Geschreven door: | Chantal van Broekhoven & Bart Gossen (6 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 15 maart 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 5.800 |
Bekeken: | 8043 keer (13 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Inhoudsopgave
Inleiding 3
H1 Organen van de Europese Unie 4
1.1. De Raad van de Europese Unie / De Raad van Ministers 4
1.2. De Europese Commissie 6
1.3. Het Europees Parlement 8
1.4. Overige belangrijke instanties 10
1.5. En dus... 11
H2 De Europese Unie en haar relatie met de nationale overheden 12
2.1. Indamming macht Europese Unie 12
2.2. Toename invloed 12
2.3. Europese regelgeving 12
2.4. Soorten bevoegdheden 13
H3 De beleidsterreinen van de Europese Unie 14
3.1. Inleiding 14
3.2. Landbouwbeleid 15
3.3. Monetaire beleid 15
3.4. Mededingingsbeleid 16
3.5. Sociaal beleid 16
3.6. Ontwikkelingsbeleid 17
H4 De Europese Unie en haar beleidsterreinen in de toekomst 19
4.1. De Europese Conventie 19
4.2. Noord-Zuid Uitbreiding EU West-Oost 19
4.3. De Euro in Oost-Europa 20
4.4. Pools vlees in de supermarkt 20
Conclusie & Eigen mening 21
Bronnenlijst 21
Logboek 21
Inleiding
Sinds de oprichting van de Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS) in1952 is Europa een van de meest welvarende regio’s van de wereld geworden.
Het doel van de EGKS was een economisch en politiek stabiele markt te vormen. De EGKS is inmiddels opgegaan in de Europese Unie (EU) en na uitbreiding in de loop der jaren bestaat deze organisatie nu uit 15 landen. Omdat de EU zich bezighoudt met het economische en politieke reilen en zeilen van de 15 lidstaten, binnenkort 25, is de EU heel belangrijk.
In deze Praktische Opdracht gaan we in op wat en wie de EU is, wat haar macht is, waarover de EU beslist en tot slot hoe de EU zich in de toekomst zal gaan ontwikkelen.
Op de vraag waarover de EU beslist, hebben we als antwoord 5 beleidsterreinen uitgekozen. Dit is een bewuste keuze van ons geweest, waarbij we hebben gelet op de hoeveelheid geld die aan die 5 beleidsterreinen wordt besteed.
Veel leesplezier,
Chantal van Broekhoven & Bart Gossen
De Organen van de Europese Unie
De Europese Unie (EU) kent vele organen die allerlei verschillende invloedssferen hebben, op verschillende manieren macht kunnen uitoefen en op verschillende manieren zijn samengesteld. In dit hoofdstuk gaan we in op die organen, de poppetjes die erbij horen en hoeveel invloed ze hebben.
Dit hoofdstuk delen we in naar paragrafen, waarin we in elke paragraaf als titel een orgaan hebben. In de subparagrafen gaan we in op het orgaan, de poppetjes en de invloed.
1.1. De Raad van de Europese Unie / De Raad van Ministers
1.1.1. De Raad van de Europese Unie / De Raad van Ministers
De Raad van de Europese Unie ofwel De Raad van Ministers vormt samen met de Europese Commissie en het Europees Parlement de zogenaamde institutionele driehoek. Verder heeft de Raad soms ook een uitvoerende taak.
De Raad zoals we hem verder maar zullen noemen is het hoogste orgaan van de EU, hier worden knopen doorgehakt en beslissingen genomen met een diepe nationale impact. Deze beslissingen gaan veelal over 3 pijlers: Buitenland en Veiligheidsbeleid, Europese Gemeenschappen en Politieke & Justitiële Samenwerking.
Qua beslissingsbevoegdheid is zij dus het hoogste orgaan en daarom ook veel verantwoording schuldig aan de achterban, de burgers van de EU. De leden van de Raad kunnen hun eigen regering ook bindende maatregelen opleggen.
In de Raad wordt over allerlei deelterreinen beslist (circa 15) en is daarom verantwoordelijk voor al het beleid wat wordt gemaakt binnen de EU, maar ook naar regeringen buiten de EU is de Raad gesprekspartner.
De voorzitter van de Raad is geen persoon, maar een land. Hier komen we later op terug.
1.1.2. De personen
Het beleidsterrein waarover vergaderd wordt bepaald de samenstelling van de Raad. De samenstelling is dus telkens anders, één ding is wel zeker: De nationale regeringen zijn constant vertegenwoordigd in de Raad door middel van een minister. Als de Raad praat over het buitenlands beleid, dan is de minister van Buitenlandse Zaken vertegenwoordigd. Zo is bij een vergadering over landbouwgewassen de minister van landbouw aanwezig. Elke lidstaat is vertegenwoordigd in de Raad, want iedereen mag een minister afvaardigen.
De vergaderingen worden voorgezeten door een land wat om toerbeurt (om de 6 maanden) wisselt. Juli – december 2002 was het Denemarken, komend 1ste halfjaar is het Griekenland. De voorzittende lidstaat is verantwoordelijk voor de compromissen die gesloten worden als er weer eens een verdrag wordt gesloten.
De voorzittende lidstaat wordt bijgestaan door een secretaris-generaal die ook verantwoordelijk is voor het buitenlands veiligheidsbeleid. Dit is Javier Solana.
