geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Meiden, laser je binnenste schaamlippen lekker weg joh. Want je vriendje wil een playboypoesje.

Geschreven door:

anoniem (5 havo)

Datum ingestuurd:

18 maart 2004

Taal:

Woorden:

2.100

Bekeken:

23173 keer (28 deze maand)

Waardering:

4.0/5 (157 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 
Economie 1,2 Economische Groei Hoofstuk 1
Par. 1.1

Welvaart = de mate waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien
Verkoopwaarde – ingekochte grond- hulpstoffen =
Toegevoegde waarde
Waarde van de productie
Som van loon, pacht, rente, huur, winst

De waarde van de productie is altijd gelijk aan het uitbetaalde inkomen.
Nationaal product = productie van alle bedrijven + de overheid in één land bij elkaar opgeteld
Nationaal inkomen = alle inkomens in een land bij elkaar opgeteld

PAR 1.2

Personele inkomens verdeling = verdeling van het nat. Inkomen op basis van gezinnen en/of individuen
Categoriale inkomensverdeling = van het nat. Inkomen over de beloningscategorieën loon, rente, huur, pacht en winst

Loonquote = lonen uitgedrukt als deel of percentage van het (nat.) inkomen
Ook winst, pacht, rente, huurquote. Ze zijn samen 100 %
TLZ = Toegerekende loon zelfstandige, in Nederland is een bepaalde groep zelfst., die krijgen een bedrag toegedeeld, berekend door CBS.
AIQ = geeft weer voor welk deel van het nat. inkomen gewerkt is.
Loon + TLZ
-------------- x 100%
(nat.) ink.

OIQ= Overige quote’s. OIQ=AIQ-100%. Geeft weer welk deel van het nat. inkomen beloning is voor bezit

PAR 1.3

Groei van productie en inkomen = economische = stijging van de welvaart
2 soorten economische groei:
• Nominale: er is wel een groei maar de koopkracht stijgt niet.
Veroorzaakt door inflatie: algemeen preispijl stijgt met 3% -> nationaal product stijgt met 3% , -> nat. ink stijgt ook 3% waardoor de koopkracht gelijk blijft.
• Reële: Er is groei waardoor de koopkracht stijgt. De hoeveelheid geproduceerde goederen en diensten neemt toe. Dit kan door een stijging van de arbeidsproductiviteit. Hierdoor stijgen nat. product en nat. inkomen -> reële groei.

Nadelen aan het gebruik van het reële nat. inkomen als maatstaf voor welvaart en economische groei:
• Je kunt naar BNP per hoofd kijken. De toename kan per persoon verschillen
• Bij berekening BNP wordt veel niet meegeteld, zoals de informele economie.
• Productie die wordt meegeteld maar die de welvaart aantast, omdat de natuur wordt aan getast.
Toch wordt het reële BNP gebruikt als maatstaf voor economische ontwikkeling omdat het op een makkelijke manier de veranderingen in de welvaart van een land laat zien.

HOOFDSTUK 2.
PAR 2.1

De productiecapaciteit geeft aan hoe hoog het nat. inkomen maximaal mag zijn.
Het nat. inkomen wordt bepaald door de hoogte van de bestedingen. Veel bestedingen, betekent veel productie en dus een hoog nat. inkomen. De hoogte van de bestedingen worden bepaald door de hoogte van de productiecapaciteit. De hoogte van het nat. inkomen wordt op langere termijn bepaald door de productiecapaciteit.

