Geschreven door: | anoniem (4 havo) |
Datum ingestuurd: | 14 juni 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 3.750 |
Bekeken: | 5243 keer (12 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
1.1 Kenmerken van de traditionele samenleving
1.1.1 Het familiesysteem
China: meergeneratiegezinnen; individu om de familie te ondersteunen, het streven was 5 generaties onder 1 dak.
De onderlinge verhoudingen tussen al deze familieleden waren vastgelegd in de ‘Vijf Menselijke Relaties’*.
* voorschriften waarin in China was vastgelegd hoe mensen zich ten opzichte van elkaar dienden te gedragen.
Heerser - onderdaan
Vader - zoon
Oudere broer - jongere broer
Man – vrouw
Vriend – vriend
Door je te houden aan deze relaties zouden er geen conflicten ontstaan wat hoorde bij het confucianistische streven naar harmonie.
- De relaties tussen de familieleden waren zeer formeel
- Respect voor ouderdom was een belangrijke waarde
- Ook de voorouders verdienden nog respect
- De zoon zette de familie lijn voort
- Vrouwen waren van weinig belang;
De p laats van de vrouw was thuis en onderwijs buitenshuis werd niet nodig geacht. Meisjes werden uitgehuwelijkt en trouwden in bij hun schoonfamilie. Alleen door zonen te baren en oud te worden kon de vrouw binnen de familie aanzien werven.
1.1.2 Confucianisme
Het confucianisme heeft (ondanks 40 jr communisme) zijn invloed in China nog niet helemaal verloren.
- Confucius leefde van 551 tot 479 v. Chr.
- Zijn filosofie is meer een sociale gedragsleer;
Harmonieuze en ordelijke samenleving = gedragsregels (Vijf Menselijke Relaties)
Mensen zijn tot het goede geneigd mits ze een goede opvoeding hebben gehad.
Als de menselijke betrekkingen worden verstoord kan de natuur in de war raken (overstromingen / misoogsten als gevolg).
Confucius ging er vanuit dat de mens alleen mens is in relatie tot andere mensen. De keizer was middelaar tussen hemel en mens.
Door gebeurtenissen in de mensenwereld verantwoordelijk te maken voor natuurverschijnselen kon verklaard worden waarom een keizer het ‘Hemels Mandaat’ ontnomen werd en een nieuwe dynastie aan de macht kwam.
- China was vanaf 221 v. Chr. Een Staatskundige eenheid.
- Keizers bestuurden het land steunend op de ambtenaren. Ambtenaren werden benoemd op hun deskundigheid van confucianistische boeken.
- Confucianisme was een soort staatsleer.
Keizers waren voor gewone mensen onbereikbaar, mensen mochten hem niet eens zien. Hij regeerde als een autocratisch vorst. Er was een grote kloof tussen de elite en het volk.
1.1.3 Sociale gelaagdheid
Met de sociale gelaagdheid die in het keizerrijk bestond, hebben de communisten na 1949 radicaal gebroken, maar de aloude tradities bleven nog lang doorwerken.
De maatschappelijke ladder in het oude China:
1) Keizer
2) Ambtenaren/geleerden
3) Boeren
4) Ambachtslieden
5) Kooplieden
Ambtenaren/geleerden: kwamen meestal voort uit de klasse van grootgrondbezitters. Zij hadden het meeste aanzien, ze waren nodig om het land te besturen en bezaten veel kennis.
Kooplieden: werden gezien als profiteurs, verdienden aan andermans productie.
Soldaten: hadden geen plaats, zeer laag in de hiërarchie maar in de praktijk kwam bijna elke dynastie d.m.v legers aan de macht.
Boeren: het confucianisme zag landbouw als belangrijke activiteit. In de praktijk waren de boeren juist erg arm, leefden onder zware belastingsdruk en dwangarbeid.
Conflicten moesten in China volgens confucianistisch ideaal, en dus zonder geweld, worden opgelost.
De bureaucratie, het confucianisme en het vermogen buitenlandse invloeden in te passen in de eigen beschaving zorgden voor een grote continuďteit van het keizerrijk. De keerzijde hiervan was verstarring.