Zoals bij alle vergaderingen waar knopen worden doorgehakt beschikt de minister vaak niet over kennis, het zijn dan ook ambtenaren die zitting nemen in voorbereidende vergaderingen en al overeenstemming proberen te bereiken met andere ambtenaren. Deze ambtenaren zijn de permanente vertegenwoordiging en dus altijd in Brussel of Luxemburg te vinden.
1.1.3. De invloed
De Raad is het meest invloedrijke orgaan binnen de Europese Unie. Dit is te verklaren doordat hier alleen maar mensen inzitten met regeringsverantwoordelijkheid. Dus ondanks dat de Raad over sommige aangelegenheden maar 2x per jaar samenkomt, bereid zij toch het beleid voor, voor het Parlement en de Europese Commissie en neemt zij ook vaak het uitvoerende deel op zich.
De leden van de Raad kunnen hun eigen nationale regering bindend adviseren en dat is dan ook vaak niet al te prettig als er geen goede communicatie is of de belangen tegengesteld zijn.
Landbouwbeleid en Algemene Zaken (Veiligheid vaak) zijn de hot items binnen de Raad. Daarover vergadert de Raad dus dan ook veel frequenter (1x per maand) dan over bijvoorbeeld telecommunicatie. De Raad maakt dan doelstellingen voor de Europese Commissie, die de Europese Commissie omzet naar richtlijnen. Dus de output is misschien niet meteen merkbaar, maar indirect is het toch echt de Raad die bepaalt wat er op de agenda staat.
Als er dan eindelijk een voorstel op tafel ligt, moet er een gekwalificeerde meerderheid mee instemmen. De regel is dat 71% vóór moet zijn om een voorstel aan te nemen. Grote landen zoals het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland hebben 30 stemmen terwijl Luxemburg er maar 2 heeft. Nederland zit met 5 stemmen in de Raad.
1.2. De Europese Commissie
1.2.1. De Europese Commissie
De Commissie is ook weer een van 3 institutionele machten binnen de Europese Unie, maar daarbij is de Europese Commissie ook het dagelijks bestuur van de EU. Daarmee is de Europese Commissie het belangrijkste orgaan binnen de EU. De Commissie mag niet direct wetten uitvaardigen!
Haar taken zijn doelstellingen van de Raad omzetten naar richtlijnen en adviezen en wetsvoorstellen uitvaardigen aan de Raad en het Parlement die vervolgens weer terug gekoppeld worden naar de Commissie.
De Commissie is te vergelijken in Nederland met het kabinet, elke commissaris is verantwoordelijk voor een bepaald beleid (=ministerie).
De Commissie zit er voor de EU-burgers en niet voor de landen. Daarom bepaald het vooral zaken, waarvan de Commissie het gevoel heeft dat dit niet aan lokale autoriteiten overgelaten moet worden. Dit wordt ook wel het subsidiariteitsbeginsel genoemd. Voorbeelden zijn de tabakswetgeving en mededingingsbeleid over grensoverschrijdende fusies.
Er zijn 19 commissariaten te verdelen die te vergelijken zijn met een ministerie. Zo bestaan er onder andere Algemene Zaken, Handel, Economische en Monetaire Zaken, Ondernemingsbeleid & Informatiemaatschappij en Interne Markt. Ook is er een voorzitter, dit is momenteel de Italiaan Romano Prodi.
De samenstelling wisselt om de 5 kalenderjaren en dan komen er weer nieuwe commissarissen die geselecteerd worden op politieke bekwaamheid en hun politieke verleden in het land van herkomst. Vaak is een commissariaat een politieke benoeming.
De Commissie vergadert wekelijks op woensdag in Brussel en als het Europees Parlement vergadert in Straatsburg, Frankrijk, waar de Commissieleden aanwezig moeten zijn om op het matje geroepen te kunnen worden.
1.2.2. De personen
De voorzitter van de Europese Commissie, Romano Prodi, stelt een team samen wat de Commissie moet gaan vormen. De leden die hij kiest worden commissarissen genoemd en worden geselecteerd op hun politieke verleden en verdiensten voor het ‘vaderland’. Als de voorzitter 19 leden om zich heen heeft, gaan ze door de ballotage van het Europees Parlement heen die het vertrouwen moet uitspreken in de voorzitter en in de hele groep. Het Parlement kan alleen de hele Commissie naar huis sturen of goedkeuren.
Als het Parlement zijn fiat heeft gegeven aan de Commissie gaan de commissarissen aan de slag op hun eigen commissariaat. Er zijn 17 commissariaten te verdelen die lopen van Algemene Zaken, Gezondheids- en Consumentenbescherming, Uitbreiding, Interne Markt tot Mededingingsbeleid. Onze eigen Frits Bolkestein is verantwoordelijk voor de Interne Markt.
Ook hier binnen de Commissie worden de commissarissen uitgebreid ondersteund door ambtenaren, werkgroepen en allerlei deskundigen.
De Commissie wordt voorgezeten door de voorzitter en 2 vice-voorzitters.
1.2.3. De invloed
Aangezien de Commissie het dagelijks bestuur van de Europese Unie vormt, is het een invloedrijk orgaan. Zeker als we een paar voorbeelden gaan noemen waaruit blijkt hoe ver de invloed van een commissaris reikt.
Als grote bedrijven binnen de EU willen fuseren moeten ze altijd toestemming vragen aan commissaris Monti die verantwoordelijk is voor Concurrentiebeleid. De Italiaan Monti gaat dan met zijn ambtenaren kijken of de fusie de belangen van de consument schaadt (minder concurrentie dus mogelijk hogere prijzen) of dat een bedrijf op deze manier een monopoliebeleid kan gaan voeren.
