ff n studiebreak

Online een chick scoren, je liefde laten zien op Whatsapp en digitale kusjes sturen. Zonder een blauwtje te lopen. Aanrader?

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

WH

Datum ingestuurd:

4 april 2004

Taal:

Woorden:

1.950

Bekeken:

17803 keer (148 deze maand)

Waardering:

3.7/5 (65 stemmen)

Deel op:

  • Door MY op 25-04-2007
    Bedankt hea voor de antwoorden
Thema 4: Voortplanting

Basisstof 1:

Opdracht 1:

1. Geslachtskenmerken die bij je geboorte aanwezig zijn.
2. Geslachtskenmerken die pas later komen: je kunt ze opmerken als je een kind met een volwassene vergelijkt.
3. Groei van schaamhaar, ontwikkeling van geslachtsorganen, groeispurt.
4. Verliefd worden.
5. Niet meer als kind behandeld willen worden.
6. De overgang.

Opdracht 2:

Bij een man Bij een vrouw
Primaire geslachtskenmerken Penis Schaamlippen
Ballen Vagina
Secundaire geslachtskenmerken Lagere stem Rondere lichaamsvormen
Meer spieren Schaamhaar en okselhaar
Meer haar Borsten en heupen
Baardgroei


Opdracht 3

1. 8 jaar
2. groeispurt, schaamhaar
3. 13 jaar
4. meisjes
5. vroeg

Basisstof 2


opdracht 4:

Zie afbeelding 1 van de knipbladen.

Opdracht 5:

Het voortplantingsstelsel van een man
Functie Organen
Vormen van zaadcellen Teelballen
Tijdelijk opslaan van zaadcellen Bijballen
Vervoeren van zaadcellen Zaadleiders
Vocht toevoegen aan zaadcellen waardoor deze beter gaan bewegen Zaadblaasjes
Vocht met voedingsstoffen toevoegen aan zaadcellen Prostaat
Vervoeren van urine en sperma Urinebuis
Inbrengen van sperma in de vagina Penis
De penis in erectie brengen Zwellichamen
Opvangen van prikkels die kunnen leiden tot een orgasme Eikel

Opdracht 6:

1. Geslachtsorganen vormen.
2. In hormoonklieren.
3. De hypofyse.
4. Uit vocht, zaadcellen, en voedingsstoffen voor de zaadcellen.
5. geslachtgemeenschap, natte dromen, zelfbevrediging.

Opdracht 7:

Zie afbeelding 2 van de knipbladen.

Basisstof 3:


Opdracht 8:

Zie afbeelding 3 van de knipbladen.

Opdracht 9:

Het voortplantingsstelsel van een vrouw
Organen Functie
Eierstokken Hier vind de ontwikkeling van eicellen plaats
Eileiders Vervoeren van eicellen
Baarmoeder Hierin groeit de baby
Vagina Hierin komt het sperma bij geslachtsgemeenschap
Kleine Schaamlippen Vormen van slijm waardoor toegang tot de vagina glad wordt
Clitoris Vangen prikkels op die kunnen leiden tot een orgasme


Opdracht 10:

1. Hypofyse.
2. Het vrijkomen van een eicel.
3. Als een zaadcel de eicel bevrucht.
4. Omdat zodra er eentje binnen is, de buitenste laag ondoordringbaar wordt. Als dat niet zo is, sterft de eicel gewoon.
5. In de eileider.
6. Een dikke laag spieren mat aan de binnenkant slijmvlies.
7. Het vastzetten in de slijmvlies van een bevruchte eicel.
8. Een plooi van slijmvlies vooraan de vagina.

Opdracht 11:

1. Eicellen.
2. Zaadcellen.
3. Eicellen.
4. Zaadcellen.

Basisstof 4


Opdracht 12

1. Menstruatie is het gedeeltelijk afbreken van de slijmvlies in de baarmoeder.
2. Omdat de baarmoeder zich samentrekt om het afval naar buiten te duwen.
3. Omdat het bloed anders kan gaan rotten en de bacteriën zich kunnen vermenigvuldigen.
4. 28 dagen.
5. Nee.
6. Ongeveer veertien dagen na het begin van de ovulatie.

