Geschreven door: | Lientje (5e klas) [meer] |
Datum ingestuurd: | 21 mei 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 2.650 |
Bekeken: | 1876 keer (1 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
FRITS VAN DEN BERGHE (1993-1939)
Biografie:
Frits Van den Berghe.
Op 3 april 1883 werd Frits Van den Berghe te Gent geboren. Vader Raphaël was op dat ogenblik secretaris van de Gentse Universiteitsbibliotheek, en zijn eruditie genoot faam onder het professorenkorps. Vanaf 1898 zou de jonge Frederik zich vervolmaken aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten. Onder zijn klasgenoten vond hij o.m. Leon De Smet en Albert Servaes, met wie hij in 1902 een atelier aan de Rasphuisstraat betrok. Met zijn boezemvriend Robert Aerens trok hij reeds in hetzelfde jaar naar Sint-Martens-Latem. Samen met Servaes vinden we hem nog in 1904 even te Latem. Pas in 1908 vestigde hij zich metterwoon in het dorp. Van den Berghe verbleef tijdens de zomermaanden in het dorp; de winters bracht hij in Gent door. In hetzelfde jaar werd hij tot docent aan de academie benoemd. Ondertussen ontmoette hij te Latem Paul-Gustave van Hecke en André De Ridder, die vrienden voor het leven zouden blijven.Kort voor de Eerste Wereldoorlog maakte Van den Berghe een zware crisis door. Samen met een vriendin trok hij naar de Verenigde Staten, maar na enkele maanden keerde hij ontgoocheld terug. Kort daarop brak de oorlog uit, en samen met Gustave De Smet vluchtte hij naar Nederland. In de eerste tijd in Amsterdam zorgde de Nederlandse schilder Leo Gestel voor zijn Belgische kompanen; ook André De Ridder volgde zijn vrienden op de voet. Feit is dat zowel De Smet als Van den Berghe snel opgemerkt werden in het Amsterdamse kunstmilieu. Reeds in 1915 toonde de Larensche Kunsthandel interesse voor hun werk. In mei 1916 volgde de eerste grote tentoonstelling van hun werk op vreemde bodem. Onder impuls van De Ridder bracht de galerie Heystee, Smith & Co toen een uitgebreide tentoonstelling van hun werk. Amsterdam kon hen echter niet bekoren, en reeds in augustus trokken ze naar Blaricum. Nog in hetzelfde jaar was Van den Berghe een opgemerkte gast op een tentoonstelling van Belgische ballingen in het Stedelijk Museum te Amsterdam. De Belgische ballingen zouden zich naderhand in het Gooi groeperen, en samen met De Smet en Jozef Cantré vormde Van den Berghe een kolonie ‘klein Gent’ in ballingschap.
De kunstenaar in zijn atelier omstreeks 1928.
Hoewel hij pas in 1922 terugkeerde naar België, speelde Van den Berghe een bepalende rol in het ontstaan van de galerie Sélection. Van bij de geboorte van de beweging, in 1920, was de kunstenaar onder contract in de galerie; later verbond Walter Schwarzenberg hem contractueel aan de galerie Le Centaure.Na een kort verblijf bij Permeke in Oostende, trok Van den Berghe in de zomer van 1922 naar Bachte-Maria-Leerne. Een jaar later vinden we hem samen met De Smet in de Villa Malpertuis van Paul-Gustave van Hecke, waar hij ook de volgende jaren regelmatig zal terugkeren. Le Centaure eerde hem in januari 1927 met een persoonlijke tentoonstelling; in april van hetzelfde jaar was hij er opnieuw te gast. Van Hecke bleef zijn poulain steunen, onder meer met een individuele tentoonstelling in zijn Galerie L’époque in november 1928. Zelfs in tijden van crisis ondersteunden zijn Brusselse mecenassen Van den Berghe. Nog in maart 1931 pakte Le Centaure met een individuele tentoonstelling van zijn werk uit; in de loop van het jaar wijdde Sélection een themanummer aan de kunstenaar.Toen zijn belangrijkste broodheren, in 1931-1932 failliet gingen, werd op enkele maanden tijd 10 jaar geschiedenis te grabbel gegooid. De verzamelingen van De Ridder, Van Hecke en Schwarzenberg en de collecties van hun galerijen werden per opbod en zonder limiet verkocht. Met De Smet en Hubert Malfait behoorde Van den Berghe tot de zwaarst getroffenen. Niet minder dan honderdenzes topwerken van de kunstenaar werden voor een habbekrats geveild.
