ff n studiebreak

Bij klassieke muziek moet je niet aan je grijze oma denken, maar aan YouTube. 5 tips van Lucas en Arthur Jussen.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

anoniem (6 vwo)

Datum ingestuurd:

26 mei 2004

Taal:

Woorden:

5.450

Bekeken:

9695 keer (12 deze maand)

Waardering:

4.0/5 (25 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
HET AANBOD

Afschrijvingen (zoals weergegeven op de resultatenrekening) = de waardevermindering van de activa (tot uitdrukking gebracht in de administratie)

Opmerkingen bij balans:
- Aan de linkerzijde (activa- of debetzijde) staan de bezittingen en vorderingen (= bezittingen op termijn)
- Aan de rechterzijde (passiva- of creditzijde) vind je het eigen vermogen en vreemd vermogen (schulden en voorzieningen)
- Debiteuren (links) = zgn. handelsvorderingen of vorderingen op afnemers
- Crediteuren (rechts) = schulden op leveranciers

Kenmerkende verschillen tussen ondernemingsvormen:

Aansprakelijkheid strekt zich uit tot… Eigendom en leiding Mogelijkheden om kapitaal aan te trekken Belasting over winst
Eenmanszaak Zakelijk én privé vermogen In één persoon vermengd Beperkt Inkomensheffing
VOF Zakelijk én privé vermogen De firmanten samen Minder beperkt Inkomensheffing
BV Aandeelbedrag Directeuren zijn tevens aandeelhouders Minder beperkt Vennootschapsbelasting
NV Aandeelbedrag Gesplitst Groot Vennootschapsbelasting

Concern:
Eén houdstermaatschappij heeft
de meerderheid van aandelen
van een aantal
dochterondernemingen en geeft
op haar beurt aandelen uit, die
kunnen worden verhandeld
op de beurs.
Een concern met vestigingen
in meerdere landen wordt
een multinationale
onderneming (nmo) genoemd.

Concentratie = groei van ondernemingen ten koste van de kleinere (vanaf Industriële Revolutie in 19e eeuw)
Bedrijfstak / branche = alle bedrijven die zich bezig houden met de voortbrenging van eenzelfde soort product (bijvoorbeeld de bouw, visserij en horeca)
Bedrijfskolom = de opeenvolgende bedrijfstakken die een product doorloopt voordat het terechtkomt bij de uiteindelijke afnemer (van grondstofproducent tot detaillist, of, in geval van kapitaalgoederen; tot producent).
Toegevoegde waarde = het prijsverschil dat ontstaat op de deelmarkten.
Manieren van groei bij een onderneming:
- Autonome groei = eigen productiecapaciteit vergroten door middel van uitbreidingsinvesteringen.
- Fusie = twee zelfstandige, min of meer gelijkwaardige ondernemingen gaan vrijwillig in elkaar op.
- Overname / acquisitie = een onderneming koopt een, meestal kleinere, andere onderneming op. De kleinere onderneming verliest (al dan niet vrijwillig) haar zelfstandigheid.
- Joint venture = nieuwe onderneming waaraan de deelnemende ondernemingen elk een bijdrage leveren. Zij behouden hun zelfstandigheid.

Verticale expanise = als ondernemingen expansie zoeken in eigen bedrijfskolom; integratie van leveranciers en afnemers in de eigen onderneming waardoor winsten en risico’s in eigen hand te houden zijn.
Bijv.: olie -> Shell zoekt olievelden, wint ruwe olie en verkoopt deze bovendien zelf aan de pomp.

Differentiatie = het afstoten van delen van het productieproces, ook wel Toyotisme genoemd.
Diversificatie of parallellisatie = uitbreiding naar parallelle bedrijfskolommen.
Conglomeraat = onderneming met een onsamenhangend pakket van producten als gevolg van zeer ver doorgevoerd diversificatie.

Samengaan Opsplitsing
Verticaal Integratie Differentiatie
Horizontaal Parallellisatie Specialisatie

Produceren = het toevoegen van waarde aan ingekochte grond- en hulpstoffen.

Belangrijke functies:
1. Omzet = totale opbrengst = afzet x verkoopprijs -> TO= p x q
2. Totale winst = totale opbrengst – totale kosten -> W = TO - TK
3. Totale kosten = afzet x gemiddelde totale kosten -> TK= q x GTK
4. Totale winst = afzet x (verkoopprijs – gem. tot. kosten) -> W= qx(p-GTK)

Individuele aanbodfunctie/ -vergelijking = weergave van het verband tussen prijs en aangeboden hoeveelheid. In het algemeen is deze positief, immers een hogere verkoopprijs betekent een hogere winstmarge en is het dus aantrekkelijker meer producten aan te bieden.
De mate waarin het aanbod reageert op prijsveranderingen wordt weergegeven door de prijselasticiteit van het aanbod:
Epa = %verandering v/d aangeboden hoeveelheid / % verandering v/d verkoopprijs

Collectieve aanbodvergelijking = de weergave van het aanbod bij elke prijs van de gehele bedrijfstak.
Macro-economisch aanbod = het aanbod van alle bedrijfstakken samen.
OPEC = Olie Producerende en Exporterende Landen.
Constante kosten = kosten dien niet reageren op een verandering van de productieomvang. Zij vloeien voort uit productiemiddelen die worden aangetrokken voor een langere periode. (Bijvoorbeeld afschrijvingskosten, verwarming, verzekering, schoonmaak, gebouwen, machines, installaties.)
Bezettingsgraad = de mate waarin de productiecapaciteit wordt benut.
De gemiddelde constante kosten (GCK) neemen af naarmate de bezettingsgraad hoger is. Immers de totale constante kosten (TCK) blijven gelijk maar kunnen over meer producten worden uitgesmeerd.
Break-evenpoint = de totale kosten en de totale opbrengsten zijn in dit punt precies even hoog en de totale opbrengsten zijn dus precies genoeg om de kosten geheel te dekken.

