Geschreven door: | Melanie (5 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 19 maart 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 5.800 |
Bekeken: | 6213 keer (2 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Module Mens en Milieu
Hoofdstuk 1: Nederlandse landschappen
1. Hoe is een landschap opgebouwd
1.1 Wat is een landschap
Landelijk gebied bestaat uit elementen die samenhangen met de natuurlijke opbouw en elementen die het gevolg zijn van het gebruik van de mens. Belangrijk zijn:
- Grondsoort
- Reliëf (natuurlijk of kunstmatig)
- De bodem (met bep. Grondwaterstand)
- Waterelementen
- Begroeiingselementen
- Elementen van het agrarisch grondgebruik
- Infrastructurele elementen
- Gebouwen en nederzettingen
Alle elementen vormen samen op een bep. plaats een landschap met drie kenmerken: de natuurlijke, cultuur-historische en de ecologische opbouw.
1.2 De natuurlijke opbouw van het landschap
Landschap ontstaan door geologische processen in het verleden, door wind, water en ijs en door opstuwende krachten en klimaatveranderingen. Samen de basis voor het huidige landschap. De geologische periode Pleistoceen(laatste ijstijd) en Holoceen(tijd daarna, werd warmer tot aan huidige waarden) bepalend voor de opbouw.
1.3 De cultuur-historische opbouw van het landschap
Als mensen zich ergens vestigen verandert het landschap en past zich aan , aan nieuwe tijden , daardoor ontstaat een mengeling van oude en nieuwe elementen(clip1).
1.4 De ecologische opbouw van een landschap
Ecosysteem is een samenhangend geheel van levende en niet-levende elementen in een bepaalde ruimte. Ecotoop is de weergave daarvan op een kaart. Een landschap is opgebouwd uit meerdere ecosystemen(bv een beek, akker en bos). Stromingen van en naar ecosystemen zorgen voor verplaatsing van stoffen(bron 1). Een belangrijk kenmerk van ecosystemen is de diversiteit(=aantal soorten planten en dieren dat voorkomt). Dit wordt beïnvloed door vijf factoren.
1. De veranderlijkheid van het milieu. Hoge veranderlijkheid(van bv temperatuur, vocht, licht) is weinig diversiteit(bijvoorbeeld bij duinlandschap)
2. De hoeveelheid energie en voedingsstoffen. Veel hiervan betekent lage diversiteit omdat de gewone soorten dan snel zullen komen. Ook toevoer van vervuilende of meststoffen betekent lage diversiteit.
3. De variatie in milieuomstandigheden. Als er veel verschillende leefmilieus bij elkaar liggen. Bij gradiënten/grensmilieus(geleidelijke overgangen in het landschap, bron 2). Op de overgang vind je twee leefmilieus.
4. De omvang van natuurgebieden. groter oppervlak meer soorten, bij verkleining of versnippering neemt de diversiteit af.
5. Een goede spreiding van natuurelementen en geen barrières. Goede spreiding gunstig voor diversiteit. Houtwallen verbinden natuurgebieden en dit wordt bevorderd(clip 3).
Clip 1: Namen op kaarten: sleutels tot het verleden.
Namen van plaatsen zeggen vaak iets over het landschap(zie blz. 7 voor een tabel).
Clip 2: De functies van het natuurlijk milieu
Het natuurlijk milieu vervult vier hoofdfuncties voor de mens:
1. De productiefunctie. Natuurlijk milieu levert: voedsel, schoon water en schone lucht, energie en draagstoffen.
2. De draagfunctie. We hebben ruimte(voor activiteiten en bouwwerken, en opvang van afvalstoffen, door isolatie ven verdunning) en grond(stevige grond voor bouwwerken en wegen) nodig
3. De informatiefunctie. Grote informatiebron, voor ontdekking medicijnen en veranderingen door acties van de mens.
4. De regulatiefunctie. Natuur zorgt voor evenwicht.
Clip 3: Worden onze natuurgebieden eilanden
Onze natuurgebieden worden steeds meer eilanden. Volgens de eilandentheorie wordt de diversiteit bepaald door:
1. Bereikbaarheid voor nieuwe soorten(hoe beter hoe groter)
2. Het steeds uitsterven van bestaande soorten(bij groter oppervlak minder)
De overheid past dit toe in het natuurbeleid. Aanwezige natuurgebieden verbindt men door groene zones. De bedoeling is meer samenhang in de aanwezige natuur. Dit heet de ecologische infrastructuur(bron 3). Dit heeft de volgende elementen:
1. Natuurkerngebieden.
2. Verbindingszones
3. Stapstenen(kleine groene gebiedjes die de verbindingszones onderbreken)
Bron 1: Het landschap: een mozaïek van ecosystemen
Bron 2: Gradiënten, geleidelijke overgangen in het landschap
Bron 3: De ecologische infrastructuur: natuurkerngebieden, stapstenen en verbindingszones.
2. Kenmerken van een lösslandschap
2.1 De natuurlijke opbouw
- Puinwaaierafzettingen aan de voet van het middelgebergte: Nederland ligt aan de voet van de Ardennen en het Rijnleisteenplateau (middelgebergten). De rivieren die daarvandaan komen minderen hier in snelheid en zetten veel puin af, waardoor de waterloop verstopt raakt en verplaatst(uitwaaierd). In het Pleistoceen ontstond hierdoor brede puinwaaiers van steen en grind. In Zuid-Limburg zijn de rivierafzettingen dun en in het westen en noorden worden ze dikker.
- Plateaus, hellingen en dalen: Eerst stroomde de maas in Limburg naar het oosten, maar dit verplaatste langzaam naar het westen. De zand en grindafzettingen liggen niet in 1 vlak omdat Zuid-Limburg hoger is komen te liggen. Telkens als dit gebeurde doorsneed de maas haar eigen rivierafzettingen en erodeerde het onderliggende gesteenten. De beddingrestanten waren de terrassen(zijkanten). Zuid Limburg is erg versneden doordat de maas zoveel zijrivieren heeft.Hierdoor ontstonden plateaus, hellingen en dalen. (Bron 4)
- Löss als afdeklaag: Tijdens de twee laatste ijstijden werd in Zuid-Limburg löss afgezet. Dit zijn fijnte stofdeeltjes, die werden meegenomen door de wind. Deze nam aan de rand van het middelgebergte af en hier kwam de löss dus neer. Löss is vruchtbaar, kalkrijk en op vlakke plateaus wel tot 20 meter dik.