Tijdens de uitbraak van het MKZ-virus gelastte commissaris Byrne de slachting van alle varkens die ook maar enigszins verdacht waren, ook is het de Ier Byrne die de rookreclames helemaal aan banden gaat leggen met ingang van 2005, waardoor vele miljoenen aan reclame-inkomsten voor diverse bladen en grote (sport)evenementen wordt misgelopen. Zo wordt er geen Formule 1 wedstrijd meer gereden in België, omdat die de richtlijnen van Byrne al in de wetgeving hebben gestopt.
Wat te denken van de uitbreiding van de Europese Unie met maar liefst 66,7% in één keer? Dit hele proces wordt begeleid door de Duitser Günter Verheugen.
De commissarissen worden door hun niet altijd even populaire beleidsvoornemens gehaat en geliefd door de consument, bedrijven en nationale politici.
De Commissie dient de beleidsvoornemens in als wetsvoorstellen bij het Parlement en de Raad. Daar worden ze bij goedkeuring omgezet in richtlijnen die in de nationale wetgeving verwerkt moeten worden. Daarin is de Commissie ook nog eens de controlerende factor en tikt nationale overheden of bedrijven op de vingers dmv fikse boetes als de uitvoer van het beleid naar de zin van de Commissie te lang op zich laat wachten of stapt naar het Europese Hof van Justitie.
Verder is de Commissie woordvoerder voor de EU als er over een bepaald beleidsterrein wordt gesproken. Zo zal Bolkestein het woord voeren namens de EU als het over de Interne Markt gaat.
De besluiten die worden genomen, kunnen met een gewone meerderheid worden genomen. De resultaten moeten gedragen worden door de hele commissie.
1.3. Het Europees Parlement
1.3.1. Het Europees Parlement
Het Europees Parlement is het laatste stuk van de zogenaamde institutionele driehoek. Het Europees Parlement is daarnaast ook het controlerend orgaan binnen de Europese Unie en is ook het enige orgaan waar de burgers van de EU direct medezeggenschap over hebben door middel van directe verkiezingen.
Het Europees Parlement (EP) zetelt voor haar gewone maandelijkse vergaderingen in Straatsburg (die worden bijgewoond door de Commissieleden), voor aanvullende vergaderingen, die 2 weken in beslag nemen, in Brussel (zie foto) en het secretariaat zetelt in Luxemburg. Voor fractievergaderingen wordt de overgebleven week in Brussel gebruikt.
Taken van het EP zijn aanvaarden of afwijzen van wetsvoorstellen die zijn ingediend door de Raad van Europa of de Europese Commissie, het controleren van de Europese Commissie en het eventueel naar huis sturen van de Commissie door een motie van wantrouwen.
Het EP bestaat uit 626 leden en wordt voorgezeten door een gekozen voorzitter, nu is dat de Ier Pat Cox.
1.3.2. De personen
De 626 leden zijn net als in Nederland naar politieke kleur onder te verdelen. Nationaliteiten vallen weg in het EP, je schrijft je in naar je politieke kleur voor één van de, met een mooi woord, transnationale fracties. In het EP zijn 7 fracties te onderscheiden die grofweg neerkomen op de politieke kleuren in Nederland en de bestaande partijen in Europa;
Fractie van de Europese Liberale en Democratische Partij,
Fractie van de Groenen in het Europees Parlement,
Fractie van Verenigd Europees Links/Fractie van Noords Groen Links,
Fractie van de Unie voor een Europa van Naties,
Fractie van Europa van Democratieën en Diversiteiten,
Fractie van de Europese Volkspartij.
Deze personen worden gekozen volgens het geldende verkiezingssysteem in hun eigen land en zijn evenredig in het EP vertegenwoordigd.
1.3.3. De invloed
De macht van het Europees Parlement is moeilijk aan te geven. Gevoelsmatig zou je zeggen dat het Parlement te vergelijken is met de Tweede Kamer, maar dit gaat niet helemaal op. Dat zal blijken na het lezen van deze paragraaf.
Het Europees Parlement moet bij de goedkeuring rekening houden met de Raad van Ministers. Zijn deze 2 instanties niet akkoord met een wetsvoorstel zoals dat van de Europese Commissie is afgekomen, vindt er beraad plaats en moet er een gemeenschappelijke ontwerptekst komen. Er zijn dus 2 organen met de laatste stem.
Het Parlement heeft vaak alleen maar een adviesbevoegdheid die zich uit in het zogenaamd amenderen. Dat wil zeggen dat er aanvullingen komen of opmerkingen met een verbeterde versie van een stuk wetgeving.
Het Europees Parlement heeft zoals al eerder is opgemerkt een stem in de samenstelling van de Europese Commissie. Dit belangrijkste orgaan kan alleen bestaan bij de gratie van het Parlement. Die moeten goedkeuring verlenen aan de samenstelling van de Commissie.
Grootste voordeel is dat het Parlement rechtstreeks is gekozen door de burgers van de EU en daardoor in een soort regiepositie komt. Het Parlement kan nu zeggen, wij zijn benoemd door de Europese bevolking.
