geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Bij klassieke muziek moet je niet aan je grijze oma denken, maar aan YouTube. 5 tips van Lucas en Arthur Jussen.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

jannet (6 vwo) [meer]

Datum ingestuurd:

18 februari 2004

Taal:

Woorden:

3.750

Bekeken:

5462 keer (8 deze maand)

Waardering:

4.0/5 (31 stemmen)

Deel op:

  • Door haleh op 09-05-2004
    hoi jannet, super goede samenvatting! ik vroeg me af of je misschien ook van de andere hoofdstukken (2,3,4 en na 6.2)een samenvatting had. groetjes, haleh
Deugdethiek Hf 1, 5, en 6 (§ 1 en 2)

Deugd= Dispositie + praktisch inzicht + bijdrage tot welzijn
Deugd= De kwaliteit die nodig is om een bepaalde praktijk op excellente manier uit te oefenen.

HOOFDSTUK 1

§1 De plaats van de ethiek binnen de filosofie

Het is van belang te beseffen dat ethiek een filosofische wetenschap is want:
1 De filosoof wordt afgerekend op zijn denken en zijn argumenten daarvoor, niet op zijn handelen, ook zijn uitspraken over ethiek moet je daar ook op beoordelen.
2 Ethiek in twee opzichten praktische filosofie: met betrekking tot haar object (praxis: het menselijk handelen) en met betrekking tot haar doel (het gaat in het nadenken over de praxis om de praxis, de handeling zélf). De ethiek denkt na over de moraal, ze is een normatieve discipline.
3 Ethiek is altijd verwant met andere vormen van filosofie, zoals antropologie en sociale filosofie. Kant zei: filosofie is wat is de mens?
-wat kan ik weten (epistemologie)
-wat mag ik hopen (godsdienstfilosofie)
-wat moet ik doen (ethiek)

§2 De plaats van deugdethiek binnen de ethiek/welke vraag stelt de deugdethiek?


Deugdethiek kun je zien als een bepaalde benadering in de ethiek, in verschillende ethische theorieën wordt erover gesproken. De ene theorie geeft er meer aandacht aan dan de andere maar dat hangt af van hoe men de ethische vraag (hoe moet ik handelen) interpreteert.
Verschillende benaderingen in de ethiek kun je als volgt onderscheiden:
-hoe beantwoordt men de ethische vraag, (handelen is een doel of een moeten)
-aan welk criterium wordt de kwaliteit van handelen vastgesteld (consequentie/intentie)
-naar welk aspect van handelen gaat de meeste aandacht uit (moreel/rationeel)
-welk aspect van moraal staat centraal
Er zijn twee manieren om ethiek te benaderen:
-wat moet x doen; het gaat dan om regels/normen, wat heb je gedaan, wat kun je doen
-hoe moet x leven; het gaat niet om handelingen, maar om het leven als geheel, hier staan eerder idealen centraal dan regels, hoe geef je (samen)leven het beste vorm, vanuit welke houding handel je?
De deugdethiek als benadering binnen de ethiek past het beste bij de tweede manier van vragen. Op vragen van de eerste soort kan ze niet rechtstreeks antwoorden.

§3 Over de praxis


Ethiek richt zich vooral op het handelen van het individu. Omdat we ethiek eerder beschouwen als ‘hoe moet ik leven’, spreken we van praxis, liever dan van handelen.
Poièsis is handelen dat je kunt opvatten als maken. Timmeren, schrijven, het doel van de activiteit ligt buiten de activiteit zelf.
Praxis heeft zijn doel binnen de handeling liggen. Het gaat dan bijv. om voetbal spelen. Een praxis heeft heeft regels, die je niet zomaar kunt veranderen. Ze zijn intern aan de praktijk. Niet alleen wat je doet, maar ook hoe je het doet en hoe je ervaart, aanvoelt en reageert op wat er gebeurt is onderdeel van de praxis.