PAR 2.2

De omvang van de productiecapaciteit wordt bepaald door de kwaliteit en kwantiteit van de productiefactoren:
• ARBEID
De arbeidsproductiviteit hangt af van de volgende factoren:
• scholing v/d beroepsbevolking
• technische ontw.
• efficiëntie bij bedrijven en overheid
• arbeidsmentaliteit
ook de kwantiteit is van belang.
De overheid bemoeit zich met de kwaliteit van de beroepsbevolking, d.m.v deeltijdbanen en vergroten van arbeidsparticipatie.
• KAPITAAL
Vaste kapitaalgoederen: kapitaalgoederen waarmee bedrijven produceren.
Meer en betere vaste kapitaalgoederen zorgt voor een grotere productiecapaciteit.
Dit kan door:
1. Breedte-investering = investering in kapitaalgoederen, waarbij de verhouding tussen arbeiders en kapitaal blijft gelijk. (de arbeidsproductiviteit blijft gelijk)
2. Diepte-investering = investering in kapitaalgoederen die voor verbetering zorgen waardoor de arbeidsproductiviteit stijgt.
Arbeid vervangen voor kapitaal. (kapitaalintensiever)
(3. innovaties = nieuwe betere processen)
De overheid stimuleert sommige investeringen via heffingen en subsidies.
• NATUUR
De natuur bepaald het soort productie in een gebied. Dit komt door het klimaat. De natuur is moeilijk te beïnvloeden
• ONDERNEMERSCHAP

PAR 2.3

Met de productiecapaciteit wordt de max. hoogte van het nat. inkomen aangegeven. Toch hangt de hoogte van het nat. inkomen af van de bestedingen, daardoor kan er geproduceerd worden. De verhouding tussen bestedingen en productiecapaciteit is de bezettingsgraad:
bestedingen
Bezettingsgraad = ------------------------ x 100%
Productiecapaciteit
4 bestedingscategorieën:
1. Consumptie – Consumeren. Als gezinnen of individuen iets kopen noemen we dat consumeren
2. Investeringen
Capaciteitseffect v/d investeringen = vergroten de productiecapaciteit
Bestedingseffect = ze leiden tot besteden en dus tot productie.
Vlottende kapitaal goederen = ingekochte hulp- grondstoffen en niet verkochte eindproducten
Verschillende investeringen:
 Vervangingsinvestering = kapitaal vervangen om de productiecapaciteit op peil te houden.
 Uitbreidingsinvestering = de bestaande voorraad kapitaal wordt dan uitgebreid waardoor de productiecapaciteit stijgt.
 Voorraadinvestering = de vlottende kapitaalgoederen neemt in 1 jaar sterk toe.
Alle investeringen samen worden de bruto-investeringen genoemd. De bruto- min de vervangingsinvesteringen zijn de netto-investeringen (= uitbreidings- en voorraadsinvesteringen).
3. De overheid besteed ook. Overheidsbestedingen bestaan uit:
• Consumeren = personele overheidsconsumptie (betaling van ambtenarensalarissen) en materiële overheidsconsumptie
• Investeren = vaste kapitaalgoederen, bijv. wegen
Ze investeren en consumeren met belastinggeld.
4. Export
Het buitenland koopt op onze markt waardoor ze van onze productiecapaciteit gebruik
maken.

De 4 bestedingscategorieën worden ondergebracht in:
• Particuliere sector
• (sector) overheid
• (sector) buitenland

Het nat. inkomen = consumptie + investeringen + overheidsbestedingen + export – import

Bruto nationaal product of bruto nationaal inkomen = als de bruto-investeringen ook worden meegeteld. Worden ze niet meegeteld is het een netto nat. product of netto nat. inkomen.
Het verschil tussen netto en bruto nat. product zijn afschrijvingen waarmee de vervangingsinvesteringen worden betaald.

