Geschreven door: | |
Datum ingestuurd: | 18 april 2004 |
Niveau: | 6 vwo |
Woorden: | 1045 |
Opvragingen: | 5118 (137 deze maand) |
Waardering: |
Plato over rechtvaardigheid
Bron: http://www.martinlutherking.org/images/plato.jpg
De ideale staat:
Plato denkt de politiek niet vanuit de ethiek, maar omgekeerd: de deugden van de burgers worden afgeleid uit de eisen die de (ideale) staat aan de burger stelt. De staat (politeia) is de bron van de rechtvaardigheid: een evenwichtige verdeling van de noodzakelijke gemeenschapstaken volgens de natuurlijke aanleg van de burgers. Een politieke gemeenschap behoeft ambachtslieden, handelaren, artsen, kunstenaars, soldaten, staatslieden enz. De ene persoon is geschikter voor de ene taak, een andere persoon voor een andere taak. Ieder moet die taak vervullen en vervolmaken waarvoor hij het meest geschikt is. Dat heet deugd.
Voor het ontwikkelen van de deugd is allereerst een goede opleiding nodig. De belangrijkste voorwaarde van een rechtvaardige staat is bijgevolg een goede opvoeding: het bijbrengen van de belangrijkste beginselen van een tuchtvol en rechtvaardig leven.
In de ideale staat is er geen scheiding tussen het aangename en het rechtvaardige leven of tussen het eigen belang en het belang van de politieke gemeenschap: ieder doet dat waarvoor hij het meest geschikt is en bereikt daarmee ook het hoogste geluk. De wetten zijn pas noodzakelijk als het aangename en het rechtvaardige leven in de ogen van de burgers niet op hetzelfde neerkomen. De burgers voegen zich dan niet op deugdzame wijze naar het gemeenschapsbelang en moeten daartoe door voorschriften, verboden en geboden worden gedwongen. Het is dan echter nog altijd beter als wetgeving eerder gericht is op opvoeding en het bijbrengen van inzicht dan op louter dwang. Een staat waarin alleen de wetgeving en niet de deugd moet zorgen voor rechtvaardigheid is een schijnvertoning: iemand die alleen volgens de wet leeft maar niet inziet waarom de wet er is en waarom die wet goed is, is in het geheel niet deugdzaam, is niet vrij maar een slaaf.
De goed ingerichte staat:
De staat die Plato voor ogen staat, is hecht geordend. Het belangrijkste is de eenheid van de staat, die bereikt wordt door de strenge handhaving van de arbeidsdeling en van de maatschappelijke en politieke rangorde (rechtvaardigheid). Om een dergelijke staat te bereiken zijn wetten niet het aangewezen middel: wetten bewerken mensen vooral in schijn goede burgers te zijn, maar zal nooit een werkelijke verandering in hun levenspatroon brengen. Daarom is een goed leiderschap vereist. Het belangrijkste politieke voorstel van Plato is dan ook de terugkeer naar een traditionele opvoeding: het aankweken van een politieke elite. Het leger (de wachters) neemt daarin een belangrijke plaats in. De hoogste politieke deugd is niet de moed of dapperheid, maar zelfbeheersing. Oftewel in politieke termen:orde, rust en vrede in het binnenland zijn belangrijker dan heerschappij over andere staten.
Plato denkt de politiek in een aantal denkfiguren, ontleend aan bekende ambachten of beroepen. En vooral: de arts of geneesheer, de kapitein van het schip en de gymnastiekleraar. De goede geneesheer bestrijdt niet slechts ziekteverschijnselen, maar pakt ook de oorzaak van de ziekte aan. Zo ook bestaat de politiek niet in het verhelpen van allerlei kwalen, maar in het aanleren van een juist levenspatroon, in overeenstemming met de behoeften van de staat als geheel. De kapitein van het schip moet een volstrekte gehoorzaamheid van de bemanning eisen: een schip kan maar een kant op varen en dus kan er maar een bevelhebber zijn.
De goede gymnastiekleraar ten slotte weet welke oefeningen geschikt zijn voor het behalen van een bepaald resultaat. En zo weet ook een goede staatsman welke oefeningen hij moet bevelen om zijn ondergeschikten op te leiden voor de taken die zij moeten vervullen. Het schema van de politiek bij Plato is dan als volgt. De kundige staatsman heeft inzicht in de staat: hij weet wat noodzakelijk is en hij kent de gevaren van een ontwikkelde staat. De eenheid en het behoud van de staat is het belangrijkste doel. De staatsman grijpt in als hij een kwaal ontwaart, maar hij zorgt er bovenal voor dat de burgers zich gaan gedragen overeenkomstig de noodzakelijke eisen die het staatsleven als organisme stelt. Bevelen of wetten kunnen slecht worden uitgevoerd als degenen die er aan moeten gehoorzamen , worden opgevoed. Dat kan slechts door oefening gebeuren. Oefening betekend: door herhaling van gedragspatronen bewerken dat deze op den duur als vanzelfsprekend worden ervaren. Het resultaat zijn deugdzame burgers: burgers die op hun taak optimaal zijn voorbereid. Daarbij komt echter een behoorlijke beperking van de vrijheid van de individu. Oefening baart slechts kunst als het gedrag van mensen niet voortdurend verstoord wordt door andere gedragspatronen. Deze laatste moet worden verboden.
Een staat moet zich voorbereiden op de oorlog, zolang er oorlog mogelijk is. Dat vraagt om de oprichting van een leger, dat sterk en dapper genoeg is om die taak te vervullen. Dat vereist de nodige oefeningen. Het doel is dapperheid. Wat houdt deze deugd in? Dapperheid bestaat niet alleen in het overwinnen van vrees en in het overdragen van pijn. Het belangrijkste punt is dat Plato dapperheid niet als de hoogste deugd ziet. Is dat echter wel het geval dan heb je te maken met een militaire staat, die bovenal gekenmerkt wordt door oorlogszucht: de passie om de militaire kracht te bewijzen. Vrede is een hoger goed dan oorlog: de staat heeft geen overlevingskans als mensen niet het grootste en beste deel van hun leven doorbrengen in vrede.
Hoe zou er anders van enige opvoeding nog sprake kunnen zijn? Plato zegt dat een goed ingerichte staat nooit tot het plegen van onrecht geneigd zal zijn , maar bovendien ook niet snel door oorlogszucht van anderen bedreigd zal worden.
Plato zegt er niet zo uitdrukkelijk bij waarom dit zo is, maar we kunnen de reden vermoeden: een goed ingerichte staat geeft noch aanleiding tot oorlog aan anderen, noch rechtvaardiging aan anderen tot oorlogvoering. De belangrijkste reden is echter dat een goed ingerichte staat tegelijk een machtige staat is, die is gericht op vrede maar niet verzuimd zich in vredestijd flink op de oorlog voor te bereiden. Er is dus een samenhang tussen staatinrichting en oorlogsgevaar. Wie oorlog wil vermijden moet niet slecht kijken naar mogelijke buitenlandse vijanden, maar ook naar de eigen staatsinrichting. Oorlogszucht is in de ogen van Plato een van de ziektes waaraan de staat kan lijden. Dus kortom je kan alleen rechtvaardig handelen als de staat goed is ingericht.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.

Gelukkig heeft Scholieren.com nu elke vrijdagmiddag film.
Zonder jouw bijdrage kan Scholieren.com niet bestaan. Help andere scholieren door je eigen samenvattingen en ander huiswerk op te sturen.