Geschreven door: | Ronald Schep (4 havo) |
Datum ingestuurd: | 9 april 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 7.100 |
Bekeken: | 14182 keer (42 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Burgerlijk/civiel ProcesrechtInleidingIn het burgerlijk procesrecht gaat het om de handhaving van het materieel burgerlijk recht: wat kan een koper doen als de verkoper het gekochte product niet levert? Welke mogelijkheden heeft de verhuurder als de huurder de huursom niet betaalt? Hoe komt een slachtoffer van een onrechtmatige daad aan zijn schadevergoeding? Enzovoort.
Dit hoofdstuk begint met een paar voorbeelden van het burgerlijk procesrecht. Daarna komt de vraag aan de orde door welke rechtbank een bepaalde zaak wordt behandeld. Dit is de vraag naar de absolute en relatieve competentie van de soorten rechtbanken. Als eenmaal duidelijk is waar de zaak dient, komt de gang van zaken tijdens de rechtszaak aan de orde.
De procedure bij het kantongerecht wijkt op een aantal punten af van een 'gewone' procedure bij de gewone rechtbank.
Een rechtszaak duurt vaak wel een jaar. Voor spoedeisende zaken is er daarom een speciale procedure, het kort geding. Dit is een rechtszaak die dient voor de president van de arrondissementsrechtbank. Als er eenmaal een rechterlijk vonnis ligt, moet dit vonnis nog worden uitgevoerd.
Kenmerken van het burgerlijk procesrechtIn het hoofdstuk: “Strafrecht” gaven we al een aantal kenmerken van de Nederlandse rechtspraak in het algemeen. Uiteraard gelden deze kenmerken, zoals hoor en wederhoor, openbaarheid van de terechtzittingen, motivering van de vonnissen en mogelijkheden van hoger beroep en cassatie, ook voor het burgerlijk procesrecht. In deze paragraaf noemen ik drie specifieke kenmerken van het burgerlijk procesrecht.
Initiatief bij partijen. Partijen moeten zelf het initiatief voor een eventueel proces aankondigen Deze partijen bepalen ook de inhoud van de rechtszaak, want de rechter mag niet meer toewijzen dan is gevorderd en geen feiten toevoegen aan de feiten die de partijen inbrengen. De partijen maken dus uit over welke zaken geprocedeerd wordt. Daarom zeggen we dat de rechter in burgerlijke zaken lijdelijk is
Verplichte procesvertegenwoordiging. In een burgerlijk proces mogen de partijen niet zelf optreden. Zij moeten zich laten vertegenwoordigen door een procureur. Hij verricht namens zijn cliënt de proceshandelingen.
De verplichte procesvertegenwoordiging geldt niet bij het kantongerecht.
Daar kan iedere burger zijn eigen proces voeren.
Advocaat - procureur. Een advocaat is een juridisch raadsman. Hij geeft adviezen, voert besprekingen en stelt contracten op. In een eventueel proces bepaalt hij de inhoudelijke koers: hij stelt de dagvaarding op, ontwerpt de processtukken en houdt pleidooien.
Een procureur heeft een formele rol tijdens een proces. Hij verricht alle proceshandelingen namens zijn cliënt: hij laat de zaak inschrijven, ondertekent processtukken, vraagt eventueel uitstel, enzovoort. Iedere advocaat is ook procureur. Meestal kan hij dus beide taken voor zijn cliënt verrichten. Maar een procureur kan zich slechts bij één rechtbank inschrijven.
Als een Haagse advocaatprocureur een proces wil voeren in Amsterdam, heeft hij dus een collega-procureur nodig voor de proceshandelingen.
Partijen betalen mee aan de rechtszaak. De partijen in het geding betalen griffierechten. Dit zijn kosten die de rechtbank in rekening brengt voor het proces. De griffierechten kunnen, afhankelijk van het bedrag waarover geprocedeerd wordt, oplopen tot € 420,-. Daarnaast moeten de partijen natuurlijk ook het honorarium van hun advocaatprocureur betalen. Een eenvoudige rechtszaak kost algauw € 750,-. Uiteindelijk komen deze kosten vaak terecht bij de verliezende partij. Want de rechter legt in zijn uitspraak de verliezende partij meestal de plicht op om de (redelijke) proceskosten van de wederpartij te betalen.
Hoofdpersonen in het civiel rechtDe twee partijen in het civiel recht zijn de eiser en de gedaagde. De eiser begint de civiele procedure en de gedaagde is zijn tegenstander: de gedaagde moet zich in een proces verdedigen. De partijen krijgen in een proces te maken met een aantal personen:
De rechter: de rechter is onpartijdig en hoort beide partijen. Hij doet een uitspraak op basis van wat hij heeft gehoord en is daarbij aan niemand verantwoording schuldig. Hij is alleen gebonden aan het recht.
De griffier: de griffier noteert alles wat er tijdens de rechtszitting wordt gezegd en gedaan. De rechter neemt een beslissing op basis van zijn aantekeningen.
De advocaat: Iemand die een burgerlijk proces wil beginnen, moet vaak eerst een advocaat inschakelen. Een advocaat geeft meestal eerst advies over de zaak. Soms probeert hij een regeling te treffen met de tegenpartij. Pas als dat niet lukt, stapt hij naar de rechter. In de meeste gevallen moeten partijen zich door een advocaat laten bijstaan. Alleen bij de kantonrechter is een advocaat niet verplicht.
Iedereen heeft recht de hulp van een advocaat in te roepen. Wie dat niet kan betalen, krijgt er een toegewezen via de Raad voor de Rechtsbijstand. Wel moet dan altijd een eigen bijdrage worden betaald, die afhankelijk is van iemands inkomen en vermogen.
Daarnaast bestaan er ook Bureaus voor Rechtshulp. Hier kan iedereen advies krijgen over juridische zaken.
Procedure in het civiel rechtDegene die in een burgerlijk proces is verwikkeld, krijgt vaak met verschillende rechterlijke instanties te maken. In Nederland houden vier instanties zich met civiele rechtsprocedures bezig: het kantongerecht, de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad.
In het civiel recht bestaan bovendien ook alternatieve procedures, waarbij meningsverschillen op een andere manier dan voor de rechter worden opgelost, bijvoorbeeld via een geschillencommissie.