2.2 De cultuur - historische opbouw
- De inrichting van de dalen: Hier gingen de mensen het eerste wonen, vlakbij water en plateaus(voor bebouwing). IN de dalen veel samen gespoeld löss, wat colluvium wordt genoemd, doordat löss heel erg erosiegevoelig is.
- De inrichting van de hellingen en plateaus: Door ontginning van het oorspronkelijke bos zijn graften ontstaan: Men ontginde een klein stuk bos dat door erosie dan lager kwam te liggen. Er ontstonden dan steilranden, waar op na verloop van tijd bos of struiken gingen groeien. Dit waren de graften. Deze graften gaan erosietegen doordat ze de helling breken(bron 5). De meeste graften zijn door ruilverkaveling verdewenen. Om erosie te voorkomen zijn de hellingen tegenwoordig bedekt met grasland(bron 6)
Bron 4: De opbouw van Zuid-Limburg
Bron 5: Graften en Colluvium
Bron 6: Lösslandschap in Zuid-Limburg
3. De kenmerken van het zandlandschap
3.1 De natuurlijke opbouw
- Hoge en lage stuwwallen opgeduwd door het ijs: In 1nalaatste ijstijd, Saalien, landijs tot de lijn Texel-Coevorden, onder het ijs werden grondmorene van keileem(=ondoorlatend mengsel van keien en leem) afgezet. Groei van ijs werd na een tijdje versneld, daardoor ontstonden ijstongen, en door de hoge snelheid werden de in Midden-Nederland bestaande dalen uitgediept, de bevroren rivierafzettingen aan de zijkant en voorzijde opgeduwdàstuwwallen, de bekkens zijn tongbekkens/glaciale bekkens. Daarna trok het ijs zich terug, stopte 2 keer in Noord-Nederland. De grondmorene werden tijdens korte groeifasen iets opgeduwd, daardoor stuwwallen van keileem.
- Het zacht golvend dekzandlandschap: Tijdens laatste ijstijd(weichselien) Nl en noordzee poolwoestijn en wind landschapsvormer. In het winterhalfjaar werd vanuit de droge rivierbeddingen zand en lössdeeltjes afgezet(dekzand). Aan het einde v/d ijstijd verbetert het klimaat en gaan planten het zand vasthouden, zo ontstaan er dekzandruggen met een U-vorm, dit kun je nog dagelijks zien in ons kustduingebied, we noemen dit paraboolduinen(bron 8). Open kant van de U-vorm naar de overheersende windrichting gericht, tussen dekzandruggen laagten waar het zand is weggestoven, microreliëf met hoogte verschillen van 1 tot 2 meter op korte afstand. Rivierduinen= zandruggen die zijn ontstaan doordat planten extra uit de bedding extra veel zand hebben vastgehouden, 10 –20 m. hoog, meestal arme grond, soms rijker als het leem(löss) bevat.
3.2 De cultuur-historische opbouw
- Essen, groengronden, heide en stuifzand: Op de hoger gelegen grond liggen de akkers, oftewel de essen. Als het een grote rug is of op een stuwwal zijn de essen meestal groot en rondom/aan de rand van het dorp en bij klein is de bebouwing verspreid. Beide aangepast aan reliëf en daarom vaak gebogen.
In de laagten lagen onbemeste graslanden, de groengronden. Voor vee, verkaveling strookvormig.
Heide kwam voor om de schapen te weidden, want die zorgden voor mest, om de mest te binden, werd gebruik gemaakt van heide plaggen. Dit mengsel ging naar de akkers en zo kwam er een dikke laag humus(bron 10).
In de buurt van essen stuifzand(dekzand dat is gaan verstuiven). Komt door het steken van heideplaggen op hoge droge plaatsen. Stuifzand onregelmatig reliëf en op korte afstand hoogteverschillen(bron 11).
- Heideontginningen, naaldbos: Met de komst van kunstmest was heide niet meer nodig, werd omgezet in landbouwgrond(=heideontginningen), regelmatig en rechthoekig patroon, stuifzand werd omgezet in naaldbos.
- Het moderne landbouwlandschap: Na 1950 landbouw steeds meer gericht op export, schaalvergroting, ruilverkavelingen, houtwallen opgeruimd, zo ontstaat modern landbouwlandschap, minder variatie en natuur, na 1980 meer natuurontwikkeling en vergroting diversiteit(landinrichting)
Clip 4: Onze stuwwallen: markante stukken natuur
De lagen in de meeste stuwwallen liggen flink scheef, aan de voet smeltwaterafzettingen van het ijs(= fluvioglaciale afzettingen). Dit is zand en grind. De dalen ontstonden doordat stroompjes water ontstonden die de stuwwal erodeerden. Droge dalen omdat ze bij het verdwijnen v/h permafrost droogvielen. Daardoor veel microreliëf, mooi om te zien en goed voor de diversiteit.
Bron 7: Stuwwallen in Nederland
Bron 8: duinruggen met paraboolvorm aan onze kust. In het Pleistoceen ontstonden deze duinruggen uit dekzand
Bron 9: De vorming van stuwwallen en fluvioglaciale afzettingen door landijs.
Bron 10: De opbouw van het oude zandontginningslandschap
Bron 11: Stuiflandschap
4. Kenmerken van het rivierkleilandschap
4.1 De natuurlijke opbouw
Deze opbouw verschilt, ten oosten van leerdam-Vianen ligt er veel zand en verderop klei op de oevers ten westen van deze lijn smalle kleistroken en verderop veen.
- Oeverwallen en kommen in het oostelijk rivierkleilandschap: Brede beddingen van het holoceen veranderen in het Pleistoceen in smalle meanderende lopen, hierdoor kleinere waterberging. In natte perioden of bij smeltwater overstroming rivier en daardoor spoelt zand en klei uit bedding dat door plantengroei niet verder kan, waardoor zand bezinkt. Zo ontstaan grote langgerekte zandige oeverwallen. De bovenkant bestaat uit zandig klei(zavel) doordat de stroomsnelheid zo gering was, doordat de oeverwallen zo hoog waren. Op afstand van rivier soms ook oeverwallen(= stroomruggen, bron 13), dit komt doordat de rivier soms ander loop koos. Bij overstroming klei afgezet in de kommen, lager dan oeverwallen omdat klei minder volume heeft dan zand, versterkt door ontwatering(klei meer water dan zand).