1.2 De invloed van het Westen
1.2.1 De inmenging van het Westen
Sinocentrisme: de visie waarin China het middelpunt van beschaving vormde met daarom heen staten die, hoe verder van China aflagen hoe onbeschaafder werden bevonden.
Vanaf de 15de eeuw wilde keizers zo min mogelijk contact met het buitenland. Dat betekende geen import en dat beperkte de handel zeer ernstig. Aan deze afzondering kwam een einde door de opdringerigheid van westerse mogendheden opzoek naar afzetmarkten.
Toen de chinezen een einde wilde maken aan de Britse import van grote hoeveelheden opium dwongen de Engelsen in twee Opiumoorlogen (1839 – 1842 en 1856 – 1869) de openstelling van China af. Gevolgd door de Fransen, Russen, Duitsers en Japanners.
Verdragshaven: Chinese kuststeden waarin de Engelsen (+andere landen vrij handel mochten drijven en die onder Engels gezag en wetgeving vielen. Was afgedwongen.
1.2.2 Het einde van het keizerrijk
Door binnenlandse opstanden, buitenlandse druk, hongersnoden en een zeer bureaucratisch en corrupt regeringsstelsel verzwakte de manchu-dynastie (1644-1911) steeds verder. Door een groeiend volksprotest tegen de regering kwam er in 1911 een opstand van legerofficieren.
Enkele maanden later trad het kind-keizertje Puyi af en werd China een republiek met Sun Yatsen als voorlopige president.
Hij was leider van de latere Guomindang of nationalistische partij.
Sun wilde China volgens de drie volksbeginselen moderniseren:
Nationalisme - democratie - welzijn voor het volk.
Sun’s plan mislukte en China raakte verdeeld in gebieden, geregeerd door militaire dictators; warlords. Die elkaar, gefinancierd door het buitenland, bestreden.
1.3 De Guomindang en de Communistische Partij
1.3.1 De Guomindang en de opkomst van de Communistische Partij
Met de ‘vier mei beweging’ kwam in 1919 in China een echte revolutionaire beweging op. Intussen was in 1914 in Europa de Eerste Wereldoorlog uitgebroken.
- De beweging keerde zich tegen het westerse imperialisme, maar volgde wel het westen in de ideeën over nationalisme en gelijkheid.
- De beweging was tegen het familiesysteem en wilde vrouwen meer rechten geven.
Ook werd de Chinese taal vereenvoudigd om te zorgen dat ook het volk enige vorm van onderwijs kreeg voor een betere industrialisatie en modernisatie.
Na de Russische revolutie trok het communisme meer mensen aan.
De Communistische Partij China (CPC) werd opgericht in 1921.
De partij groeide sterk toen ze in 1934 na een interne strijd, onder leiding van Mao Zedong, kozen om vooral op de boeren te steunen.
Mao Zedong was vanaf 1934 leider van de CPC.
Chiang Kaishek nam de leiding van de Guomindang (GMD) in 1925 over van de overleden Sun.
De GMD en CPC hebben verscheidene malen geprobeerd samen te werken tegen gezamenlijke vijand Japan. Zeker evenveel maal had de GMD hun legers ingezet tegen het CPC.
De periode waarin de GMD regeerde leidde tot vernieuwingen maar ook tot toenemende corruptie. GMD ontwikkelde zich meer en meer tot een partij van de rijken en de soldaten waren erg wreed. Ze verloren hierdoor de band met de bevolking.
Ciang Kaishek werd een dictator door zijn fascistische ideeën over het leiderschap.
1.3.2 De Japanners en de overwinning van de communisten
Na de 1e wereld oorlog kregen de Japanners grondgebied van China in bezit die ze na de Vrede van Versailles gegund kregen van de Duitser.
De Japanners hadden al speciale rechten in de noordoostelijke provincie Mantsjoerije (spoorwegen) maar waren niet tevreden en wilde meer economische rechten.