De partij die het initiatief tot de rechtszaak heeft genomen, wordt 'de eiser' genoemd. De andere partij heet 'de gedaagde'.
1 Dagvaarding. Art. 1 Rv zegt dat een proces met een dagvaarding begint. Zo'n dagvaarding is een officiële akte die op verzoek van de eiser aan de gedaagde wordt uitgebracht door de deurwaarder. De dagvaarding bevat om te beginnen een officiële oproep om ter terechtzitting te verschijnen. Daarnaast staat er precies in aangegeven wat de eiser 'eist' en op welke gronden hij deze eis baseert. In feite moet een dagvaarding zo worden opgesteld dat (de advocaat van) de gedaagde meteen begrijpt wat de eiser van hem wil en welke juridische argumenten hij daarvoor heeft.
2 Conclusie van eis. Enige tijd nadat de dagvaarding is uitgebracht, komt de eiser met een toelichting op de dagvaarding. Dit wordt de conclusie van eis genoemd.
3 Conclusie van antwoord. Hierna is de gedaagde aan de beurt. Hij kan zijn reactie op de dagvaarding en op de conclusie van eis geven in de conclusie van antwoord.
Na deze stukken beoordeelt de rechter of het zinvol is de partijen voor de rechtbank te laten verschijnen.
4 Comparitie na antwoord. Soms heeft zo'n 'comparitie' de bedoeling meer informatie te krijgen, in andere gevallen hoopt de rechtbank op een 'minnelijke schikking'. In veel gevallen is er echter geen comparitie maar gaat de wisseling van stukken gewoon door.
5 Conclusie van repliek. De eiser zet zijn reactie op de conclusie van antwoord in de conclusie van repliek.
6 Conclusie van dupliek. Het weerwoord van de gedaagde staat ten slotte in de conclusie van dupliek.
7 Vonnis. In de meeste gevallen volgt nu, zonder feitelijke zitting, het vonnis van de rechter. Dit kan een tussenvonnis zijn waarin hij de partijen bijvoorbeeld opdraagt bewijs te leveren voor een bepaald feit, of een eindvonnis waarin hij een oordeel velt over de vordering van de eiser.
Doorgaans wijst de rechter vonnis op basis van de stukken. In sommige gevallen verzoeken de partijen pleidooi. Dit wil zeggen dat ze hun zaak, nu alle stukken op tafel liggen, mondeling willen toelichten.
Beroep. Als één van de partijen het niet eens is met het vonnis, kan hij beroep instellen bij het gerechtshof. Daar wordt de hele zaak in een vergelijkbare procedure nogmaals behandeld.
Een vonnis van het gerechtshof wordt een arrest genoemd. Cassatie. Na het hoger beroep is cassatie mogelijk bij de HOGE RAAD. Bij dit college wordt uitsluitend naar de juridisch-technische kanten van het arrest van het hof gekeken. Als de HR het eens is met de uitspraak van het hof wordt het beroep afgewezen. Vindt de HR dat de uitspraak van het hof niet juist is, dan casseert (vernietigt) de HR het arrest.
In de meeste gevallen verwijst de HR dan terug naar een ander hof dat een nieuwe uitspraak over de zaak moet doen, uiteraard met inachtneming van het door de HR gewezen arrest.
Net als bij het hof wordt een uitspraak van de HR 'arrest' genoemd. Verstek. Een gedaagde die niet op de dagvaarding reageert, laat verstek gaan. Dit heeft bijna altijd tot gevolgen dat de rechter de vordering van de eiser toewijst.
KantongerechtprocedureDe kantongerechtprocedure wijkt in een aantal opzichten af van de procedure bij de rechtbank.
Het kantongerecht is het ‘laagste gerecht’ in Nederland. Burgers kunnen er op een relatief eenvoudige manier hun recht halen. Dat betekent dat zij zelf hun zaken mogen behartigen en niet altijd een advocaat hoeven mee te nemen. De kantonrechter die zich met civiel recht bezighoudt, behandelt alle huur-, huurkoop- en arbeidszaken. Verder behandelt hij alle zaken waarin het draait om minder dan € 5.000
Om te beginnen mogen de partijen zelf hun proceshandelingen verrichten. Een procureur is niet nodig. Daarnaast kan de eiser in de meeste gevallen kiezen uit twee methoden van dagvaarden:
-de gewone officiële dagvaarding die wordt uitgebracht door de deurwaarder, of het dagvaardingsformulier.
-Dit formulier kan de eiser zelf invullen en indienen bij de griffie (het secretariaat) van het kantongerecht. Daar zorgt men ervoor dat het aangetekend wordt verzonden aan de gedaagde.
Het dagvaardingsformulier is vooral bedoeld voor mensen die zelf (zonder advocaatprocureur) willen procederen.
De procedure verloopt wat informeler dan bij de rechtbank. Bovendien hebben de partijen wat meer gelegenheid hun standpunten mondeling toe te lichten. Van een vonnis van de kantonrechter kan beroep worden ingesteld bij de rechtbank. Daarna is cassatie mogelijk bij de HR.
Kort gedingDe procedures bij de rechtbank en bij de kantonrechter duren vaak erg lang. Zo kan een eenvoudig proces bij de gewone rechtbank algauw anderhalf jaar in beslag nemen. Iemand die een straatverbod eist voor een ex-partner, of die een publicatie in een weekblad wil verhinderen, heeft niets aan een uitspraak over anderhalf jaar. In zulke spoedeisende gevallen biedt het kort geding uitkomst.
Een kort geding is een snelle behandeling van een zaak waarin haast is geboden. Dat is bijvoorbeeld het geval bij stakingen of de ontruiming van een woning. Het gaat bij een kort geding om een mondelinge behandeling van een zaak. Als een van de partijen het niet eens is met de uitspraak van de kortgedingrechter, kan hij een gewone procedure (een zogenaamde bodemprocedure) starten.