In de economie is er sprake van een kringloop: bestedingen leiden tot productie, productie leidt betekent inkomen, inkomen leidt tot bestedingen .
Trendmatige groei = de gemiddelde groei van het nat. inkomen
Conjunctuur = schommelingen in de groei van het nat. ink als gevolg van schommeling in de bestedingen.
Hoogconjunctuur = groei boven de trendmatige groei
Laagconjunctuur = groei onder de trendmatige groei
Recessie = afnemende groei van het nat. inkomen
Depressie = negatieve groei van het nat. inkomen
Overbesteding = bestedingen zijn zo hoog waardoor de productiecapaciteit bijna volledig bezet is.
Onderbesteding = de productiecapaciteit is onderbezet waardoor er conjuncturele werkloosheid ontstaat.
Aanhoudende hoogconjunctuur leidt tot overbesteding
Aanhoudende laagconjunctuur leidt tot onderbesteding

Groter overheidsbestedingen leiden tot = stijging nat. inkomen -> stijging vd consumptie -> import stijgt.
Hoger nat inkomen leidt ook tot meer belasting, meer besparingen.

PAR 2.4

Tijdens conjunctuurschommelingen kan de overheid ingrijpen, door de overheidsbestedingen of de belastingen te verhogen/verlagen, -> stijging van werkgelegen/productie, -> stijging van het nat. inkomen., -> stijging van de consumptie. Dit is een multipliereffect = effect wat er voor zorgt dat het extra sterk doorwerkt.

Anticyclisch begrotingsbeleid = bij onderbesteding stimuleert de overheid de bestedingen, bij overbesteding remt de overheid de bestedingen af.
Door sociale uitkeringen en een progressief belasting systeem hebben een vlakker verloop van de conjunctuurgolf.

HOOFDSTUK 3
PAR 3.1

Marktmechanisme/prijsmechanisme = het vrije spel van vraag en aanbod
Goedren-dienstenmarkt: Er is in een marktmechanisme veel concurrentie en er ontstaat daardoor evenwicht op de markt.
Arbeidsmarkt: ook een prijsmechanisme, (loon is de prijs van arbeid)
Vrijenmarktmechanisme = de economie regelt zichzelf, de overheid bemoeit zich zo min mogelijk met de economie . individuen beslissen voor zichzelf. Burgers hebben veel vrijheid.
Overheid bemoeit zich alleen met bestuur, rechtspraak, defensie en milieubeleid.
Inkomensverschillen zijn erg groot, omdat alles is gericht op produceren en consumeren. De mindere vallen hierdoor buiten de boot -> overheid doet er niets aan

PAR 3.2

Budgetmechanisme = de productie wordt door de overheid geregeld.
Planeconomie = alles wordt door de overheid geregeld en beslist. (gecentaliceerde besluitvorming). Bedrijven waren staatsbedrijven. De overheden hadden 5-jaren plannen, waarin stond wat er ging gebeuren. Er werden vaste prijzen gesteld., waardoor alles betaalbaar bleef. Er werd niet meer geproduceerd als de vraag steeg, en de lonen konden niet stijgen.

Democratisch budgetmechanisme = in landen waar burgers via verkiezingen in sprake hebben op de productie.


PAR 3.3

Gemengde economie = vrijemarkteconomie met veel overheidsinvloed (=Nederland). De bedrijven kunnen veel bepalen, maar het wordt door de overheid gestuurd, d.m.v. heffingen en subsidies. De overheid gaat kartelvorming en fraude tegen. Ze zorgt voor sociale zekerheden, het belastingstelsel en er komt privatisering.

PAR 3.4

Collectieve goederen = goederen waarvan iedereen profiteert en waar je geen prijs voor kunt vast stellen. Ze zijn niet individueel leverbaar en kunnen dus alleen door de overheid gemaakt worden, zoals dijken, straatverlichting en openbare orde.
Individuele goederen = goederen die per individu leverbaar zijn en waar een prijs voor vast te stellen is, zoals brood, kleding, huizen, concertbezoek. Ze worden (vaak) door de markt geleverd.
Quasi-collectieve goederen = individuele goederen door de overheid geleverd, waarvoor ze een lage of niet kostendekkende prijs vragen, zoals onderwijs, openbaar vervoer en vuilnisophaal.
De overheid produceert sommige producten zelf om een goede kwaliteit te garanderen, omdat voor sommige goederen enorme investeringen nodig zijn.