§4 Over de morele praxis

Wanneer is een handeling moreel goed of slecht?
1 Poièsis en praxis zijn met elkaar verweven. De meeste handelingen hebben beide aspecten. Timmeren heeft niet alleen de tafel als doel, maar is ook een activiteit die je op zekere manier kunt uitoefenen. Ook vereist poièsis praxis en omgekeerd. Je kunt niet voetballen zonder dat je schoenen hebt gekocht en het baantje dat je daarvoor hebt neem je omdat het je aantrekt.
2 Het leven als geheel is een praxis die alle andere activiteiten omvat. Het doel ervan bestaat niet in iets wat aan de activiteit leven uitwendig is, dan zou je kunnen ophouden met leven als je je doel bereikt hebt. Het doel van leven bestaat in de realisering of voltrekking van dat leven op een bepaalde (goede) manier. De regels van leven zijn afhankelijk van wat een gemeenschap, cultuur en tijd als menselijk leven ziet.
Een activiteit is moreel (goed of slecht) wanneer en voorzover die deel uitmaakt van de omvattende praxis van het leven, zich voegt naar (of ingaat tegen) de daaraan inherente regels en bijdraagt (of afbreuk doet) aan de realisering van het daaraan inherente doel. Dit betekent niet dat we alleen hele levens kunnen beoordelen, maar we beoordelen concrete praktijken alleen dán wanneer hij deel uitmaakt van het leven als geheel.
3 Moreel is niet per se als sociaal op te vatten. Het gaat in de praxis niet alleen om het effect daarvan op anderen. Dat wil niet zeggen dat het in de deugdethiek alleen om het eigen leven gaat want:
-Het eigen leven is niet los te maken van dat van anderen. Jouw leven is niet geslaagd als dat van mensen om je heen niet goed gaat.
-De deugd is een excellente en optimale uitoefening van de praxis van het leven. Binnen het leven heb je de praktijken club, werken, spelen feesten etc. die zijn alleen in combinatie met anderen uit te oefenen.
-Met ‘het eigen leven’wordt niet per se het leven van het individu bedoeld. Zo mogen we daar nu over denken, maar in een andere cultuur/gemeenschap/tijd kan dat anders ingevuld worden.

HOOFDSTUK 5


De deugdethiek is bij uitstek een concrete ethiek. Je beschrijft eerst goede wijzen van handelen, dan maak je patronen die je deugden noemt en dan volgt daaruit begrip van wat een deugd is.

§1 Twee manieren om deugden te formuleren: Aristoteles

In plaats van van het abstracte naar het concrete te gaan kun je dus beter van het concrete naar het abstracte gaan. Je zou allerlei voorbeeldfiguren op kunnen noemen en bepalen wat je daaraan voorbeeldig vindt. Kracht, sportiviteit, humor, beheersing… daaruit formuleer je dan deugden. Aristoteles heeft dit ook gedaan. Moed is een voorbeeld. Aristoteles, Van Aquino en wij hebben allemaal een verschillend beeld van een moedige persoon. De overeenkomst is dat ze weten hoe te handelen in geval van gevaar. Ze maken het juiste onderscheid tussen roekeloosheid en lafheid)
Aristoteles maakte onderscheid tussen intellectuele deugden (wijsheid en verstandigheid) en karakterdeugden.
Verder is er -moed (roekeloosheid en lafheid)
-matigheid (overmatige bevrediging en ongevoeligheid)
-vrijgevigheid (spilzucht en gierigheid)
-grootsheid (gepronk en krenterigheid)
-ambitie (eerzucht en gebrek daaraan)
-bedaardheid (opvliegendheid en gelatenheid)
-vriendelijkheid (vleierij en norsheid)
-geestigheid (lolbroekerij en humorloosheid)
-schaamte (verlegenheid en schaamteloosheid)
-verontwaardiging (afgunst en leedvermaak)

