardering:

3.9/5 (17 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Hoofdstuk 1 – De vorming van inkomen

Een inkomen in natura is een inkomen dat niet uit geld, maar uit goederen bestond.
Als je een deel van je inkomen niet consumeert, heet het sparen.
Je bent zelfvoorzienend als je alle goederen produceert die je nodig hebt.
Arbeidsverdeling: men ging zich specialiseren in een bepaalde productie.
Een ruil van goederen tegen goederen noemen we ook wel directe ruil of ruil in natura.
Geld is een algemeen aanvaard ruilmiddel.
Handel drijven met behulp van een algemeen aanvaard ruilmiddel noemen we indirecte ruil.
Mechanisering is het gebruik van – steeds betere – machines.
Vormen van primair inkomen (inkomen dat je verdient door mee te helpen met produceren):
- loon of salaris: je krijgt het in ruil voor het leveren van arbeid
- rente is de beloning voor het ter beschikking stellen van kapitaal
- huur is vergoeding voor kapitaal
- pacht ontvang je wanneer je een stuk natuur ter beschikking stelt van producenten
- vaak maken bedrijven gratis gebruik van de natuur
- winst is de beloning voor ondernemersactiviteit (alles wat te maken heeft met het opzetten en runnen van een bedrijf)
Arbeid, kapitaal, natuur en ondernemingsactiviteit noemen we productiefactoren.
Het primaire inkomen is het inkomen dat verdiend wordt in het productieproces. Over dit inkomen moet nog belasting en sociale premies worden betaald. Het inkomen dat je overhoudt na betaling van belastingen en premies noemen we het netto-inkomen.
Van de belastingen en premies worden onder andere sociale uitkeringen betaald. Deze uitkeringen, zoals AOW, WAO, WW en Bijstand worden ook wel overdrachtsinkomens genoemd.
De omzet kun je berekenen door het aantal verkochte producten (de afzet) te vermenigvuldigen met de verkoopprijs.
Omzet = afzet x verkoopprijs
Het productieproces is het geheel van handelingen waarop een product tot stand komt.
De waarde die wordt toegevoegd aan de grond- en hulpstoffen en diensten noemen we productiewaarde of toegevoegde waarde.
De belangrijkste onderdelen van een administratie zijn de balans en resultatenrekening (ook winst- en verliesrekening genoemd).
We onderscheiden verschillende soorten bezittingen.
- vaste kapitaalgoederen of vaste activa: de grond, de gebouwen en machines
- vlottende kapitaalgoederen of vlottende activa: gaan één productieproces mee
- liquide middelen of liquide activa: geld in de kas of op lopende rekening bij bank
- eigen vermogen: vermogen dat door de eigenaar of eigenaren in het bedrijf is gestoken en waarover het bedrijf blijvend kan beschikken
- overige vermogen of vreemd vermogen: het moet na korte of langere termijn worden terugbetaald
- lang vreemd vermogen: lening die pas na jaren hoeft worden afgelost
- kort vreemd vermogen: lening die al snel moet worden afgelost
Debiteuren: als je nog wat moet betalen
Crediteuren: schuldeisers
Microniveau is één enkel bedrijf of één enkel gezin
Macroniveau is een heel land

De totale productie van een bedrijfskolom kun je vinden door de productiewaarde van afzonderlijke bedrijven bij elkaar op te tellen.
Door de toegevoegde waarde van alle bedrijven in een land en die van de overheid bij elkaar op te tellen krijg je de productie van een heel land. Dit noemen we het nationaal product.
De primaire inkomens van alle gezinnen in een land in een jaar bij elkaar opgeteld noemen we het nationaal inkomen.