De procedure die wordt gevoerd door de president van de arrondissementsrechtbank. De zaak wordt mondeling behandeld tijdens de zitting, er worden dus geen (tijdrovende) conclusies gewisseld. Voorwaarde voor een kort geding is dat de zaak spoedeisend is, dit wil zeggen dat een uitspraak in een gewone procedure niet kan worden afgewacht. Denk bijvoorbeeld aan een conflict over een staking, de vordering van een huurder die niet tot zijn huis wordt toegelaten, of aan een eigenaar die een verbod wil omdat een ander op zijn grond een huis begint te bouwen.
Formeel vragen de partijen in een kort geding de rechter om een voorlopige (tijdelijke) voorziening, in afwachting van het vonnis in de gewone procedure (die bodemprocedure wordt genoemd). In de praktijk werkt het vonnis in kort geding als een definitieve uitspraak, want het gebeurt bijna nooit dat de partijen zich daarna nog tot de gewone rechter wenden. Let op:
• De absolute competentie van de president in kort geding is zeer ruim. In feite mag hij alle spoedeisende zaken behandelen.
• Sinds 1994 kent het kantongerecht ook een soort kortgedingprocedure, speciaal bestemd voor spoedeisende zaken die, gelet op de absolute competentieregels, door de kantonrechter worden behandeld.
ConclusieKenmerken van het burgerlijk procesrecht zijn de verplichte procesvertegenwoordiging, de leiding van de rechter en de kosten die voor de partijen verbonden zijn aan het procederen.
Wat betreft de absolute competentie (het gaat dan om het type rechtbank dat bevoegd is voor bepaalde zaken) geldt dat het kantongerecht de vorderingen tot €5000,- behandelt én alle vorderingen (ongeacht hun hoogte) over huur, huurkoop, pacht en arbeid. Alle andere zaken worden door de gewone rechtbank gedaan. Bij de relatieve competentie is de woonplaats van de gedaagde het uitgangspunt.
Een procedure bij de rechtbank begint met het uitbrengen van een dagvaarding. Daarna volgt een aantal stukken van de eiser en de gedaagde. Vaak wijst de rechter op basis van die stukken vonnis. Soms wordt er eerst mondeling pleidooi gehouden.
De kantongerechtprocedure wijkt in een aantal opzichten af van de procedure bij de rechtbank. De eiser kan kiezen uit een 'gewone' dagvaarding of een door hemzelf in te vullen dagvaardingsformulier. Bovendien hoeven de partijen zich niet door een procureur te laten vertegenwoordigen. De procedure zelf verloopt wat informeler en de partijen hebben meer mogelijkheden hun standpunt mondeling toe te lichten.
Het kort geding is speciaal bedoeld voor spoedeisende zaken. Officieel geeft de president alleen een voorlopige voorziening in afwachting van het definitieve vonnis. In de praktijk zien de partijen er meestal vanaf om de zaak ook nog eens aan de gewone rechter voor te leggen. Het kortgedingvonnis werkt dan dus als een definitief vonnis.
Als het vonnis eenmaal gewezen is, moeten de partijen zich aan dit vonnis houden. Gebeurt dit niet, dan kan de eisende partij de deurwaarder inschakelen om het vonnis, desnoods met behulp van allerlei dwangmiddelen, ten uitvoer te leggen.
StrafrechtInleiding'Burgerlijk recht gaat over centen maar strafrecht gaat over mensen!' zei iemand eens om uit te leggen wat hem in het strafrecht zo boeide. In het strafrecht gaat het altijd om mensen en hun drijfveren. In dit hoofdstuk wordt beschreven in welke gevallen een dader strafbaar is en bepaalt welke straffen kunnen worden opgelegd. Er zijn natuurlijk altijd hoofddaders maar dat is niet het enige er komen ook deelnemingvormen aanbod. Bij 'deelneming' gaat het om daders die op een of andere manier betrokken zijn bij het strafbaar feit, zoals uitlokkers en medeplegers. Vaak kunnen zij, ook als ze zelf het strafbaar feit niet (of niet
volledig) hebben gepleegd, toch worden gestraft. Na de deelnemingsvormen komen de strafuitsluitingsgronden aan de orde. De strafuitsluitingsgronden geven allerlei wettelijke redenen waarom mensen die wel een strafbaar feit hebben gepleegd, niet gestraft worden.
Het hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van de verschillende straffen en
maatregelen die de rechter een veroordeelde kan opleggen.
De opbouw van een strafbepalingAan de hand van het vermoedelijk populairste misdrijf “diefstal” wordt duidelijk gemaakt hoe een strafbepaling is opgebouwd.
“De beschrijving van het verboden gedrag is de delictsomschrijving of gedraging. In art. 310 Sr begint de gedraging met 'Hij die' en eindigt met 'toe te eigenen'. Daarna volgt de kwalificatie, dit is de naam die aan het verboden gedrag wordt gegeven: 'diefstal'. De strafbepaling wordt afgesloten met de sanctienorm. Dit is de maximumstraf die de rechter voor dit strafbaar feit op mag leggen. De delictsomschrijving is opgebouwd uit zinsdelen die bestanddelen worden genoemd”
• enig goed;
• dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort;
• wegnemen;
• met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
Alleen als al deze bestanddelen zijn vervuld, is er sprake van diefstal. Deze regel geldt bij iedere strafbepaling. Een verdachte maakt zich pas schuldig aan een bepaald strafbaar feit als hij alle bestanddelen van de delictsomschrijving heeft vervuld.
Het vervullen van alle bestanddelen is echter niet voldoende om de dader te kunnen straffen.
“Er gelden namelijk nog twee algemene voorwaarden voor strafbaarheid: wederrechtelijkheid en schuld. Dit worden de elementen genoemd. Om te beginnen moet de daad verwijtbaar zijn, de dader moet dus schuld treffen. Een klassiek voorbeeld van iemand die alle bestanddelen van een delictsomschrijving vervulde, maar vrijuit ging vanwege het ontbreken van schuld, vinden we in het 'Water en melk arrest'. In de tijd dat de melkboer nog met 'losse' melk aan huis kwam, werd de knecht van een melkboer bij een controle betrapt op het verkopen van 'volle melk' terwijl het in feite om met water aangelengde melk ging. De knecht werd vanwege deze overtreding vervolgd. Tijdens de rechtszaak voerde zijn advocaat aan dat de verdachte wel alle bestanddelen van de delictsomschrijving had vervuld maar dat hem geen schuld trof omdat zijn baas de melk aanlengde. De knecht wist niet beter of hij verkocht volle melk. De HR honoreerde dit beroep op afwezigheid van alle schuld (avas) en sprak de knecht vrij.