§2 Kardinale deugden

Plato formuleerde deze vier deugden:
-moed/dapperheid
-matigheid/bezonnenheid
-rechtvaardigheid
-verstandigheid
Rechtvaardigheid is wellicht de meest gecompliceerde deugd. Ze heeft niet alleen betrekking op de houding van de mens maar ook op de orde binnen de samenleving. Ze kan betekenen: volgens de wet; maar ook: dat wat gelijkheid realiseert. Ze kan in het tweede geval distributief (verdeling naar verdienste) en correctief/commutatief (vergoeding van schade, verwisseling) zijn.
Volgens Plato is er een sterke parallellie tussen de structuur van de samenleving en de psychische structuur van de mens. Hij laat die als volgt zien:
regeerder hoofd verstand-verstandigheid soldaat hart wil-moed werker buik begeerte-matigheid
Rechtvaardigheid is de wijze waarop deze onderdelen geordend zijn en blijven.

Thomas van Aquino heeft deze vier deugden ook gebruikt om de anderen te organiseren. Je kunt volgens hem dingen op drie manieren verdelen: naar noodzakelijke bestanddelen, naar soort en naar uitwerkingen.

Zo kun je matigheid verdelen in:
Bestanddelen schroom en eergevoel
Soort onthouding, nuchterheid, kuisheid, maagdelijkheid
Uitwerkingen zelfbeheersing, mildheid, zachtmoedigheid en bescheidenheid.

En rechtvaardigheid verdeel je in:
Bestanddelen vermijden kwaad en doen van het goede
Soort distributief en commutatief (vrijwillig en onvrijwillig)
Uitwerkingen eerbied, toewijding, gehoorzaamheid, dankbaarheid, vriendelijkheid, billijkheid. Alles waarmee je iemand recht doet ;-)

Verstandigheid, tenslotte:
Bestanddelen ervaring, inzicht, vindingrijkheid, vooruitziendheid, behoedzaamheid
Soort in eigen en familiezaken, in militaire en politieke kwesties
Uitwerkingen welberadenheid, oordeelsvermogen en inzicht

Je hebt verder nog de deugden zachtmoedigheid, humor, vriendschap, nederigheid, eenvoud, beleefdheid, trouw, edelmoedigheid, tolerantie, reinheid, compassie, barmhartigheid.

§3 Deugden van de wil


Naast intellectuele deugden (onderricht en oefening) en karakterdeugden (opvoeding en aard) bestaat er nog een derde categorie naast denken en streven: willen dit is rationeler dan voelen maar kiest toch uit mogelijkheden en is daarmee ook geen denken. In de eerste ethiek had willen niet echt een vaste plek en daarom heeft dit een sterk intellectueel karakter. Goed doen kon je leren, je kunt inzien wat goed voor je is. Maar dat je iets anders zou kunnen willen is niet bij hen opgekomen.

Augustinus zei: je weet hoe je moet leven maar je doet het niet. Denken botst dus met voelen en dat komt door de wil. Als christen zag hij dat als oorzaak voor de zonde. Het kwaad is dus geen vergissing, maar een product van de wil. De wil kan dus kwaad zijn, maar ook goed. Goede wil is volgens velen zelf het enige dat echt goed kan zijn, intellectuele deugden kunnen namelijk ook in dienst van het kwade gebruikt worden. Maar je moet het goede dus niet alleen kennen, maar ook willen. De kern van de deugd ligt in de wil. Maar hoe kun je de wil zó veranderen dat die een goede wil wordt? Volgens Tinus kan je dat niet zelf, maar ben je daarin afhankelijk van God. Zo is de deugd een genadegave.

Thomas zegt: de deugd is van zichzelf gericht op het goede. Maar hij heeft hulp van buitenaf nodig om van het goede voor zichzelf over te stappen naar het goede voor anderen en naar het goed dat boven mensen uitgaat. De eerste stap neem je door dwang van de wet en heet rechtvaardigheid, dat primair op de ander gericht is. De tweede stap neem je naar en door het goed, God. Die deugd (geloof, hoop en liefde) is theologaal, je ontvangt hem.