Hoofdstuk 2 – Inkomen en inflatie

Het inkomen gemeten in geld is het nominaal inkomen.
Het inkomen gemeten in goederen is het reëel inkomen.
Het indexcijfer van het reële inkomen kunnen we ook berekenen met de volgende formule:
RIC = NIC : PIC x 100
RIC: indexcijfer reëel inkomen
NIC: indexcijfer nominaal inkomen
PIC: prijsindexcijfer
Indexcijfer reëel = indexcijfer geldbedrag : indexcijfer prijzen x 100
Om de stijging van het algemeen prijspeil (inflatie) te kunnen bepalen, wordt door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de Consumentenprijsindex (CPI) berekend.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) is de gegevensverzamelaar van Nederland.
Een onderzoek naar het bestedingsgedrag van gezinnen heet een budgetonderzoek.
De wegingsfactoren geven aan welk deel van het inkomen aan een bepaalde productgroep wordt uitgegeven.
Gewogen prijsindexcijfer = som van (wegingsfactor x indexcijfer) : som van wegingsfactoren
De hoeveelheid goederen die een land in een jaar maximaal kan maken noemen we de productiecapaciteit.
Wanneer de bestedingen zo hoog zijn dat de producenten de vraag niet of nauwelijks meer kunnen bijhouden, is de productiecapaciteit bijna of helemaal bezet. We spreken dan van overbesteding.
Bestedingsinflatie is inflatie doordat mensen te veel besteden
Bij een overspannen arbeidsmarkt is er een tekort aan personeel en daardoor hebben de lonen de neiging te stijgen.
Onderbesteding: de bestedingen zijn dan zo laag dat de productiecapaciteit bij lange na niet bezet is.
Deflatie: daling algemeen prijspeil
Kosteninflatie: als producten hogere productiekosten doorberekenen in de prijzen.
Loonkosteninflatie: als hogere lonen de oorzaak zijn van inflatie.
De opeenvolging van hogere lonen en hogere prijzen noemen we de loon-prijsspiraal.
Wanneer inflatie veroorzaakt wordt door de hogere prijzen van geïmporteerde producten spreken we van geïmporteerde kosteninflatie.
Bij winstinflatie verhogen producenten hun prijzen om de winst te laten stijgen.
Nadelen van inflatie:
- geldontwaarding: geld wordt reëel minder waard
- lenen wordt gestimuleerd, sparen wordt afgeremd
- internationale concurrentiepositie van het Nederlands bedrijfsleven verslechtert
- hyperinflatie: vertrouwen in geld neemt af
Functies van geld:
- ruilmiddel: met behulp van geld ruilen we goederen en diensten
- spaarmiddel: je kan geld sparen
- rekeneenheid: geld wordt gebruikt om de waarde van goederen of diensten uit te drukken
Munten en bankbiljetten zijn chartaal geld, ze zijn stoffelijk.
Giraal geld zijn direct opvraagbare tegoeden die op een rekening bij de bank staan waarmee je kunt betalen met behulp van een overschrijfkaart, pinpas of creditcard.
De nieuwste vorm van onstoffelijk geld is de chipcard.
Financiële instellingen die vermogen beheren: banken, pensioenfondsen, verzekeringsmaatschappijen en beleggingsinstellingen.
Algemene banken: banken die een breed pakket aan diensten aanbieden (ABN-AMRO, RABO en ING)
Branchevervaging (parallellisatie): als banken ook andere activiteiten ondernemen
Hypotheekbanken verstrekken hypothecaire leningen
Banken die geld kunnen scheppen heten primaire banken. Banken die geen geld kunnen schepen heten secundaire banken, zoals hypotheekbanken.
De Nederlansche Bank(DNB) is de centrale bank van Nederland, de moederbank. Zij staat boven de andere banken in Nederland. DNB is onderdeel van het Europese Stelsel van Centrale Banken, kortweg de Europese Centrale Bank (ECB) genoemd. De ECB is de centrale bank van Euroland, alle landen die de euro als munt hebben.
Een circulatiebank brengt bankbiljetten in de omloop.
Inflatiebeheersing: streven naar een inflatie van maximaal 2%.