Het tweede element is de zogenaamde wederrechtelijkheid. Dit wil zeggen dat de gedraging in strijd moet zijn met het recht. Een tandarts die een kies trekt, maakt zich schuldig aan 'mishandeling' (art. 300 Sr), maar de toestemming van de patiënt, heft de wederrechtelijkheid van de 'mishandeling' op”.
Samengevat alleen als alle bestanddelen van een delictsomschrijving zijn vervuld, wordt een bepaalde strafbepaling overtreden. Dit is echter niet voldoende voor strafbaarheid. Want een verdachte kan alleen gestraft worden als de daad wederrechtelijk is en de verdachte schuld treft.
7.7 RechtvaardigingsgrondenIemand rent over een veldje met een 'verbodentoegangbordje' om een kind dat bijna verdrinkt te redden. Iedereen zal aanvoelen dat de redder van het kind niet gestraft kan worden vanwege het negeren van het verbod. Met dit voorbeeld zitten we in de strafuitsluitingsgronden. Het gaat om wettelijke bepalingen die de strafbaarheid uitsluiten, ook al heeft de dader alle bestanddelen van een delictsomschrijving vervuld.
Er zijn twee soorten strafuitsluitingsgronden. Rechtvaardigingsgronden sluiten strafbaarheid uit omdat op deze gronden het feit niet strafbaar is. Schulduitsluitingsgronden heffen de strafbaarheid op omdat op deze gronden de dader niet strafbaar is.
Overmacht in de zin van noodtoestand. Een opticien verkocht na sluitingstijd een nieuwe bril aan iemand die zonder bril bijna niets kon zien. De opticien werd vervolgd vanwege overtreding van de plaatselijke verordening over de winkelsluiting.
Dit is een klassiek voorbeeld van overmacht. Daarbij moet iemand namelijk kiezen tussen een wettelijke plicht en een niet-wettelijk geregelde maatschappelijke plicht. Bij de opticien bestond de keuze uit de wettelijke plicht om de winkel te sluiten en de maatschappelijke plicht om iemand die hulp nodig heeft te helpen.
De HR honoreerde het beroep op overmacht en gaf daarmee aan dat de opticien goed gekozen had door de maatschappelijke plicht in dit geval zwaarder te laten wegen dan de wettelijke plicht.
Noodweer. Twee vrouwen lopen te wandelen in het park. Plotseling wordt een van de vrouwen aangevallen door een man. De andere vrouw pakt haar stok en mept tegen de benen van de man die daardoor valt. De vrouw met de stok vervult alle bestanddelen van 'mishandeling' maar toch is ze niet strafbaar. Ze handelde namelijk uit noodweer.
Daaronder verstaan we de noodzakelijke verdediging tegen een ogenblikkelijke aanval op mensen of goederen. Er is alleen sprake van noodweer als iemand in reactie op een aanval onmiddellijk en met een gepast middel reageert.
Wettelijk voorschrift. Een deurwaarder die een huis ontruimt is wettelijk verplicht de goederen uit het huis op straat te zetten. Maar in veel gemeenten verbiedt een plaatselijke verordening het op straat zetten van spullen. Pleegt de deurwaarder een strafbaar feit door zich aan de wet te houden? Nee, want hij kan zich beroepen op een wettelijk voorschrift. Iemand die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift een strafbaar feit pleegt, is niet strafbaar.
Uiteraard komt een beroep op een wettelijk voorschrift maar zelden voor want doorgaans levert het naleven van wettelijke voorschriften geen ander strafbaar feit op.
Ambtelijk bevel. Na een ongeval regelt een agent het verkeer. Hij maakt de automobilisten duidelijk dat zij de verkeerslichten moeten negeren en zich aan zijn aanwijzingen moeten houden. Twee weken later ontvangt een aantal bestuurders een bon omdat ze door het rode licht zijn gereden. De camera op het kruispunt waar het ongeluk plaatsvond, was kennelijk niet uitgeschakeld
De automobilisten kunnen zich beroepen op 'ambtelijk bevel'. Want iemand die een strafbaar feit pleegt ter uitvoering van een ambtelijk bevel is niet strafbaar.
Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Een veearts bracht tijdens een epidemie van mond- en klauwzeer opzettelijk een aantal gezonde koeien in contact met zieke koeien. Daarmee pleegde hij een strafbaar feit uit de Veewet. Tijdens de rechtszaak legde hij uit dat hij dit had gedaan om de gezonde koeien een lichte graad van besmetting op te laten lopen zodat zij antistoffen zouden ontwikkelen tegen een eventuele zwaardere besmetting. De veearts deed een beroep op een ongeschreven (niet-wettelijk geregelde) rechtvaardigingsgrond: het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.
Dit wil zeggen dat de daad formeel in strijd is met de letter van de wet, maar dat de strafbaarheid ontbreekt omdat de daad feitelijk niet in strijd is met het recht.
De HR gaf de veearts gelijk en ontsloeg hem van rechtsvervolging.
SchulduitsluitingsgrondenSchulduitsluitingsgronden heffen de strafbaarheid op omdat op deze gronden de dader niet strafbaar is. Er zijn vijf schulduitsluitingsgronden.
Psychische overmacht. In de Tweede Wereldoorlog werd een door de Duitsers opgepakte verzetsstrijder onder zware druk gezet om de namen van zijn medestrijders prijs te geven. Uiteindelijk bracht men een joodse vrouw en twee kinderen bij hem. De kinderen werden voor de ogen van de moeder mishandeld. Uiteraard smeekte de vrouw de verzetsstrijder om de namen van zijn collega's te noemen. De man zwichtte en gaf een aantal namen prijs. Na de oorlog werd hij vervolgd vanwege het verraad van zijn verzetsgroep. De rechter erkende echter zijn beroep op psychische overmacht en ontsloeg hem van rechtsvervolging.
Bij psychische overmacht gaat het om een zo heftige, van buiten komende druk dat de dader daaraan redelijkerwijs geen weerstand kan bieden.