Comte beschrijft de liefde in drie delen: eros, het verlangen naar wat je mist
philia, de wederkerige gemeenschappelijkheid of vriendschap
agapè, de belangeloze liefde, onnutig en irrationeel deze toont zich in naastenliefde en vergeving

Descartes beschreef hoe we ons moeten verhouden mbt passies. Passies zijn gevoelens die in ons worden veroorzaakt zonder dat we daar meester over zijn. We kunnen wél het oordeel dat in die passies zit zo correct mogelijk maken en we kunnen zorgen dat we ons er niet door laten meeslepen.
Jaloezie veronderstelt dat de ander meer succes heeft en dat dat nastrevenswaardig is. Je kunt dat met intellectuele deugden toetsen en corrigeren en vervolgens beslissen of je ook (daar ligt volgens Descartes de kern van de deugd) wilt streven. Hij leidt hieruit af dat de centrale deugd generositeit is; de achting van jezelf als keuzebekwaam wezen.

§4 Immanuel Kant


Kant achtte het onmogelijk dat er iets ‘zomaar’ goed zou zijn, behalve de goede wil. Hij vindt de deugdethiek vanuit moreel oogpunt verdacht. Dit zien we aan de punten van Aristoteles:
-de deugd is de manier om gelukkig te worden als je niet bent geïnteresseerd in je geluk kun je dus niet moreel beoordeeld worden.
-de deugd is de kwaliteit waarom iemand wordt geprezen maar hoe kan je beoordelen of een houding/handeling terecht geprezen wordt als de lof de reden is voor je beoordeling?
-deugd is een kwaliteit die ontstaat door oefening/vorming van natuurlijke vermogens
je kunt dus groeien in morele kwaliteit, maar een beetje je plicht doen is onmogelijk en de deugd is je plicht
-de ethiek van de deugd is een ethiek die het verlengde is van het menselijke verlangen
volgens kant zou de morele plicht ook van ons eisen tegen ons verlangen in te gaan
Volgens Kant begint morele plicht met ons geweten. Iedereen herkent de vraag: wat moet ik doen? Dat wat je moet doen is niet onmogelijk, je moet iets doen wat binnen je macht ligt. Je moet je willen besturen. Als je dat doet, wil dat niet zeggen dat wat je nastreeft ook werkelijk gebeurt, maar je kunt wel kiezen óf je iets nastreeft. Je kunt geen inhoudelijke omschrijving geven voor wat je moet kiezen, je kunt niet zeggen ‘dat wat x gelukkig maakt’ of ‘dat wat men wil’ het maakt je afhankelijk van het slagen van de invulling van de plicht. Er is wel een richtlijn voor hoe je moet kiezen.
Dat wordt óf bepaald door iets/iemand buiten je, óf door jezelf. De eerste mogelijkheid valt af want je kunt niet zeggen dat je kiest voor wat je niet kiest. Je moet dus zelf kiezen en daarbij afzien van wat je aantrekt of afstoot. Je moet dus rationeel kiezen. En dat is: zo kiezen als elk ander redelijk wezen ook zou kiezen. Redelijkheid is immers voor iedereen gelijk. Zo is deugd datgene in de wil dat zal kiezen voor de plicht.