v.l.n.r. Frits Van den Berghe, Paul-Gustave Van Hecke, Gustave De Smet en André De Ridder.
Feit is dat de conservatieve pers de economische crisis en het faillissement van de modernistische galerijen aangreep, om ook het einde van het expressionisme, de heersende stroming in de jaren 1920, aan te kondigen. Gevolg was dat de modernisten van de jaren 1920, met De Smet en Van den Berghe op kop, plots in een slecht daglicht werden geplaatst. Komt daarbij trok Van den Berghe zich terug uit het wispelturige kunstleven. Om in den brode te voorzien introduceerde Van Hecke hem in de socialistische uitgeverij Het Licht te Gent, waar hij als illustrator aan de slag kon. Vol vuur zou Van den Berghe zich in de volgende jaren op deze opdrachten storten. Illustratief werk verscheen in de krant Vooruit; ook in de weekbladen Koekoek en Voor Allen bracht hij een humoristische, soms satirische kijk op de eigentijdse culturele en politieke hoofdfiguren.Van den Berghe trad in de jaren 1930 nog maar zelden op het voorplan. In 1933 organiseerde de Gentse Socialistische Studiekring een dubbeltentoonstelling samen met Jozef Cantré; in hetzelfde jaar liet Emile Langui de eerste monografie over de kunstenaar verschijnen. Alice Manteau organiseerde in 1936 een kleine tentoonstelling van zijn werk.In september 1939 kwam dan toch de officiële erkenning voor zijn werk, wanneer hij voor het directeurschap van de Gentse academie werd voorgedragen. Van den Berghes onverwachte overlijden op 23 september van hetzelfde jaar maakte ook deze erkenning onmogelijk.
Oeuvre: Het vroege werk van Frits van den Berghe laat zich opmerken door een voortdurende twijfel tussen het impressionisme en het symbolisme. Het milieu waarin de jongeman zich begaf stond immers ver af van het blije, spontane impressionisme van Emile Claus. Reeds op jonge leeftijd was de kunstenaar bijzonder belezen. Vooral de lectuur van Nederlandse literatuur wekte al vroeg de interesse voor het spirituele. Tijdens zijn eerste Latemse jaren – tussen 1904 en 1913 – woonde hij vlakbij een gouwgenoot, Karel van de Woestijne. Hoewel ze elkaar weinig ontmoetten, ontstond er een zekere verstandhouding. Hun zoektocht naar de ziel der dingen bracht hen samen. Anderzijds was er ook de Gentse kring van jonge intellectuelen, zoals Paul-Gustave van Hecke, Adolf Herckenrath, Reimond Kimpe, en ook Gustave De Smet. Samen publiceerden ze in 1908 zelfs een manifest tegen het impressionisme. En toch merken we vooral in zijn landschappen Clausiaanse trekken. Maar in de portretten en de interieurs lopen droom en realiteit door elkaar, en komt de symbolistische drang naar vervreemding naar voor.
Blaricum 1919, Frits Van den Berghe in zijn atelier.