We kunnen concluderen dat het EP weliswaar wel macht heeft, maar het van de 3 bovengenoemde de minst machtige is. Het Parlement moet, in tegenstelling tot de Tweede Kamer, vaak overeenstemming hebben met de Raad en de input voor het EP moet komen van de Commissie. Er liggen vooral adviserende taken op het bordje van het Europees Parlement.
1.4. Overige belangrijke instanties
Om de EU draaiende te houden bestaan er naast de 3 bovengenoemde instituten ook nog kleinere instanties. In het kort zullen we deze belichten.
1.4.1. De Europese Centrale Bank
Op economisch vlak is de Europese Centrale Bank (ECB) het belangrijkst. Met de invoering van de Euro en de monetaire unie is dit in Frankfurt gevestigde instituut dé bank van Europa. De ECB is voorzitter van het Europees Stelsel van Centrale Banken waar alle nationale centrale banken van de lidstaten zijn aangesloten. Het dagelijks bestuur van de ECB is in handen van de directie onder leiding van de Nederlander Wim Duisenberg. Beoogd opvolger zou Jean-Claude Trichet (zie foto rechts) zijn, maar deze Fransman ligt onder vuur in verband met een grootscheepse boekhoudfraude met Crédit Lyonnais, zeker is al wel dat het een Fransman wordt die het stokje van Duisenberg (zie foto onder) over zal nemen.
De positie van voorzitter van de ECB is een van de belangrijkste in de wereld. In de wereld komt na de FED (de Amerikaanse centrale bank) de ECB en de ECB is dus een grote speler in de wereldeconomie. Taken van de ECB zijn zorgen voor een stabiele Euro, versoepelen van het betalingsverkeer, vaststellen van de rentetarieven, de geldhoeveelheid (bij)sturen en een stabiel prijsniveau voor de burgers bewerkstelligen dus de inflatie beteugelen. Het is zeker niet de taak de economie aan te laten trekken, dit is een taak / verantwoordelijkheid die nog steeds bij de nationale regering ligt. Daar komen we op een heikel punt, de E(S)CB is totaal onafhankelijk en mag niet om advies vragen aan de regering maar ook niet beïnvloedt worden door de nationale regeringen.
1.4.2. Het Hof van Justitie
De Europese Unie heeft ook haar eigen rechterlijke macht, waar zowel instituten, lidstaten als burgers naar toe kunnen stappen om bezwaar aan te tekenen tegen wetgeving die al dan niet goed uitgevoerd of geïnterpreteerd wordt.
Gezeteld in Luxemburg kan het Hof straffen uitdelen als wetgeving of jurisprudentie van eerdere uitspraken niet of te langzaam wordt uitgevoerd, of als wetten in strijd zijn met elkaar of de belangen van de eisers in het geding zijn. Je hoort ook vaak dat burgers naar de hoogste rechterlijke macht stappen om hun gelijk te halen, dit wordt dan gedaan bij het Hof van Justitie.
Recente voorbeelden van zaken bij het Hof zijn de zaak Turkije tegen Abdullah Ocalan, waarin werd gevraagd om Turkije op de vingers te tikken over een mogelijke doodstraf of de Franse staat die op het strafbankje moest zitten vanwege vermeende martelingen door de politie. De straffen worden uitgesproken in de vorm van arresten, vaak boetes of bindende maatregelen die te maken hebben met wetgeving die aangepast moet worden en zijn dan vaak een publieke vernedering voor de lidstaten.
In het kort zijn er de volgende mogelijkheden:
Beroep wegens niet-nakoming van wetten (Commissie tegen lidstaat of een lidstaat tegen een andere lidstaat);
Beroep tot nietigverklaring (klopt de wet wel of is deze in strijd met andere wetten?);
Beroep wegens nalaten (tegen Parlement, Raad of Commissie);
Beroep tot schadevergoeding (tegen EG-instellingen of -personeelsleden);
Verzoek om nadere uitleg van de wetgeving zoals die door de EU is gemaakt (na verwijzing door nationale rechter);
Hoger beroep nadat dit door lagere (nationale) rechtskamers is afgewezen.
Het Hof van Justitie bestaat uit 15 rechters die voor 6 jaar worden benoemd door de lidstaten en 8 aanklagers die advocaten-generaal worden genoemd.
1.5. En dus…
Nu zijn de belangrijkste organen toch wel genoemd die het bestuur vormen en controleren. Natuurlijk zijn er nog veel meer agentschappen voor onderwijs, zeevaart en luchtvaart enz maar ook nog een Rekenkamer en Europol, maar deze zijn niet van dien aard om in dit rijtje genoemd te worden.
Na deze paragraaf kunnen we concluderen dat de Europese Commissie het belangrijkst is, omdat de EC het dagelijks bestuur is. De ECB is onmisbaar voor de eenheid van de EU die uitgedrukt wordt door de gemeenschappelijke munt: De Euro. Het Europees Parlement dwarrelt daar tussenin en dat is toch wel enigszins zorgwekkend. Dit is namelijk het enige direct gekozen instituut maar moet veel taken en rechten delen met de Raad. Het zou pas echt een democratie worden als het Parlement meer te zeggen zou krijgen.
H2 De Europese Unie en haar relatie met de nationale overheden
2.1. Indamming macht Europese Unie
Er is wel een discussie gaande betreffende de macht van de verschillende instanties. De EU is niet bepaald democratisch, aangezien de invulling van belangrijke posities niet door de burgers wordt beslist. Er zijn mensen die pleiten voor een indamming van de macht van de EU. Zij vinden dat een aantal zaken beter op nationaal of regionaal terrein behandeld kan worden. Er zijn immers grote verschillen tussen de landen van de EU. De EU heeft ook al bewezen niet erg efficiënt te zijn. Vaak duurt het erg lang voor er richtlijnen uitgevaardigd zijn. Bij grote problemen is dit natuurlijk erg vervelend.