§5 Natuurlijke deugd

De plicht staat tegenover de natuur, hij zal, hoe geoefend ook, nooit natuurlijk worden. De natuur is ook een relatief begrip: hij is veranderlijk, zowel in tijd als in plaats. Daarom is de plichtethiek begrijpelijk, hij is universeel.
Toch is dat voor Hume geen reden om zich eraan te onderwerpen. Volgens hem heeft de mens van nature sympathie en kan hij daarom anderen beoordelen op ‘goede’ karaktertrekken. Daarom noemen we die karaktertrekken deugden. Het is die kwaliteit die aangenaam is voor, of waarmee wordt ingestemd door iedereen die haar waarneemt of zich voorstelt. De juiste opvoeding leidt tot juiste deugden en als iedereen ‘goed’ wordt opgevoed zijn bepaalde deugden (rechtvaardigheid) niet meer nodig.
Nietzsche plaatst de deugd buiten de moraal. Hij vindt dat de deugd van de mens een kuddedier maakt. Hij onttrekt hem aan zijn natuur. Als de mens dus terug moet naar zijn natuur, geldt dat ook voor de moraal. Volgens Nietzsche is de natuur van zichzelf een moreel goede orde. We moeten dus naar onze aard leven om deugdelijk te leven.
Machiavelli. Deugd betekent oorspronkelijk perfectie, voortreffelijkheid. Aanvankelijk is dat niet strijdig met de morele betekenis, maar door emancipatie van de mens en natuurkundige ontdekkingen groeit de betekenis van het begrip uit elkaar. Het Italiaanse Virtù kan dus betekenen: morele deugd en kracht/effectiviteit van handelen. De vorst moet in bezit zijn van beide vormen om het volk de eerste vorm op te leggen.

HOOFDSTUK 6

§1 Matigheid en zorg voor het milieu

In ethische discussies wordt gepleit voor een andere, meer verantwoordelijke omgang met het milieu. Daar zijn een aantal argumenten voor, die ook problemen oproepen.
1 De natuur is niet alleen gebruiksmateriaal; ze is ook een intrinsieke waarde. Dat betekent:
-haar waarde is niet afhankelijk van de vraag of ze al dan niet op waarde wordt geschat. Ze eist van ons dat ze op waarde wordt geschat, omdat we niet om haar waarde heen kunnen.
-haar waarde is niet afhankelijk van wat je ermee kunt doen (brandstof, voedsel, ontspanning) maar staat op zichzelf los van alle nuttigheid.
Hierdoor heeft de natuur ook rechten. Je kunt ook spreken over het respect dat je aan de natuur verschuldigd bent.
>Op basis waarvan heeft de natuur recht? Rechten zijn óf door de mens verleend óf oorspronkelijk. De eerste soort is afhankelijk van de wil van de mens en kan dus beëindigd worden dus zou de natuur aanspraak moeten maken op de tweede soort. De mens heeft zulke rechten omdat hij een redelijk wezen is en redelijkheid alleen op redelijkheid gebaseerd kan worden. De natuur is geenszins redelijk en kan haar rechten dus ook niet claimen.

2 We hebben verantwoordelijkheid tegenover toekomstige generaties. Hierbij staat niet de natuur maar de mens centraal. De natuur is er volgens deze opvatting voor de mens maar dat betekent niet dat het moreel neutraal is hoe ze behandeld wordt. De bijbel spreekt dan over rentmeesterschap en verantwoordelijkheid tegenover de schepper, de seculiere versie is dat we de aarde in bruikleen hebben van onze kinderen. Iedereen heeft evenveel recht op natuur, we moeten er rechtvaardig mee omgaan.
>Waarom zouden we iets geven om de toekomstige generatie? Als we het utilisme navolgen moeten we doen wat nuttig is om zo geluk te bereiken. Maar in dit geval ligt dat nut buiten de grenzen van het individu en dus zal ook ons geluk niet bereikt worden. Waarom zou ik trouwens iets doen als iedereen om mij heen ook streeft naar eigen geluk?

3 De mens moet de maat van de natuur volgen omdat dat de juiste maat is voor menselijk leven. Het gaat dan niet om de waarde van de natuur of de solidariteitsplicht van de mens maar om de gelijkheid van de natuur aan het menselijke leven. Natuur en mens kun je niet meer tegenover elkaar stellen, als de mens tot volledige zelfontplooiing komt, geldt dit ook voor de natuur.
> waarom zou de natuur een maat hebben, de mens kan toch de grenzen van de natuur bepalen? Moet je eens kijken hoe vergevorderd we daarin als zijn?! De techniek haalt de natuur nog eens in.
PROBLEEM VAN HET PROBLEEM: deze visie gaat nog steeds uit van de tegenstelling tussen mens en natuur terwijl punt 3 juist streeft naar eenheid tussen die beide. De mens is dan zelf natuur en zoekt naar zijn grenzen.