- Oeverwallen en kommen in het westelijk rivierkleilandschap: Getijdewerking speelt hier een rol bij rivierafvoer.Bij vloed wordt stroomsnelheid geremd, daardoor blijft zand bij overstroming in bedding en wordt klei afgezet. Oeverwallen zijn smalle kleistroken, kommen breder en bestaan door lage natte ligging uit veen, later bedekt met oude zeeklei.
4.2 De cultuur-historische opbouw
- Dijken, uiterwaarden, overslaggronden, wielen: Door aanleg dijken ligt loop rivier vast, dijken op afstand van rivier om flinke waterberging te krijgen bij overstroming hiertussen telkens laagje zandige klei afgezet, zo ontstonden uiterwaarden.
Bij doorlatende ondergrond als er een grote overdruk is van het water van de riveer kan dit water door de dijk worden geperst, dit heet kwelwater en dit bedreigt de dijk. Dit water komt terecht in een soort kolkgat, het wiel, hierdoor ontstaat zavelige overslaggrond.
- Het grondgebruik in het oostelijk rivierkleilandschap: Oeverwalgrond op goede plek om te wonen, geschikt voor akkerbouw en veeteelt, zavelige grond laat in natte perioden goed water door en bij droog goed vast. Kommen te nat voor grasland dus in het centrum van de kom werden lange weteringen gegraven waardoor water via sluizen in de rivier werd geloosd. Door drainage weteringen gedempt en kavels vergroot, elke grond gebruik mogelijk toch meestal veeteelt(bron 14).
- Het grondgebruik in het westelijk rivierkleilandschap: Bebouwing concentreert zich op de smalle kleistroken. + langgerekte dijkdorpen, te nat voor fruitteelt en vooral grasland, kommen ontwaterd door veel sloten(paragraaf 7.2 en bron 22)
Bron 12: De opbouw van het oostelijk rivierkleilandschap
Bron 13: Oeverwallen, stroomruggen en wegen in de Bommelerwaard
Bron 14: Rivierkleilandschap
5. Kenmerken van het zeekleilandschap
5.1 De natuurlijke opbouw
- Kwelders: Hierop wordt altijd zeeklei afgezet, liggen boven het niveau van normale vloed, ze ontstaan in een waddengebied(=ondiep zeegebied min of meer afgesloten van de open zee door duinruggen). Door het ritme van eb en vloed stroomt met het water klei en zand via wadgeulen weg en toe. Als dit bezinkt ontstaan er wadden. Bij de kust hoger en kleiiger(bron 15). Zoutminnende planter, waar water zich tussen de geultjes verzamelt, zo ontstaan kreken van de kwelder in wording. Naast de kreek afzetting van klei en iets verder tussen de planten bezinkt klei, zo ontstaat kwelder met patroon van kreken, die op den duur verzanden. Zand zakt minder dan kleiàde kreken komen hoger te liggen, dan krijg je kreekruggen.
- Zeeklei en zeespiegelstand: De kwelder wordt op den duur niet meer overstroomd. Aan de zeezijde vormt zich tegen de oude aan een nieuwe kwelder. Een oude kwelder is lager dan een nieuwe door stijging zeespiegel. Zeeklei afgezet tot 5000 jaar (+- 4 nap) geleden is oude zeeklei. Van de laatste 3000 jaar is jonge zeeklei(tussen –1 en +1 Nap).
5.2 De cultuur-historische opbouw
- De opbouw van een zeekleipolder: Niet meer overspoelende kwelders worden ingedijkt. Sinds 1000 NCHR. vaak bij jonge zeeklei. Zo ontstonden polders. Sloten voor afwatering en via een sluis werd overtollig water bij eb geloosd. Veel binnendijken tegenwoordig afgegraven waardoor 1 grote polder ontstaat. Vaak gebruikt voor akker- en fruitteelt.
- Droogmakerijen: Oppervlak bestaat uit zeeklei en ligt tussen –4 en –5 Nap. Bij oude zeeklei zijn het drooggelegde meren of veenpolders. Hoe drooggelegd? Eerst een ringdijk om het gebied, daarna aan de buitenkant een ringvaart(om water uit het meer op te vangen), daarna drooggemalen en verkaveld.
Modern tegenwoordig zijn de Ijsselmeerpolders, met aan het oppervlak jonge zeeklei, bezonken uit de voormalige Zuiderzee(geen kwelders). Door lage ligging bij beide veel kwel. Stijging grondwater doordat hoge druk van de hoge stand van grondwater in andere gebieden.
Bron 15: Doorsnede door een waddengebied
Bron 16: Kwelder met kwelderkreken
6. Kenmerken van het duinlandschap
6.1 De natuurlijke opbouw
- De vorming van Duinen: Zand van onze duinen wordt door de golven meegenomen uit onze zee(bron 17). Doordat de zee ondieper wordt, word de golf afgeremd en daardoor wordt zand losgewoeld. Door afremming ontstaat de branding, bij vloed werpen brandingsgolven zand op het strand en bij eb vervoerd wind het zand landinwaarts. Zoutminnende planten kunnen dit zand gaan vasthouden, hierdoor ontstaan veel strandduintjes en als deze een aaneengesloten rij vormen en hoog genoeg om water te keren spreek je van een zeereep.
- Oude en jonge duinen: Als de kust aangroeit wordt er aan de zeezijde van de zeereep een nieuwe zeewerende duinenrij gevormd. 5000 jaar geleden daalde te zeespiegel en daardoor werden 10 meter hogende duinruggen gevormd: de oude duinen. Een nieuwe zeereep wordt op afstand van een oude gevormd, hier tussen komt dan later veen.
Na 1000 n.Chr. geen kustgroei naar het westen meer. Veel stormvloeden en kusterosie. De oude duinen worden afgebroken en met het vrijgekomen zand worden nieuwe gevormd. Dit zijn de jonge duinen(tot 50 meter hoog).