Het begin van de Eerste Wereldoorlog bracht niet direct een kentering in zijn werk. In tegenstelling tot zijn deelgenoot Gustave De Smet was hij niet onmiddellijk geneigd om de weg van het expressionisme op te gaan. Pas in de loop van 1916 manifesteerden de Duitse en Nederlandse voorbeelden zich ten volle. Op dat ogenblik stond hij dicht bij het fauvistische kleurgebruik van Kees van Dongen en Leo Gestel. Plots sloop synthese in zijn werk, herkenbaarheid verschoof naar het tweede plan. Emoties en gedachten werden geschilderd. Empathie werd zijn nieuwe leidraad. Humanistische thema’s voerden de boventoon. Schildertechnisch gaf hij de vrije hand aan een losse, wilde penseelvoering. Rond 1919 kwam deze nerveuze techniek tot bedaren. Belangrijk is dat Van den Berghe via De Smets abonnement op het tijdschrift Das Kunstblatt op de hoogte bleef van de evolutie van het Duitse expressionisme. Voor beiden vormden de gereproduceerde grafiek in het tijdschrift een voorbeeld voor de eigen hout- en linoleumsneden. Ook in zijn schilderwerk is de invloed van de Duitse expressionisten Ernst Ludwig Kirchner en Erich Heckel aanwijsbaar: in de compositie, de hoekige structuren, het gebruik van zelfstandige kleurvlakken, … Ook de fantastiek van Marc Chagall had een impact op zijn werk. In tegenstelling tot zijn vriend Gustave De Smet raakte Van den Berghe niet geïntrigeerd door de geometrie van het kubisme. Het sculpturale karakter van zijn figuren staat hun humanistische uitstraling niet in de weg. Eerder dan te berekenen, ging Van den Berghe intuïtief te werk.
De kunstenaar aan het werk als illustrator voor de uitgeverij 'Het Licht' te Gent.
Terug in België brak voor beide vrienden een klassieke periode aan. Hun Vlaams expressionisme staat voor evenwicht. Aan de Leie herontdekte Van den Berghe de natuur. Hun kunst werd verhalend van toon. Kleur kreeg een nieuwe dimensie. Niet meer in een aan het Duits expressionisme ontleende contrast, maar in het zachte accent. De coloristische basis – in een breed gamma van tedere okers tot donkere aardtonen – houdt verband met de aarde.Maar tegenover deze herwonnen natuurlijkheid stond Van den Berghes filosofische ingesteldheid. Universele thema’s – de relatie tussen man en vrouw, het emotionele, de menselijke psyche – duiken vanaf 1924 opnieuw in zijn werk op. Dit onderzoek van het psychologische, van het onderbewuste zou vanaf 1926-1927 zijn kunst gaan overheersen. Het innerlijke leven kreeg alsmaar meer belang. Via Le Centaure en Paul-Gustave van Hecke kwam Van den Berghe ook in contact met het internationale surrealisme. De tentoonstelling van Max Ernst in mei 1927 maakte een verpletterende indruk op de kunstenaar. Ook Van den Berghe ging nu experimenteren met materiaal en techniek. De verweerde textuur van de verflaag bepaalde de voorstelling. Zijn beeldentaal stoelt op archetypische modellen. Demonen, heksen, monsters en andere vreemdsoortige creaturen doen hun intrede. De donkere wereld van de menselijke ziel doet zijn intrede. Ook de kunstenaar zelf duikt nu meermaals in de schilderijen op.Hoewel doorgaans nogal vlug over Van den Berghes illustratiewerk heengegaan wordt, toont Van den Berghes werk voor kranten en tijdschriften zoals Koekoek, Vooruit, Voor Allen , e.a., toch een intrigerend, onverwacht aspect van zijn kunstenaarsbestaan. Soms humoristisch en volks vormen deze illustraties evenzeer een scherpe analyse van een woelig decennium. De kwellende onzekerheid van de jaren 1930 bracht hij met een soms visionaire interpretatie tot leven.
Artikel naar aanleiding van de dood van Frits van den Berghe
Bij den dood van Vlaanderens grooten kunstenaar Frits van den Berghe
- Frits... d'er is nen heere met ne gelen mantel, nen bril en nen baard, van de parlee fransee, die naar Edward vraagt... loop ne keer naar de Chartreuse om hem te helen!