Noodweer-exces. Een man betrapt 's nachts een dief in zijn huis. Om hem weg te jagen slaat hij hem met een honkbalknuppel. Door de schrik slaat de man niet op de benen van de dief, maar op zijn hoofd. De dief overlijdt enige dagen later aan zijn verwondingen. De man met de honkbalknuppel wordt vervolgd vanwege doodslag.
Een beroep op noodweer zal niet slagen omdat de man een veel te zware vorm van verdediging heeft gekozen. Daarom doet de man een beroep op noodweer-exces. Daarbij gaat het om een noodweersituatie waarin het slachtoffer, bijvoorbeeld door de schrik, door boosheid of door paniek, een te zwaar middel heeft gekozen om zich te verdedigen.
Onbevoegd gegeven ambtelijk bevel. Een fritesbaas laat zijn rijdende friteskraam door zijn vrouw op een verboden (maar commercieel aantrekkelijke) plaats in het centrum van de stad zetten. Zijn vrouw gaat naar huis en hij gaat frites verkopen. Een uur later moet de fritesbaas, op bevel van een agent die weet dat de man geen rijbewijs heeft, zijn friteskraam naar een ander deel van de stad rijden. Net op dat moment staat een andere agent rijbewijzen te controleren. Ook de fritesbaas wordt staande gehouden en krijgt een proces-verbaal vanwege het rijden zonder rijbewijs! Tijdens de rechtszaak beroept de fritesbaas zich op het bevel van de eerste agent. Vastgesteld wordt dat het om een onbevoegd gegeven bevel gaat, want de agent had de man nooit mogen bevelen om zonder rijbewijs te gaan rijden. Zo'n onbevoegd gegeven ambtelijk bevel heft de strafbaarheid alleen op als de dader er redelijkerwijs van uit mocht gaan dat het om een bevoegd gegeven bevel ging.
De fritesbaas die het bevel van de agent uitvoerde in de veronderstelling dat de zaak in orde was, werd ontslagen van rechtsvervolging. Zie voor deze schulduitsluitingsgrond.
Ontoerekenbaarheid. Als psychiaters vaststellen dat iemand, op het moment van de daad, psychisch zo ziek was dat het strafbaar feit hem niet kan worden toegerekend, wordt hij vanwege 'ontoerekenbaarheid' ontslagen van rechtsvervolging.
Vaak wordt een dader die ontoerekenbaar wordt verklaard ter beschikking gesteld. Dit wil zeggen dat hij op basis van een rechterlijk bevel wordt opgenomen in een psychiatrische kliniek.
Bv. Het 'Water en melk arrest' met de knecht die niet wist dat hij aangelengde melk verkocht en die daarom niet gestraft werd, is een voorbeeld van een niet-wettelijk geregelde schulduitsluitingsgrond:
afwezigheid van alle schuld, kortweg avas genoemd. Bij avas pleegt iemand een strafbaar feit terwijl hij zich dit niet bewust is. Deze schulduitsluitingsgrond heeft geen wettelijke basis.
Strafuitsluitingsgrondenschulduitsluitingsgronden rechtvaardigingsgronden
- psychische overmacht - overmacht als noodtoestand
- ontoerekenbaarheid - noodweer
- ambtelijk bevel - wettelijk voorschrift - ontbreken materiële wederrechtelijkheid
- noodweer-exces
- avas
StrafdoelenVoordat er een overzicht wordt gegeven van de verschillende straffen en maatregelen, eerst een paar opmerkingen over de strafdoelen. Wat wil men eigenlijk bereiken door een veroordeelde te straffen? Het Nederlands strafsysteem is niet gericht op één doel, maar op een aantal strafdoelen tegelijk.
Vergelding. De dader heeft met zijn strafbaar feit kwaad aangericht. Daarom moet hij gestraft worden.
Preventie. Het opleggen van een straf moet voorkomen dat het strafbaar feit nogmaals wordt gepleegd. Als de straf vooral bedoeld is om deze dader af te schrikken, spreken we van speciale preventie. Als men met de straf ook andere mensen van het plegen van een strafbaar feit wil weerhouden, gaat het om generale preventie.
Resocialisatie. Meestal heeft (vooral het laatste deel van) een straf ook tot doel de terugkeer van de dader in de samenleving mogelijk te maken. Voorkomen van eigenrichting. Door de overheid de taak te geven daders te straffen, hoopt men te voorkomen dat slachtoffers van misdrijven zelf wraak nemen.
Straffeneen overzicht van de vier hoofdstraffen.
• Gevangenisstraf is de vrijheidsstraf die kan worden opgelegd na een misdrijf. In iedere strafbepaling staat aangegeven hoe lang de gevangenisstraf maximaal mag duren. De rechter moet zich aan dit maximum houden, hij is niet gebonden aan een bepaald minimum.
• Hechtenis is de vrijheidsstraf die kan worden opgelegd na een overtreding. Hechtenis komt niet zoveel voor omdat voor de meeste overtredingen een geldboete wordt opgelegd.
• Onbetaalde arbeid. Al heel lang bestaat er kritiek op de vaak onbedoelde effecten van vrijheidsstraffen. Vanuit die kritiek is de 'onbetaalde arbeid' als straf ontstaan. Dat gaat als volgt. De rechter legt de veroordeelde een gewone gevangenisstraf (van maximaal een halfjaar) op. In het vonnis geeft hij aan dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde een bepaald aantal uren (maximaal 240) onbetaalde arbeid verricht. Voert de veroordeelde het werk goed uit, dan vervalt de gevangenisstraf. Houdt hij zich niet aan de afspraken, dan moet hij de vrijheidsstraf alsnog uitzitten.
De onbetaalde arbeid die de rechter oplegt, moet altijd 'ten algemenen nutte' zijn. Bijvoorbeeld het schoonmaken van plantsoenen, het opknappen van een wijkgebouw, het helpen in de keuken van een verzorgingshuis, enzovoort. NB: Deze straf kan alleen worden opgelegd als de veroordeelde zelf aanbiedt om onbetaalde arbeid te verrichten.