Opdracht 13

Zie afbeelding 4 van de werkbladen.

Opdracht 14

Zie opdracht 5 van de werkbladen.

Basisstof 5


Opdracht 15:

1. Onderhouden van relaties, voortplanting, lustbeleving.
2. Als degene zich tot mensen van et andere geslacht aangetrokken voelt.
3. Als degene zich aangetrokken voelt tot mensen van hetzelfde geslacht.
4. Als degene zich aangetrokken voelt tot mensen van beide geslachten.
5. Als films of foto's tot doel hebben mensen seksueel te prikkelen.

Basisstof 6:


Opdracht 17:

1. In bepaalde periodes van de cyclus niet vrijen.
2. De ovulatie is moeilijk precies vast te stellen, en veel vrouwen menstrueren onregelmatig.
3. Ook wel genoemd 'voor het zingen de kerk uit'. Als de man zijn penis voor de zaadlozing plaatsvindt uit de vagina trekt.
4. Ook in het voorvocht kunnen zaadcellen zitten.
5. Doordat de zaadcellen niet in de vagina komen, maar in de condoom blijven.
6. Door met verschillende hormonen te voorkomen dat er een eicel vrijkomt.
7. Nee, want dan zijn er te weinig hormonen in je bloed om de ovulatie te voorkomen.
8. De morning-afterpil is een kuur van tweemaal twee pillen, die je kort na de geslachtsgemeenschap inneemt. Je mag dit echter niet te vaak doen.
9. Omdat zo'n morning-afterpil veel schade aan kan richten, en daarom slechts heel af en toe genomen mag worden. Het is echt alleen voor noodgevallen.
10. De baarmoeder wordt helemaal schoongemaakt.
11. Tussen de tiende en de zestiende dag van het zwangerschap.
12. Het baarmoederslijmvlies wordt samen met de embryo weggezogen onder plaatselijke verdoving.
13. De dertiende week van de zwangerschap.

Basisstof 7:


Opdracht19:

1. Negen februari.
2. 26 januari
3. 1 februari.
4. In oktober.

Opdracht 22:

1. Ontsluiting - uitdrijving - nageboorte
2. vruchtvliezen: nageboorte, vruchtwater: ontsluiting, placenta: nageboorte, baby: uitdrijving.
3. Weeën zijn samentrekkingen van spieren in de baarmoeder die het kind naar buiten duwen.
4. Bij en stuitligging ligt het kindje verkeerd: met zijn hoofd de andere kant op.

Extra basisstof 8:


Opdracht 23:

1. Ze kunnen alleen via geslachtsgemeenschap worden overgebracht.
2. Er blijven dan nog altijd ziekteverwekkers zitten.
3. Waterachtige afscheiding uit urinebuis of vagina, bloedverlies uit de vagina.
4. Veel mensen zijn wel besmet, maar krijgen geen symptomen.
5. Ja, met penicilline.
6. Er zijn geen symptomen waar je het als zodanig aan herkent.
7. Drugsverslaafden die diezelfde naalden gebruiken, en het onveilig vrijen.
8. Neem altijd condooms mee en gebruik ze ook, gebruik ook andere soorten condoomachtige voorbehoedsmiddelen, het gebruiken van alleen je eigen attributen.
9. (Tong)zoenen, knuffelen, strelen, masseren, masturberen.
10. Ja, als degene vroeger onveilig heeft gevreeën met iemand anders, kan degene al seropositief zijn.

Extra Basisstof 9:

Opdracht 24:

Methode van geboorteregeling Werking Betrouwbaar-heid Eventuele voordelen Eventuele nadelen.