Met deze boodschap zond moeder Roza Anseele, den tienjarigen Frits van den Berghe vooruit.
Het was op een warmen vakantiedag in dne Ham, en Frits die er juist op uit was om vischkens te gaan vangen aan 't Pas, trok een vies gezicht, dat alleen ophelderde bij de belofte van een halven kluit "voor zijn kommissie".
Hij kwam terug met Eedje Anseele, kreeg zijn halven kluit en op den koop toe mocht hij eens naar den heer van de "parlee fransee" kijken.
Een uur later stond het portret van den "monsieur" met krijt getekend op de poort van huurhouder Fecheyr...
Wat Frits slechts veel later geweten heeft, is dat hij op die poort de karikatuur had geteekend van Emiel Zola, die Edward Anseele te Gent een bezoek was komen brengen.
De jeugdjaren van Frits van den Berghe zijn waardig geweest van 'n Gentschen "Witte". Hij ging niet graag naar school, hij kon ook in zijn huis niet blijven, maar was altijd de straat op, aan 't ravotten in de naburige havenwijk, aan 't zwemmen in het Dok of aan 't spelen op de houtstapels.
Daar heeft hij misschien duizendmaal meer geleerd dan in al de teekenscholen van de wereld, want hij kwam er rechtstreeks in aanraking met een leven van overgroot leed en dol plezier, met zonderlingen typen die men alleen in de oude achterbuurten vinden kan.
Later, wanneer zijn kunst naar het surrealisme moest overhellen, zullen deze machtige jeugdindrukken weer in hem oplaaien, en aan zijn talent een originaliteit geven, warop weinigen kunnen bogen.
Een kleine anekdote uit zijn schooljaren herinner ik mij met voorliefde: jaren lang heeft één van zijn onderwijzers van de Kasteelschool, een lei bewaard met een teeken!ing van Frits... maar welk een teekening!
Schoolmeesters die in den hoek stonden met een ezelsmuts op het hoofd, anderen die op "hun broek kregen" van de leerlingen, en nog anderen die zweetend straf zaten te schijven.
Een derde meesterwerk uit zijn kinderjaren waren de geschilderde kiekens van de brave koetsiersvrouw uit den Ham.
Hoe dikwijls heb ik haar niet horen roepen:
- God helpt mij... Frits heeft mijn broedsche kiekens in de groene olieverf gestoken!
Maar hij was nog geen twaalf jaar "ten vollen uit" toen hij op het koermuurken van de koer bij Mie Chokla, een molen, een schip en een waterhond schilderde.
- Ze leven! riep ze opgetogen uit, en ze betaalde den jeugdigen artiest in betteraven, hanepietjes, en kerremellen...
Frits is altijd een "sneukelaar" geweest en gebleven.
In den laatsten tijd, diepten we dikwijls onder ons beiden deze kleine maar lieve jeugdherinneringen op.
Toen vader Anseele nog leefde, kon hij dat ook doen, want hij was de eerste geweest die in Frits een groot kunstenaar had ontdekt.
Ook "Eetje" voorspelde hem dat het kunstenaarsleven hard en zuur was, en dat men er slechts zeer laat de vruchten van kon plukken, ten minste wanneer er te plukken waren.
Dat heeft Frits van den Berghe maar al te goed geweten. Hij heeft veel en hard gewerkt en toen zijn naam einderlijk vermaardheid kreeg, toen men in Frankrijk, Duitschland, Engeland en Amerika eindelijk wist dat "de meester van het Groteske" Frits van den Berghe heette, was hij reeds zeer vermoeid, en wilde het hart niet meer mee.
Nu en dan hebben de vreemde landen hem aangetrokken.
Hij verbleef enkele maanden te New-York, waar hij goed aan zijn brood kwam, maar waar de atmosfeer hem te drukkend was.