De jaren dertig stonden in het teken van Japanse agressie tegen China wat in 1937 uitliep in een volledige oorlog.
In 1937 begon voor China de Tweede Wereldoorlog.
Chiang Kaishek moest de Japanners de oorlog verklaren maar bleef de communisten als een grotere vijand zien.
- Dankzij hun guerillatactiek waren de communisten veel beter in het bestrijden van de Japanners dan de GMD.
- Na de Japanse overgave volgde voor China nog vier jaar burgeroorlog tussen de GMD en de communisten. De GMD kreeg veel aanhang van de boeren GMD’ers liepen vaak spontaan over.
De communistische partij overwon en Chiang Kaishek vluchtte naar Taiwan en op 1 oktober 1949 riep Mao Zedong de Volksrepubliek China uit.
Paragraaf 2 Geloof in een nieuw China 1949-1957
2.1 De economische ontwikkeling
2.1.1 De landbouw
Toen in 1949 de CPC aan de macht kwam beloofde zij het volk dat uitbuiting en onderdrukking plaats zou maken voor gelijkheid, menselijke waardigheid en welvaart.
- Het land was verschrikkelijk verslechterd, er heerste hongersnood, veel was vernield, 80% van de bevolking was analfabeet.
Direct na het uitroepen van de volksrepubliek werd een begin gemaakt met de landhervorming, iedere boer kreeg een stukje grond van de staat en mocht dit naar eigen inzicht bewerken en de opbrengst houden.
Dit was maar een tijdelijke maatregel.
Een groep binnen de CPC wilde een snelle collectivisatie om te voorkomen dat er een nieuwe klasse van rijke boeren zou ontstaan.
Anderen in de partij vonden mechanisatie nodig, maar dat was alleen mogelijk als er op grote schaal machines geproduceerd konden worden en zover was het nog lang niet.
In 1953 besloot men tot een geleidelijke collectivisatie. Al het land werd weer collectief eigendom. Door middel van propaganda, politieke bewustwording en pressie moesten de boeren worden heropgevoed tot socialistische boeren die met inzet en enthousiasme collectieve arbeid verrichten.
Zo probeerde de Partij de landbouwopbrengsten te verhogen.
2.1.2 De industrie
Industrialisatie was nodig om de beloofde welvaart werkelijkheid te maken en China wilde machtig zijn en niet langer afhankelijk van het Westen en Japan.
Chinese communisten hadden weinig ervaring met industrialisatie en vroegen de Sovjet-Unie om hulp, dit was immers het eerste land waar het communisme al in de praktijk was gebracht.
Het eerste vijfjarenplan moest uit landbouwopbrengsten worden gefinancierd. De industrialisatie leidde tot een sterke bevolkingsgroei in de steden, zo groot dat er niet meer genoeg landbouwopbrengsten waren om te voorzien in voedsel voor iedereen.
Buiten dat moesten er ook nog eens leningen van de Sovjet-Unie worden betaald voor de geboden hulp.
2.2 De politieke ontwikkeling 1949-1957
- Mensen die zich tegen de CPC keerden werden klassenvijanden genoemd.
- De macht werd verdeeld over de Partij, de regering en het Volksbevrijdingsleger.
- China kent tot op de dag van vandaag een parallelle machtsstructuur.
Parallelle machtsstructuur: Politiek-bestuurlijk stelsel waarin de staats- en partijorganisaties formeel gescheiden zijn, maar in iedere bestuurslaag er veel personele overlappingen bestaat.
Er bestaan verschillende politieke organen zoals het Nationale Volkscongres en de regering maar in werkelijkheid heeft de Partij het voor het zeggen en bepaalt deze de politieke koers.
Mao Zedong werd president en combineerde dat met het voorzitterschap van de Partij.
Om een groot land als China zeer ingrijpend te veranderen maakte de CPC gebruik van massaorganisaties; een organisatie als een vakbond, vrouwen- of jeugdorganisaties met zeer veel leden, waarvan men in het communistische China lid behoorde te zijn en wat gecontroleerd werd door de Communistische Partij.