Hoe benader je deugdethisch gezien het milieuvraagstuk?
De deugdethiek plaatst de mens en zijn welzijn centraal, niet de natuur. Maar omdat de mens deel uitmaakt van die natuur zal die toch betrokken moeten worden bij zijn zelfverwerkelijking. Het gaat dus om natuur en rede. De mens/de natuur ontwikkelt zich, hij moet tot bloei komen, slagen, gelukkig zijn. De vraag waarom deugd ‘moet’ is in dit geval niet meer van belang omdat het een natuurlijk iets is. De verwerkelijking van de mens houdt dan ook verantwoordelijke omgang met het milieu in,
-omdat dat onderdeel is van de natuur en dus de mens en
-omdat bij de bepaling wat voor je eigen natuur het beste is ook rekening zal moeten worden gehouden met je omgeving.

Deugd moet altijd ‘graag’ worden gedaan, ze komt immers voort uit een natuurlijk verlangen? Zolang we onder dwang moeten handelen zijn we nog niet tot volledige zelfverwerkelijking gekomen. Wanneer is dan een handelen goed? De deugdethiek verwijst hier naar voorbeeldfiguren: eerst word je in je opvoeding met dwang opgelegd hoe te handelen, vervolgens meet je jezelf af aan voorbeeldfiguren en dan leer je jezelf hoe het moet. In het geval van het milieuvraagstuk valt op dat de opvoedelingen zelf tot de opvoeders lijken te gaan horen: ze hebben vaak meer aandacht voor het natuurlijke milieu dan hun opvoeders. Aristoteles stelt dat de deugd altijd in het midden ligt van twee extremen. Maar deze regel is niet altijd toepasbaar. Je moet steeds weer de extremen bepalen. Als je kijkt naar het milieuvraagstuk kunnen verschillende deugden van grote waarde zijn. Daarom gaan we nu kijken naar de matigheid.
Dit is een van de kardinale deugden, waarschijnlijk omdat ze voor elke deugd bepalend is. Aristoteles beperkt in eerste instantie het gebied van de matigheid tot dat van de begeerte. Beheersing is gewenst op bijv. seksueel en drankgebied. (Toch zul je, als je matigheid zo op je eigen levensstijl toepast ook goed voor je omgeving zorgen)
Toch zien we nog twee andere interessante manieren waarop Aristoteles het begrip matigheid beschrijft: -matigheid is het midden tussen een teveel en een te weinig
-er hoort een juiste maat van lijden bij het missen van genoegens.
Als je dus de deugd van de matigheid juist toepast (naar het gegeven voorbeeld) zal je daarvan opbloeien. Wat is dus het midden tussen genot en pijn als we kijken naar ons omgaan met de natuur, met brandstoffen en dieren? Weegt zelfstandigheid wegens autobezit zwaarder dan de zeldzame planten in de straat? En is dat voor elke situatie hetzelfde?
Als we dus het milieuvraagstuk willen benaderen op deugdethische wijze moeten we dat doen vanuit onze eigen verlangens. En dan vooral die, welke gevoelig zijn voor mateloosheid, bijv. hebzucht en heerszucht. Als je werkt aan de mateloosheid van je verlangens zal je ook minder vraag hebben naar producten/diensten die de natuur schade toebrengen.
Van Aquino zegt: schroom is als ondersteunende deugd van matigheid de vrees voor een slechte daad. Schroom kan dus van geweldig belang zijn voor je houding tegenover de natuur. Dit geldt ook voor eervolheid, die voorkomt uit matigheid. Ook onthouding (bijv. op gebied van vlees-eten) is een deugd die de matigheid ondersteunt, mits ze niet voor eigen roem en met een opgewekt gemoed gebeurt.
Nuchterheid, kuisheid en maagdelijkheid zijn van minder belang, mildheid, zachtmoedigheid en bescheidenheid zijn wel weer erg goed. Je moet de juiste houding innemen tegen je tegenstanders en weten wanneer je de juiste maat in omgang met bijv. bodemschatten houdt.
Je kunt alleen dan werkelijk maatvol omgaan met de natuur als je op je hele leven matigheid toepast. Er is dan geen sprake van een beperking, maar de matigheid zou je juist gelukkiger maken.