Maximale winst bij MO = MK ?
Zolang MO > MK neemt de TW toe bij uitbreiding van de productie. Zodra MO < MK neemt de TW af bij uitbreiding. De TW is maximaal waar de toename overgaat in de afname, dus waar MO = MK.

Arbeidsproductiviteit = gemiddelde productie per arbeider.
Kapitaalproductiviteit = de productie die één geïnvesteerde euro kapitaal gemiddeld oplevert.
Kapitaalintensiteit = het kapitaal (geïnvesteerde bedrag) per werknemer. Naarmate per arbeider meer kapitaal wordt ingezet noemen we het productieproces kapitaal intensiever. Minder kapitaal per werknemer betekent een kapitaalextensiever of arbeidsintensiever productieproces.

Adam Smith (econoom, 18e eeuw): beschreef aan de hand van een speldenfabriek hoe arbeidsdeling kan leiden tot een steker toename van de productie.
Mechanisatie (19e eeuw) = de overname van eenvoudige handelingen als de aanvoer van grondstof, de bewerking en de afvoer van eindproducten door machines.
Automatisering (20e eeuw) = ook regeling en sturing van het productieproces worden door machines overgenomen.

Breedte-investering = per werknemer blijft evenveel kapitaal in gebruik (een voortzetting van de huidige techniek)
Diepte-investering = per werknemer wordt meer kapitaal gebruikt (het productieproces wordt kapitaalintensiever).

Schaalvoordelen = voordelen die uitsluitend het gevolgd zijn van een grotere productieomvang (bijvoorbeeld lagere GTK, kwantumkortingen).

Schaalvergroting kan een motief zijn voor diepte-investeringen. Immers een grotere productieomvang is vaak alleen te bereiken door het productieproces kapitaalintensiever te maken; massaproductie wordt pas mogelijk door gebruik te maken van grote machines en installaties.
Bij een diepte-investering kunnen de schaalvoordelen bovendien verder toenemen. De productie wordt namelijk kapitaalintensiever en de kosten die daarmee samenhangen horen tot de constante kosten, terwijl en groot deel van de arbeidskosten variabel is. Als de productieomvang toeneemt worden de GCK lager. Deze daling kan de kostprijs verlagen.

Research = onderzoek naar nieuwe producten en/ of productietechnieken
Development = ontwikkeling van nieuwe producten en / of productietechnieken
Productinnovatie = wanneer de R&D- inspanningen daadwerkelijk leiden tot de invoering van een nieuw product.
Procesinnovatie = de daadwerkelijke invoering van een nieuw productieproces.
Octrooi = met een octrooi krijgen ondernemingen gedurende een aantal jaren het alleenrecht op het commerciële gebruik van een uitvinding.
Licentie = wanneer ondernemingen hun vindingen niet zelf toepassen dan kunnen ze het octrooi verhuren: het verlenen van een licentie.
Ondernemingen die gebruik maken van zo’n licentie produceren in licentie.
Kennisintensiteit = R&D uitgaven per product of in procenten van de omzet. (In de industrie onderscheidt met high-tech, medium-tech en low-tech producten.)
Marketing = bevordering van de verkoop bijv. door middel van reclameactiviteiten.
Macro-economische productiecapaciteit = de hoeveelheid goederen en diensten die een land kan produceren, als alle productiefactoren van dat land worden benut.
Hoe groot de capaciteit is hangt af van de structuur van de economie: de mate waarin er productiefactoren beschikbaar zijn en de kwaliteit daarvan. (Bij de kwaliteit van productiefactoren speelt de technische ontwikkeling en de opleiding van de bevolking een rol.)

Macro-economisch kun je spreken van meerdere bezettingsgraden: de bezettingsgraad van kapitaal, van de beroepsbevolking en, eventueel, van natuur.

Autarkie: een land voorziet in eigen behoeften -> er is dus geen internationale handel

Door specialisatie en handel verminderen de totale kosten. Door een efficiëntere internationale arbeidsverdeling hoeven er in totaal minder productiefactoren te worden ingeschakeld in bijv. de drankindustrie. Deze productiefactoren kunnen elders in de economie worden ingeschakeld. Op die manier kan door internationale handel de totale welvaart toenemen.

Comparatieve (of relatieve) kostenverschillen =
Je vergelijkt de kosten van een product met die van een ander product uit hetzelfde land.

In de visie van Ricardo (1772–1823) neemt de gezamenlijke welvaart van landen toe als elk land zich toelegt op producten waarin het comparatieve kostenvoordelen heeft. Via de buitenlandse markt verkrijgt een land de producten waarbij comparatieve nadelen bestaan.

Ruilvoet = de ruilvoet vergelijkt het prijspeil van de export met het prijspeil van de import.
Ruilvoet = prijspeil export / prijspeil import x 100%
Volledige vrijhandel = de internationale handel wordt op geen enkele manier belemmerd.

Protectionistische maatregelen (= maatregelen die producenten beschermen tegen buitenlandse concurrentie):
- Invoerrechten/ -tarieven op buitenlandse producten.
- Invoerquota/ -contingent (= maximum stellen aan invoer)
- ´Local content´-eisen = een minimaal percentage van de onderdelen van een product moeten afkomstig zijn uit eigen land/gebied.
- Administratieve invoerbelemmeringen (zoals langdurige grenscontroles, kwaliteitseisen, etc.)
- Subsidieverstrekking of belastingvoordelen aan eigen goederen / diensten.