- Duinvalleien: Duinlandschap is niet stabiel. Als de plantengroei verdwijnt kan het verstuiven., hierdoor kunnen laagten ontstaan dicht bij het grondwater, de duinvalleien(bron 8). Oude ingesloten strandvlakten in de duinen heten ook zo en ze hebben vaak door aanwezigheid van vocht veel plantengroei.
6.2 De cultuur-historische opbouw
- Oude nederzettingen, geestgronden en veel natuur: West-NL vroeger niet bewoonbaar, het was een nat gebied met veen en klei. Oude duinen stevige ondergrond voor bewoning. Veel oude duinen afgegraven voor bollenteelt. Waterstand van 55cm onder oppervlak nodig, daarom mooi vlak afgegraven, zo ontstonden geestgronden(bron 19), bestaan nog steeds. Jonge duinen vormen nog een stuk gaaf natuur(clip 5) met hoge diversiteit.
Clip 5: Een productiegebied van drinkwater
Jonge duinen zijn dit. Er wordt gebruik gemaakt van de zoetwaterbel in deze duinen. Zoet water verzamelt zich hier boven zout. Enorme voorraad in de grond. Meer onttrokken dan aangevuld, maar de voorraad mag niet slinken daarom pas met duinfiltratie toe. Water van de Rijn en de Maas wordt gefilterd en de duinen in gepompt. Zo ontstaat goed grondwater, als de vervuiling van de rivieren te groot wordt moet hier wel mee worden gestopt.
Bron 17: Het ontstaan van duinen aan de kust
Bron 18: Infiltratieplassen in de duinen
Bron 19: Geestgronden
7. Kenmerken van het veenlandschap
7.1 De natuurlijke opbouw
- Veengroei op voedselrijke plaatsen: veen groeit op elke natte plaats met stilstaand water, gemeenschappelijke hebben deze plaatsen voedsel in grondwater of oppervlaktewater. Als planten afsterven ontstaat er een nieuw laagje veen. Veen dat binnen bereik van water ligt heet laagveen(in West-Nederland komt het nog veel voor).
- Veengroei op voedselarme plaatsen: Hier verloopt de groei boven het grondwater anders. Veenmos gedijt hier goed. Heeft geen wortels. Groeit steeds aan de bovenkant en de onderste delen sterven dan af. Voor droge tijden is er wel een buffervoorraad water nodig omdat veenmos veel water verdampt als het groeit. In en tussen de planten kan water worden opgeslagen. Veenmosveen ligt ver boven het grondwater(hoge ligging) en wordt daarom hoogveen genoemd. Kwam vooral vroeger veel voor op grote stukken zandgrond in hoog Nederland en op kwelders in laag Nederland.
7.2 De cultuur-historische opbouw
- Veenpolderlandschappen: West-Nederland bestond vroeger uit veenmoerassen met hoogveen. Afwatering door riviertjes. Vanaf de oeverwallen werd ontgonnen: er werden langgerekte ontwateringsloten gegraven(bron 22). Doordat het water van onder weg was begon de grond te zakken(inklinking). Hierdoor was extra ontwatering nodigà nieuwe inklinking. Dit ging zo door en daardoor is het vroegere hoogveen nu laagveen. Akkerbouw is nu niet meer mogelijke, daarom veeteelt. Er zijn polders en dijken, omdat de zeespiegel hoger ligt en men houdt het grondwater hoog om inklinking te voorkomen.(Door inklinking veel schade aan huizen e.d.)
- Dalgronden en veenplassen: Voor 1900 maakte NL veel gebruik van turf. Vooral mosveen was hier voor geschikt. Eerst werd hoogveen ontwaterd, daarna afgegraven. Voor het afwateren werden kanalen en ontwateringsloten(wijken) gegraven. Er werden hierlangs dorpen gesticht, die vaak km. lang waren en werden veenkolonies genoemd. Het bovenste gedeelte van hoogveen, zgn. bolster, was ongeschikt en werd daarom vermengd met de onderliggende zandgrond en zo ontstonden dalgronden.
Door inklinking laag veenmosveen in West-NL moest worden uitgebaggerd d.m.v langgerekte stroken die trekgaten heten. Het veen werd op het tussenliggende land(veenstroken of ribben) te drogen gelegd. Als de wind de ribben wegsloeg ontstonden er veenplassen, vele zijn later droogmakerij geworden.
Clip 6: Veenlijken
Er zijn veenlijken gevonden die goed geconserveerd zijn. De huis is gelooid, de botten vergaan wel.
Bron 20: De gewelfde opbouw van een hoogveen
Bron 21: Veenlijken: het paar van Weerdinge(Drenthe)
Bron 22: Ontginning en inklinking in de omgeving van een rivier
Dossier: Diversiteit in landschappelijk Nederland
Nederlandse landschappen zijn gevarieerd opgebouwd, veel grondsoorten, overgangen. Natuurlijke elementen, oud of jong, komen naast elkaar voor. Waar is de diversiteit het hoogst? Dit kun je opsporen.
Bron23: Veranderingen het Nederlandse landschap: ontginningen, percelen
Bron 24: kaart
Bron 25: kaart
Bron 26: kaart
Bron 27: kaart
Hoofdstuk 2: De werking en het gebruik van het natuurlijk milieu
1. Onze natuurlijke hulpbronnen
1.1 Natuurlijke hulpbronnen
Dit zijn alle zaken die je aan het natuurlijk milieu onttrekt om te leven. Deze bronnen zijn meestal niet onbeperkt. Er zijn:
a. Niet-vernieuwbare milieuvoorraden(worden niet of heel langzaam weer aangemaakt)
b. Vernieuwbare Milieuvoorraden(worden in hoog tempo opnieuw aangemaakt en is waarneembaar door de mens, door groei(planten, hout, rubber) of de stoffen zijn in grote voorraden aanwezig en zijn door natuurlijk processen elke dag weer beschikbaar (zoet water, klei of stikstof).