Methode van geboorteregeling Werking Betrouwbaarheid Eventuele voordelen Eventuele nadelen
Periodieke onthouding geen seks tijdens vruchtbare periode erg onbetrouwbaar erg onbetrouwbaar ovulatie is moeilijk te bepalen
Coïtus interruptus penis voor de zaadlozing uit vagina halen erg onbetrouwbaar geen hulpmiddelen nodig in voorvocht kunnen ook zaadcellen zitten
Condoom
zaadcellen worden door het rubber tegengehouden heel betrouwbaar beschermt ook gelijk tegen SOA je moet hem omdoen, en hij kan scheuren of afglijden

De pil

hormonen waardoor geen eicel vrijkomt heel betrouwbaar ook in prikpil te verkrijgen menstruatie
Zaaddodende middelen doden zaadcellen onbetrouwbaar wel prima in combinatie met
pessarium geen bescherming tegen SOA


Opdracht 25:

1. Twee. Twee.
2. Een. Een.
3. Ze hebben verschillende genetische informatie.
4. Ze zijn uit dezelfde bevruchte cel ontstaan.
5. Altijd dezelfde geslacht.
6. Nee, niet altijd.
7. Een Siamese tweeling is een eeneiige tweeling dat zich niet helemaal van elkaar scheidde.

Verrijkingsstof 1:


Opdracht 1:

1. Het mannetje brengt met zijn penis sperma in de vagina van het vrouwtje.
2. Bij vogels drukken de twee hun cloaca tegen elkaar.
3. Bij kikkers geeft het mannetje op hetzelfde moment zaadcellen af als het vrouwtje eicellen.
4. Bij inwendige bevruchting wordt de eicel in het lichaam van het vrouwtje bevrucht, bij uitwendige bevruchting wordt de eicel buiten het lichaam bevrucht.
5. Dieren die hun eieren op het land leggen, moeten er een schaal omheen doen om te vorkomen dat de eieren uitdrogen.
6. Bij dieren op het land zit er een schaal om de ei heen, en daar komen de zaadcellen niet doorheen.

Opdracht 2:

Uitwendige bevruchting Inwendige bevruchting
Vissen Vogels
Amfibieën Zoogdieren
Mens

Verrijkingsstof 3


Opdracht 1:

1. Er komen bijna geen eicellen meer vrij, de slijmvlies in de baarmoeder is ongeschikt voor de innesteling van een eventueel bevruchte eicel, en een slijmprop maakt het voor de zaadcellen heel moeilijk om in de baarmoeder te komen.
2. Gebleken is dat het roken van sigaretten de kans op het ontstaan van hart- en vaatziekten bij gelijktijdig gebruik van de pil kan vergroten.
3. Het verdere gebruik van de pil moet worden uitgesteld totdat het zeker is dat u niet zwanger bent.
4. Nee, je moet er met je arts over hebben, omdat sommige geneesmiddelen de pil minder effectief maken.
5. Nee.
6. Op de eerste dag.
7. Als u de pil regelmatig hebt ingenomen, bent u ook in deze pauzeweek tegen zwangerschap beschermd.
8. 36 uur.
9. De vergeten tablet overslaan, maar de rest van het cyclus condooms gebruiken.
10. De arts raadplegen en pas doorgaan met het innemen van de pil als een zwangerschap is uitgesloten.

Verrijkingsstof 5:


Opdracht 1:

Zie afbeelding 7 van de Knipbladen.

Thema 5: Erfelijkheid en Evolutie

Basisstof 1:


Opdracht 1

1. het uiterlijk van een organisme
2. de informatie voor de erfelijke eigenschappen
3. ja
4. nee
5. chromosomen zijn dunne ‘draden’ in een celkern
6. nee, in elke lichaamcel van een mens zitten 46 chromosomen. Ze zijn telkens twee aan twee gelijk. Ze komen in gelijke paren voor
7. 46 (23 paren)
8. 46 (23 paren)
9. ja
10. DNA

Opdracht 2

1. veldmuis
2. 12
3. 6
4. hond
5. aardappel

Opdracht 3

1. nee
2. fenotype -> ja
genotype -> nee
3. nee
4. fenotype -> ja
genotype -> nee
5. - door het genotype
- door invloeden van het milieu

