Geschreven door: | Klaas-Jan Fokkens (5 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 6 februari 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 900 |
Bekeken: | 1866 keer (1 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Uitwerking van de St. VithuskathedraalDe bouw van de St. Vithuskathedraal is begonnen op 21 november 1344.
De eerste steenhouwmeester van de kathedraal was Matthew van Arras.
Matthew richtte een werkplaats voor de kathedraal op die begon, volgens de instructies en plannen van Karel IV, een kathedraal te bouwen. Toen Matthew in 1352 stierf, stonden al negen gewelven aan de binnenkant van het schip overeind.
In 1352-1356, toen de werkplaats werd geleidt door de 23-jarige Peter Parler, zoon van de architect van de Gmund Kathedraal, ging de Praagse werkplaats door met het werk van de kathedraal volgens de ontwerpen en tekeningen van Matthew.
Peter Parler maakte de twee verdieping hoge sacristie aan de noordzijde af en ook de kapel van het Heilige Kruis aan de zuidzijde. Toen begon hij verder te bouwen volgens zijn eigen plannen en ideeën, natuurlijk volgens te gestelde eisen van de heiligen. De vloer van het schip, helemaal tot de plaats van het koor, inclusief de kapel van St. Wenceslas en de veranda daar aan vast, werd afgebouwd aan het eind van de 1360’er jaren.
In 1370-1371, volgens de orders van Karel IV, werd de façade van de veranda versierd met een mozaïek van het “Laatste Onderdeel” en, het volgende jaar, werden de binnenste muren van de kapel van St Wenceslas versierd met kleine stenen en muur schilderingen.
In 1373, onder de leiding van Parler, werd de plaats voor het koor afgebouwd en in 1374-1375 het triforium.
In 1373 werden de lichamelijke resten van de Premyslid prinsen en koningen verplaatst van de Romeinse basiliek van de Burcht naar de kapellen in het oosten van de kathedraal; van zes werden beelden gemaakt voor de graftombes (in de Saksen Kapel staan de graftombes van Premysl Otakar I en Premysl Otakar II; in de Keizerlijke Kapel Bretislav I en Spytihnev II; en in de Kapel van St. Jan de Baptist zijn Bretislav II en and Borivoj II begraven).
In 1392 legden Koning Wenceslas IV samen met Aartsbisschop Jan van Jenstejn de fundering van het schip. In 1396 werden de overblijfselen van St Adalbert geplaatst in de as tussen de eerste vier pijlers.
Van het werk van de Franse steenhouwmeester Matthew van Arras hebben acht gewelven aan de binnenkant van het schip het overleefd. Zijn werk is te onderscheiden van dat van Parler, door zijn scherpe werk, bijna ruw te noemen, bijna verticale beweging, vluchtige vormen en elegante slanke evenredigheid.
Parler zijn vormen lijken sculptureel te zijn gevormd (waarschijnlijk omdat, Parler ook een beeldhouwer en houtsnijder was), ze zijn vol van dynamiek, innerlijke spanning, onverwachte draaiingen en conflicten. Sculptuur is een belangrijke rol gegeven toen Parler aan de leiding stond van de constructie.
Een aantal erg vakkundige steenbewerkers en toekomstige steenhouwmeesters werden getraind in de werkplaats. Later vervulden ze Parler zijn ideeën, door de weg te openen voor de Late Gotiek voor het verloop van de volgende eeuw.
Peter Parler handigde de leiding van de werkplaats over aan zijn zoon Wenzel in 1397. Kort daarna, in 1398, verliet Wenzel Praag om in Wenen te werken aan de St. Stefan en de Praagse werkplaats werd overgenomen door een andere zoon van Parler, Johann. Van Johann zijn dood in 1406 tot de Hussitische Oorlogen werd de werkplaats geleidt door de meester Petrlik. Hij wordt behandeld in de geschreven aantekeningen tot rond 1440.
In de tijd dat deze die meesters aan de leiding stonden, werd doorgegaan met het werk aan het schip en de Grote Toren aan het zuiden werd afgebouwd.
Het werk werd menige keer onderbroken door de Hussitische Oorlogen en de werkplaats werd nooit weer helemaal de oude; meestal werd alleen wat dingen afgewerkt. De inrichting van de kathedraal, bestaande uit tientallen sculpturen en afbeeldingen, hebben de beeldenstorm van de Hussieten niet overleefd.
In Juni 1421 werd de burcht bezet door de Pragenaren en zij hebben een groot deel van de huisraad vernield. Tot Koning Vladislav Jagiellon, die de plannen van Karel IV voortzette, wed er niet een poging gedaan om verder te bouwen aan de kathedraal. Tot deze plannen behoorde de decoratie van het interieur, de bouw van een koninklijke kapel, beginnend werk aan de noordelijke toren, het leggen van meer fundamenten voor meer pilaren van het schip; en de decoratie van de kapel van St. Wenceslas met een rondgaande muurschildering die sloegen op het leven van de heilige.
Het bouwen, dat werd geleidt door Benedict Ried, schoot plotseling tekort, wat valt te wijten aan een gebrek van voorraad en de bijna complete absentie van de koning, die in 1490 de kroon van Hongarije aannam.
Uit de beschrijvingen van de schade veroorzaakt door het grote vuur in 1541, kunnen we bedenken hoe de Gotische kathedraal er op dat moment uitzag.
De Grote Toren aan de zuidkant was gebouwd tot een hoogte van circa 55 meter, op dat punt zou zijn vierkante vorm later achthoekig worden. Het uit drie delen bestaande schip was provisorisch overdekt met balken en planken. In dit deel, wat ook wel “Grote Kerk over het Graf van St. Adalbert” genoemd werd, waren de altaren al ingewijd en vonden de diensten al plaats.
De vuur van 1541 kwam de Kathedraal binnen via het houten dak en verwoestte het grootste deel van de inrichting en richtte grote schade aan de noordelijke toren en het midden van het driedelige schip. Na een aantal, meestal mislukt pogingen in een aantal opeenvolgende eeuwen, werd de kathedraal uiteindelijk afgebouwd in de jaren 1861-1929.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.