Geschreven door: | DAS Clan (5 havo) |
Datum ingestuurd: | 25 maart 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.150 |
Bekeken: | 18303 keer (111 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Hoofdstuk 1: productie en productiefactoren
1. Geef een voorbeeld van waardetoevoeging?
Van leer schoen maken en deze dan verkopen.
2. Wat zijn onderlinge leveringen?
Inkopen doen bij andere bedrijven.
3. Hoe bereken je de toegevoegde waarde?
Waarde van de eindproducten-
Waarde van de ingekochte grond- en hulpstoffen-
Waarde van de derde ingekochte diensten
4. Schrijf het schema voor de berekening van de winst op.
5. Geef het synoniem voor totale opbrengst.
Omzet
6. Geef de definitie van productiefactoren.
middelen die nodig zijn bij de productie
7. Noem de 4 productiefactoren.
- arbeid
- kapitaal
- grond
- ondernemersactiviteit
8. Wat is de definitie van arbeid.
Alle menselijk handelingen bij een productie om een inkomen te krijgen.
9. Hoe luidt de beloning van deze productiefactor.
Loon of salaris.
10. Geef 2 voorbeelden van arbeid waar geen loon tegenover staat.
- Winkelier die zelf werkt.
- Vrouw v/d baas helpt in het bedrijf.
11. Welke 2 betekenissen kan het woord kapitaal hebben?
- Geldkapitaal.
- Kapitaalgoederen.
12. Noem de 2 woorden die gebruikt worden voor de vergoeding van geldkapitaal.
- Rente.
- Interest.
13. Wat zijn kapitaal goederen? Geef 2 voorbeelden.
Kapitaalgoederen zijn goederen waarmee andere goederen weer mee gemaakt kunnen worden. Zoals:
- Machines.
- Gereedschappen.
14. Noem de twee woorden die gebruikt worden voor de vergoeding van natuur.
- Pacht.
- Huur.
15. Wat verstaan we onder ondernemersactiviteit?
Het goed combineren van de 3 andere productiefactoren met als doel waarde toe te voegen.
16. Hoe heet de beloning van deze productiefactor als de ondernemer succes heeft en hoe als het misgaat?
- Winst.
- Verlies.
17. Wat is produceren?
Combineren van productiefactoren met als doel waarde toe te voegen.
18. Productie=
Verkoopwaarde van de productie – onderlinge leveringen.
19. Productie=
Kosten van de productiefactoren.
20. Geef de definitie van het nationaal product.
Door de toegevoegde waarde van alle bedrijven en de overheid op te tellen van een bepaald jaar.
21. Aan welk begrip is dit gelijk?
Nationaal inkomen.
22. Waarom is dit zo?
Want als er waarde wordt toegevoegd dan wordt dat weer uitgekeerd aan de productiefactoren.
23. Wat is identiteit?
Een noodzakelijke gelijkheid.
24. Waaruit bestaat het nationaal product?
De som van de toegevoegde waarde van alle bedrijven in een land in een jaar.
25. Waaruit bestaat het nationaal inkomen?
De som van de beloningen van de productiefactoren in een land in een jaar.
26. Wat is welvaart?
De mate waarin de bewoners van een land in hun behoefte kunnen voorzien.
27. Geef 2 voorbeelden van materiële goederen.
- Huizen
- Auto’s
28. Geef 2 voorbeelden van immateriële goederen.
- Onderwijs
- Toneel
29. Wat is schaarste?
- Wanneer je er een prijs voor moet betalen.
- Wanneer een productiefactor wordt opgeofferd.
30. Wat hebben schaarste en welvaart met elkaar te maken?
Des te kleiner de schaarste des te groter de welvaart.
31. Waarom hoeft een stijging van het nationaal inkomen niet samen te gaan met toename van de welvaart?
Het kan ook leiden tot luchtvervuiling. En die negatieve effecten kunnen weer leiden tot een daling van de welvaart.
32. Noem 2 problemen die het streven naar meer welvaart met zich mee brengen.
- Behoeften nemen toe
- De productie kan positieve neveneffecten hebben, maar ook negatieve.
33. Wat zijn externe effecten?
Doen zich voor als het streven naar welvaart van de 1 onbedoeld invloed uitoefent op de welvaart van een ander.
34. Geef een voorbeeld van een positief en een negatief extern effect.
Negatief: lawaai, dat is de buurt zijn last.
Positief: fraai gebouw, buurt krijgt meer aanzien.
35. Wat is het verschil tussen welvaart in ruime zin en welvaart in enge zin?
De welvaart in ruime zin houdt ook rekening met de beschouwing.
36. Noem 2 vormen van onbetaalde arbeid.
- vrijwilligerswerk
- huishouding
37. Wordt deze vorm van toegevoegde waarde in de officiële statistieken meegenomen?
Nee, wordt niet betaald dus er vindt geen registratie plaats.
38. Wie behoren tot de beroepsgeschikte bevolking?
Alle mensen tussen de 15 en 64 jaar.
39. Noem 4 groepen die wel tot deze leeftijdscategorie behoren maar zich niet beschikbaar stellen om betaald werk te verrichten.
- Vrouwen uit de huishouding.
- Onderwijs volgers.
- Arbeidsongeschikte.
- Vervroegd gepensioneerde.
40. Wat verstaan we onder beroepsbevolking?
Alle personen tussen de 15 en 64 jaar die beschikbaar zijn om betaald werk te doen.
41. Welke twee kanttekeningen kunnen bij het begrip beroepsbevolking worden geplaatst?
- Mensen die minder dan 12 uur per week doen.
- Mensen die niet meer dan 12 uur willen werken.