Opdracht 4

Erfelijke eigenschappen Eigenschappen die niet erfelijk zijn
Krullend haar vanaf geboorte Krullend haar door permanent
Een wipneus Kort haar
Blauwe ogen Geverfde nagels
Rode bloemen Litteken
Behaarde bladeren Bladeren die slap hangen
Bladeren met stekels Bladeren die naar het licht zijn toe gegroeid

Basisstof 2:


Opdracht 5

1. een gen is een deel van een chromosoom dat de informatie bevat voor 1 erfelijke eigenschap
2. meerdere
3. 1 genenpaar -> dus 2
4. 1
5. in paren
6. ze zijn gelijk
7. ja, ze zijn gelijk
8. nee
9. op het moment van bevruchting

Opdracht 6

1. 1 en 4, in deze chromosomen ligt op dezelfde plaats een gen voor dezelfde erfelijke eigenschap
2. in cel 3, uitleg zie vraag 6/1
3.
Opdracht 7

Zie afbeelding 1 van de Knipbladen.

Opdracht 8

1. nee
2. ja, van elk genenpaar komt 1 gen in een geslachtcel terecht. Welke gen dat is van een paar, is toeval. Daardoor komen er veel soorten genotypen voor.
3. Hetzelfde
4. Allemaal verschillend
5. Als er een nieuw organisme ontstaat door het versmelten van 2 geslachtscellen
6. Dat komt doordat het van het toeval afhankelijk is, welke geslachtscellen er bij de bevruchting versmelten

Basisstof 3:


Opdracht 9

1. evolutie is een geleidelijke ontwikkeling, waarbij uit eenvoudig gebouwde organismen, ingewikkelde gebouwde organismen ontstaan.
2. Charles Darwin.

Basisstof 4:


Vraag 10

1. Fossielen zijn versteende overblijfselen van organismen.
2. Omdat die resten anders wegrotten en vergaan
3. Doordat deze delen het minst snel vergaan
4. Doordat wormen geen harde delen hebben
5. Want dit fossiel komt door een breuk in de aardkorst aan het licht.
Het zit diep in de bodem.
6. Omdat uit fossielen blijkt dat ingewikkelde organismen pas later in de geschiedenis komen.

Basisstof 5:

Vraag 11

1. Neozoicum/kwartair
2. 4600 miljoen jaar
3. Precambrium
4. Tijdens het siluur
5. Doordat ze snel zuu produceerden
6. Het carboon
7. Trias, jara, krijt
8. 65 miljoen jaar geleden.
9. Een groot rotsblok uit de ruimte sloeg in.
10. Door de zwarte wolken werd er geen zonlicht doorgelaten. De Temperatuur op aarde werd hoog.
11. De sauriers stierven, de zoogdieren en de vogels konden zich nu goed ontwikkelen.
12. 160 miljoen.
13. Kwartair.
14. 30000 jaar geleden.

Vraag 12

1. Ja
2. Nee
3. Holtedieren
4. Wormen
5. Geleedpotigen
6. Naaktzadigen
7. Bedektzadigen

Extra Basisstof 6:


Vraag 13

1. Vorming van nieuwe cellen voor de groei, vervanging en hersel.
2. Mitose
3. DNA
4. Ja
5. Ja

Vraag 14

1. De vorming van geslachtscellen.
2. Meiose.
3. Teelballen en eierstokken.
4. Nee.
5. Ja, kan allebei.
6. Geslachtscel, alleen die cellen kunnen een oneven aantal hebben.
7. 38 chromosomen.
8. Gewone celdeling.
9. 19 chromosomen.
10. Reductiedeling.
11. 19 chromosomen.
12. 38 chromosomen.