Deviezen = vreemde geldsoorten of vreemde valuta´s
Wisselkoers = de prijs van een vreemde valuta
Exportwaarde (in indexcijfers) = prijsstijging (indexcijfers) x afzetdaling (indexcijfers)
Prijselasticiteit v/d invoer = geeft aan hoe groot de procentuele verandering van het invoervolume is als gevolgd van een prijsverandering van de invoer.
Prijselasticiteit v/d uitvoer = laat zien hoe sterk het uitvoervolume reageert op prijsveranderingen van het exportpakket.
Koersrisico = door schommelingen van de wisselkoers lopen handelaars het risico uiteindelijk een hoger bedrag te moeten betalen dan ze verwachtten (bijv. bij uitstel van betaling).
Rentebeleid = stimuleren van bijvoorbeeld investeringen door de rente te verhogen.
Structuurbeleid, aanbodbeleid of groeibeleid = als de overheid maatregelen neemt met als doel in te grijpen in de aanbodkant van de economie. Het is van lange termijn en heeft invloed op de macro-economische productiecapaciteit.
Collectieve druk = verplichte afdrachten aan de collectieve sector t.o.v. het nationaal inkomen.
Loonmatiging = loonstijging blijft achter bij de stijging van de arbeidsproductiviteit.

DE VRAAG

Factoren die van invloed zijn op ´de vraag´:
- Prijs
- Inkomen
- Kruisprijs (prijs v/h andere product)
- Behoeften (status, gezinssamenstelling, scholing, buurt, klimaat, mode)
- Aantal consumenten

Voorbeeld:
Qv = -3 P + 40

Alle aspecten worden hierin constant verondersteld, behalve de prijs. In de ´40´ zit dus: inkomen, kruisprijs, behoeften en het aantal consumenten inbegrepen.
Als we hiervan een grafiek tekenen (een lineair dalende lijn) en deze verplaatst zich vervolgens naar rechts, dan is één van de aspecten verwerkt in het getal ´40´ veranderd. Immers, bij een prijsverandering, verandert de vraag over de lijn. Bij een verandering van bijvoorbeeld het inkomen verplaatst de hele lijn zich naar links of rechts.

Consumptieve bestedingen = de totale vraag naar alle consumptiegoederen
Consumptie = het kopen of aanschaffen van goederen en diensten om in de behoeften te voorzien zonder de bedoeling daar verder mee te produceren.
Producten / goederen = goederen én diensten.
Consumentisme = het streven van consumentenorganisaties naar een zo goed mogelijke belangenbehartiging van de consument.

Overheid oefent invloed uit op gedrag v/d consument d.m.v.:
- Wetgeving (wapenbezit, drugs, max. snelheid, etc.)
- Wet Misleidende Reclame
- Belasting en Premieheffing
- Collectieve goederen (móet je consumeren of je wilt of niet)
- Accijnzen, etc.
- Subsidieverstrekking.

Externe effecten = effecten die ontstaan bij de productie maar niet doorberekend worden in de prijs.
Negatieve externe effecten = invloeden ten ongunste van anderen dan de gebruiker die niet doorberekend zijn in de prijs.
Substitutie-effect = als de prijs van cola daalt zal men geneigd zijn er meer van te kopen ten koste van andere frisdranken die niet in prijs verlaagd zijn.
Inkomenseffect = de prijsdaling van bijvoorbeeld cola bij een gelijkblijvend nominaal inkomen zal de koopkracht van dat inkomen doen stijgen, waardoor de consument meer cola kan kopen.

Individuele (prijs)vraagfunctie = geeft het verband aan tussen de prijs en de gevraagde hoeveelheid van een goed.
Individuele vraaglijn = grafische weergave van de individuele (prijs)vraagfunctie.
Collectieve (prijs)vraagfunctie = verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid van een goed van alle consumenten samen.
Collectieve vraaglijn = de grafische weergave van de collectieve (prijs)vraagfunctie.

Prijselasticiteit van de vraag = hoe sterk reageert de gevraagde hoeveelheid van een product op een prijsverandering -> hoe prijsgevoelig is de vraag naar een product.

% verandering v/d vraag gevolg dQv/Qv x 100%
Ep = ____________________ = ______ = _____________
% verandering v/d prijs oorzaak dP/P x 100%

Inelastische vraag = de vraag reageert minder dan evenredig op een prijsverandering. Ep ligt tussen –1 en 0.
Elastische vraag = de vraag reageert meer dan evenredig op een prijsverandering. Ep > 1

dQv P
Puntelasticiteit = ____ x __
dP Qv

eerste afgeleide = richtingscoëfficiënt Stelt het punt voor, waarvan we de elasticiteit gaan berekenen.

Substitutiegoederen = goederen die met elkaar concurreren oftewel die elkaar kunnen vervangen. Er is hierbij sprake van een positieve kruiselingse prijselasticiteit.
Complementaire goederen = goederen die elkaar aanvullen (negatieve kruiselingse prijselasticiteit).