PAR 3.5

Economische politiek = het geheel van maatregelen van de overheid gericht op beïnvloeden van de economie
Overheid heeft 3 functies in de economie:
• Toedelingsfunctie of allocatiefunctie. De overheid moet de omvang en samenstelling van de productie beïnvloeden
• Stabilisatiefunctie. Groei van de economie stabiliseren
• Herverdelingsfunctie. De overheid beinvloedt de inkomensverdeling
De overheid heeft voor het economische beleid 5 doelen:
1. Evenwichtige arbeidsmarkt = streven naar volledige werkgelegenheid
2. Prijsstabiliteit
3. Rechtvaardige inkomensverdeling = via belasting heffen , sociale zekerheden en subsidies.
4. Evenwichtige betalingsbalans = uitgaven en inkomsten mogen niet veel verschillen
5. Evenwichtige economische groei

Paars 1 en 2:
Doelstelling = werkgelegenheid creëren d.m.v loonmatiging en lastenverlichting (=Poldemodel) ze deden aan deeltijdbanen en flexibelere tijden.
Privatisering = overheidstaken afstoten naar het bedrijfsleven

HOOFDSTUK 4 ---OOK GOED DOORLEZEN, DIT IS KORT SAMENGEVAT---
PAR 4.1

In de veel landen is het nat. inkomen gestegen, terwijl dat in andere landen niet zo is (ontwikkelingslanden) -> inkomensverschillen mondiaal groter geworden.

Ontwikkelingslanden:
Situatie verslechtert, -> kwetsbaarheid toegenomen.
Oorzaken:
• Oorlog
• Koloniale overheersing
Gevolgen:
• Armoede
• Onderontwikkeling
Redenen:
• In arme gebieden is moeilijk te regeren
• Veel corruptie en wanbeleid
• Tegengestelde belangen
• Onvruchtbare grond, hoog bevolkingstoename en een groeiende stadsbevolking

PAR 4.2

Relatieve armoede = inkomensverschillen binnen Nederland, heeft te maken met de mate waarin de mensen hun behoeften kunnen voorzien (=welvaart). Verschil in welvaart betekent relatieve armoede.
Absolute armoede = inkomensverschillen in een ontwikkelingsland, heeft altijd te maken met de toegankelijkheid van goederen en diensten die behoren tot de eerste levens behoeften.

Als maatstaf voor het meten van de welvaart wordt BNP gebruikt, dit is onvolledig omdat:
• Het BNP niks zegt over de personele inkomensverdeling.
• De informele sector wordt bij BNP niet meegeteld (=zwart werk en inkomen in natura)
• Schade aan het milieu wordt meegerekend, dit is in ontw. landen vaak hoog omdat westerse bedrijven zich daar vaak niet aan de regels houden.

Westerse landen hebben afspraken over milieuwetgeving., ontw. landen (vaak) niet. Milieumaatregeln zijn nadelig voor economische groei = minder productie -> daling nat. inkomen.

In ontwikkelingslanden is de inkomensverdeling slecht verdeeld. De rijke hebben macht maar doen er niet genoeg mee, omdat zij weinig problemen hebben.

PAR 4.3

Kenmerken van arbeidsmarkt en goederenmarkt in ontw. landen:
• Veel mensen werkzaam in primaire sector (economisch kenmerk)
• Grote schulden aan de buitenlandse banken (economisch kenmerk)
• Veel analfabetisme en kindersterfte (sociaal kenmerk)

PAR 4.3.1

Veel werk in primaire sector, of anders secundaire sector, door ontbreken van:
• Technische ontwikkeling
• Scholing
Hierdoor:
• Kleine productie
• Veel landbouwproducten
• Industrieproducten waar geen ontwikkelen voor nodig is
• Lage arbeidsproductiviteit -> lage lonen