De massacampagnes dienden ervoor om de kloof tussen de regering, de communistische kaders en het volk te overbruggen.
Met de campagne ‘Laat honderd bloemen bloeien, laat honderd scholen wedijveren’ riep Mao Zedong de intellectuelen op tot het uiten van kritiek op de partij, omdat Mao zelf vond dat de partijkaders zich te veel als nieuwe bazen gingen gedragen.
Deze honderd bloemen beweging maakte een stroom van kritiek los, met name op de dictatoriale methoden van de partij.
In 1957 greep de partijtop in, er werd een Anti-rechtsen campagne gestart en 1.2 miljoen stedelingen werden naar het platteland verbannen om daar gedachtenhervorming door arbeid* te ondergaan.
gedachtenhervorming door arbeid: Politiek in het communistische China waarbij mensen door zware lichamelijke arbeid moesten leren inzien dat zij verkeerde gedachten hadden over de Communistische Partij en de koers die deze partij volgde.
2.3 De sociale ontwikkeling 1949-1957
In de periode van 1949 tot 1953 (wittebroodsweken van de Chinese revolutie) zou er door vertrouwen en enthousiasme in de Communistische partij eindelijk een China komen om trots op te zijn.
De wetten over het trouwen werden veranderd. Vrouwen kregen meer rechten. Alleen in de boerenplaatsjes was er nog weinig bekend dus kwamen er verschillende campagnes (toneelstukken, besprekingsbijeenkomsten) om aan iedereen duidelijk te maken hoe het zat.
In het nieuwe China moest de oude sociale orde radicaal worden gewijzigd. Iedereen kreeg na 1949 een klassenstatus opgelegd. Deze werd toegekend op basis van iemands sociaal-economische positie.
Klassenstatus: een indeling in klassen op basis van bezit, in China na 1949 door de communisten ingevoerd als instrument om het bezit opnieuw te verdelen. Deze klassenindeling bleef na de herindeling van bezit bestaan.
De communisten wilden de loyaliteit aan de familie vervangen door loyaliteit aan de staat. Iedereen kreeg daarom een plaats toegewezen in een danwei.
Danwei: communes, werkeenheden
Paragraaf 3 ‘Hoe Yoekong de bergen verzette’
3.1 Economische ontwikkeling 1957-1976
Het Eerste Vijfjarenplan was voor de industrie succesvol, er waren wel 3 problemen die moesten worden opgelost:
- Groeiende werkloosheid, vooral in de steden;
- Landbouw kon de kosten van de verder groeiende industrie niet opbrengen terwijl de industrie haar eigen groei nog niet financieren;
- Mao was bang dat net als in de Sovjet-Unie ook in China een nieuwe bevoorrechte klasse van technisch geschoolden zou ontstaan.
Mao verafschuwde Chroetsjov’s revisionisme en wilde bewijzen dat China de echte weg naar het socialisme bewandelde.
In 1958 kondigde de top van de CPC de Grote Sprong Voorwaarts aan:
- Gelijktijdig ontwikkelen van alle sectoren van de economie (lopen op twee benen);
- Maximaal voordeel halen uit productie op grote schaal, er werden volkscommunes opgericht;
- Er was genoeg menskracht, iedereen moest staal gaan produceren. De economische vooruitgang werd beloofd voor de toekomst, eerst kwam de strijd tegen de natuur;
- Planning van bovenaf werd afgeschaft, streefcijfers op lokaal niveau.
Het platteland werd gereorganiseerd in 26.000 volkscommunes van ieder zo’n 5.000 huishoudens. Door deze verdeling konden sommige boeren meehelpen aan grote projecten bv. de bouw van een stuwdam of het graven van irrigatie kanalen i.p.v. op het land te werken.
De commune moest het communistisch ideaal ‘ieder werkt naar vermogen en ontvangt naar behoefte’ in de praktijk brengen. De inzet en het enthousiasme voor de Grote Sprong Voorwaarts was groot.
De Grote Sprong voorwaarts is met name bekend geworden door ‘de oventjes in de achtertuin’. Deze symboliseerden met name de mislukking van het project. De oventjes produceerden namelijk waardeloos staal.
