Geschreven door: | Maya (5 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 9 april 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.250 |
Bekeken: | 7284 keer (11 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Samenvatting Biologie Hoofdstuk 4: Voeding en Vertering
4.1 Broodje Gezond.
In voeding zitten bouwstoffen, brandstoffen en beschermende stoffen, maar ook additieven (door de mens toegevoegde hulpstoffen) Die zijn toegevoegd voor smaak, geur, kleur en houdbaarheid verbetering.
Ze zijn herkenbaar aan hun E-nummer.
Groene Revolutie: landbouwproductie moest omhoog voor het voeden van de bevolking. Daardoor werden er nieuwe kunstmest en bestrijdingsmiddelen gebruikt en werden er nieuwe rassen geteeld. Van de kunstmest en bestrijdingsmiddelen kunnen resten achterblijven in je voedsel.
ADI-waarde: Aanvaardbare dagelijkse inname. Ofwel maximale dosis die je dagelijks van een stof kunt innemen zonder gevaar voor je gezondheid. Ze zijn vastgesteld voor alle hulpstoffen met een E-nummer en ook voor bestrijdingsmiddelen, diergeneesmiddelen en milieuverontreinigende stoffen, die allemaal per ongeluk in je eten kunnen komen.
Ook biologisch geteelde groenten kunnen giftige stoffen bevatten. Meststoffen kunnen schadelijk zijn. Bladgroenten kunnen veel nitraat bevatten, wat omgezet kan worden in nitriet in het verteringskanaal. Dat kan weer samen met aminen uit bijvoorbeeld vis nitrosaminen vormen, wat afwijkingen in de wanden van je maag, darm en lever kan veroorzaken waardoor tumors kunnen ontstaan.
Veel stoffen die in je darm komen worden geresorbeerd, andere blijven. Die kunnen schadelijk zijn. Ze kunnen carcinogeen zijn.
Carcinogeen: ze kunnen de kans op het ontstaan van bepaalde vormen van kanker verhogen
Die kans kun je beperken door gezond te eten.
Andere leef en eet gewoonten zijn de oorzaak van de komst van “functional foods”; hierbij spelen bepaalde ingrediënten een belangrijkere rol als de voeding in het geheel.
4.2 Klein, Kleiner, Kleinst
Enzymen zorgen ervoor dat bij een lage temperatuur, chemische reacties toch snel kunnen verlopen. Dat doen ze door zich aan het substraat te binden (de om te zetten stof). Dan ontstaan er kleine wijzigingen in het substraat waardoor deze makkelijker reageert.
“gebruiksaanwijzing voor enzymen”
- de enzymvorm mag niet gewijzigd worden, want dan kan het substraat er niet meer in
- de enzymen niet verhitten want dan gaat de werking verloren (vanaf 45-50 graden ? denatureren)
- pHgevoelig. Bij lage pH opname van H+ bij hoge, afgifte. Daardoor verandert hun lading en heeft dit gevolgen voor de vorm en werking. Er is voor elk enzym een optimum-pH.
Speeksel bestaat uit water, slijm(mucine) en amylase (een enzym). De hoeveelheid en soort hangt af van wat je eet. Amylase zet zetmeel om in kleinere brokstukken. Zetmeel is een polysacharide, amylase zet het om in disachariden (maltose) en glucose. Zetmeel is dus niet zoet, maar de verteringsproducten wel.
Je maagwand is bekleed met een slijmvlies met cellen die zouzuur (HCL) afscheiden. Daardoor is de pH ongeveer 1,5. Het enzym peptase splits lange aminozuurketens in kleinere ketens. Maar dit is gevaarlijk omdat cellen zelf voor een groot deel uit eiwitten bestaat, daarom wordt er niet peptase maar pepsinogeen (een inactieve vorm) afgescheiden. Daarnaast produceren andere cellen slijm die de maagwand ook ten de inwerking van peptase en zoutzuur beschermd.
De alvleesklier produceert natriumcarbonaat (NaHCO3) die het maagzuur neutraliseert. Vetten worden eerst geëmulgeerd met gal uit e galblaas. De gal is gemaakt door de lever en bestaat uit afbraakproducten van hemoglobine (uit dode rode bloedcellen) en van cholesterol. De galzouten verlagen de oppervlaktespanning van het water waardoor het vet emulgeert. Daardoor mengt het vet zich beter met het water en breekt het lipase uit het alvleessap het vet af tot losse vetzuren, monoglyceriden en glycerol. Dit gebeurt allemaal in de 12vingerige darm. In de dunne darm wordt vervolgens door de enzymen uit het darmslijmvlies de vertering voltooid.
De laatste fase van de bewerking vindt plaats door commensalen in de dikke darm. Bacteriën zetten een deel van cellulose uit plantencelwanden om, ook leven er colibacteriën die bijvoorbeeld vitamine K toevoegen. Die speelt weer een rol bij de bloedstolling. De hoofdfunctie van de dikke darm is water en zouten opnemen, de rest gaat door als feces of uitwerpselen.