Hoofdstuk 3 – Het nationaal inkomen

Het nationaal inkomen kan op 2 manieren gemeten worden:
- alle inkomens die gezinnen in een land verdienen optellen
- loon + winst + huur + pacht + rente
Onder welvaart wordt verstaan de mate waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien.
Met schaarste wordt bedoeld dat er ergens een tekort van is.
Nationaal inkomen per hoofd van de bevolking = nationaal inkomen land : aantal inwoners
Als het reëel nationaal inkomen stijgt wordt gesproken van economische groei.
Nadelen van het reële nationaal inkomen:
- zegt niets over de verdeling van het inkomen
- vrijwilligerswerk wordt niet meegeteld
- zwart werk wordt ook niet meegeteld
- milieuvervuilende producten
- uitputting van natuurlijke hulpbronnen
Bij vrijwilligerswerk en zwart werk spreken we wel van het informele circuit of de informele economie. Dit in tegenstelling tot het formele circuit (formele economie), waarin de geregistreerde productie plaatsvindt.
Grijze circuit: doe-het-zelfwerk of vrijwilligerswerk
Zwarte circuit: belastingen en premies worden ontdoken
Totale productiecircuit

Formele circuit Informele circuit

Grijze circuit Zwarte circuit
De grens tussen wit, grijs en zwart is niet altijd duidelijk te trekken.
Onder duurzame ontwikkeling wordt verstaan een economische ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de welvaart van de komende generaties aan te tasten.
De productiecapaciteit hangt af van de hoeveelheid en de kwaliteit van de productiefactoren arbeid, natuur en kapitaal.
Investeringen die de omvang van de productiecapaciteit vergroten zijn uitbreidingsinvesteringen.
Bij een diepte-investering wordt het bedrijf kapitaalintensiever. Bij een breedte-investering blijft de verhouding tussen arbeid en kapitaal gelijk.
De schommelingen in de hoogte van het nationaal inkomen als gevolg van schommelingen in de bestedingen noemen we de conjunctuur of conjunctuurgolf.
De trendmatige groei is de gemiddelde groei gerekend over een lange periode.
We spreken van laagconjunctuur wanneer de groei van het reële nationaal inkomen lager is dan de trendmatige groei.
Als de groei van het reële nationaal inkomen bovengemiddeld is spreken we van hoogconjunctuur.
Recessie betekent afnemende groei van het nationaal inkomen.
Depressie betekent een absolute daling van het nationaal inkomen, dat wil zeggen dat de groei negatief is.
Laagconjunctuur en hoogconjunctuur hebben invloed op de bezettingsgraad en de vraag naar arbeid.
Aanhoudende hoogconjunctuur kan leiden tot overbesteding, aanhoudende laagconjunctuur tot onderbesteding.
Overheid conjunctuur beïnvloeden:
- zelf meer uitgeven
- belasting verlagen

Hoofdstuk 4 – Inkomensverdeling

Factoren die van invloed kunnen zijn op de hoogte van het loon:
- productiviteit
- verantwoordelijkheid
- ervaring
- opleiding
- ruimte op de arbeidsmarkt
- status en macht
Vrije beroepen: artsen, notarissen en apothekers
Hoe hoog het inkomen uit vermogen is, hangt van twee zaken af: de hoogte van het vermogen en het rendement van de belegging.
Om een indruk te krijgen van de inkomensverdeling over personen of huishoudens kun je gebruik maken van een Lorenzkromme (ook wel Lorenzcurve genoemd). Op de horizontale as staat het cumulatieve (opgestapelde) aantal mensen met een inkomen in procenten van het totale aantal mensen, te beginnen met mensen met het laagste inkomen. Op de verticale as staat cumulatief hoeveel procent van het totale inkomen deze mensen verdienen.
De Lorenzcurve is een afbeelding van de scheefheid (= ongelijkheid) van de inkomensverdeling.