Vraag 15

1. Als een nieuw organisme ontstaat door het versmelten van twee geslachtscellen.
2. Als een deel van een organisme uitgroeit tot een nieuw organisme.
3. Bij ongeslachtelijke voortplantingen.
4. Bij geslachtelijke voortplantingen.
5. Bij ongeslachtelijke voortplantingen.
6. Stekken en knollen.
7. Daar worden alleen de meest gunstige erfelijke eigenschappen gebruikt.
8. Men probeert door kruisingen en kunstmatige selectie de gunstige eigenschappen in één te krijgen.
9. Omdat de door veredeling gekregen gunstige genotype anders wordt verstoord.
10. Ja
11. Nee, de leefomstandigheden zijn niet gelijk.

Extra Basisstof 7:


Vraag 16

1. Ja
2. Nee
3. Omdat het chromosomenpaar het geslachtshormoon bepaald.

Vraag 17

1. 46
2. 23
3. 23
4. 1
5. ja
6. nee
7. ja
8. ja
9. zaadcel
10. zaadcel en eicel

vraag 18

1. paar 3. Die komen enkelvoudig voor en andere paren uit een lichaamscel zijn altijd met z’n 2en.
2. Lichaamscel 1 -> vrouw
Lichaamscel 2 -> man
3. eicel
4. X- chromosoom
5.

6. zaadcellen
7. Y-chromosomen en X-chromosomen
8.

Vraag 19

1. 2
2. 1
3. al de zaadcel samen smelt met de eicel. De zaadcel
4. X-chromosomen
5. twee X-chromosomen
6. X-chromosoom
7. X-chromosoom
8. X- en Y-chromosomen
9. Een X- en een Y-chomosoom
10. X-chromosoom
11. Een Y-chromosoom

Vraag 20

Zie afbeelding 2 van de knipbladen.

Vraag 21

1. het laatste deel
2. zijn beenderen
3. ja ongeveer wel, ja
4. ja de organen ontwikkelen zich.

Vraag 22

1. C
2. ja
3. A
4. nee
5. 1 - vis
2 - koe
3 - schildpad
4 - salamander
5 - kip
6 – mens
6. nummer 1
7. Groep 1
8. In de jaren ontwikkelen de beesten zich.

Vraag 23

1. weet ik niet.
2. nee, rudimetaire organen.
3. uit landzoogdieren.
4. wel.
5. nee
6. daar begon de staart, waarmee ze zich zouden kunnen balanceren.
7. een deel van het verteringsstelsel.
8. ja, ze hadden een veel langere blinde darm, het duurde namelijk langer om dit te verteren.
9. Ze zijn niet meer nodig, dus hoeven ze ook niet gemaakt meer te worden bij de geboorte en ontwikkeling van een wezen.

Verrijkingsstof 2:


Opdracht 1

1. Dit apparaat zendt heel hoge geluidstrillingen uit die door weefsels en organen in verschillende mate wordt teruggekaatst.
2. Er wordt een klein beetje weefsel uit de groeiende placenta weggehaald. Hier zitten chromosomen in. Door die te bestuderen, kunnen eventuele afwijkingen in de chromosomen worden opgespoord.
3. Er wordt via de buikwand en de wand van de baarmoeder wat vruchtwater weggezogen. In het vruchtwater bevinden zich cellen van het embryo. Deze cellen worden gebruikt voor chromosomenonderzoek.
4. Echoscopie, vlokkentest en vruchtwaterpunctie.
5. Echoscopie.
6. nee, na echoscopie kan men eventuele lichamelijke afwijkingen zien.
7. In de celkernen van deze persoon komt het 21e chromosoom in drievoud voor.
8. 47 chromosomen.

Knipbladen:

bij knipblad 1:
1. zaadleiders
2. urinebuis
3. penis
4. eikel
5. voorvel
6. zaadblaasje
7. prostaat
8. zwellichamen
9. bijbal
10. teelbal
11. balzak

Bij knipblad 3:
1. eileider
2. Baarmoeder
3. clitoris
4. Kleine schaamlip
5. Grote schaamlip
6. eierstokken
7. urinebuis

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.