Geschreven door: | Kip (5 havo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 6 april 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.750 |
Bekeken: | 14249 keer (15 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Samenvatting Arbeidsmarkt
Hoofdstuk 1
Concrete markt: een plek waar vragers en aanbieders van arbeid elkaar in het echt ontmoeten (de banenmarkt)
Abstracte markt: een markt die het geheel van vraag en aanbod omvat, maar waar je geen vaste plek kunt aanwijzen. (Nederlandse arbeidsmarkt, de markt voor tandenborstels en de huizenmarkt)
Onderdelen van de arbeidsmarkt:
- personeelsadvertenties
- bestanden van de arbeidsbureaus
- uitzendbureaus
Vragers zijn de kopers, aanbieders zijn de verkopers.
Aanbod van arbeid is de beroepsbevolking.
Beroepsbevolking: de mensen die willen, kunnen en mogen werken
Aanbod van Arbeid: werklozen, werknemers en zelfstandigen
Vraag naar arbeid: de vraag van bedrijven en overheid naar arbeidskrachten, ook de zelfstandigen en de openstaande vacatures horen bij de vraag naar aanbod.
Vacature: als een bedrijf op zoek is naar een werknemer voor een bepaalde functie
Werkgelegenheid: het aantal mensen dat werkt (werknemers en zelfstandigen)
Beroepsbevolking: werkzame beroepsbevolking (zelfstandigen en werknemers) en de werkloze beroepsbevolking
Niet-beroepsbevolking: mensen tussen de 15 en 65, die niet werken en niet op zoek zijn naar werk.
Potentiële beroepsbevolking:beroepsbevolking + niet-beroepsbevolking = beroepsgeschikte bevolking
beroepsgeschikte bevolking: mensen tussen de 15 en 65 jaar
Deelnemingspercentage = participatiegraad: Aantal personen in de bevolking(groep) dat tot de beroepsbevolking hoort x 100%
Oorzaken van de groei in de beroepsbevolking:
- demografische groei (meer mensen in Nederland)
- Bevolkingssamenstelling (arbeidsaanbod groeit als er meer mensen komen in de beroepsgeschikte bevolking)
- deelname van vrouwen
- wetgeving (leerplicht, pensioensleeftijd)
- organisatie van het arbeidsproces
Vraag naar arbeid=werknemers en zelfstandigen en vacatures
Het aanbod van arbeid=werklozen en vacatures
De beroepsbevolking=werklozen en werknemers en zelfstandigen
De werkgelegenheid=werknemers
Hoofdstuk 2
Vereniging is een rechtsvorm die in de wet voorkomt . En moet een bestuur hebben.
Je hebt 4 soorten ondernemingsvormen:
-eenmanszaak
-vennootschap onder firma(vof)
-besloten vennootschap (bv)
-naamloze vennootschap (nv)
Eenmanszaak: - 1 eigenaar
- privé aansprakelijk
- eenvoudige manier van beginnen
- je kunt je eigen beslissingen nemen
Vennootschap onder Firma (VoF):
- meerdere eigenaren
- privé aansprakelijk
- betere mogelijkheden tot lenen
Besloten Vennootschap en de Naamloze Vennootschap:
- scheiding tussen bedrijf en eigenaren
- Rechtspersonen (juridisch zelfstandig)
- aandeelhouders zijn de eigenaren
BV = aandelen zijn op naam
NV = aandelen zijn niet op naam, ze zijn vrij verhandelbaar
Dividend: Jaarlijkse uitkering uit de winst die je over een aandeel krijgt
Individuele arbeidsovereenkomst is tussen een werkgever en een werknemer.
In een Collectieve arbeidsovereenkomst (CAO) staan de rechten en plichten van werkgever en werknemer zwart op wit.
Bedrijfstak: alle bedrijven die zich bezig houden met dezelfde soort productie
Vakbond: werknemersbonden en vakverenigingen
Primaire arbeidsvoorwaarden zijn bijvoorbeeld loon en arbeidstijd.
Secundaire arbeidsvoorwaarden zijn vakantie, pauze, reiskostenvergoeding enz.
Hoofdstuk 3: De strijd om de poen
Inflatie: stijging van het algemeen prijspeil.
Prijscompensatie: loonstijging om het effect van de inflatie teniet te doen. Gelijk aan de procentuele inflatie.
Stijging van de arbeidsproductiviteit is de stijging van de gemiddelde productie per werknemer per gewerkte tijdseenheid.
Oorzaken van de stijgende arbeidsproductiviteit:
-mechanisering en automatisering
-arbeidsverdeling en specialisatie
-scholing
Initiële loonstijging Stijging van de arbeidsproductiviteit
Incidentele loonstijging : loonstijging door promotie
Primaire sector: landbouw / visserij
Secundaire sector: industrie
Quartaire sector: diensten (niet streven naar winst)
Omzet = afzet x verkoopprijs
= totale opbrengst
Winst = omzet – kosten
Reacties op de loonstijging:
- Prijzen verhogen
- productie verplaatsing naar lagelonenlanden
- mensen worden vervangen door machines
Hogere lonen lijdt vaak tot lagere winsten
Hogere loonkosten zorgen vaak voor een dalende werkgelegenheid
Hoofdstuk 4
Er kan van werkgelegenheid verschoven worden door de productie en de productie per werknemer (arbeidsproductiviteit). Als de productie stijgt, word er mee geproduceerd, zijn er meer werknemers nodig.
