Geschreven door: | Paul (4 vmbo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 14 april 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 950 |
Bekeken: | 8991 keer (12 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Begrippen:
Open Economie: Bijvoorbeeld: Nederland exporteert veel goederen en diensten naar het buitenland, en importeert veel uit het buitenland.
Import: Invoeren
Export: Uitvoeren
Multinationals: Bedrijven die vestigingen hebben in het buitenland, zoals Shell, Unilever, Phlillips
Exportquote/ Importquote: Laat de verhouding zien, de opbrengst van de handel, vergeleken met de inkoopsprijs/waarde en de kosten.
Internationale arbeidsverdeling: Een product maken waarin een land goed is of dat goedkoop is, of zodat veel mensen het kopen
Europese Unie: Alle lidstaten van de EU, Europese Unie
Vrij verkeer van goederen en diensten: Geen invoerrechten
Invoerrechten: Belasting op invoeren van producten en diensten
Multipliereffect: Een groei van export is niet alleen gunstig voor onze exportbedrijven, maar ook vele andere bedrijven. ( zie ook het Overzicht )
Eindproduct: Product die alles heeft, klaar voor de verkoop
Handelsbelemmeringen: Invoer uit andere landen wordt moeilijk gemaakt, door middel van veel papierwerk, invoerrechten en quota.
Vrijhandel: Zie Vrij verkeer van goederen en diensten
Vrij verkeer van persoon: Paspoort EU, geen werkvergunning nodig voor werken in landen die lid zijn van de EU.
Vrij verkeer van kapitaal: Geld mag zonder belemmeringen de grens over.
Monetaire Unie: Hetzelfde geld gebruiken, zoals de Euro, de landen samen zijn een Monetaire Unie.
Interne Markt: Goederen, diensten en kapitaal vrij van het ene land naar het andere. ( zie ook Vrij verkeer van goederen en diensten , Vrije handel en Vrij verkeer van … )
Harmonisatie: Samenwerking tussen landen van de EU moet goed gaan, dus bijvoorbeeld dezelfde etiketten. Denk aan een etiket op een potje pindakaas.
Garantieprijs: Soort van subsidieregeling.
Productiequota: Een land mag maar een bepaalde hoeveelheid produceren. ( zie ook het Overzicht )
Europese Rekenkamer, Europese Commissie, Europees Parlement, Europese Hof, Europese Centrale Bank en de Europese ministers:
(zie ook het Overzicht)
Democratie: Inwoners moeten kunnen stemmen voor een parlement.
Rechtsstaat: Wetten moeten goed en eerlijk tot stand zijn gekomen.
Mensenrechten: Rechten voor de mens. Mensen mogen niet gemarteld worden. Verdachten hebben recht op een eerlijk proces.
Markteconomie: De producenten en consumenten maken uit hoeveel en wat er geproduceerd wordt.
Handelsblok: Het vrijmaken van de Wereldhandel, samenwerken tussen landen.
Bijvoorbeeld de EU, NAFTA.
World Trade Organisation: Probeert de wereldhandel vrij te maken.
Monocultuur: Afhankelijk van 1 exportproduct.
Vicieuze cirkel: Een wijze van werken, die steeds hetzelfde is. Vaak kunnen deze landen die er mee te maken hebben, niet uit.
Buitenlandse valuta: Buitenlands geld
Schuldenlast: Door het steeds weer geld lenen wordt de schuld hoger en hoger.
Hyperinflatie: Veroorzaakt door een slecht Monetair beleid.
Monetair beleid: De overheid drukt te veel bankbiljetten bij, het geld wordt minder waard.
VN ( Verenigde Naties ): Baas: Koffi Anan: Helpt landen bij verschillende landen.
Multilaterale hulp: Hulp vanuit het buitenland door middel van inzamelingsactie’s, collecte’s, enz.
Wereldbank: Geeft leningen aan ontwikkelingslanden. Daar moet wel rente over worden betaald.
Bilaterale hulp: Hulp door middel van een land te helpen. Bijvoorbeeld Nederland helpt Albanië: Twee landen dus ( bi = twee )
Ongebonden hulp: Het ontwikkelingsland hoeft er niets voor terug te doen.