42. Hoe bereken je de participatiegraad?
Participatiegraad is beroepsbevolking / beroepsgeschikte bevolking * 100%.
43. Noem drie oorzaken van verschillen tussen werknemers.
- Opleiding
- Ervaring
- Talent
44. Hoe heet de prijs van de productiefactor kapitaal?
Interest
45. Laat aan de hand van een voorbeeld zien waarom dit zo is.
Als je geld stort op een bank ontvang je als beloning aan het einde van het jaar.
46. Geef de volledige definitie van het begrip kapitaalgoederen.
Goederen die niet bestemd zijn voor consumptief gebruik maar om anderen producten te produceren.
47. Geef de definities van de twee soorten kapitaalgoederen die wij onderscheiden.
Vaste = Goederen die meer dan 1 productieproces meegaan.
Vlottende = Goederen die maar 1 productieproces meegaan.
48. Geef twee voorbeelden van vaste kapitaalgoederen.
- Gebouwen
- Machines
49. Welke twee vlottende kapitaal goederen onderscheiden we?
- Voorraden grondstoffen en halffabrikaten.
- Voorraden eindproducten.
50. Geef de definitie van investeren
Het aanschaffen van kapitaal goederen.
51. Geef een voorbeeld van een investering in vast kapitaal.
Als een bedrijf een nieuwe machine koopt.
52. Geef twee voorbeelden van een investering in vlottend kapitaal.
- Voorraad grondstoffen aanleggen.
- Eindproducten in voorraad nemen.
53. Wanneer spreken we van een diepte investering?
Als het aantal arbeiders gelijk blijft maar dat de productie stijgt door een investering.
54. Hoe bereken je de arbeidsproductiviteit?
Arbeidsproductiviteit = waarde van de geproduceerde goederen / benodigde hoeveelheid arbeid.
55. Geef een voorbeeld van een diepte-investering.
Eerst is er 1 boot voor 50 personen en dan nu boten voor 75 personen.
56. Beredeneer of een stijging van de arbeidsproductiviteit tot een toename of een afname van de loonkosten per eenheid product leidt.
Afname, want als de arbeidsproductiviteit procentueel meer stijgt als het salaris.
57. Noem vier mogelijke gevolgen van de stijging van de arbeidsproductiviteit.
- Daling kosten per eenheid product.
- Bezuiniging op productiefactor arbeid.
- Prijsdaling.
- Winst en lonen verhogen.
58. Geef de definitie van kapitaalintensiviteit.
Hoeveelheid kapitaalgoederen per eenheid product.
59. Wat is de definitie van een breedte-investering?
Een investering waarbij de kapitaalintensiviteit niet verandert.
60. Geef een voorbeeld van een breedte-investering.
Er worden meer boten verkocht waardoor totale productie wel toeneemt maar de arbeidsproductiviteit niet.
61. Wanneer zal een bedrijf overgaan tot een diepte investering?
Als productiefactor arbeid te duur is.
62. Geef de definitie van afschrijvingen.
Geven de in geld uitgedrukte waarde daling van kapitaalgoederen weer.
63. Noem vier elementen van de productiefactor natuur en licht ze kort toe.
- Klimaat.
- Milieufactoren.
- Natuurlijke hulpbronnen.
- De geografische ligging van land of regio.
64. Wat verstaan we onder duurzame ontwikkeling?
Een manier van produceren waarbij het milieu zo min mogelijk wordt aangetast.
65. Op welke drie dingen komt duurzame ontwikkeling in de praktijk op neer?
- Zuinig mogelijk gebruik.
- Vermijden van milieuvervuiling.
- Duurzame vormen van energie gebruiken.
66. Noem twee redenen voor het maken van winst.
- Nemen van risico’s.
- Doorvoeren van innovaties.
67. Noem twee voorbeelden van risico’s die een ondernemer neemt.
- Hij moet de juiste producten laten maken.
- Zorgen voor genoeg machines en arbeiders.
68. Wat is de definitie van innovatie?
De ontwikkeling en succesvolle introductie van een nieuwe of verbeterde goederen, productie of distributieprocessen.
69. Noem drie voorbeelden van innovaties.
- Stoomlocomotief
- Auto
- Lopende band
70. Wat verstaan we onder de managementfunctie binnen een bedrijf?
De leiding geven bij een bedrijf.
71. Hoe waren de risico en management vroeger bij een bedrijf en hoe in de moderne onderneming?
Vroeger: 1 man zorgde ervoor dat de productiefactoren bij elkaar kwamen en nam een risico.
Nu: De aandeelhouders lopen het risico en professionele managers zorgen voor het productieproces.
72. Wie lopen dus het risico bij de moderne ondernemingen en op welke manier?
Aandeelhouders, als het minder gaat met een bedrijf dan worden de aandelen minder waard.
73. Waarom wordt de productiefactor arbeid tegenwoordig gemeten in arbeidsjaren?
Er zijn tegenwoordig ook parttime banen.
74. Noem twee mogelijkheden waardoor de factor arbeid kan worden verbeterd.
- Scholing
- Ervaring
75. Hoe kan de factor kapitaal worden verbeterd?
Ontwikkelen van nieuwe technieken.
76. Geef en voorbeeld waardoor de factor natuur kan verbeteren en een waardoor deze kan verslechteren.
Beter: Drainage
Slechter: Luchtvervuiling
77. Hoe kan de ondernemersactiviteit worden verbeterd?
Efficiënter organiseren.
78. Geef een synoniem van het woord “hoeveelheid”?
Kwantiteit
79. Kan er in de economie een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen de korte en de lange termijn? Leg uit!
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.