§2 Tolerantie als deugd

Om van tolerantie te kunnen spreken, is onderscheid tussen een dominante groep en andere groepen vereist. Er moet dus sprake zijn van pluralisme. De grens tussen de groepen kan op vele manieren getrokken worden, je kunt beoordelen op geslacht, huidskleur, leeftijd, religie enzovoort.
Probleem: als de samenleving gelijke rechten toekent aan mannen en vrouwen, hoe kun je dan spreken van het tolereren van vrouwen? (er is immers geen gerechtvaardigd onderscheid meer…) hetzelfde geldt voor huidskleur, als je zegt dat je zwarten tolereert maak je je in feite schuldig aan discriminatie en racisme.
Je kunt dus alleen tolereren als je iemand gerechtvaardigd kunt onderscheiden van anderen. Maar als iemand in dit geval niet tolereert is hij niet schuldig aan wangedrag, hij maakt dan eenvoudigweg geen onderscheid.
Inzake religie is tolerantie niet zonder meer gegarandeerd. Een ieder is overtuigd van de juistheid van zijn levenswijze voor hem. Je zegt niet snel dat deze ook voor anderen de juiste levenswijze is. We zijn ons bovendien bewust van het feit dat we, geboren en getogen in een andere tijd/cultuur/gemeenschap overtuigd zouden zijn van de levenswijze die we nu bijna afkeuren (bijna, want we kunnen blijkbaar nog enige empathie tonen). Zijn we daarom pluralistisch, tolerant? Ben je intolerant als je vasthoudt aan de juistheid van je eigen overtuiging? Als je niet erkent dat er geen ware levenswijze bestaat?
Maar als elk verschil tussen levenswijze afhankelijk is van toevallige condities als tijd/cultuur/gemeenschap, waarom mogen we dan tolerant zijn. Er is dan sprake van onrechtvaardig onderscheid! Is een tolerante persoon dan iemand die tóch zijn leefwijze boven die van een ander plaatst? Zijn we er niet stiekem van overtuigd dat onze verdraagzaamheid de superioriteit van onze leefwijze aantoont? Maar als er geen waarheid is is deze ook niet waar. Als tolerantie dan zo nep is, en we ontdekken dat, worden we onverschillig. Wat kan het ons schelen dat er mensen zijn die anders leven/geloven? Het is toch allemaal toeval. Maar ook onverschilligheid is dan nep, omdat ze neerkijkt op hen die wél verschil maken. (en voelt zich dus superieur.) Als we dat ontdekken gaan we over op cynisme, we erkennen onze eigen oneerlijkheid.
Dus we hebben de keuze tussen cynisme en fanatisme? Nee, ook hier biedt de deugdethiek weer uitkomst. Zij probeert niet tegenstellingen te verzoenen, maar houdt het met hen uit. De echte betekenis van tolerare is namelijk dragen, verduren of uithouden. Het uithouden met ofwel de overtuiging die je afkeurt, ofwel de twijfel aan je eigen overtuiging. Want de echte tolerant is iemand die zijn eigen leefwijze niet als superieur wil zien, maar erkent dat er meer overtuigingen kunnen zijn. Het is de eigenschap te kunnen twijfelen aan het eigen gelijk. Tolerantie hangt dus samen met geduld en uithoudingsvermogen. Er is ook moed voor nodig. Er is dus binnen tolerantie geen sprake meer van onverschilligheid, maar van maximale interesse. Je moet een last op je durven nemen.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.