Voor een man die steeds de deemsterige Gentsche sloppen en de stille namiddagen der Arteveldestad heeft liefgehad, waren de skyskrapers een gruwel.
Aangenamer herinneringen heeft hij behouden van zijn verblijf in Nederland... doch zonder Vlaanderne en vooral zonder zijn geboortestad, kon hij niet leven.
Na een lang verblijf aan de Leie te Laethem, temiddan van een kring kusntenaars en letterkundigen, keerde hij naar Gent terug.
De roepstem van de oude wijken had luid weerklonken...
Hij ging in de oude Kathelijnestraat wonen, in een huis dat uit de achttiende eeuw dagteekent, en dat hij in een klein kunstmuseum omtooverde.
Daar kwam de dood hem halen...
Het werk van Frits van den Berghe is aanzienlijk in zijn omvang zelf. Talrijk zijn de schilderijen, aquarellen, en vooral penteekeningen.
Als illustrator is Frits van den Berghe buitengewoon vruchtbaar geweest; verscheidene ophefmakende reportages heeft hij met aangrijpende teekeningen opgeluisterd.
Zelfs voor de jeugd kon hij werken, en 't is van zijn hand dat de Edmund Bell detektief-verhalen geïlustreerd werden.
Deze Gentenaar had zijn evenbeeld niet om de Londesche mistatmosfeer weer te geven...
Nu liggen de fijne nerveuse handen van Frits van den Berghe stil, voor altijd zijn de pen, het potlood en het penseel er uitgevallen, zij vouwen zich rond een garve roode rozen.
Rozen en lauweren die voor hem eeuwig zullen in bloei staan.
John F.
De Dag, 26 september 1939
Dit is wel nog steeds geschreven in het oud Nederlands.
Bespreking van een schilderij van Frits van den Berghe
Titel le miroir
Kunstenaar Frits Van den Berghe
Galerie Patrick Derom Gallery galerie.p.derom@linkline.be
Datum van het werk 1924-1925
Categorie werken op papier
Materiaal waterverf, potlood & plakkaatverf
Regio België
Prijs Verkocht
Beschrijving verkocht aan de Simon collectie van de Belgische kunst
De 'dolle jaren' bracht de kunstenaar Frits Van den Berghe met zijn kritische tekeningen als geen ander tot leven. Samen met de schrijver Richard Minne bespeelde hij de thema's van ongebreideld optimisme en bang voorgevoel die toen door elkaar aan de orde waren. Niet het minst ook het opkomend fascisme, dat hij als één der eersten hekelde. Het schilderij “le mirior” is volgens mij een prostituee die op de schoot zit van haar pooier ofwel van een klant, ze kijkt naar haar zelf in de spiegel & zie hoe ze eigenlijk is. Ze is haar heel goed bewust van waar ze met bezig is maar ze is fier op zichzelf & ze kust de spiegel.
Nog enkele schilderijen van Frits van den Berghe
De droom (de schepping)
obsessies
Het terugkeren van schepen op Zuiderzee.
Vissersjongen
Bronnen:
http://www.galeries.nl/mnkunstenaar.asp?artistnr=7317&vane=&em=&sessionti=1031332023
http://www.waterwijk.be/geschiedenis/figuren/frits/dood
http://www.google.be/
Biografie:
Bibliografie:
Boyens, Piet, Sint-Martens-Latem, Kunstenaarsdorp in Vlaanderen, Tielt - Sint-Martens-Latem, Lannoo - Art Book Company, 1992.
Boyens, Piet, e.a., Frits Van den Berghe, Antwerpen, Pandora, 1999.
Boyens, Piet e.a., Retrospectieve Frits Van den Berghe, tent. cat., Oostende, Provinciaal Museum voor Moderne Kunst, 1999-2000.
De Smet, Johan, Sint-Martens-Latem en de Kunst aan de Leie 1870-1970, Tielt - Zwolle, Lannoo - Waanders, 2000.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.