Als de arbeidsproductiviteit stijgt, als een werknemer meer produceert per eenheidstijd, zijn er minder werknemers nodig voor hetzelfde product te maken.
Productie= werkgelegenheid x arbeidsproductiviteit
Werkgelegenheid= productie / arbeidsproductiviteit
Arbeidsproductiviteit = productie / werkgelegenheid
Door een stijging van de arbeidsproductiviteit kan dus de welvaart stijgen: met evenveel mensen kun je dus meer produceren.
Het vernieuwen van producten en productieprocessen noemen we innovatie. (De lp door de cd en een rijtuig door een auto.)
De arbeidsproductiviteit is vandaag de dag veel hoger dan vroeger. Dat komt omdat bedrijven betere machines tot hun beschikking hebben. Het komt dus doordat bedrijven investeren. Investeren is het kopen van kapitaalgoederen.
Bedrijven kunnen kiezen uit verschillende combinaties van machine en werknemers. Bv een bedrijf dat voetballen maakt kan kiezen uit 8 mensen en 1 naaimachine, of uit 22 mensen en geen machines. De keuze hangt onder meer af van de arbeidskosten en de kosten van kapitaal. Wordt bij de productie meer arbeid ten opzichte van machines ingeschakeld dan spreken we van arbeidsintensief. Als in een bedrijf de loonkosten stijgen, dan kunnen de mensen vervangen worden door machines. Dan is het bedrijf kapitaalintensiever. Diepte-investering is als een bedrijf arbeidsbesparende investeringen doet. Een bedrijf koopt dan dus betere machines dan dat het al had. Als een bedrijf machines koopt die ze ook al hadden dan noem je dat breedte-investeringen. Een breedte-investeringen kan betrekking hebben tot het vervangen van oude machines tot het aanvullen van het machinepark. De arbeidsproductiviteit blijft hetzelfde bij een breedte-investeringen. De verhouding tussen machines en arbeiders blijft hetzelfde. Bij een breedte-investeringen stijgen de werkgelegenheid en de productiecapaciteit. De productiecapaciteit is de maximale hoeveelheid die geproduceerd kan worden. Als een bedrijf weinig producten maakt, dan zijn de machinekosten per product hoog.schaalvoordelen zijn dat de kosten per product als de productieomvang stijgt. Schaalvoordelen treden bijvoorbeeld op als met een machine meer producten gemaakt worden. De kosten van de machine kunnen dan over meer producten worden verdeeld. Het blijkt dus dat hogere lonen kunnen leiden tot vervanging van arbeid door machines. Op kort termijn is dit ongewenst, maar op langer termijn is het wel goed dat machines het eentonige werk kunnen overnemen.volgens sommige economen is het goed dat de lonen omhoog gaan. Dat lokt uit tot diepte-investeringen en dat vergroot de welvaart.
Er zijn 2 manieren waarop productie naar het buitenland kan worden verplaatst. De 1e is het sluiten van een vestiging in Nederland en gelijktijdig openen van een vergelijkbare vestiging in Japan. Ook kan het zo zijn dat bedrijven hier worden weggeconcurreerd door bedrijven uit lagelonenlanden. Onder concurrentiepositie verstaan we het vermogen om beter en/of goedkoper te kunnen produceren dan concurrenten. Op korte termijn leiden de loonstijgingen tot werkloosheid, op langere termijn zie je een verschuiving van de werkgelegenheid.
Als de lonen zouden dalen zou de koopkracht afnemen, de afzet dalen en zouden er dus minder werknemers nodig zijn. De hoeveelheid goederen en diensten die gezinnen vragen hangt af van het inkomen dat de gezinnen verdienen.
Hoofdstuk 5
Voor werkloosheid zijn verschillende definities.
Het ontmoedigingeffect: door een te hoge werkloosheid raken mensen ontmoedigd
om werk te gaan zoeken. Zo staan ze dus ook niet meer in de statistieken van de werkloosheid. Ze zijn dan dus verborgen werkloos. Dit effect doet zich vooral voor, als de werkloosheid stijgt.
Aanzuigeffect: mensen die eerst geen werk zochten, gaan nu juist wel werk zoeken. Dit gebeurt als de werkloosheid daalt.
De werkgelegenheid in arbeidsjaren, is de werkgelegenheid in personen, omgerekend naar volledige banen.
Er zijn verschillende soorten werkloosheid:
1) Frictiewerkloosheid:
Frictiewerkloosheid is werkloosheid die ontstaat omdat het tijd kost voor een werknemer om een baan te vinden.