Gebonden hulp: Het ontwikkelingsland is verplicht om het gekregen geld te besteden bij bedrijven van waar het geld vandaan komt.
Overzicht:
Multipliereffect:
Als bijvoorbeeld Phillips meer wil gaan exporteren, heeft het materialen nodig om de apparaten te maken. Dus voor de bedrijven waar Phillips die materialen koopt is het ook gunstig.
Productiequota:
Als Nederland 100.000 auto’s mag exporten, moet het land zich daar aan houden. Worden er 120.000 gemaakt, mogen er nog steeds 100.000 het land uit. Die andere 20.000 bewaren zo of voor de volgende keer of voor in het eigen land.
Buffervoorraad:
Als een Afrikaans land maar 10.000 kilo rijst mag exporteren, en de oogst is goed voor 15.000 slaan ze de 5.000 op, en als dan de oogst slecht is of minder is, hebben ze nog op voorraad.
Zo blijven de inkomsten en prijzen gelijk, en zijn de opbrengsten en uitgaven ook gelijk.
Europese Unie ( EU ):
Het bestuur van de EU bestaat uit drie onderdelen:
De Europese Commissie, Het Europees Parlement en de Raad van Ministers.
De inkomsten en Uitgaven van de EU wordt goed gecontroleerd, dit gebeurt door de Europese Rekenkamer. Als je het niet eens bent met een beslissing van de EU kun je terecht bij het Europese Hof van Justitie. De Europese Bank is de ‘ baas ‘ van de euro.
Vrije handel, Vrij verkeer van goederen en diensten:
Als er tussen bepaalde landen geen invoerrechten zijn en subsidies is het voor bedrijven makkelijker te exporteren en Importeren. Dus landen mogen geen producten weigeren.
Export:
Is de Export GROTER dan de import, dan is er een overschot
Is de Export KLEINER dan de import, dan is er een tekort
Met de opbrengst van de export kunnen we de import betalen
Samenwerking met de EU:
Op gebied van de Economie:
Vrij verkeer van goederen en diensten, dus geen invoerrechten heffen.
Op gebied van de Gebruikte munt:
Invoering van de Euro, dus vrij verkeer van kapitaal.
Voorwaarden voor toetreding tot de EU:
Een democratisch bestuur, dus een gekozen regering;
Eerlijke wetten over rechten;
Geen schending van de mensenrechten;
Een markteconomie hebben ( zie de Begrippen )
Voorwaarden voor de Euro:
Lage inflatie;
Lage leenrente;
Kleine staatsschuld;
Klein begrotingstekort.
Werkboek:
Open economie in Nederland is goed voor:
Werk;
Verdienen een inkomen;
Beschikken over meer producten.
Mulitnationals:
Shell;
Unilever;
Phillips;
ABN Amro ( bank )
Waarom levert de export van grondstoffen meestal niets op?
Dat komt omdat aan het eindproduct het meest wordt verdient.
De 13 landen die waarschijnlijk toetreden tot de EU:
Estland; Letland; Litouwen; Polen; Tsjechië; Slowakije; Hongarije; Slovenië; Roemenië;
Bulgarije; Turkije; Cyprus; Malta.
3 Landen die het meest kans maken:
Turkije;
Polen;
Hongarije.
Waarom die drie landen?
Deze landen handelen het meest met de EU ( Nederland ).
Welke maatregel zal de EU moeten nemen om de onderlinge handel nog vrijer te maken?
De exportsubsidie’s zouden moeten dalen en de invoerrechten zouden ook moeten dalen.
Dus word het goedkoper in te voeren en krijgen de landen minder exportsubsidie’s voor eigen bedrijven in het buitenland.
Vicieuze cirkel:
? De bevolking kan niet sparen (a) ? Er is geen geld voor moderne machines (b) ? De productie blijft laag (c) ? Het inkomen is laag (d) ?
Dus:
? A ? B ? C ? D (en dan weer bij a beginnen)
Multilaterale hulp:
Landen en mensen geven geld aan de EU, die geven het aan ontwikkelingslanden:
Hulp:
Wenskaarten kopen
Bilaterale hulp:
Nederland geeft geld aan Indonesië. Er doen maar TWEE landen mee. Nederland en Indonesië.
Hulp:
TV Actie
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.