1.2 Milieuproblemen in soorten en maten
Overvloedig gebruik door de mens van energie en grondstoffen leidt tot de drie volgende milieuproblemen:
a. Milieuverontreiniging: Het is in de natuur normaal dat er stoffen worden verplaatst, de mens verergert dit soms, daardoor komen van bepaalde stoffen te hoge concentraties op dezelfde plek en als dat schadelijk is spreek je van milieuverontreiniging. (ook geluid of straling hoort hier bij)(zie bron 2)
b. milieuaantasting: alle vormen van verminderen van de kwaliteit van natuur en landschap.
c. Milieu-uitputting: de mens benut energie grondstoffen of levende biomassa in een te hoog tempo, de milieuvoorraden(ook de vernieuwbare) raken hierdoor op.
Bron 1: voorraden grondstoffen zijn beperkt: asbest in cyprus
Bron 2: Historische ontwikkeling van metalen in een veengebied in de VS
Bron 3: Steden
2. Duurzame ontwikkeling
2.1 Schaalvergroting in milieuproblemen
De problemen zijn groter en complexer geworden en er zijn drie trends.
Ten eerste weten we van veel stoffen die we uitstoten het effect op het milieu niet(zoals eerst bij CFK’s, die de ozonlaag in de atmosfeer afbreken)
Ten tweede worden steeds grote gebieden beïnvloed worden(zie bron 4)
Ten derde wordt er door groei van de welvaart en van de bevolking een steeds groter beslag op de natuurlijk hulpbronnen gelegd. De toekomstige generaties hebben deze misschien wel niet meer.
2.2 Handhaven van de milieugebruiksruimte
Er is een goede strategie nodig om de problemen te bestrijden. De VN heeft een strategie bedacht: duurzame ontwikkeling. ER wordt gestreefd naar het voorzien in behoeften zonder de mogelijkheden voor volgende generaties in gevaar te brengen. Dit heet het handhaven van de milieugebruiksruimte(benuttingsmogelijkheden v/d natuurlijk hulpbronnen v/e gebied zonder de voorraden echt aan te tasten of uit te putten) De omvang hiervan wordt bepaald door 5 factoren:
1. De aanwezige winbare natuurlijke hulpbronnen(technisch en economische winbare voorraden)
2. Het tempo van aanwas van vernieuwbare natuurlijke hulpbronnen
3. De mate van onttrekking van natuurlijke hulpbronnen(hangt samen met consumptie, welvaart en bevolkingsgroei)
4. Uitbreiding van kennis en techniek
5. De kwaliteit van het natuurlijk milieu(hang samen met verontreiniging en erosie)
Clip 1: De milieuproblemen van de arme en van de rijke landen
In rijke landen komen afvalstoffen vrij waardoor de biodiversiteit af neemt. De arme landen kennen dit probleem in mindere mate, want ze hebben vooral last van de bevolkingsgroei en te intensieve benutting van weinig geschikte natuurlijke milieus(ontbossing, overbeweiding en bodemerosie). Veel verwoestijning en verzilting, dit leidt tot hongersnood, onstabiliteit en oorlog.
Clip 2: De milieugebruiksruimte per inwoner
Door import wordt de gebruiksruimte niet vergroot. Het gaat over de gebruiksruimte in het eigen land(terwijl er bijv. veel voedsel in arme landen wordt gekocht).
Bron 4: Milieuproblemen op verschillende schalen en hun samenhang
Bron 5: Hoe duurzaam is ontwikkeling als er sprake is van geleende gebruiksruimte door rijke westerlingen.
3. De milieugebruiksruimte zoet water
3.1 Interne en externe bronnen van zoet water
Water is onmisbaar. Belangrijk is de toevoer en afvoer van zoet water, dit kun je zien in een waterbalans(bron 6).
Twee bronnen van zoet water:
- Vernieuwbare bronnen: het regenwater dat valt in een gebied zelf is een interne vernieuwbare bron, je moet wel de verdamping er vanaf trekken. Alles wat toestroomt zijn extern vernieuwbare bronnen, een land dat vooral op extern water is aangewezen is kwetsbaar. Nederland heeft veel vernieuwbaar water(bron 8), veel neerslag en rivieren(bron 7).
- Niet – vernieuwbare bronnen: Grondwater loopt niet altijd door van boven naar beneden, alleen het bovenste deel, het ondiepe grondwater, kan steeds worden aangevuld. Het diepe grondwater wordt niet aangevuld en zijn ontstaan toen de lagen werden afgezet, dit water is niet verontreinigd, omdat het niet is beïnvloed door menselijke activiteiten(dit is een voordeel).
3.2 Watergebruik door huishoudens, landbouw en industrie(bron 10+11)
1. De huishouding: Per Nederlander dagelijks gem. 150 liter. Vergeleken met andere welvarende landen is dit niet hoog. Het water wordt vooral uit het grondwater gehaald.
2. De landbouw: Snelst groeiende waterverbruiker(bron 10). Irrigatie in droge landen verhoogt het watergebruik fors, doordat het water snel verdampt.
3. De industrie: Het meeste water hier is nodig voor koeling en bewerking, hergebruik is mogelijk, vooral elektriciteitscentrales gebruiken veel koelwater(bron 11)
3.3 Bedreiging van de kwaliteit van de voorraden zoet water
Stoffen kunnen de kwaliteit bedreigen, ondiep grondwater weerspiegelt het grondgebruik. Grondgebruik heeft ook invloed op oppervlakte water, in Nederland vaak stoffen in het water uit het buitenland.
Clip 3: Het benuttingspercentage van het vernieuwbaar zoet water
Sommige landen hebben veel/weinig zoet water. Benuttingspercentage: relatie tussen werkelijk watergebruik en de omvang van de vernieuwbare bronnen. Laag percentage is goed. Bij hoog, krapte, en in droge jaren problemen. (formule: (totaal verbruik: wat er binnenkomt)*100%)
Clip 4: Goed drinkwater is geen normale zaak
Voor ons wel, in ontwikkelingslanden niet. Ziekmakende bacteriën of toegankelijkheid. Veel verbeterd, er zijn tekorten aan zoet water te verwachten in de toekomst.
Bron 6: De waterbalans van Nederland
Bron 7: Voorraden vernieuwbaar zoet water in Nederland
Bron 8: Vernieuwbare interene en externe bronnen van zoet water en gebruik per persoon.