Kruiselingse prijselasticiteit = de invloed van een prijsverandering van een ander goed op de vraag naar het ene goed.

dQv/Qv x 100%
Ek = ______________
dPk/Pk x 100%

Kruiselingse puntelasticiteit:

Ek = dQv Pk
____ x ___
dPk Qv


Individuele inkomensvraagfunctie = functie die het verband weergeeft tussen de vraag naar een bepaald goed van een consument (qv) en het inkomen van die consument (Y).
Individuele inkomensvraaglijn = grafische weergave van de individuele inkomensvraagfunctie, ook wel Engelkromme genoemd.

Collectieve inkomensvraagfunctie = het verband tussen de totale vraag naar een bepaald goed en het totale inkomen (van alle consumenten samen).
Collectieve inkomensvraaglijn = grafische weergave van de collectieve inkomensvraagfunctie.

Wet van Engel = bij een toename van het inkomen stijgen weliswaar de uitgaven aan voedsel maar het percentage van het inkomen dat aan voedsel wordt uitgegeven wordt steeds kleiner. Al gaat de Wet van Engel niet op, dan spreek je toch van een Engelkromme.

Inkomenselasticiteit v/d vraag:

% verandering v/d vraag naar een bepaald goed DQv/Qv
Ey = ______________________________________ = _______ x 100%
% verandering van het inkomen DP/P

De puntelasticiteit wordt dan:
dQv Y
_____ x ___
dY Qv

WELVAART

Productiefactoren = natuur, arbeid, kapitaal en ondernemerschap.
(Hier staat loon, rente, huur, pacht en winst tegenover.)
productiecapaciteit = de maximaal haalbare productie met de aanwezige productiefactoren.
Produceren = het voortbrengen van goederen en diensten met als doel het verwerven van inkomen door het verkopen van de producten.
Investeren = het aanschaffen van nieuwe kapitaalgoederen door ondernemingen ten behoeve van de productie. Hiertoe behoren ook de investeringen in voorraden (van grondstoffen tot kant en klare meubelen).

Doelstellingen ondernemers:
- Winst
- Bedrijfscontinuïteit
- Marktaandeel
- Kostendekking (vooral overheidsbedrijven)

Overcapaciteit = feitelijke productie is lager dan de productiecapaciteit. De bezettingsgraad is dan laag.

Nationale bestedingen = overheidsbestedingen, particuliere consumptie en particuliere bestedingen samen.

Exportquote = geeft de exportwaarde (=hoeveelheid geëxporteerde goederen x prijs) in procenten van het nationaal inkomen weer.
Importquote = geeft de importwaarde (=hoeveelheid geïmporteerde goederen x prijs) in procenten van het nationaal inkomen weer.

Inkomensverkeer:
Inwoners van een land kunnen productiefactoren, arbeid of kapitaal, beschikbaar stellen aan het buitenland. In ruil daarvoor verdienen zij loon (op arbeid), winst (op belggingen) en rente (op obligaties).
Omdat deze beloningen worden verdiend in het productieproces horen ze tot de primaire inkomens.
Naast primaire inkomens horen ook inkomensoverdrachten (een vorm van secundair inkomen) tot de overdrachten waar geen tegenprestatie tegenover staat (zoals ontwikkelingshulp, EU-bijdragen, overmakingen van buitenlandse werknemers naar het moederland, etc.).

Kapitaalverkeer:
Bij kapitaalverkeer gaat het om leningen, beleggingen en (directe) investeringen.

Lopende rekening:
Het goederen-, diensten- en inkomensverkeer vormen samen de lopende rekening.
Het lopende verkeer leidt tot inkomen. Immers wanneer een bedrijf goederen of diensten exporteert levert dat inkomen op; loon voor de werknemers van het exportbedrijf en winst voor de ondernemer. Het exporteren van arbeid (werken in het buitenland) leidt tot loon en het exporteren van kapitaal tot rente en winst.

Vermogensverkeer:
Het kapitaal wordt ook wel vermogensverkeer genoemd. Indien inkomen niet wordt besteed ontstaat vermogen. Dit vermogen kan belgd worden in het buitenland en levert in de toekomst weer inkomen op in de vorm van rente en winst. Dus kapitaalstromen zélf zijn geen inkomen.

Betalingsbalans = systematisch en samenvattend overzicht van alle in geld uitgedrukt transacties met het buitenland over een bepaalde periode, meestal een jaar.
Dekkingspercentage = geeft aan in welke mate de uitgave van de import al dan niet gedekt worden door de ontvangsten van de export.

exportontvangsten
= _______________ x 100%
importuitgaven

Materieel saldo = optelsom van de saldi van de lopende rekening en de kapitaalrekening.
Materieel evenwicht = evenwicht op de betalingsbalans
Salderingsrekening = geeft de verandering in voorraad euro’s en deviezen aan.
Formeel evenwicht = (door toevoeging van de salderingsrekening) is de betalingsbalans als geheel per definitie in evenwicht. Dit evenwicht heeft alleen een boekhoudkundige en geen economische betekenis; immers als je weet wat het materieel saldo is dan weet je ook met welk bedrag de voorraad deviezen en euro’s veranderd.
Arbeidsproductiviteit = de productie per werknemer per tijdseenheid.
Omvang wereldhandel = optelsom van de invoer van alle landen van de wereld.
Concurrentiepositie = de verhouding tussen de prijs van onze uitvoer en die van de concurrenten op de wereldmarkt (wereldhandelsprijs). Hoe lager deze prijsverhouding des te beter is onze concurrentiepositie.

Onze prijs
= ________________

Wereldhandelsprijs

exportontvangsten
Dekkingspercentage = ________________ x 100%
importontvangsten

Conjunctuur = de ontwikkeling van het nationaal product of inkomen

Y + M = C + I + O + E
(middelen) (bestedingen)

Productie = omzet – inkoop grond-/ hulpstoffen = toegevoegde waarde (TW)
Effectieve vraag (EV) = de feitelijke bestedingen uitgeoefend in een land door consumenten, ondernemingen, overheid en het buitenland.