Tijdens de 3 bittere jaren (1958-1961) kwamen tijdens een grote hongersnood zo’n 30 miljoen mensen om.
De regering wist dit verborgen te houden door de steden wel voedsel te laten ontvangen.
Begin 60-er jaren ging men terug naar een centrale planning van de economie.
Volkscommunes werden kleinschaliger en er kwam weer ruimte voor privé initiatief. De jaren 1966-1976 stonden in het teken van economische groei.
In de jaren 70 moesten ieder jr. 2 miljoen jongeren naar het platteland gestuurd worden om het hangen het rondhangen van de werklozen in de stad te voorkomen.
3.2 De politieke ontwikkeling 1957-1976
3.2.1 De machtsstrijd
De Grote Sprong Voorwaarts had ook invloed op de machtsverhoudingen in de top van de CPC.
Vanaf 1958 heerste er een voortdurende machtsstrijd. (Peng Dehuai – Mao Zedong) Deze strijd tussen een gematigd gedeelte en een radicaal gedeelte van de partij zorgde voor een soort zigzagkoers (Leidde tot grote onduidelijkheid voor het volk). Er waren periodes waar de gematigden het voor het zeggen hadden (1961-1966 en 1974-1976) maar ook tijden waar de radicalen de macht hadden (1966-1969, de culturele revolutie). Achter de schermen was echter nog een strijd. De factiestrijd was voor de bevolking geen ver van m’n bed show maar elke koerswijziging (en dan met name die van de radicalen), werd kracht bijgezet door grote massacampagnes. De dood van Mao in 1976 bracht geen verandering in de factiestrijd.
De factiestrijd: Binnen de Chinese Communistische Partij bestaande groepen van hoge partijfunctionarissen rond bepaalde leiders in de Partij die veelal met elkaar in machtsstrijd zijn.
3.2.2 De Culturele Revolutie
Door de mislukking van de Grote Sprong was Mao’s positie verzwakt en werd deze overgenomen door Liu Shoqi, Deng Xiaoping en Zhou Enlai, hun economische politiek was Mao een doorn in het oog (hij was bang voor een opleving van het kapitalisme).
Mao gebruikte het leger om weer terug aan de macht te komen, met hulp van minister van Defensie Lin Piau. Deze zorgde voor ‘De campagne tot bestudering van het denken van voorzitter Mao’. Iedereen moest het ‘rode boekje’ met uitspraken van Mao uit zijn/haar hoofd gaan leren en foutloos citaten van de ‘Grote Roerganger’ kunnen opzeggen. Een ongekende persoonsverheerlijking (propagandacampagne waarin een leider kritiekloos wordt opgehemeld)volgde. In 1966 startte de Culturele Revolutie met als slogan: ‘Rebelleren is gerechtvaardigd’. Mao kreeg steun van enorme aantallen jongeren die de straat opgingen en zich organiseerden als zogenaamde Rode Gardisten. Ze keerden zich tegen alles wat oud en gevestigd was. Deng Xiaoping en Liu Shaoqi werden net als andere partijkaders en intellectuelen naar heropvoedingskampen gestuurd. Door de Culturele Revolutie functioneerden het staatsapparaat en het onderwijs nauwelijks (zorgde voor een nog grotere technische achterstand). De beweging liep uit de hand en Mao keerde zich ervan af. Het leger stelde orde op zake en de gardisten werden naar het platteland gestuurd om daar ‘te leren van de boeren’.
3.3 De sociale ontwikkeling 1957-1976
3.3.1 Sociale ongelijkheid
Ondanks dat het communisme een samenleving zou zijn zonder klasseverschillen werd er in China onderscheid gemaakt, al was het niet tussen arm en rijk. Iedereen kreeg na 1949 een klassenstatus die een aantal rechten gaf. Daarnaast kreeg iedereen een stedelijke- of plattelandsregistratie (in communistisch China bestaande verblijfsvergunning voor de stad of het platteland waaraan bepaalde rechten zijn verbonden, zoals het recht op woning, werk en voedselbronnen). Stedelingen werden vaak bevoordeeld op gebieden als huisvesting, sociale zekerheid of distributie van consumptiegoederen. Je kon je klassen niet wijzigen, wel kon je door uitzonderlijke inzet een negatieve status kwijtraken. Het gebeurde echter veel eerder dat je een negatief etiket kreeg opgeplakt.