Bron 9: Het benuttingspercentage
Bron 10: Watergebruik door huishoudens, industrie en landbouw
Bron 11: Waterverbruik in Nederland
Bron 12: In Turkije is drinkwater schaars
Bron 13: Water: Bron van alle leven
4. De milieugebruiksruimte bodem
4.1 De bodem als productiesysteem
Planten staan aan de basis van de vernieuwbare hulpbron organisch materiaal(=materiaal gevormd door planten, dieren en levende organismen). De energie die een plant nodig heeft voor fotosynthese, wordt uit de bodem(=bovenste deel van de bodem, waar wortels water uit halen) gehaald. Omvang van productie organische materiaal hangt af van:
1. De voorraad voedingsstoffen
2. De voorraad water
3. Een goed bodemleven
4.2 Vergroting van milieugebruiksruimte bodem
Mens heeft milieugebruiksruimte vergroot(zie bron 14). Belangrijk:
1. Toevoer van meststoffen: Kunstmest belangrijk want als gewassen geoogst worden, komen de voedingstoffen die zij hebben opgenomen niet meer terug.
2. Toevoer van fossiele energie: Naast zon wordt hiervan gebruik gemaakt: olie en gas voor tractoren en drainagesystemen e.d.
3. De toevoer van water door irrigatie en beregening: Waterpeil wordt in Nederland hoog gehouden.
4.3 Het ruimtegebruik van de Nederlander
Andere manier om de milieugebruiksruimte te vergroten: beslag leggen op landbouwgronden elders. Wij zijn 4e exporteur van landbouwproducten ter wereld maar dat komt niet allemaal bij ons vandaan. (bron 17) gebruiksruimte groeit en krimpt(bron 16)export is belangrijker dan eigen voedselvoorziening.
Clip 5: Een rekenvoorbeeld: het buitenlands ruimtebeslag voor ons veevoeder
Nederland importeert dit veel. Je kunt uitrekenen hoeveel ruimte er direct gebruikt wordt voor ons veevoeder. Ook indirect ruimtegebruik: voor opslag , kanalen e.d. Wij importeren Cassave, dit is makkelijke, groeit op arme grond, lange braaktijd nodig.
Bron 14: De agrarische productie in de wereld
Bron 15: Het vergroten en verkleinen van de milieugebruiksruimte
Bron 16: De invloed van de Nederlandse veevoerindustrie op de ontwikkelingslanden
Bron 17: De economische activiteiten met het grootste buitenlandse ruimtebeslag
Bron 18: Theeplantages in Sri Lanka.
Bron 19: De import van veevoeder in 1994
5. De milieugebruiksruimte van de ontwikkelingslanden
5.1 Goede landbouwgrond wordt schaars
In ontwikkelingslanden is het handhaven van de milieugebruiksruimte van de bodem voor de eigen bevolking vaak moeilijk en dit komt vooral door 2 factoren:
Door bevolkingsgroei wordt de grond per persoon minder, waardoor er niet genoeg grond meer is(4ha nodig om van te leven, en er is maar 2ha per persoon beschikbaar).
Dit tekort wordt door exportlandbouw versterkt. Ze kunnen geen kunstmest gebruiken om de opbrengst te vergroten omdat het te duur is.
5.2 Een groeiend tekort aan water
Watervoorraad in ontwikkelingslanden beperkt. Permanent watertekort is minder dan 1000 m3 vernieuwbaar zoet water per jaar per persoon en watertekort als er minder dan 1670 p/p p/j. Tekort wordt versterkt door 2 factoren: bevolkingsgroei en productieverhoging(zie bron 21) in de landbouw, vooral bij irrigatie, door verdamping. Kostbare nieuwe systemen kunnen de verdamping tegen gaan(bron 22 en clip 7).
Clip 6: Bodemerosie en verwoestijning
Bodemerosie in ontwikkelingslanden doordat minder geschikte gebieden voor landbouw worden gebruikt(bijvoorbeeld ontbossing van steile hellingen). Bij grote regenbuien ontstaat piekafvoer, waardoor overstromingen ontstaan. Door kuddes vee, overbegrazing , en verslechtering van de bodem, dit leidt tot verwoestijning en het kappen van brandhout en slechte irrigatie werken verzilting in de hand.
Clip 7: Verzilting
Zouter worden van de bodem door verdamping van water in droge gebieden. Er vindt verzilting plaats. Als de grond niks doorlaat, schade aan de bodem, want de zouten worden niet afgevoerd(bron 23). De enige oplossing is drainage. Spoel- en irrigatiewater kan worden hergebruikt maar de kwaliteit wordt steeds slechter want ook dit water wordt steeds zouter.
Bron 20: De import van veevoeder in 1994
Bron 21: Bevolkingsgroei en waterschaarste
Bron 22: Leidingen voor micro-irrigatie
Bron 23: Irrigatie en verzilting
Dossier: Vermesting
Wat zijn de gevolgen van een grotere concentratie energie en voedingstoffen per ha grond door intensieve landbouw?
Bron 24: Van kringlooplandbouw naar mestoverschotten
Bron 25: Mineralenverlies in de Nederlandse landbouw
Bron 26: Van kringloop naar mestoverschot op de zandgronden
Bron 27: Mestinjectie
Bron 28: Mineralenbalans van de Nederlandse cultuurgrond
Bron 29: Mineralenbalans stikstof van 2 bedrijven
Bron 30: Goed drinkwater wordt kostbaar
Bron 31: De boer wordt boekhouder van voedingsstoffen
Bron 32: Gem. concentratie van stikstof en fosfor
Bron 33: verliesnormen
Bron 34: Het verbruik van kunstmest in krachtvoer in NL
Hoofdstuk 3: Werken aan de kwaliteit van het leefmilieu
1. De achtergrond van het ontstaan van milieuproblemen
1.1 Afwenteling van milieuproblemen
Veel milieuproblemen(verzuring, klimaatverandering, enz.) zijn niet uniek van deze tijd. De milieusituatie nu is anders omdat ze vaak niet direct merkbaar en niet lokaal zijn. Moeilijk om bij te sturen omdat ze pas laat ontdekt worden of over grenzen heen gaan. Vaak ontstaan milieuproblemen door afwenteling, mensen genieten alleen van de voordelen van hun handelen en nemen niet de nadelen voor hun rekening.