Y + M = C + I + O + E
Y = C + I + O + E – M
EV = C + I + O + E – M -> saldo lopende rekening

(macro-economische) productiecapaciteit = de maximale hoeveelheid goederen en diestne die een land op korte termijn kan maken.
Bezettingsgraad = welk deel van de productiecapaciteit daadwerkelijk wordt gebruikt ten behoeve van de productie (normale bezettingspercentage ˜ 85%)

Conjuncturele ontwikkeling = de feitelijke groei van het nationaal product veroorzaakt door veranderingen in de effectieve vraag t.o.v. de trend.
Structurele ontwikkeling = de ontwikkeling van productiecapaciteit en trend (= de ontwikkeling van de normale bezetting of de trendmatige ontwikkeling van het nationaal product).
Economische groei = groei van het reële nationaal product.
Bestedingsinflatie = een algemene prijsstijging als gevolgd van een toenemende vraag.
Laagconjunctuur/recessie = de feitelijke groei van de productie is lager dan de trendmatige ontwikkeling (gevolg van hoogconjunctuur waarbij een overschatting van de groeimogelijkheden door de individuele ondernemers heeft plaatsgevonden. Zij hebben hun productiecapaciteit te veel uitgebreid en zitten nu met overcapaciteit).
Depressie = de feitelijke groei van de productie is omgeslagen in een negatieve groei; dat wil zeggen dat de productie absoluut gezien afneemt.

In een recessie hebben lonen en prijzen de neiging te dalen in verband met het aanbooverschot. Prijsdalingen leiden tot een lagere inflatie, waardoor de internationale concurrentiepositie verbetert. Dit luidt het begin van conjunctureel herstel in. Immers de export trekt weer aan. Ondernemers krijgen meer vertrouwen, wat zich uit in nieuwe investeringen. Ook consumenten zijn optimistisch en hun consumptieve bestedingen stijgen.

Overbesteding = EV > normale bezetting v/d productiecapaciteit
Onderbesteding = EV < normale bezetting v/d productiecapaciteit
Bestedingsevenwicht = EV = normale bezetting v/d productiecapaciteit

Winst
Winstquote = ______________
Nationaal product

Middelen van anticyclisch beleid:
- Bestedingen
- Belastingtarieven

Anticyclisch beleid bij hoogconjunctuur:

O EV W Y C EV W Y , etc.

Of :

B C EV W Y C EV W , etc

Inverdieneffect van extra overheidsuitgaven = wanneer de overheid bij onderbesteding de economie stimuleert, verdient zij een gedeelte van haar extra uitgaven terug omdat zij door haar stimuleringsbeleid het nationaal inkomen doet verhogen en daarmee ook de belastingontvangsten.

De waarde v/d productie is per definitie gelijk aan de inkomens die ontstaan in een bedrijf (loon, rente, huur, pacht en winst).

Productiewaarde
(= loon, rente, huur, pacht, winst)

Omzet

Balans = momentopname v/d bezittingen van een bedrijf en van de manier waarop de bezittingen zijn gefinancierd (voorraadgrootheden):
- De bezittingen, ook activa genoemd, staan links op de balans.
- Rechts op de balans staat het vermogen of de passiva; Je kunt er zien in hoeverre de bezittingen zijn aangeschaft met eigen geld of met geleend geld.

De activa staan op de balans altijd in een bepaalde volgorde. Hoe langer een activum meegaat, des te hoger staat deze op de balans. Volgorde:
- Vaste activa. Deze gaan langer dan een jaar mee (grond, gebouwen, machines, inrichting, etc.)
- Vlottende activa. Geld dat in deze activa gestoken is komt binnen een jaar weer vrij. Ook debiteuren (= vorderingen op afnemers) behoren tot de vlottende activa.
- Liquide middelen/ activa. Dit zijn betaalmiddelen, zoals het kasgeld en het banktegoed, mits direct opvraagbaar.

Ook de passiva staan in een bepaalde volgorde op de balans. Ook hier geld weer: hoe langer het vermogen meegaat, des te hoger staat het genoteerd op de balans. Volgorde:
- Eigen vermogen
- Lang vreemd vermogen. Het betreft schulden die pas na jaren hoeven te worden afgelost.
- Kort vreemd vermogen. Dit zijn voornamelijk crediteuren (= schulden aan toeleveranciers) die binnen afzienbare tijd betaald moeten worden.

Resultatenrekening = Alle opbrengsten en kosten over een bepaald tijdvlak (stroomgrootheden).

Productie van bedrijven
+ productie van de overheid
________________________________
= binnenlands product
+ ontvangen inkomens uit het buitenland
-- betaalde inkomens aan het buitenland
________________________________
= nationaal product

Ruime zin Enge zin
(=productie én Milieu, (= alleen productie, dus dus kwantitatief én alleen kwantitatief) kwalitatief)

Mate van welvaart = economische groei per hoofd van de bevolking
Nominaal inkomen = het geldbedrag dat iemand ontvangt aan inkomen.
Reëel inkomen = koopkracht van het inkomen.
CPI = Consumenten Prijsindex, een indexcijfer dat het gemiddelde prijsniveau aangeeft ten opzichte van een basisjaar.

Indexcijfer nominaal inkomen
Indexcijfer koopkracht = _________________________ x 100%
prijsindexcijfer

NIC
RIC = ___ x 100
PIC

Economische groei = als het reële binnenlands product is gestegen.