3.3.2 Conformisme
Waardoor gebeurde het toch steeds dat de mensen er bij elke nieuwe massacampagne weer met frisse moed tegenaan gingen? Hiervoor is een mogelijke verklaring te geven als je bedenkt dat het politieke denken in China doordrongen is van het moralisme: de staat bepaald wat goed en slecht is. Een eigen mening hoort niet in het openbaar. China was doordrenkt met dit conformisme (aanpassing aan heersende opvattingen; mensen gedragen zich tenminste uiterlijk naar wat van hen verwacht wordt) dat voor veel buitenlanders misleidend was.
3.4 Informatiebronnen over China
In communistische landen bestond/bestaat over het algemeen geen persvrijheid. Na 1972 werden er een paar buitenlanders China binnengelaten. Juichend werd gesproken over het Chinese experiment.
Paragraaf 4 ‘To get rich is glorious’ 1976-1989
4.1 De economische ontwikkeling 1976-1989
4.1.1 De landbouw
Na de dood van Mao werd duidelijk dat er hervormingen nodig waren. Er was economische groei nodig om de bevolking weer vertrouwen te geven in de CPC. Er kwam een nieuw economisch plan: ‘De Vier Moderniseringen’. Deze moderniseringen moesten landbouw, industrie, defensie en wetenschap & technologie ingrijpend vernieuwen.
Centraal in de hervormingen stond het verantwoordelijkheidssysteem. (De Chinese landbouwhervorming na 1984 waarbij de boeren het pacht in hand krijgen en zelf verantwoordelijk worden voor de bewerking en de opbrengst van het land.) De mensen werden zelf verantwoordelijk voor hun economische activiteit en winst maken werd weer toegestaan. In 1984 werden de volkscommunes ontmanteld en kregen de boeren de grond in pacht. Dit had al snel resultaat, de welvaart op het platteland steeg enorm. Keerzijde hiervan was dat de welvaartsverschillen zichtbaar werden en de werkloosheid toenam, tevens trokken veel boeren naar de stad om daar hun geluk te beproeven.
4.1.2 De industrie
De hervorming van de industrie verliep veel moeilijker. Ook hier probeerde Deng Xiaoping een verantwoordelijkheidssysteem in te voeren.
- Beloning van de arbeiders moest meer overeenkomen met geleverde prestaties, productiviteit moest omhoog met behulp van stukloon en bonussen. De zekerheid van een fabrieksarbeider (baan voor het leven en huisvesting van de fabriek) werd afgeschaft. Dit werd de ‘ijzeren rijstkom’ (door de Chinese communistische staat levenslang gegarandeerde rechten op een baan, huisvesting en sociale voorzieningen) genoemd.
- Planning werd weer gedecentraliseerd en lokale planners moesten meer rekening houden met de wet van vraag en arbeid. De corruptie steeg enorm.
- Directeur van de fabriek werd zelf verantwoordelijk voor zijn bedrijf.
- Privé-ondernemingen en buitenlandse samenwerking werden aangemoedigd. De openstelling was de belangrijkste factor voor het slagen van de hervormingen maar tevens de gevaarlijkste want de Westerse invloed bleef niet beperkt tot de economie.
4.2 De politieke ontwikkeling 1976-1989
4.2.1 De opvolging van Mao Zedong
Al voor zijn dood was er een strijd om de opvolging van Mao. De strijd ging tussen de ‘Bende van Vier’ en gematigde krachten rond Zhou Enlai. Deng Xiaoping werd door de groep gematigden gerehabiliteerd. Na zijn dood werd Mao opgevolgd door de onbekende Hua Guofeng. Hua liet de Bende van Vier onmiddellijk arresteren. In 1981 werd Deng Xiaoping partijvoorzitter. Tot zijn terugtreden drukte Deng een zwaar stempel op de politieke en economische koers, maar er bleef in de top van de partij altijd verzet tegen hem bestaan.