1.2 Afwenteling op andere milieugebruikers en andere gebieden
Door stoffen te lozen in water, lucht of bodem ontstaan eventuele schadelijke effecten, dit is: afwenteling op andere milieugebruikers en andere gebieden. Voorbeelden(bron 1+2) van verzuring:
- Zwavel(SO2) in de lucht door verbranding fossiele brandstoffen in industrie en olieraffinaderijen. Verminderd door dure filters op schoorstenen.
- Stikstof(NOx) door verkeer, door grote hitte bij verbranding fossiele brandstof. Voorkomen door dure katalysatoren
- Ammoniak(NH3) door sproeien van dierlijke mest in bio-industrie, mestinjecties kunnen dit voorkomen(bron 27, h2).
Veel zure stoffen in de lucht is slecht, zure regen, en zure grond, vaak afgewenteld, maar door het voorkomen is dit al minder.
1.3 Afwenteling op toekomstige generaties
Vaak sprake van afwenteling op toekomstige generaties(bron 3 voor voorbeelden), binnen 10 jaar een grondstoffen tekort, maar geen absolute uitputting(clip 3).Veel voorraden maar duurder en meer afval. Ook kan men aan vervanging doen(kunststof waterleidingen i.p.v lood) Ook klimaatveranderingen zijn belangrijk, meer CO2 dus opwarming, dus meer smeltwater, maar andere gebieden worden droger(bron 4).
Clip 1: Wedden om de aarde
In 1980 sluiten een econoom en een ecoloog een weddenschap over de toekomstige prijs van 5 metalen: de een zegt(ecoloog) het wordt duurder(pessimist), de ander zegt goedkoper(optimist)De econoom won, de prijs van alles was gedaald(in 1990), toch zegt de ecoloog dat het in de toekomst zal veranderen, de mens is nu nog vindingrijk maar de mogelijkheden kunnen uitgeput raken.
Clip 2: Ecologische boekhouding voorkomt afwenteling
De waardevermindering van natuurlijke hulpbronnen wordt niet in het BNP meegerekend. Hierdoor ontstaat afwenteling op toekomstige generaties. Er is dus een ecologische boekhouding nodig. Er moet rekening worden gehouden met milieukosten en milieugebruiksruimte.
Bron 1: Verzuring in Nederland
Bron 2: De Nederlandse import en export van SO2, NOx en NH3
Bron 3: De afname van het oppervlak van tropisch regenwoud
Bron 4: De uitstoot van CO2 door menselijke activiteiten
2. Het ruimtelijk beleid: vier ontwikkelingskoersen
2.1 Zonering
Tegengaan van milieuproblemen in de toekomst is noodzaak, vooral het voorkomen van afwenteling. In landelijk gebied meer richten op duurzame ontwikkeling. Overheid geeft hier aandacht aan, zonering(=voor elke homogeen landelijk gebied(groene ruimte) wordt bepaald welke functie(s) zich optimaal moet(en) kunnen ontwikkelen) is een belangrijk hulpmiddel. Er zijn vier mogelijke ontwikkelingskoersen(bron 5).
2.2 Vier ontwikkelingskoersen
Elke koers geeft bepaalde functies voorrang:
- Gele koers: ontwikkeling zeer intensieve en geconcentreerde landbouw heeft voorrang
- Bruine koers: akkerbouw en rundveehouderij heeft hier voorrang, afwisseling met groenelementen.
- Blauwe koers: afwezigheid intensieve landbouw, aanwezigheid aantrekkelijke economische combi’s, groene zones die natuurgebieden verbinden(clip 3 en clip 3 h1). De natuurverbindingszones staan in de ecologische hoofdstructuur van Nederland(clip 3 en bron 6). Boer krijgt geld voor het instandhouden van natuur en landschap t.o.v. beperkende maatregelen waaraan hij zich moet houden.
- Groene koers: behoud, herstel en ontwikkeling v/d natuur. Natuurgebieden en natuurverbindingszones die belangrijk zijn voor de ecologische hoofdstructuur van NL. Recreatie bosbouw en waterwinning mag niet schadelijk zijn voor de natuur. Bij deze koers horen een aantal nationale parken(bron 7 en clip 3).
Clip 3: Het maken van een ecologische hoofdstructuur van Nederland
Het maken hiervan is moeilijk(zie ook clip 3, h1). Hier vier voorbeelden:
1. In verbindingszones moet grond worden aangekocht. Boeren moeten van verschillende doelen worden overtuigd.
2. aan de randen van de gebieden moeten ongewenste ontwikkelingen voorkomen worden, dus bufferzones.
3. Er moeten specifieke milieuomstandigheden(de biotoop) aanwezig zijn.
4. Natuur voor recreatie is erg belangrijk, maar dit kan natuur aantasten, daarom nationale parken.
Bron 5: De ontwikkelingskoersen
Bron 6: De ecologische hoofdstructuur van Nederland
Bron 7: Nationale parken
3. Het Nederlandse milieubeleid
3.1 Duurzame ontwikkeling bij economische groei
Milieubeleid richt zich op het bestrijden en voorkomen van milieuproblemen, verontreiniging, uitputting, aantasting, (nu en in de toekomst) op alle schaalniveaus(bron 8). Drie kernpunten(titels v/d volgende paragrafen) moet duurzame ontwikkeling bevorderen.
3.2 Integraal ketenbeheer
Productie-consumptieketen(= levensloop product) doorgaat 5 stadia, niet altijd in hetzelfde gebied(bron 10):
1. Winnen van grondstoffen à grote omvorming landschap
2. bewerken van grondstoffen tot basismaterialen of halffabrikaten
3. maken van eindproducten
4. gebruiken/consumeren eindproducten
5. afdanken van producten en verwerken/hergebruiken afval
In alle stadia energie en grondstoffen nodig die kunnen verontreinigen, door analyse van keten kunnen producten vergeleken worden op negatieve effecten. Dit heet integraal ketenbeheer en is heel moeilijk(melk in flessen of karton verpakken?). Er wordt in het algemeen gestreefd naar het beperken van het gebruik van grondstoffen en energie. Gunstig is het sluiten van stofkringlopen: meer hergebruik waardoor minder nodig.