Duitsland is bijvoorbeeld al lang voorstander van indamming van de macht van de EU. Dit komt vooral door de nogal zelfstandige delen van Duitsland, die niet willen dat Brussel alles voor hen bepaald.
2.2. Toename invloed
De invloed van de EU op de nationale beleidsterreinen is fors toegenomen. Tot begin jaren tachtig waren de gevolgen van de Europese beleidsterreinen vooral merkbaar op terreinen als landbouw, visserij en vervoer. Tegenwoordig worden we op vrijwel ieder beleidsterrein geconfronteerd met de Europese regelgeving. Bekend voorbeeld daarvan is het beheer van de Waddenzee door de EU.
2.3. Europese regelgeving
De kern van de Europese regelgeving is terug te vinden in de Verdragen, zoals het Verdrag van Amsterdam. Naast deze Verdragen zijn er ook Richtlijnen en Verordeningen. Verordeningen en Verdragen hebben een rechtstreekse werking. Dit betekent dat een EU-burger naar de rechter kan stappen als bijvoorbeeld een eis die gekoppeld is aan een vergunning in strijd is met de vrij verkeer van goederen of kapitaal. Overheden hebben een eigen verantwoordelijkheid wat betreft de uitvoering van de verordeningen en verplichtingen uit de Verdragen. Bij de Richtlijnen is het anders geregeld. De Richtlijnen moeten eerst worden omgezet in Nationale Wetgeving.
Dit betekent dus dat de EU veel macht heeft over de nationale overheden. De lidstaten moeten zich immers houden aan alle Europese regelgeving. Met de uitbreiding zijn er echter wel wat aanpassingen nodig. De verschillen tussen de EU lidstaten zullen door de uitbreiding ook groter worden. Daarom achten veel mensen het nodig dat de EU minder bevoegdheden krijgt. Zo kunnen problemen die zich maar in een paar landen voordoen op nationaal of regionaal niveau aangepakt worden en dat werkt een stuk beter.
2.4. Soorten bevoegdheden
De EU beschikt over drie soorten wetgevende bevoegdheden: exclusieve (de nationale overheden zijn hun bevoegdheid dan helemaal kwijt), concurrerende (EU en nationale overheden delen de macht) en aanvullende (de EU ondersteunt de nationale overheden).
Het monetaire beleid is een goed voorbeeld van een exclusieve bevoegdheid. De meeste bevoegdheden van de EU zijn echter concurrerend. Voorbeelden daarvan zijn het landbouwbeleid, mededingingsbeleid, sociaal beleid, migratie, vrijheid van verkeer van goederen, personen, kapitaal en dienstverlening. Dit jaar is er door de Europese Conventie beslist dat de bevoegdheden van de EU vastgelegd moeten worden in de Verdragen en dat alles wat niet in die Verdragen staat onder de bevoegdheid van de nationale overheden valt.
H3 Beleidsterreinen van de EU
3.1. Inleiding
In dit hoofdstuk gaan we in op de vraag waarover de EU invloed heeft. In de inleiding is al opgemerkt dat we hebben gekozen voor 5 terreinen op basis van de hoeveelheid geld die erin gestopt wordt.
3.2. Landbouwbeleid
In het verdrag van Rome (1957) zijn de volgende doelstellingen vastgelegd, die nagestreefd moeten worden door de EU aangaande de landbouw:
• Van landbouw een gemeenschappelijke markt maken en de handel in landbouwproducten uitbreiden;
• Het bevorderen van de productiviteit in de landbouw;
• Verzekeren van een redelijke levensstandaard van de landbouwbevolking;
• Stabilisatie van de landbouwmarkten;
• Het veiligstellen van de voedselvoorziening;
• Redelijke prijzen voor gebruikers garanderen.
Deze doelstellingen zijn in de loop van de tijd niet veranderd, de manier waarop deze doelstellingen behaald moeten worden wel. Om alle boeren van een redelijk in komen te voorzien, heeft de EU minimumprijzen ingesteld. Dit is wat de boer minimaal krijgt. Als deze boer zijn goederen wil exporteren, krijgt hij subsidie.Omdat de boeren in de EU op kleinere schaal produceren dan andere landen in de wereld ligt de kostprijs in de EU hoger. Zonder subsidie zouden de Europese boeren dus niet op de wereldmarkt kunnen concurreren.
Bij import moeten er invoerrechten worden betaald, zodat de wereldmarktprijs op het niveau van de Europese marktprijs komt. Dit leidde tot overproductie, omdat het zo voor boeren gunstig was veel te produceren. Dus kwamen er overschotten en moest er ingegrepen worden. Boeren werd een maximum voor productie opgelegd, dit noemen we quota. Als een boer meer zou produceren zou hij een boete opgelegd krijgen of een superheffing moeten betalen over de teveel geproduceerde goederen. Boeren waren hierover erg boos, want eerder werden ze aangespoord te investeren in grotere productiecapaciteit en betere technieken en nu moest er weer gestreefd worden naar kleinschaligheid.
In maart 98 werden in Agenda 2000 veranderingen vastgelegd.