2) Seizoenswerkloosheid:
Seizoenswerkloosheid ontstaat omdat bepaalde bedrijven vooral in bepaalde seizoenen produceren.
3) Kwalitatieve structuurwerkloosheid
Dit ontstaat omdat er andere soorten arbeid gevraagd wordt, dan dat er aangeboden wordt. Dus als er andere opleidingen gevold zijn. De vraag en het aanbod sluiten niet op elkaar aan.
4) Kwantitatieve structuurwerkloosheid
Deze wordt veroorzaakt doordat er te weinig productiecapaciteit is. Dit is de maximaal mogelijke productie in een bepaalde periode. Er zijn dan te weinig kapitaalgoederen om de hele beroepsbevolking aan het werk te houden.
Arbeidsplaatsen verdwijnen door:
- machines
- reorganisatie
- verplaatsen naar Buitenland
- winst inzakkingen
- productie wordt niet meer verkocht
- producten zijn te duur
5) Conjunctuurwerkloosheid
Dit wordt veroorzaakt doordat de effectieve vraag kleiner is dan de productiecapaciteit. De bestedingen zijn dan laat in relatie tot de productiecapaciteit. Er wordt dan weinig geproduceerd, en er worden dan dus mensen ontslagen.
Productiecapaciteit: geeft aan hoeveel een bedrijf of een heel land maximaal kan produceren in een bepaalde periode.
Bezettingsgraad = werkelijke productie : productiecapaciteit x 100%
Conjunctuurwerkloosheid wordt dus veroorzaakt, door dat er te weinig besteed wordt. Er zijn 2 mogelijkheden om dit te bestrijden:
1) De overheid moet meer gaan besteden. (aanleg van wegen, bouwen van scholen)
De afzet en de productie van die bedrijven stijgen hierdoor. Hierdoor komt er dan weer meer werkgelegenheid.
2) De overheid moet de belastingen verlagen, of subsidies gaan verstrekken. Mensen houden dan meer over en kunnen dus meer besteden.
Seizoenswerkloosheid en frictiewerkloosheid zijn bijna natuurlijke verschijnselen. Ze zijn ook moeilijk te bestrijden. Bij seizoenswerkloosheid zou je ervoor kunnen zorgen, dat er in de andere periode een soort hetzelfde werk georganiseerd wordt. Bij frictiewerkloosheid kun je zorgen voor een betere arbeidsbemiddeling zodat openstaande vacatures sneller vervuld worden.
Maatregelen tegen kwalitatieve structuurwerkloosheid zijn het omscholen van arbeiders, en het geven van subsidies aan werkgevers die langdurige werklozen in dienst nemen.
Kwalitatieve structuurwerkloosheid kan bestreden worden door de arbeidsmobiliteit te vergroten. Het aanbod van arbeid zal zich dan moeten aanpassen aan veranderingen in de vraag naar arbeid. Mensen zullen verder moeten reizen of verhuizen. Niet-werkende zullen moeten gaan zoeken naar een baan. Mensen moeten worden omgeschoold.
Kwantitatieve structuurwerkloosheid kan worden bestreden door het verlagen van de loonkosten. Dit kan leiden tot lagere prijzen, het kan de winst vergroten in een bedrijf, het maakt het minder aantrekkelijk om mensen te vervangen door machines en het maakt het minder aantrekkelijk om te verplaatsen naar het buitenland.
Loonkosten kun je beperken door het brutoloon te verlagen. Maar ook door de belastingen en premies te verlagen, of door subsidies te geven aan bedrijven.
Wig: het verschil tussen de loonkosten en het nettoloon. Het geeft aan wat het
verschil is tussen wat een werknemer kost voor de werkgever (loonkosten) en het
nettoloon dat de werknemer ontvangt.
Als er veel werkloosheid is, dan is de arbeidsmarkt ruim. Werkgevers kunnen gemakkelijk aan werknemers komen.
Werkloosheid kun je natuurlijk ook bestrijden door deeltijdwerk en flexibilisering te stimuleren.
Uitzendbureau: een commerciële organisatie die bemiddelt in tijdelijk werk.
Flexibilisering leidt vaak tot lagere arbeidskosten:
- werknemers in vaste dienst zijn vaak duurder
- het aanpassen van het personeelsbestand aan de productieomvang gaat gemakkelijker.
Er zijn verschillende vormen van arbeidsverkorting:
1) ATV-dagen
2) Roostervrije dagen
3) Studieverlof
De regering noemt ook een paar mogelijkheden om de werkloosheid te bestrijden:
- verdere stimulering van arbeidstijdverkorting
- verlaging van de loonkosten door de brutolonen te verlagen
- verlaging van de loonkosten dor de sociale premies voor werkgevers te verminderen
- een verhoging van het nettoloon door de belastingen te verlagen
- een verhoging van de brutolonen, zodat de nettolonen en de loonkosten stijgen
- het creëren van meer werkervaringsplaatsen voor langdurig werklozen
- maatregelen die jongeren stimuleren om langer onderwijs te volgen.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.