Hoofdstuk 5 – Sociale Zekerheid

Overdrachtsinkomens zijn uitkeringen en subsidies. Met de term ‘sociale zekerheid’ geven we het stelsel van sociale uitkeringen in Nederland aan.
Krappe arbeidsmarkt: tekort aan werknemers

Sociale partners: werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties
In een volledige vrije markteconomie wordt alles aan het vrije spel van vraag en aanbod overgelaten.
Met de verzorgingsstaat wordt bedoeld dat de overheid een bestaansminimum voor elke burger garandeert en er voor zorgt dat de burgers toegang hebben tot onderwijs, ziekenzorg en huisvesting.
Bestaansminimum is officieel gelijk aan een bijstandsuitkering.
De AOW (Algemene OuderdomsWet) zorgt er voor dat iedereen die ouder is dan 65 jaar een uitkering van de staat krijgt.
Kapitaaldekkingsstelsel: mensen sparen zelf voor hun uitkering later.
Omslagstelsel: mensen die nu een inkomen hebben betalen de premies waaruit de uitkeringen voor andere mensen worden betaald.
Premie: prijs die je betaalt voor een verzekering.
Wetten die volgenden: WerkloosheidsWet (WW), Wet op de ArbeidsOngeschiktheid (WAO) en de Algemene BijstandsWet (ABW). Het sociale zekerheidsstelsel was compleet.
De regelingen binnen het sociale zekerheidsstelsel zijn collectieve regelingen. Hiermee bedoelden we dat ze verplicht zijn voor iedereen die tot een bepaalde groep behoort.
Een particuliere verzekering is een vrijwillige verzekering.
Bij collectieve verzekeringen is het niet mogelijk iemand vanwege een hoger risico uit te sluiten of meer te laten betalen dan anderen.
Solidariteit: mensen met een grotere kans op ziekte betalen evenveel ziektekostenpremie als kerngezonde mensen en werkenden die waarschijnlijk nooit werkloos worden staan een deel van hun inkomen af zodat werklozen een uitkering kunnen ontvangen.
Averechtse selectie: mensen die weinig risico lopen verzekeren zich niet en mensen die zich wel verzekeren zijn mensen die meer risico lopen. De premies zullen dan stijgen.
Verschillende soorten verzekeringen: werknemersverzekeringen, volksverzekeringen en voorzieningen.
Werknemersverzekeringen:
De WerkloosheidWet (WW) vangt het inkomensverlies op als je werkloos bent.
De ZiekteWet (ZW): zwangere vrouwen en ex-werknemers.
Wet op de ArbeidsOngeschiktheid (WAO): voorziet in inkomen als je arbeidsongeschikt wordt. Particuliere verzekeringsmaatschappij, dus het valt niet onder de sociale zekerheid.
Werknemersverzekeringen zijn bedoeld om een grote teruggang in inkomen te voorkomen.
De ZiekeFondsWet (ZW) dient niet ter vervanging van inkomen, maar vergoedt de hoge kosten als gevolg van ziekte. Medische kosten: doktersbezoek, ziekenhuiskosten en medicijnen. Het is een sociale verzekering, dus verplicht.
Volksverzekeringen:
Het zijn verzekeringen waar iedereen die legaal in Nederland verblijft onder bepaalde omstandigheden recht op heeft.
Algemene OuderdomsWet (AOW): iedereen van 65 jaar en ouder heeft recht op deze wet.
Algemene NabestaandenWet (ANW): zorgt voor een inkomen als de ouders of de partner overlijdt.
Algemene KinderbijslagWet (AKW) en Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ): vergoeden de hoge kosten van kinderen en van bijzondere ziektekosten (psychiatrische verpleging, dagverblijven gehandicapten)
Sociale voorzieningen:
Voorzieningen worden door de overheid betaald met belastinggeld. De belangrijkste voorziening is de Algemene BijstandsWet (ABW): de hoogte van een bijstandsuitkering is het sociaal minimum. Je hebt recht op een bijstand als je geen inkomen hebt en voor geen enkele andere regeling van de sociale zekerheid in aanmerking komt.
Voor jonge gehandicapten, zonder arbeidsverleden is er een speciale Wet Arbeidsongeschiktheid Jongeren (Wajong).
Bij een vaste uitkering, die nominaal gelijk blijft, daalt de koopkracht.
Een mogelijke oplossing om koopkrachtverlies te vermijden is de uitkeringen te koppelen aan de hoogte van de prijsstijgingen (inflatie). Bij zulke – geïndexeerde – uitkeringen spreken we van waardevaste uitkeringen.
Een uitkering die gekoppeld is aan de stijging van de lonen nomen we een welvaartsvaste uitkering.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.