Een paar belangrijke veranderingen zijn:
• Minder prijssteun maar meer inkomenssteun;
• Steun voor plattelandsontwikkeling;
• Inkomenssteun koppelen aan milieueisen;
• Meer aandacht voor kwaliteit.
Deze veranderingen houden verband met de uitbreiding van de EU en de WTO -afspraken, die minder prijssteun en invoerrechten opleggen.
3.3. Monetair beleid
Het Europees monetaire beleid is er om er voor te zorgen dat de economie niet te snel of te langzaam groeit. Om daarvoor te zorgen, moet de geldhoeveelheid zich in het juiste tempo ontwikkelen. Het Europese monetaire beleid beslaat alleen de landen die lid zijn van de Economische Monetaire Unie en dit zijn de EU-lidstaten minus Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Zweden. Dit is op het kaartje hiernaast weergegeven. In de EMU zorgt de Europese Centrale Bank (ECB) voor het monetaire beleid.
Hoofddoel van het monetaire beleid is zorgen voor prijsstabiliteit. Om te zorgen voor stabiele prijzen, moeten landen voldoen aan het stabiliteitspact: er moet een begrotingsevenwicht of overschot zijn op middellange termijn en op korte termijn mag er een begrotingstekort zijn van maximaal 3% van het bruto binnenlands product.Wordt aan deze eisen niet voldaan dan moeten de landen een forse boete betalen.
Het monetaire beleid rust op 2 pijlers. De eerste is kijken naar de inflatie en bekijken wat de oorzaken daarvan zijn in de reële economie. De tweede pijler is de groei van de hoeveelheid geld in omloop in de Eurozone. Deze twee pijlers zijn uitgangspunt voor beslissingen die worden genomen ten aanzien van het rentebeleid. De monetaire politiek wordt met behulp van dit rentebeleid gevoerd. Het rentebeleid is erop gericht te zorgen voor een inflatie van hoogstens 2%. De groei van de geldhoeveelheid (M3) mag ten hoogste 4,5% bedragen.
De ECB moet de hoogte van de geldmarktrente sturen om haar doelstelling te halen. Door bijvoorbeeld de rente te verhogen, gaan mensen minder lenen en meer sparen, waardoor de bestedingsinflatie beperkt wordt. De ECB heeft invloed op de rente, omdat banken verplicht zijn de kasreserves bij de ECB onder te brengen en de rente van de ECB dus de rente van de banken beïnvloedt.
3.4. Mededingingsbeleid
Doel van het mededingingsbeleid is de concurrentie op de gemeenschappelijke markt te beschermen en verder uit te bouwen.
De basis voor het concurrentiebeleid wordt gevormd door het Europese Gemeenschap Verdrag (artikelen 81-89). De belangrijkste punten daaruit zijn:
• Verbod op overeenkomsten die de concurrentie beperken. Bedrijven mogen dus geen onderlinge prijsafspraken maken;
• Verbod op misbruik van machtspositie. Bijvoorbeeld door de producten heel erg duur te maken;
• Verbod op fusies en overnames die zorgen voor monopolie of machtsposities verbeteren. De fusieplannen van grote ondernemingen moeten voortaan aan de Europese Commissie worden voorgelegd;
• Liberalisering van sectoren met een monopolie;
• Het verbod op staatssteun: Overheden mogen binnen de EU geen verschil maken tussen eigen producten en importproducten.
Er zijn wel uitzonderingen. Het Midden en Kleinbedrijf (MKB) Nederland bijvoorbeeld hoeft zich niet aan alle voorwaarden te houden, omdat het weinig invloed heeft op de totale markt (minder dan 5% marktaandeel).
Dit zou ervoor moeten zorgen dat de concurrentieomstandigheden optimaal zijn. Concurrentie leidt tot lage prijzen, efficiënte productiemethoden en tot innovatie. Daardoor wordt de EU sterker ten opzichte van andere handelsblokken en daarom is dit een belangrijk beleidsterrein.
3.5. Sociaal beleid
In de verschillende lidstaten golden andere maatstaven voor arbeidsrecht en arbeidsomstandigheden. Daardoor waren de loonkosten niet gelijk. Daarom is men overgegaan op een gemeenschappelijk sociaal beleid.
Doelstellingen van het sociaal beleid zijn:
• Bevordering van werkgelegenheid;
• Betere leef- en arbeidsomstandigheden. De arbeidsduur mag bijvoorbeeld niet langer dan 48 uur per week zijn;
• Behoorlijke sociale bescherming;
• Communicatie tussen sociale partners;
• Ontwikkeling van menselijke hulpbronnen met het oog op een duurzame, hoge werkgelegenheid en de bestrijding van uitsluiting. Er zijn sociale programma’s voor bepaalde groepen. Zo zijn er stageprogramma’s voor jongeren en integratieprogramma’s voor gehandicapten;
• Gelijke behandeling voor mannen en vrouwen. Mannen en vrouwen moeten voor gelijke arbeid gelijke beloning ontvangen en moet gelijk behandeld worden in de sociale zekerheid.
Om dit te kunnen betalen, zijn er fondsen opgericht. Het Europees Sociaal Fonds is het belangrijkst. Daarmee is Nederland flink de boot mee in gegaan door het geld verkeerd te besteden. Ad Melkert was hier destijds verantwoordelijk voor en is daarover aangesproken. Nederland moet het teveel gebruikte geld helemaal terug betalen aan de Europese Unie.