Dus: koolhydraatvertering inde mond, eiwitvertering in de maag, vetvertering in de 12vingerige darm en vertering door bacteriën in de dikke darm
4.3 “Binnenlaten”
Je darmwand bevat overal ongeveer dezelfde bouw. Aan de binnenkant zit slijmvlies met kliercellen, meer naar buiten liggen kring en lengtespieren en ertussen en omheen ligt bindweefsel. De dunne darm is sterk geplooid.
Na het slikken gaat er een peristaltische golf door je slokdarm, voor het voedsel ontspannen de kringspieren en erachter trekken ze samen. De bewegingen zetten zich voort over de hele darm. Zenuwcellen geven impulsen aan de kliercellen in de maag en darm om de sapafscheiding toe te laten nemen.
De maagportier gaat dicht als het milieu inde 12vingerige darm te zuur wordt en gaat pas weer open als het milieu door de NaHCO3 uit het alvleessap geneutraliseerd is.
Dit noem je een portierreflex en zorgt ervoor dat de voedselbrij je maag met kleine beetjes tegelijk verlaat.
In je dunne darm aangekomen is het voedsel onherkenbaar door toevoeging van enzymen, ionen (vooral Na+) en water. De dunne darm zorgt voor resorptie, water en verkleinde voedselmoleculen gaan door de darmwand in het bloed of lymfe (het inwendig milieu).
Aminozuren, suikers en ionen worden voornamelijk door actief transport opgenomen (membranen van de dekweefselcellen bevatten kleine poortjes met transportenzymen die meehelpen). Door actief transport verschilt de osmotische waarde waardoor 90% van het water door osmose naar het bloed gaat. Voor osmose is geen energie nodig.
Glycerol en vetzuren volgen een andere route en passeren het dekweefsel passief. In het endoplasmatisch reticulum worden ze samengevoegd tot nieuwe vetten en omhuld door membraan, die verlaten de darmwandcel door exocytose en komen in een lymfevat terecht door openingen tussen de dekweefselcellen.
Bacteriën en virussen komen natuurlijk ook wel eens mee, maar deze overleven de maag niet zo gauw en als ze toch in het inwendig milieu komen reageert het afweersysteem meteen op deze antigenen en worden lymfocyten geactiveerd die bij een volgende actie van die antigenen meteen in actie komen. De bacteriën uit je darmwand worden door het immuunsysteem met rust gelaten.
4.4
voedsel bestaat uit polimeren (lange ketenvormige moleculen). Er is water nodig om ze te splitsen. Alle verteringreacties berusten op hydrolyse (splitsen met water) Polycondensatie is vorming van polymeren waarbij water vrijkomt. Eiwitten zijn polymeren van aminozuren
een zuurgroep (COOH) wordt verbonden met de aminogroep (NH2) van het andere aminozuur via een peptide binding.
Een aminozuur kan een dri, tri of polypeptide zijn
Eiwitten zijn 1 of meer polypetiden
2 enzymen die wiwitten splitsen zijn endopeptidasen (die knippen de rij in het midden door) en exopeptidasen (die knippen aan het uitteinden) Beide gebruiken ze voor het knippen hydrolyse.
1 glycerol + 3 vetzuren = triglyceride of vet
glycerol met 1 vetzuur = monoglyceride
glycerol met 2 vetzuren = diglyceride
onverzadigde vetzuren hebben een dubbele binding. Deze zijn vloeibaar en worden oliën genoemd. Onverzadigd wil zeggen, dat het water er niet uit is.
Vertering van vet gebeurd door de hydrolyse van de ester binding (OH-OH wordt COC)
Koolhydraten worden verteerd door stap voor stapp bindingen tussen de suikereenheden met specifieke enzymen te verbreken
4.5
Glucagon geeft de lever de opdracht om glycogeenvoorraad om te zetten in glucose als je weinig eet. Als je dus te weinig voedingstoffen binnenkrijgt wordt eerst je glycogeenvoorraad omgezet en daarna je vetvoorraad.
De schildklier en nieren etn en verteren zelf. Opname doen ze door endocytose. De cel bevat lysosomen (membraanblaasjes met een verteringsenzym). Cellen kunnen ook onderdelen van zichzelf opeten. Het Endoplasmatisch reticulum vormt dan een membraan erom en die stoffen worden verteerd door de lysosomen
Autofagie: cellen die zichzelf opeten.
Lever kan ui eiwit en glycerol glucose maken
Overtollige aminogroepen worden onschadelijk gemaakt tot ureum en wordt afgegeven met de urine.
Bij weinig voedsel dus:
Eerst afbraak van glycogeen, dan afbraak van vet. Dan de afbraak van actieve eiwitten zoals enzymen en als laatste worden de spieren opgegeten (althans, de eiwitten die de spier laten samentrekken en de enzymen die in de spier glucose afbreken)
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.