Procedure in het strafrecht Degene die in een strafproces is verwikkeld, krijgt vaak met verschillende rechterlijke instanties te maken. In Nederland houden vier instanties zich met strafrechtprocedures bezig: het kantongerecht, de rechtbank, het gerechtshof en de Hoge Raad. Lang niet alle strafzaken worden aan de rechter voorgelegd: in het strafrecht bestaan ook andere procedures. De politie kan sommige zaken bijvoorbeeld zelf helemaal afhandelen. Dat kan ook de officier van justitie.
Het kantongerecht Het kantongerecht is het ‘laagste gerecht’ in Nederland. De kantonrechter behandelt alleen overtredingen. Vaak gaat het om zaken waarin de politie of de officier van justitie een schikkingsvoorstel heeft gedaan.
Als de verdachte niet op zo’n voorstel ingaat, komt de zaak bij de kantonrechter.
De verdachte ontvangt dan een dagvaarding waarin precies staat waarvan hij wordt verdacht. De rechter onderzoekt op de zitting wat er is gebeurd. Eerst komt de officier van justitie aan het woord en daarna de verdachte of zijn advocaat. De kantonrechter kan ook getuigen horen. De verdachte mag altijd als laatste nog iets zeggen. De kantonrechter doet meestal meteen na de zitting een mondelinge uitspraak. Tegen de meeste uitspraken is hoger beroep mogelijk bij de rechtbank.
De rechtbank De rechtbank behandelt in principe alle misdrijven en de hoger-beroepzaken van het kantongerecht. Eenvoudige zaken worden door één rechter behandeld, de politierechter genoemd. Moeilijker zaken worden door drie rechters bekeken.
Ook nu komt eerst de officier van justitie aan het woord en daarna de verdachte of diens advocaat. De politierechter doet meestal meteen mondeling uitspraak. De rechters bij de rechtbank doen veertien dagen na de zitting uitspraak. Tegen die uitspraken is in principe hoger beroep mogelijk bij een gerechtshof. Bij de rechtbank werkt een aantal gespecialiseerde rechters. De economische politierechter houdt zich bezig met economische vergrijpen, bijvoorbeeld overtreding van de winkelsluitingswet of de warenwet. De kinderrechter behandelt zaken waarin kinderen worden verdacht van het plegen van strafbare feiten.
Het gerechtshofDe raadsheren van het gerechtshof behandelen in het algemeen alleen zaken in hoger beroep. Zij bekijken nog eens wat er precies is gebeurd en luisteren opnieuw naar de verhalen van het openbaar ministerie en de verdachte.
Het gerechtshof hoeft geen rekening te houden met uitspraak van de rechtbank. Iemand die in eerste instantie is veroordeeld, kan dus worden vrijgesproken, maar ook een hogere straf krijgen.
De Hoge Raad Partijen die het niet eens zijn met een uitspraak kunnen bij de Hoge Raad in beroep gaan.
De raadsheren van de Hoge Raad kijken dan niet opnieuw naar de feiten van een strafzaak, maar onderzoeken alleen of de rechtbank of het gerechtshof alle rechtsregels goed heeft toegepast. Als dat niet zo is, moet een andere rechtbank of een ander hof opnieuw naar de zaak kijken.
ConclusieHet strafrecht gaat uit van “Geen voorafgaande overtreding geen straf”
Een strafbepaling is opgebouwd uit een delictenomschrijving, een kwalificatie en een sanctienorm. De delictsomschrijving bevat verschillende bestanddelen. Alleen als alle bestanddelen zijn vervuld, wordt de strafbepaling overtreden. Maar dat allen is niet voldoende voor een veroordeling want:
een verdachte kan alleen worden gestraft als de daad wederrechtelijk is en de dader schuld treft
een poging tot een strafbaar feit kan ook al veroordeelt worden als de dader al zichtbaar met de uitvoering bezig is. Daaraan kan je heel makkelijk Medeplegers, uitlokkers aanvast koppelen. Deze kunnen ook als dader worden bestraft. Maar een medeplichtige krijgt maximaal tweederde van de straf die op het delict staat waaraan hij medeplichtig is.
Bij de strafuitsluitingsgronden gaat het om het omgekeerde: het uitsluiten van strafbaarheid of alle bestanddelen van de delictsomschrijving zijn vervuld. Er zijn rechtvaardigingsgronden en schulduitsluitingsgronden.
Rechtvaardigingsgronden heffen de strafbaarheid van de daad op. Het zijn: overmacht in de zin van noodtoestand, noodweer, ambtelijk bevel, wettelijk voorschrift en het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.
Schulduitsluitingsgronden heffen de strafbaarheid van de dader op. Het gaat om: Psychische overmacht, noodweer-exces, onbevoegd gegeven ambtelijk bevel, ontoerekenbaarheid en afwezigheid van alle schuld (avas).
Tot slot van het hoofdstuk gaf ik een overzicht van de hoofdstraffen en maatregelen voor strafrechtelijk meerderjarigen en ook de procedure van het strafrecht. De hoofdstraffen zijn: gevangenisstraf, hechtenis, geldboete en onbetaalde arbeid.
De maatregelen zijn: TBS, plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, onttrekken aan het verkeer. In het Nederlands straffenstelsel vinden we een aantal verschillende strafdoelen, zoals preventie, resocialisatie, vergelding en het voorkomen van eigenrichting.
BestuursrechtInleidingIn dit hoofdstuk staat het bestuursrecht centraal. Het bestuursrecht en het staatsrecht lijken veel op elkaar. Toch is er verschil. Het staatsrecht geeft een beschrijving van de staatsorganen en van de verschillende functies van de staat. In het staatsrecht gaat het dus om de juridische structuur van ons land. Het bestuursrecht geeft regels voor de wijze waarop de overheid haar bestuurstaak moet uitvoeren.
Makkelijk gezegd gaat het om de zorg voor een goede gang van zaken in ons land.
Bijvoorbeeld: de aanleg van wegen en spoorbanen, de bouw van scholen en ziekenhuizen, het geven van uitkeringen, het heffen van belastingen en het vaststellen van bestemmingsplannen.
Bronnen van bestuursrechtInternationale verdragen. In een groot aantal wetten zijn de verschillende onderdelen van het bestuursrecht geregeld.