3.6 Ontwikkelingsbeleid
Belangrijk voor het Europese Ontwikkelingsbeleid is het Verdrag van Lomé. Het eerste Verdrag van Lomé werd in 1975 getekend. Het verdrag kwam voort uit de behoefte van de Europese Unie en ontwikkelingslanden om gezamenlijk een ontwikkelingsbeleid te voeren voor de voormalige koloniën. De verdragsstaten beslaan het grootste deel van Afrika, met uitzondering van de Arabische landen en Zuid-Afrika. Ook aan aantal eilandengroepen in de Stille Oceaan en het Caribische gebied maken deel uit van de verdragslanden (ook wel ACS-landen genoemd waarbij de letters staan voor Afrika, Stille Oceaan en Caribische gebied). Zowel in bevolkingsomvang als in economische omvang zijn de zwarte Afrikaanse landen duidelijk het belangrijkste in het Verdrag van Lomé.
Op 29 februari 2000 is de Vierde Overeenkomst van Lomé (Stad in Togo, Afrika) verstreken. Op 23 juni 2000 is in Cotonou (Stad in Benin, Afrika) een nieuwe overeenkomst ondertekend. De overeenkomst heeft een looptijd van twintig jaar en zou iedere 5 jaar herzien kunnen worden. Het doel van het verdrag is de levensstandaard en de economische ontwikkeling van de ACS-landen te verbeteren en een nauwe samenwerking te verkrijgen. De belangrijkste doelstelling is uitroeiing van de armoede. Het Verdrag heeft zowel betrekking op ontwikkelingshulp als op handelsrelaties.
Regelingen van Lomé:
• Regeling van het handelsverkeer en commerciële samenwerking. De ACS-landen hoeven voor de meeste producten geen invoerrechten te betalen als ze producten naar de EU exporteren. Voor een aantal landbouwproducten geldt dit niet. Daar wordt het invoertarief alleen verlaagd. Een ander onderdeel is bescherming tegen daling van export-inkomsten.voor landbouwproducten geldt de zogenaamde STABEX-regeling en voor grondstoffen geldt de zogenaamde SYSMIN-regeling. Als de prijzen sterk dalen wordt er steun gegeven volgens de 2 regelingen;
• Industriële samenwerking. Er wordt bijvoorbeeld informatie gegeven over technologieën;
• Samenwerking in de landbouw. Bijvoorbeeld projecten voor geïntegreerde plattelandsontwikkeling of voor watervoorziening op het platteland;
• Culturele en sociale samenwerking. Bijvoorbeeld de rol van de vrouw, behoud van eigen cultuur;
• Rechten van de mens. Er is bij de Vierde Overeenkomst een bepaling bijgevoegd, die de hulp geheel of gedeeltelijk stopt als artikel 5 (Rechten van de Mens, Democratie, Rechtsstaat) overtreden wordt.
Ook is er hulp voor verbetering van de infrastructuur en de voedselvoorziening.
H4 De toekomst van de Europese Unie en haar beleidsterreinen
4.1. De Europese Conventie
Met de uitbreiding van de EU met Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechië, Slowakije, Hongarije, Slovenië, Cyprus en later ook nog met Turkije zal het beleid aangepast moeten worden. Heb je nu te maken met meer landen die inspraak willen, ook zal er geld van het beleid over meer landen verdeeld moeten worden.
De problemen die hierboven geschetst zijn, zijn natuurlijk al bekend. De EU heeft daarom een Europesese Conventie aangesteld onder leiding van de Franse oud-president Giscard d’Estaing (foto) waarin uit alle organen van de EU en nationale regeringen vertegenwoordigers zitten. Deze mensen zijn bezig met de ontwikkeling van de EU in de toekomst, aangepast aan de groter geworden EU dan, waarbij de geschetste problemen opgelost dienen te worden.
Vele proefballonnetjes en ideeën bereiken dan de media zoals een Europees Presidentschap waar de Fransen en Duitsers wel iets in zitten, terwijl de kleine landen onder leiding van Nederland daartegen lopen te protesteren.
Naast de Europese Conventie zijn er al meerdere processen gaande die de overgang van 15 lidstaten naar 25 zo soepel mogelijk moet laten verlopen. Er zijn een paar beleidsterreinen waar echt kritisch naar gekeken moet worden, ik noem dan met name het Europees sociaal beleid, het Europees monetair beleid en het Europees landbouwbeleid. Mededingingsbeleid en ontwikkelingsbeleid behoeven niet echt kritisch bekeken te worden, aangezien dit niet aan vele veranderingen onderhevig moet zijn als de eerder genoemde 3 beleidsterreinen.
4.2. Noord-Zuid Uitbreiding EU West-Oost
De kern van het Europees sociaal beleid wordt weergegeven door bovenstaande kop. Met deze titel willen we de geldstroom aangeven zoals die geldt voor de sociale fondsen. Het Noorden en Westen staat voor Nederland, de Scandinavische landen en andere rijke landen in West-Europa. Deze landen zijn zogenaamde netto betalers dat wil zeggen dat deze landen meer geld in de fondsen en aan contributie aan de EU betalen dan dat zij terugkrijgen. Daarentegen ontvangen Spanje, Frankrijk en Italië meer dan dat zij betalen aan de fondsen en dit zint ze wel.
