Geschreven door: | anoniem (5 aso) [meer] |
Datum ingestuurd: | 10 september 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.100 |
Bekeken: | 6947 keer (9 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
1-7
Ik bezing de wapenfeiten van de man, die als aanvoerder van de oevers van Troje naar Italië en de Lavinische kusten kwam, voort vluchtend voor het lot, nadat hij veel heen en weer was gejaagd, ten land en ter zee, door de kracht van de goden, wegens de onverzoenlijke woede van de woeste Juno, nadat hij ook veel geleden had in de oorlog, totdat hij een stad zou stichten en de goden in Latium zou binnenbrengen, waaruit het Latijnse geslacht en de Albaanse voorvaders en de hoge muren van Rome ontstaan zijn.
8-11
Musen, breng mij de reden in herinnering om welke schending van haar goddelijke majesteit of waarom treurt de koningin van de goden, een man uitmuntend door plichtsbesef, ertoe heeft aangezet zo veel lotgevallen te doorstaan en zo vele inspanningen tegemoet gaan. Is de woede in het gemoed dan zo groot van de hemeling?
50-55
Terwijl de godin zulke dingen bij zichzelf overwoog, in haar hart dat vlamde van woede, kwam ze aan in Aeolië, het land van de donderwolken, een streek vol razende stormwinden; hier houdt koning Aeolus in een ontzaglijke grot de worstelende winden en dreunende stormen vast onder zijn gezag en hij beteugelt ze in boeien en in een kerker.
56-70
Verontwaardigd razen zij, onder groot gedreun van de berg, in hun kerker rond. Hoog op de bergtop zit Aeolus met de scepter in de hand en hij bedaart de gemoederen en matigt hun woede. Als hij dat niet zou doen, dan zouden ze echter zeeën en landen en de hoge hemel vlug met zich meevoeren en door de lucht meesleuren. Maar de almachtige vader heeft hen in donkere spelonken verborgen, en omdat hij dat vreesde heeft hij daarbovenop een massa hoge bergen opgestapeld en heeft hij hen een koning gegeven, die volgens een vaste overeenkomst, de teugels zou kunnen inhouden en ze op zijn bevel weer zou kunnen loslaten.
Tot hem richtte Juno zich toen, al smekend met deze woorden : “Aeolus, ik wend mij tot u, want aan u heeft de vader van de goden en de koning van de mensen, de macht gegeven om de golven te bedaren en om ze op te jagen door de wind. Een volk dat mij vijandig is, vaart op de Tyrheense zee en het brengt Troje en zijn overwonnen penaten naar Italië. Zet de winden kracht bij, overweldig de schepen en doe ze zinken of drijf ze uiteen en verspreid hun lichamen over de zee. Ik heb 14 héél mooie nimfen.
70-75
Van wie ik Deïopea in een duurzaam huwelijk zal verbinden en ik zal ze u toewijzen als uw eigendom, opdat zulke verdienste al haar jaren met u ten einde toe zal doorbrengen en opdat zij u tot vader zal maken van een mooie kroost.”
76-80
Daarop zei Aeolus de volgende dingen :”Mevrouw, uw taak is het uit te maken wat u wenst, voor mij is het een plicht uw bevelen aan te namen. U schenkt mij deze heerschappij, welke die ook is en de scepter en u stemt Jupiter wel gunstig. U geeft mij de toelating aan te liggen aan de dis der goden en u maakt mij heerser over de donderwolken en de stormen.”
81-89
Zodra hij dit gezegd had gaf hij met de achterkant van zijn scepter een stoot in de flank van de holle berg, en de winden stormden vooruit, alsof ze in een marscolonne waren opgesteld, langs de toegang die hen gegeven werd en ze bliezen in een wervelstorm over de aarde. Ze stortten zich op de zee en Eurus, Notus en Africus, die barstensvol stormwinden zat, woelden samen heel de zee om tot op de diepste bodem en ze wentelden enorme golven in de richting van het strand. Dadelijk volgde het geroep van de mannen en het gekraak van de scheepstouwen. Plots ontrukten de wolken de hemel en het daglicht aan de ogen van de Trojanen; de zwarte nacht lag over de zee.
89-100
Het begon te donderen aan de hemel en de lucht flikkerde van talrijke bliksemschichten en alles bedreigde de mannen met een nabije dood. Terstond werden de ledematen van Aeneas verlamd door de ijzige schrik. Hij kreunde en terwijl hij zijn beide handen naar de hemel uitstrekte, riep hij met luide stem: “Oh, driemaal, zelfs viermaal, aan wie het te beurt viel aan de voet van de hoge muren van Troje de dood te vinden, voor de ogen van hun vaderen.
Oh Diomedes, de dapperste van het Griekse volk, dat ik toch niet heb kunnen sneuvelen. Dat ik niet mijn laatste ademen heb kunnen uitblazen, getroffen door uw hand, op de Trojaanse vlakte, waar de ontembare Hector ligt, door de speer van Achilles getroffen en waar de grote Sarpedon ligt, en waar de Simoïs, diep in zijn golven, zoveel schilden en helmen en lijken van dappere mannen meesleurt en voort wentelt.”
101-109
Terwijl hij zulke dingen tot hem roept, beukt een gierende stormwind met volle kracht, vanuit het Noorden tegen het zeil, en jaagt de golf op tot aan de sterren. De roeispanen breken en dan wendt de boeg zich af en geeft één flank aan het water prijs. Dadelijk volgt een steile stortzee. De enen hangen op de top van een golf en voor de anderen splijt het water open en laat de aarde tussen de golven zien. De branding raast over de zanderige bodem. De zuidenwind rukt 3 schepen weg en slingert ze op de verborgen rotsen. Deze rotsen, een enorme bergrug, juist onder het wateroppervlak, midden in de golven – noemen de Italiërs de klippen, de Ataren.
De zuidoostenwind duwt drie schepen, vanuit de volle zee naar de ondiepten en de wadden. Jammerlijk om te zien en hij drijft ze op de zandbanken en omringt ze met een muur van zand. Voor Aeneas’ eigen ogen slaat een reusachtige golf vanuit de hoogte neer op de achtersteven van het ene schip, dat de Lyciërs met de trouwe Orentes vervoerde. De stuurman wordt eruit geworpen en tuimelt voorover hals over kop in zee. Maar de stroming draait dat schip ter plaatse drie maal om z’n as en een snelle draaikolk slokt het schip op in de zee.
Hier en daar verschijnen er drenkelingen, die zwemmen in de reusachtige watermassa en (ook) de wapens van de mannen en wrakhout en de Trojaanse schatten, verspreid over de golven. Nu heeft de storm het sterke schip van Ilioneus overwonnen en daarop dat van de dappere Achates, en het schip waarop Abas voer en dat van de hoogbejaarde Aletes. Door het loskomen van de voegen in de flanken, krijgen alle schepen het verderfelijke water binnen en ze gapen van de lekken.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.