Bijvoorbeeld in de wetgeving over de sociale zekerheid, de belastingwetgeving, de Vreemdelingenwet, de Ambtenarenwet en de Woningwet. Het formeel bestuursrecht staat vooral in de Algemene Wet Bestuursrecht
Jurisprudentie. In uitspraken van rechters over bestuurszaken worden allerlei wetten en regels over het bestuursrecht uitgelegd.
Zo stelt de Werkloosheidswet als voorwaarde voor een uitkering dat je echt niet meer mag en kan werken.
Ongeschreven recht. Bestuursorganen moeten zich niet alleen aan de wet houden, ze zijn ook gebonden aan ongeschreven wetten.
Deze wetten, die in de afgelopen eeuw door de rechtspraak zijn ontwikkeld, worden de 'algemene beginselen van behoorlijk bestuur' genoemd. Overigens behoort een deel van deze algemene beginselen inmiddels tot het geschreven recht omdat ze in de ALGEMEEN WET BOEK zijn opgenomen.
Pseudo-wetgeving of beleidsregels. De uitvoering van bijna ieder bestuursvoorschrift roept vragen op. Vandaar dat de overheid haar ambtenaren richtlijnen geeft over de wijze waarop zij een bepaald voorschrift moeten uitvoeren.
Deze richtlijnen heten beleidsregels. Ze worden vooral gegeven als er beleidsruimte is bij de uitvoering van een bepaald voorschrift. De Vreemdelingenwet is een duidelijk voorbeeld van een wet die de ambtenaar veel beleidsruimte biedt. Vandaar dat er ieder jaar vanuit Den Haag dikke pakken beleidsregels of -circulaires op de bureaus van de uitvoerende ambtenaren terechtkomen.
Ook de belastingwetgeving kent een groot aantal beleidsregels.
Beleidsregels zijn openbaar, een burger kan dus precies zien aan welke beleidsregels een uitvoerend orgaan zich moet houden. Als dit overheidsorgaan een besluit neemt dat in strijd is met een beleidsregel, kan de burger zich bij de rechter op de beleidsregels beroepen. Naar buiten toe werken deze richtlijnen dus als wet. Vandaar de naam 'pseudo-wetgeving'
SanctiesWat kan een bestuursorgaan doen als iemand bijvoorbeeld een garage bouwt zonder daarvoor een vergunning aan te vragen of als een café tot diep in de nacht muziek draait, terwijl er een vergunning is afgegeven tot 12 uur 's avonds? Met andere woorden: welke dwangmiddelen heeft de overheid om de naleving van geboden en verboden in een beschikking af te dwingen?
• Vergunning intrekken. Het intrekken van een vergunning is een voor de hand liggend middel om het gedrag van burgers te corrigeren. Zo loopt de eigenaar van een café dat zich niet aan de sluitingstijden houdt, de kans dat hij het café moet sluiten.
• Bestuursdwang. Een bestuursorgaan heeft de bevoegdheid om illegaal gedrag van een burger feitelijk ongedaan te maken. Deze bevoegdheid wordt 'bestuursdwang' genoemd. Denk bijvoorbeeld aan het weghalen van een illegaal gebouwde garage. De kosten van de bestuursdwang komen voor rekening van de burger die in overtreding is.
• Administratieve boete. In veel gevallen is bestuursdwang een te zwaar of niet geschikt middel om verboden gedrag van burgers te corrigeren. Vandaar dat bestuursorganen soms de bevoegdheid hebben de burger een administratieve boete op te leggen. Zo loopt een belastingplichtige die te laat aangifte doet, de kans dat zijn aanslag bij wijze van boete met vijf procent wordt verhoogd. Lichte verkeersovertredingen worden eveneens afgedaan door het opleggen van een administratieve boete.
Nationale OmbudsmanWie vindt dat de overheid hem niet goed behandelt, kan zich wenden tot de Nationale Ombudsman met een verzoek om een onderzoek in te stellen. Bijvoorbeeld als een burger geen antwoord krijgt op zijn brief, als een procedure veel te lang duurt of als een ambtenaar een burger slecht behandelt.
De Nationale Ombudsman kan geen bindende uitspraak doen, hij kan zijn bevindingen 'alleen maar' rapporteren.
Toch heeft de Ombudsman veel invloed omdat er grote waarde aan zijn onderzoeken wordt toegekend.
Bovendien stelt de Ombudsman een jaarverslag op dat onder andere naar de Tweede Kamer wordt gestuurd. Daardoor kunnen volksvertegenwoordigers een minister ter verantwoording roepen als er sprake is van misstanden in het openbaar bestuur. De Nationale Ombudsman is op dit moment bevoegd kennis te nemen van gedragingen van bestuursorganen van de centrale overheid, van de provincies, de waterschappen en de politie.
Ze willen de bevoegdheid van de Ombudsman uit breiden zodat hij ook onderzoeken kan doen naar de besluiten van de gemeenten.
De taken en bevoegdheden van de Nationale Ombudsman zijn vastgelegd in de Wet Nationale Ombudsman die totstandkwam op basis van art. 108 van de Grondwet.
Hieronder volgt een voorbeeld van een oordeel van de Nationale Ombudsman. Het oordeel werd gegeven naar aanleiding van een klacht over politieoptreden in een uit de hand gelopen ruzie tussen twee toekomstige buren. De klagers meenden dat de politie onbehoorlijk optrad door te weigeren proces-verbaal op te maken toen zij in april 1992 aangifte deden van vernieling en mishandeling door de toekomstige buren. Daarnaast klaagden zij over uitspraken van een bepaalde politiefunctionaris die gezegd zou hebben dat de klagers niet in het huis zouden moeten gaan wonen, dat de ruzie hun schuld zou zijn en dat de hele buurt tegen hen zou zijn. Ten slotte deden de klagers hun beklag over de manier waarop de hoofdofficier van justitie hun klachten over het optreden van de betrokken politiefunctionaris had afgehandeld.
De Nationale Ombudsman analyseerde in een rapport van 26 pagina's de feiten en gaf de standpunten van alle betrokkenen weer. Daarna kwam hij tot het volgende oordeel.