3.3 Een hogere kwaliteit van producten
Hoge kwaliteit van producten draagt bij aan duurzaamheidà langer gebruikenà minder afval. Streven naar kwaliteit goed voor het milieu(bron 13) in alle stadia. Milieugevaarlijke stoffen moeten niet worden gebruikt. In het afvalstadium moet worden gestreefd naar zo weinig mogelijk onverwerkbaar materiaal.
3.4 Minder gebruik van fossiele energie
In NL industrie wordt veel gebruik gemaakt van fossiele brandstoffen en dit veroorzaakt milieuproblemen. Bij economische groei niet makkelijk te verminderen, daarom moet er meer vernieuwbare energie gebruikt worden(zon, wind, water) voor duurzame ontwikkeling en vermindering van autoverkeer en energiebesparing(clip 5)
Clip 4: Economische groei en milieudruk: drie scenario’s
Mondialisering van de economie. Dit heeft invloed op de groei hiervan en op het milieu. De productie van NL zal veel groeien. Bij milieubeleid wordt uitgegaan van de volgende drie scenario’s voor de toekomst(die invloed hebben op energie en grondstofgebruik en productie afvalstoffen(ook bron 9):
1. Divided Europe(DE): Integratie EU vlot niet, europa verliest concurrentieslag met japan, N-Amerika en Zuidoost-Azië. Economische groei: 1.4% p/j
2. European Coordination(EC): Binnen EU vrijhandel en integratie, maar veel protectie per economische blok. Economische groei: 2.7% p/j
3. Global Competition(GC): Vrijhandel in de wereld. Economische groei: 3.3% p/j
Clip 5: De instrumenten van het Nederlandse milieubeleid
Aanpakken milieuproblemen is moeilijk, overheid heeft 2 benaderingen. Bij beide staat voorop dat men bij verstoringen vooral de bron wil bestrijden.
Brongericht milieubeleid richt zich op het voorkomen van milieuschade.
Maar als er al milieuschade is moet die worden hersteld. Dit wordt gedaan d.m.v het effectgericht milieubeleid. Vooral het wegwerken van schadelijke effecten.
Bij beleid zijn er middelen voor uitvoering, zoals milieuwetten of financiële prikkels, of het overtuigen van de burgers en bedrijven en het maken van vrijwillige afspraken(convenant).
Bron 8: Milieugebruiksruimte en duurzame ontwikkeling
Bron 9: De emissies van belangrijke stoffen in 2010 volgens de drie scenario’s
Bron 10: De productie-consumptieketen zonder en met een zuinige gebruik en hergebruik van grondstoffen en energie
Bron 11: Instrumenten voor het milieubeleid
Bron 12: Per 1 januari worden nieuwe auto’s 113 euro duurzamer
Bron 13. Kwaliteitsbevordering in de productie-consumptieketen
Bron 14: Wat hebben deze foto’s met milieu/milieubeleid te maken?
4. Mondiaal milieubeleid
4.1 Armoede en milieu
Verschillende positie t.a.v. milieu van rijke en arme landen:
1. Ontwikkelingslanden: hoge bevolkingsgroei, welvaartsniveau p/p laag. Armoede belangrijke oorzaak milieuverslechtering, want door de behoefte aan voedsel bijv. ontbossing, erosie e.d. Dit maakt het bestaan nog moeilijker dus het is ook een gevolg. Zo ontstaat een vicieuze cirkel. Dit moet worden doorbroken door meer aandacht aan het milieu te geven m.b.v bijv. ontwikkelingshulp.
2. Rijke landen: lage bevolkingsgroei, benutten van energie en grondstof p/p hoog. Door moderne technologie kan dit alles duurzaam worden gemaakt maar ze zullen hun consumptie en productie duurzaam moeten maken(clip 6 en bron 8).
4.2 Klimaatbeleid
Verandering wereldklimaat heeft gevolgen voor mensen en ecosystemen, verschilt per gebied en kan ook voordelig zijn. De VN heeft in 1994 een klimaatverdrag gesloten met als doel klimaatverandering tegen te gaan. Vooral uitstoot CO2 moet worden beperkt.
Duurzame situatie als uitstoot CO2= opnameCO2 door de natuur. Daarom uitstoot in 2020 met 50% verminderen. Niet dwingend.
Hoe bereik je dit? Door energieheffing(=speciale belasting op koolstofinhoud van brandstoffen, alleen nog in NL) of bosaanplant, groeiend bos heeft meer CO2 nodig(ook elders in de wereld door NL(of NL bedrijven) aangeplant telt voor ons mee, clip 7).
Clip 6: Grondstoffengebruik van de rijke landen moet omlaag
Anders ecologische uitputting. Voor hergebruik is veel energie nodig. De totale voorraad kan een gigantische broeikaseffect veroorzaken.
Clip 7: Shell plant bomen
Om CO2 te verminderen, maar Shell zegt dat het niet is toegenomen en verwacht een vermindering door te stoppen met het affakkelen van overtollig gas in Nigeria, ander verbeteringen moeilijk.
Bron 15: De tweedeling in de wereld
Bron 16: Enkele verstoringen als gevolg van menselijke activiteiten
Dossier: Milieuschade door zware metalen
Dit zijn gevaarlijke stoffen(lood, kwik, cadmium en zink). Slecht voor mens, plant en dier bij hoge concentraties. Wordt in de lucht gebracht door verkeer, industrie en landbouw en afgewenteld op andere milieugebruikers. Hoe kan dit worden voorkomen?
Bron 17: Aandeel van verschillende groepen in uitstoot en afgifte zware metalen
Bron 18: De afzetting van 3 zware metalen van uit de lucht in NL
Bron 19: Steeds meer zware metalen
Bron 20: Verspreiding zink rond een zinkfabriek
Bron 21: Verspreiding van zware metalen via lucht en bodem
Bron 22: Zware metalen in de voedselketen
Bron 23: Verspreiding van zware metalen via water
Bron 24: De aanvoer van metalen via oppervlakte water in NL
Bron 25: Het gehalte aan zware metalen aan de oppervlakte van uiterwaarden en drooggelegde polders
Bron 26: Verspreiding van zware metalen via water
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.