4.2.2 Veranderingen
Na de Culturele Revolutie waren er economische maar vooral ook politieke hervormingen nodig om het volk weer enigszins vertrouwen te geven:
- Massacampagnes afgeschaft;
- Aantal controlerende functies van de danwei verdwenen;
- Partij was niet langer bij alle instellingen vertegenwoordigd;
- Verbod op persoonsverheerlijking;
- Kritiek op Mao werd mogelijk;
- Klein begin van het vastleggen van het recht op willekeur;
- Intellectuelen werden als klasse erkend.
Probleem bij de hervormingen was dat de leiders moesten uitvinden hoe ver ze konden gaan zonder hun eigen macht aan te tasten.
Steeds vaker begon jongeren zich te roeren en de roep om de Vijfde Modernisering (democratisering van het politieke systeem, Wei Jingsheng vond dat die ontbrak in de Vier Moderniseringen) werd luider. De partijtop verzette zich steeds meer tegen de hervormingen nadat duidelijk werd dat hervormingen in de Sovjet-Unie ertoe hadden geleid dat deze uit elkaar was gevallen.
4.3 Culturele veranderingen 1976-1989
Na de Culturele Revolutie werden de regels voor literatuur verruimd. Er ontstond een nieuwe literatuur. Deze zogenaamde ‘littekenliteratuur’ (Chinese literatuur die na de dood van Mao opkwam, waarin schrijvers misstanden in het Mao-tijdperk en de trauma’s die deze bij mensen hebben veroorzaakt, in hun verhalen verwerken) ontstond naar aanleiding van het verhaal Het Litteken dat in 1978 als muurkrant was verschenen.
Paragraaf 5 Het plein van de Hemelse Vrede
Studenten kwamen op het plein van de Hemelse Vrede bij elkaar om te rouwen om de dood van Hu Yaobang. Er volgden demonstraties tegen corruptie en voor meer democratie, onder invloed van vele westerse camera’s werden de studenten feller. Ze bezette het plein totdat Deng en de partijleiding met hen wilde praten en hun eisen wilde inwilligen. Nadat de regering de demonstraties had veroordeeld, toonde de bevolking sympathie door studenten eten, drinken en geld te geven. De studenten gingen in hongerstaking en het plein veranderde in het aanzicht van een tentenkamp. De regering vond dat ‘de opstand’ beëindigd moest worden en besloot met behulp van het leger Peking te omsingelen door twee divisies.Over hoe de ontruiming precies verliep en hoeveel slachtoffers er zijn gevallen bestaat onduidelijkheid.
Paragraaf 6 Totalitarisme
Eind 19de eeuw en begin 20ste eeuw deden zich in West-Europa ingrijpende veranderingen voor:
- industrialisatie
- urbanisatie
- opkomst van de arbeidersbeweging
- invoering van het algemeen kiesrecht
- vorming van politieke partijen en vakbonden
Niet alleen democratisering ook antidemocratische bewegingen ontstonden, zoals het facisme en nationaal-socialisme.
Algemene kenmerken van totalitaire bewegingen:
1. ze gaan uit van een toekomstdroom
2. de macht komt in handen van één leider of een kleine elite uit één partij, die weet wat goed is voor het volk
3. de toekomstdroom die zij najagen leggen zij anderen op, desnoods met geweld.
4. om de nieuwe orde te bereiken wordt de bevolking ideologisch gemobiliseerd voor de harde en zware taken die haar te wachten staan.
5. een massapartij, een uitgebreid systeem van terreur en scherpe controle op leger en economische bedrijvigheid zorgen ervoor dat de staat invloed en controle op de bevolking krijgt.
Onder Gorbatsjov in de Sovjet-Unie en Deng Xiaoping in China nam de allesoverheersende invloed van de staat af zonder dat men deze landen nu direct democratisch kon noemen.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.