MARKTEN (deel 1)

Afkorting Naam voluit SV/WNV/VV/OSV HK/ID
AOW Algemene Ouderdomswet VV ID
Wulbz/ ZW Wet uitbreiding loondoorbetaling bij ziekte / Ziektewet WNV ID
ZFW Ziekenfondswet WNV HK
AWBZ Algemen Wet bijzondere ziektekosten VV HK
WAZ Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen OSV ID
WAO Wet op de Arbeidsongeschiktheid WNV ID
WW Werkeloosheidswet WNV ID
ANW Algemene Nabestaandenwet VV ID
AKW Algemene Kinderbijslagwet VV HK
ABW Algemene Bijstandswet SV

Wat de werknemer ontvangt:

Brutoloon
- werknemersaandeel in premies v. werknemersverzekeringen
- loonheffing (= premies volksverzekeringen + loonbelasting)
= totale inhoudingen

Wat de werkgever kwijt is:

Brutoloon
+ werkgeversaandeel in soc. Premies
_______________________________
= loonkosten / arbeidskosten

Bruto participatiegraad = het aantal deelnemers op de arbeidsmarkt uitgedrukt in procenten van de beroepsgeschikte bevolking.
Arbeidsreserve = niet-deelnemers / niet-participanten

beroepsbevolking
Bruto participatiegraad = _______________________ x 100%
Potentiële beroepsbevolking

Netto participatiegraad = omvang van alleen werkzame beroepsbevolking in procenten van de beroepsgeschikte bevolking.

Werkende beroepsbevolking
= _________________________ x 100%
Potentiële beroepsbevolking

Werkeloosheidspercentage = het aantal werklozen in procenten van de beroepsbevolking (= participanten).
Arbeidsjaar = voltijdbaan gedurende een heel jaar.
Arbeidsvolume = aantal arbeidsjaren of arbeidsuren
Arbeidsduur = het aantal uren dat iemand zich vanaf zijn 15e tot 65e jaar bezighoudt met betaald werk.
Arbeidsduurverkorting, d.m.v.:
- deeltijdarbeid
- verkorting arbeidsjaar
- vutregelingen

Bedrijfstijd = aantal productie-uren per week
Arbeidstijd = lengte van een normale werkweek
P/a-ratio = personen / arbeidsjaren

Functies v/d arbeidsmarkt:
1. allocatie (verdelen van taken over personen)
2. verdeling (verdeling van opbrengsten van productie)

De arbeidsmarkt volgens de Klassieken/ Vrijemarkteconomen:

Evenwichtsloon = bij dit loon heerst volledige werkgelegenheid.
Afweging aanbieder op arbeidsmarkt: loon t.o.v. vrije tijd.
Afweging vrager op arbeidsmarkt: loon t.o.v. productiviteit.
Ontmoedigingseffect = door lagere loon ontmoedigd, trekt een deel van de beroepsbevolking zich als aanbieder terug -> kiest voor vrije tijd.

Kanttekeningen bij vrijemarkteconomie:
- is de aanbodkant van de arbeidsmarkt wel transparant (is de vrager in staat de productiviteit van het arbeidsaanbod te testen)?
- is de vraagkant van de arbeidskant wel transparant (is de aanbieder op de arbeidsmarkt op de hoogte van alle openstaande vacatures)?
- Spelen naast de afweging tussen loon en vrije tijd geen andere dingen mee die bijdragen aan het aanzuigeffect of ontmoedigingseffect (speelt de kans op een baan en carrièremogelijkheden bijvoorbeeld ook niet een rol)?

Aantal arbeidsplaatsen = aantal werknemers dat bij volledige inschakeling van de capaciteit nodig is.
Aantal banen = het aantal bezette arbeidsplaatsen.
Conjuncturele werkloosheid = aantal arbeidsplaatsen – aantal banen.
Ontstaat door een terugval van de bestedingen, waardoor de bezettingsgraad daalt.
Kwantitatieve structurele werkloosheid = beroepsbevolking – aantal arbeidsplaatsen.
Werkloosheid veroorzaakt doordat het aantal arbeidsplaatsen tekort schiet. In dit geval zijn er nog werklozen als alle kapitaalgoederen ingeschakeld zijn.
Seizoenwerkloosheid = een aantal mensen heeft maar een deel van het jaar werk en is de rest van het jaar werkloos. Het wordt gerekend tot structurele werkloosheid omdat een deel van het jaar de productie stil ligt (aanbod).
Kwalitatieve structurele werkloosheid = Er zijn tegelijkertijd werklozen én vacatures. Eisen komen niet overeen met de kwaliteiten.
Frictiewerkloosheid = werkloosheid van korte duur per werklozen. Vaak moet er een tijd overbrugd worden om een baan te vinden.

Loonmatiging = de stijging van de arbeidskosten blijft achter bij de stijging van de arbeidsproductiviteit.
Arbeidsproductiviteit = productie per werknemer per tijdseenheid.

EUROPA

Argumenten voor protectie:
- Behoud werkgelegenheid
- Diversicatie van de productie
- Bescherming van de jonge industrie
- Veiligheid

Argumenten tegen protectie:
- Vrijhandel: onbelemmerde invoer
- Met protectie kan er geen sprake zijn van optimale allocatie

Optimale allocatie (=aanwending) van productiefactoren = de productie zou alleen daar moeten plaatsvinden waar zo min mogelijk productiefactoren hoeven te worden gebruikt om hetzelfde resultaat te bereiken.