Oordeel17 mei 1995 nr. 93.02533
De onderzochte gedraging van de gemeentepolitie te Tiel, die wordt aangemerkt als een gedraging van de burgemeester van Tiel, is behoorlijk voor wat betreft het opnemen van aangiften, en het optreden in het burenconflict tot medio juli 1992 en niet behoorlijk voor wat betreft het uitblijven van onderzoek en het horen van getuigen na medio juli 1992.
De onderzochte gedraging van de betrokken ambtenaar van de gemeentepolitie te Tiel, die wordt aangemerkt als een gedraging van de burgemeester van Tiel, is behoorlijk voor wat betreft de gestelde instructies aan ambtenaren van de gemeentepolitie te Tiel. Over de gestelde uitlatingen wordt geen oordeel gegeven.
De onderzochte gedraging van de hoofdofficier van justitie te Arnhem, die wordt aangemerkt als een gedraging van de minister van Justitie, is niet behoorlijk.
De Nationale Ombudsman Mr.drs. M. Oosting
ConclusieDe bestuurstaak van de overheid bevat alle activiteiten van de overheid die niet uit wetgeving of rechtspraak bestaan. eigenlijk gaat het om de zorg voor een goede gang van zaken in het land. Door bijvoorbeeld: de aanleg van wegen, de zorg voor het milieu en de bouw van scholen.
Bestuursorganen hebben drie dwangmiddelen om de naleving van beschikkingen af te dwingen: het intrekken van een begunstigende beschikking, de administratieve boete en bestuursdwang.
Een burger die het niet eens is met een beschikking die hem rechtstreeks raakt, hoeft zich daar niet bij neer te leggen. Hij kan beroep instellen bij de Rechtbank. Voordat hij in beroep kan gaan, moet hij eerst een bezwaarschrift schrijven aan het bestuursorgaan dat de bestreden beschikking heeft genomen.
Bijvoorbeeld: uitkeringen
Een burger die klachten heeft over het gedrag van een bestuursorgaan, kan zich wenden tot de Nationale Ombudsman. Deze onafhankelijke persoon heeft de bevoegdheid een onderzoek in te stellen bij het betrokken bestuursorgaan. De resultaten van dit onderzoek legt de Ombudsman vast in een openbaar rapport.
De terechtzittingInleidingDit hoofdstuk gaat over de terechtzitting er wordt eenvoudig uitgelegd wat er zoal bij komt kijken in een rechtbank en in de rechtspraak. De procedure van dagvaardig tot uitspraak komt goed tot de orde en wordt kort maar duidelijk uitgelegd.
Dagvaarding. Een officier van justitie maakt de zaak aanhangig bij de rechtbank door een dagvaarding uit te brengen. Dit is een officiële oproep om ter terechtzitting te verschijnen met een nauwkeurige beschrijving van het feit of de feiten waarvan de officier de verdachte verdenkt.
Deze beschrijving wordt de tenlastelegging genoemd.
Deze tenlastelegging is het fundament van de rechtszaak, want tijdens de zitting draait het om de vraag of de rechter wettig en overtuigend bewezen acht dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde.
Strafbare feiten die niet in de tenlastelegging staan, komen tijdens de rechtszaak niet aan de orde.
1 Rechter vraagt verdachte naar naam en woonplaats. Als de zitting door de gerechtsdeurwaarder is uitgeroepen, begint de rechter met de verdachte te vragen naar zijn naam en woonplaats. Verder maant hij de verdachte goed op te letten en hij wijst hem erop dat hij niet verplicht is antwoord te geven op de gestelde vragen.
2 Officier van justitie leest tenlastelegging voor. Daarna leest de officier van justitie de tenlastelegging voor.
3 Horen van getuigen en deskundigen. Na de tenlastelegging hoort de rechter getuigen en deskundigen die door de officier van justitie of door de verdachte zijn opgeroepen. Voordat zij aan het woord komen, worden ze beëdigd.
Zoals U misschien wel eens in films heeft gezien, of misschien bent U zelf al een keer in de rechtbank geweest, wordt de deskundige in kwestie gevraagd of hij de waarheid en alleen maar de waarheid wil vertelling. Dit mag op grond van de bijbel, maar als de deskundige dit echt niet wil mag het ook op een andere manier.
4 Ondervragen van de verdachte. Na de getuigen en deskundigen gehoord te hebben ondervraagt de rechter de verdachte.
5 Requisitoir van de officier van justitie. Vervolgens krijgt de officier van justitie het woord voor zijn requisitoir.
Daarin legt hij uit waarom hij het ten laste gelegde bewezen acht en welke straf hij opgelegd wil zien. Dit laatste (de door het OM voorgestelde straf) wordt 'de eis' genoemd.
6 Pleidooi van (de raadsman van) de verdachte. In de meeste gevallen houdt de raadsman van de verdachte nu een pleidooi. Hij reageert daarin op het requisitoir en op de verklaringen van de getuigen en de deskundigen. Soms (in ongeveer vijf procent van de gevallen) ontkent de verdachte het ten laste gelegde, maar in de meeste gevallen bekent hij tijdens de rechtszaak of heeft hij al eerder tijdens het politieverhoor bekend.
Het pleidooi van de raadsman bestaat vooral uit het aanvoeren van verzachtende omstandigheden of van omstandigheden die een strafuitsluitingsgrond opleveren.
7 Laatste woord van de verdachte. Aan het slot van de zitting is de rechter verplicht de verdachte te vragen of hij nog iets wil zeggen. Na het laatste woord van de verdachte sluit de rechter de zitting.
De alleensprekende politierechter wijst bijna altijd onmiddellijk na de zitting vonnis.
Als de zaak door meer rechters is behandeld (de zogenaamde meervoudige kamer) volgt de uitspraak meestal veertien dagen na de zitting.
Vonnis bepaling. De rechter of rechters komen tot hun vonnis door een aantal in de wet genoemde vragen te beantwoorden. De eerste vier vragen gaan over de geldigheid van de dagvaarding, de bevoegdheid van de rechter, de ontvankelijkheid van de officier van justitie en de eventuele noodzaak van schorsing van de vervolging.
Daarna komen de rechters toe aan de inhoud van de rechtszaak.
Deze vragen gaan over het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, over de strafbaarheid van dit feit, over de strafbaarheid van de dader en over de straf of maatregel die moet worden opgelegd.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.