Met de uitbreiding komen de verhoudingen anders te liggen. De EU zal veel geld moeten stoppen in de ontwikkeling van de 2de wereldlanden die bij de EU gaan horen. De geldstroom zal van het Westen naar het Oosten lopen. Dit is niet helemaal fair tegenover de Zuid-Europese landen die de taartstukjes steeds kleiner zien worden. Het is dan ook maar de vraag of de uitbreiding van de EU niet te vroeg plaatsvindt. Moeten we niet wachten totdat de Oost-Europese staten zich hebben ontwikkeld tot een meer gelijkwaardig niveau? Anderzijds kunnen we ook stellen dat als we nog langer wachten de economie in deze landen zal stagneren en al het geld wat er dan nog ingestopt moet worden veel minder waarde zal hebben.
Het is heel belangrijk dat de EU weet wat er met het geld precies gebeurt en alleen nog geld in die zaken stoppen waarin de nationale overheden ook meebetalen. Zo blijft het risico voor de EU lager dan wanneer de EU alles gaat betalen.
4.3. De Euro in Oost-Europa
De president van de Europese Centrale Bank de heer Duisenberg eindigt zijn toespraak over de Economische Monetaire Unie met de woorden dat de EMU pas voltooid is als alle of bijna alle lidstaten van de EU meedoen. Dit zal dan ook gelden voor de nieuwe lidstaten. Voor de nieuwe lidstaten is er nog een lange weg te gaan naar toetreding tot de Euro. De toelatingseisen voor de Euro aangaande inflatie, staatsschuld en begrotingstekort worden door bijna alle lidstaten niet gehaald. Slovenië is relatief gezien het enige rijke land wat op korte termijn zou toetreden.
Het wordt problematisch als de 10 landen daadwerkelijk toetreden tot de EU, maar niet tot de EMU. Dit zou betekenen dat er een hele grote markt is van 25 landen, maar waar wel nog met 14 valuta’s betaald moet worden. De Euro, de valuta’s van de 10 nieuwe landen en de valuta’s van de 3 landen die niet in de EMU zitten maar wel in de EU. Het wordt er niet overzichtelijker op en de transparante markt zal deels verdwijnen en plaats maken voor toch weer wisselkoersrisico’s.
4.4. Pools vlees in de supermarkt
Met de uitbreiding naar het oosten toe komen er veel landbouwlanden bij, waarbij vooral Polen niet vergeten mag worden. Polen is in staat om de hele productie van Nederland en nog wat kleine landen over te nemen, gezien de oppervlakte en stukken vee.
Met gigantische landbouwlanden erbij is het prijssteunend beleid onmogelijk te handhaven, er moet dan veel te veel uit de Europese geldpotten komen om al die eenheden productie te betalen. Die geldpotten worden in verhouding vooral gefinancierd door de rijkere landen zoals Nederland en Denemarken. Deze landen zijn dan ook voor een verandering in het beleid en zijn voorstander van het omzetten van prijssteunend beleid naar inkomenssteun voor de landbouwers.
Zoals op de site van het ministerie van Landbouw te lezen valt, is het huidige beleid houden een utopie. Het beleid op deze manier voortzetten zou gigantisch veel geld gaan kosten. Daarom is de EU in 1999 al begonnen met onderhandelingen over nieuw landbouwbeleid.
Dan is er nog een angstig gevoel wat maar moeilijk weggenomen kan worden bij de al bestaande landbouwlanden in de EU. Zij zijn bang dat de markt overspoelt zal worden met goedkopere producten. Prijsvechters zijn de Polen, Litouwers en Esten, door lage loonkosten kan er goedkoop geproduceerd worden en worden de bestaande, duurdere, producten uit de markt geduwd. Het is dan ook zaak voor de EU om toch wel regelgeving aangaande hoeveelheden en prijs te maken. Er moet voor gewaakt worden dat dit niet leidt tot protectionisme. Protectionisme zou het andere uiterste zijn.
Conclusie en eigen mening
Al met al kunnen we nu concluderen dat de Europese Unie een uitdijend fenomeen is met veel macht. Het is zaak dat Nederland niet alle bevoegdheden weggeeft. Je raakt op deze manier cultuur en je eigen nationale identiteit kwijt. Het is toch van de zotte dat Nederland niks meer te zeggen heeft over bijvoorbeeld de Waddenzee? Positief is wel dat de EU een grote markt is geworden en daardoor veel kansen biedt aan studenten en bedrijven om zichzelf te ontplooien zonder begrensd te worden door grenzen en formaliteiten. In dat opzicht is de EU bijzonder succesvol, ook al was haar doelstelling een stabiel economisch en politiek klimaat te ontwikkelen. Als de EU straks zonder steun van de Amerikanen de onlusten op de Balkan zou kunnen doen stoppen, zou de EU ook naam maken als vredesstichter en kan de EU streven naar een echt veilig Europa waar vele culturen naast elkaar kunnen en mogen leven.
Bronnenlijst
Ministerie van Landbouw, Brochure Landbouw en de wereld;
De Europese Unie, de website van de Europese Unie en dan Instellingen,
www.europa.eu.int;
De Europese Unie, de Europa Directlijn, een gratis telefoonnummer voor de EU-burgers met vragen over de Europese Unie, 0 0 8 0 0 – 6 7 8 9 10 11;
De website van het RFV,
http://www.rfv.nl/rob/teksten/adviezen/samen98.html#11;
Landelijke Werkgroep Economie Onderwijs, Lesbrief Europa.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.