WTO (=World Trade Organisation) = organisatie die streeft naar vrijhandel op wereldschaal.
Integratie = een verdiepte vorm van samenwerking waarbij het doel is uiteindelijk als een eenheid naar buiten te treden.

Samenwerkingsvormen:
- Vrijhandelszone = onderlinge invoerrechten zijn afgeschaft, maar naar buiten toe hanteert ieder lid zijn eigen tarief. (vb. NAFTA van VS-Can-Mex)
- Douane-unie = onderlinge tarieven afgeschaft én naar buiten toe hanteert met een gezamenlijk tarief (vb. Benelux)
- Gemeenschappelijke markt = ook niet-tarifaire belemmeringen zijn verdwenen. Vrijhandel geld bovendien voor productiefactoren -> vrij verkeer van goederen, personen en kapitaal. (vb. EU)
- Economische Unie = Samenwerking beperkt zich niet alleen tot economische samenwerking op het gebied van handel maar richt zich op het voeren van een gezamenlijke economische, sociale én fiscale politiek.
- Volledige economische integratie of Monetaire Unie = economisch geheel met één munteenheid of volledig vaste wisselkoersen en één Centrale Bank. Dergelijke organisaties kennen supranationale organen en de lidstaten zijn gedegradeerd tot provincies van de Monetaire Unie. (vb. EMU)

Argumenten vóór toetreding EMU:
- Verdwijnen omwisselingkosten
- Verdwijnen wisselkoersrisico
- Grotere transparantie van o.a. prijsvorming
- Land kan niet achterblijven als handelspartners al zijn toegetreden.

Argumenten tegen toetreding EMU:
- Verlies van wisselkoersmechanisme
- Verlies rente-instrument
- Hoge kosten in overgangsperiode
- Enorme bezuinigingen om te voldoen aan toelatingscriteria
(hetgeen namelijk kan leiden tot verslechtering van de sociale verzekeringen en voorzieningen.)
- Omvangrijke overdrachtsuitgaven
- EMU-spelregels werken pro-cyclisch.
(Wanneer men immers moet voldoen aan een begrotingstekort van < 3% als het land in een recessie terechtkomt, waardoor het te maken krijgt met teruglopende belastinginkomsten, oplopende sociale uitkeringen en een stijgend overheidstekort, moet men overgaan tot bezuinigingen en lastenverzwaring om zo het tekort binnen de 3%-grens te houden. Hierdoor kan er een deflatoire spiraal ontstaan van alsmaar inzakkende bestedingen die de economische situatie alleen maar ernstiger maakt.)

Nederland `nettobetaler´ = Nederland draagt meer geld af aan de EU dan het ontvangt.

Organen EMU:
- Raad van Ministers. Bestaat uit ministers van de lidstaten.
- Europese Commissie. Vormt het dagelijks bestuur van Europa.
- Europese Parlement. Vormt de volksvertegenwoordiging, maar heeft geen wetgevende bevoegdheid.
- Europese Hof van Justitie. Heeft een supranationaal gezag.
- Europese Raad van Regeringsleiders. Informele vergadering van staatshoofden en hun ministers van Buitenlandse Zaken. Hier vindt de politieke besluitvorming plaats op hoofdlijnen.

Europese landbouwbeleid:
- Richtprijs = prijs die de EU aanvaardbaar acht voor de boeren.
- Interventieprijs / garantieprijs = een minimumprijs voor een groot aantal producten om de boeren te beschermen tegen een te lage marktprijs.
- Exportsubsidie = subsidie die de EU verstrekt, waardoor de prijs van de Europese boeren kan zakken tot de prijs op wereldmarktniveau.
- Invoerrechten = voorkomen dat wereldmarktproducenten hun producten te goedkoop in de EU af kunnen zetten.
- Drempelprijs = minimumprijs waartegen ingevoerde producten in Europa mogen worden aangeboden. Bestaat uit de wereldmarktprijs vermeerderd met de invoerrechten.

Kritiek binnen de Unie op landbouwbeleid:
- Geldverslindende interventiemaatregelen leiden tot hoge kosten voor de belastingbetaler
- Beleid leidt tot hoge consumentenprijzen
- Beleid leidt tot scheve inkomensverhoudingen

Maatregelen tegen het beleid:
- Quoteringsregelingen
- Productieplafond. Wordt deze overschreden dan daalt de garantieprijs.
- Verlaging / bevriezing interventieprijzen.
- Uit productie nemen van landbouwgrond
- Hectaretoeslag.

McSharry-plan = uit onderhandelingen tussen de VS en EU (eind ´94) voortgekomen verandering in landbouwbeleid van EU; prijssubsidies aan boeren zullen langzamerhand worden vervangen door inkomenssubsidies.
Doel: beëindiging van protectionistische Europese landbouwbeleid.

Het mededingingsbeleid = beleid om de concurrentie binnen de EU te bevorderen, omdat dit automatisch leidt tot lage prijzen, efficiënte productiemethoden en innovatie. De EU wordt daardoor sterker t.o.v. andere handelsblokken.
Door middel van:
- Verbod op subsidiëren of minder belasten van eigen producten (=concurrentievervalsing)
- Verbod op kartels (=concurrentievervalsing)
- Verbod op misbruik van machtsposities
- Controle op fusies en overnames, deze mogen namelijk niet leiden tot monopolievorming. Fusies moeten voorgelegd worden aan de Europese Commissie)
- Voorschriften en normen ten aanzien van techniek, milieu en gezondheid moeten gelijk getrokken worden
- Belastingverschillen (BTW) moeten worden geëgaliseerd.