Werkloosheid in ontw. landen:
• Structureel.
• Werkgelegenheid groeit niet omdat de afzet niet stijgt doordat het nat. inkomen gelijk blijft. Weinig export door protectionisme van rijke landen
• Werkloosheid is moeilijk te meten. Mensen staan niet nauwkeurig geregistreerd.
Slechte Arbeidsomstandigheden in ont. Landen:
Hele andere arbeidsomstandigheden als in west-europa:
• Geen strikte afspraken
• Werknemers hebben weinig rechten en hebben weinig bescherming
• Men gaat onzorgvuldig om met veiligheid vd werknemers
• Veel kinderen werken -> geen (goede) scholing -> ze kunnen nooit een goede baan vinden
Oplossingen voor problemen op de arbeidsmarkt:
• Investeringen = kapitaal aantrekken -> meer productie -> stijging nat. inkomen (multinationals aantrekken)
• Scheppen werkgelenheid lost structurele werkloosheid op
• Verbetering van inkomens leidt tot minder conjuncturele werkloosheid

De lage lonen hebben te maken met: lage arbeidsproductiviteit, weinig scholing, gebrekkige technische kennis, lagere kosten van het levensonderhoud, lage levensstandaard

Doordat er nu rijke landen zijn -> stromen arbeiders richting rijke landen op zoek naar werk.
De meeste mensen wonen in ontw. landen op het platteland.

PAR 4.3.2

Ontw. landen hebben vaak een slechte positie op de wereldmarkt omdat ze vaak goedkope landbouwproducten en halffabrikaten exporteren en hun import met vreemde valuta’s wordt betaald, die niet graag wordt aangenomen.
Ruilvoet = verhouding tussen gemidd. Prijzen van exportproducten en gemidd. Prijzen van importproducten
Prijsindexcijfer vd export
Ruilvoetindexcijfer = ------------------------------- x 100
Prijsindexcijfer vd import
Als er niet genoeg geëxporteerd wordt, of het levert niet genoeg op, betekent dat een tekort op de betalingsbalans
Als de export niet genoeg oplevert, moeten de ontw. landen lenen om aan vreemde valuta te komen. Over de lening betalen ze ook weer rente, wat weer een tekort op de betalingsbalans oplevert.
Met lenen schieten ze niks op omdat ze het geld niet goed gebruiken.

PAR 4.3.3

Er is alleen kapitaal bij de rijken, die het vaak in het buitenland investeren. Investeren met kapitaal moeten door multinationals gedaan worden.
PAR 4.4

PAR 4.5

Een tekort op de betalingsbalans => afname vd voorraad deviezen(vreemde valuta)
Combinatie van inflatie, zwakke munt, tekort op de betalingsbalans en hoge schulden bij het buitenland en banken leiden tot verminderende kredietwaardigheid. Het is niet zeker dat schuldeisers hun geld terug krijgen.
De multinationals schrijven hun winst over naar hun moederland niet naar het ontwikkelingsland.

IMF: internationaal monetair fonds
• Zorgen voor goed betalingsverkeer
• Zorgen voor voldoende internationale betalingsmiddelen
• Verstrekken van leningen aan landen met betalingsbalansprobleem
d.m.v. leningen.

PAR 4.6

Argumenten voor ontwikkelingshulp:
• Solidariteit
• Economisch motief, deal sluiten dat het ontw. land elk jaar een bepaald aantal producten moet kopen

Multilaterale projecten = projecten om ontw. landen te helpen van meerdere landen samen
Bilaterale projecten = een project om ontw. landen te helpen van een enkel land alleen

Kritiek op ontwikkelingshulp:
• Hulp komt in verkeerde handen
• Kritiek tegen protectionistische maatregelen (= stoppen met exportsubsidies en dumpen van landb. Producten op de wereldmarkt)

Geldt moet naar onderwijs in ontw. landen:
• Onderwijs leidt tot een hogere arbeidsproductiviteit
• Onderwijs bevordert de capaciteiten om tegenslag op te vangen
• Onderwijs heeft als gevolg dat men kennis en techniek gaan gebruiken

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.