ACS-landen = zestigtal oud-kolonies in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Zuidzee.

Verdrag van Lomé = Verdrag tussen Eu en ACS-landen dat voorziet in een ontwikkelingsfonds (Europese Ontwikkelingsfonds) en in een regeling die in beginsel alle producten vrije toegang verleent tot de Europese markt.
Stopzetting is mogelijk als eigen economie daar om vraagt.

Functies van geld:
- Ruilmiddel
- Rekeneenheid
- Oppotmiddel of bewaarmiddel

Chartaal geld = munten en bankbiljetten
Giraal geld = rekening-couranttegoeden
Dekkingsmiddelen = chartale geld in kas + rekening-couranttegoeden bij Centrale Bank.

Kas + tegoed CB
Dekkingspercentage / liquiditeitspercentage = ______________ x 100%
Rek.cour.teg.

Maatschappelijke geldhoeveelheid = al het chartale + girale geld in handen van het publiek (= iedereen behalve geldscheppende instellingen). Ook wel Primaire Liquiditeitenmassa genoemd: M1
Substitutie (van geldsoorten) = de ene geldsoort (giraal, chartaal) wordt omgezet in de andere. De omvang van de maatschappelijke geldhoeveelheid blijft hetzelfde.
Geldvernietiging = het aflossen van kredieten.

Secundaire liquiditeit (=bijna-geld) = kortlopende vorderingen op geldscheppende instellingen die in handen zijn van het publiek en op korte termijn en zonder veel kosten kunnen worden omgezet in primaire liquiditeiten:
- Korte-termijndeposito´s = spaartegoeden bij banken die een vastgestelde looptijd hebben,d ie niet langer is dan 2 jaar.
- Korte valutategoeden = tegoeden in niet-euro´s (bijv. dollartegoeden bij ABN Amro)
- Korte spaartegoeden = spaargeld dat minder dan 2 jaar op een spaarrekening staat.

Binnenlandse liquiditeitenmassa = M3 = primaire + secundaire liquiditeitenmassa.
Geldscheppend bedrijf van een bank = de bijdragen van een bank aan de totale liquiditeitenmassa (M3).
Bruto geldscheppend bedrijf v/e bank = kredieten die deze bank heeft verleend.
Netto geldscheppend bedrijf v/e bank = kredietverlening – aangetrokken lange spaartegoeden
Doelstelling monetair beleid van de Centrale Bank = waken over de waarde van de nationale munt; er mag geen hoge inflatie ontstaan die de waarde uitholt. De ECB heeft zich ten doel gesteld deze inflatie jaarlijks < 2% te houden.
Raad v. bestuur van de Europese Centrale Bank = directie ECB en de presidenten van de nationale centrale banken. Directie ECB wordt benoemd door de staatshoofden van de lidstaten van de EMU en bestaat uit de president (Wim Duisenberg) en 5 andere leden.
Taken nationale centrale banken in EMU:
- Voorschrijven van verplicht dekkingspercentage, om faillissementen te voorkomen
- Stellen van eisen aan solvabiliteit van banken; voldoende eigen vermogen in verhouding tot het vreemde vermogen (ook langlopende schulden).
- Structuurtoezicht (=mededingingsbeleid andere sectoren)
- Toezien op soepel verloop van betalingsverkeer (zowel in binnen- als in buitenland)
- Kassier nationale overheden.
- Beheerder resterende nationale goud- en deviezenvoorraad (20% ervan afgedragen aan ECB)
Mogelijkheden van bedrijven om vermogen aan te trekken:
- Rekening-courantkrediet openen
- Hypotheek afsluiten op onroerend goed
- Onderhandse lening bij huisbankier afsluiten
- Uitgifte van aandelen of obligaties

Institutionele beleggers = beleggers die de beste belegging zoeken voor de enorme sommen aan premiegelden die de overheid ontvangt.
Effecten = aandelen, obligaties en andere waardepapieren.
Koers = beursprijs op een bepaald moment.
Onderliggende waarde = verwachte dividendstroom.
Risico´s beleggingen:
- Looptijd
- Succesvolle investering
- (verwachte) inflatie

Speculanten = beleggers die uitsluitend reageren op koersverwachtingen.
Speculatieve bel = prijzen staan niet meer in verhouding met de onderliggende waarden.
Functie vermogensmarkt = het mogelijk maken van de allocatie van middelen (aanbod van geldkapitaal) en bestedingen (investeringen van ondernemers).
Risicopremie = beleggers zullen een risicovolle investering alleen willen financieren als daar een extra vergoeding tegenover staat.
Inflatierisico = zoals de inflatie de koopkracht van de lonen aantast, zo tast ze ook de koopkracht van de rente aan.
Goederensfeer of reële sector van de economie = de productie en verdeling van goederen en diensten.
Geldsfeer of monetaire sector van de economie = het geldverkeer en de financiële markten.
Inflatie = stijging van het gemiddelde prijsniveau van goederen en diensten.
Geldontwaarding = door inflatie wordt de koopkracht van het geld aangetast.
Interne waarde v/d euro = koopkracht van de euro binnen de eurozone, beïnvloed door de prijsstijgingen.
Externe waarde v/d euro = de koopkracht van de euro in alle landen buiten de EMU. Deze waarde wordt bepaald door de hoogte van de wisselkoers.
Geldmarkt in ruime zin = het totaal van vraag en aanbod op de geldmarkt (banken, gezinnen, bedrijven).
Geldmarkt in enge zin = geldmarkt waar alleen de banken en ECB actief zijn.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.