Geschreven door: | BalkzCCB (5 havo) |
Datum ingestuurd: | 5 februari 2004 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.000 |
Bekeken: | 23894 keer (299 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Hoofdstuk Transport
Opdracht 1:
1. Omdat de mens eigenlijk twee “onafhankelijke” bloedsomlopen heeft
2. In de kleine wordt zuurstof opgenomen, die gaat namelijk door de longen
3. De linkerharthelft pompt zuurstofrijk bloed weg
4. Omdat hij maar een enkele bloedsomloop heeft (bloed gaat geen 2 keer door het hart)
5. Zuurstofarm bloed
6. Die van de kamer, die moet het bloed door het hele lichaam pompen
7. Meer kracht (het bloed wordt 2x van het hart weggepompt)
Opdracht 3:
1. Plasma-eiwitten, water, glucose, koolhydraten en allerlei antistoffen
2. Vet kan worden omgezet (ze worden aan bepaalde eiwitten gebonden)
3. Water komt het meest voor, het minst zie je waarschijnlijk antistoffen
4. Eentje die gelijk is aan die van het bloed zelf, je wilt ten slotte niet dat het bloed kapotgaat (0,9%)
5. Het plasma
6. De vaste bestanddelen
Opdracht 4:
1. Hemoglobine
2. Ze kunnen zo makkelijker zuurstof opnemen (groter oppervlak membraan)
3. Het bloed bevat dan niet voldoende hemoglobine
4. Er wordt veel meer gemaakt dan normaal
5. Meer rode bloedcellen
6. De rode bloedcellen; anders zou je ze niet helemaal onderin vinden
Opdracht 5:
1. Ze zullen verschrompelen
2. Waarschijnlijk zullen ze na een tijdje openknappen
3. In de buizen 1 en 2 zichtbaar
4. De rode bloedcellen zijn daar kleiner
5. Nee; de cellen zijn kapot
6. Buis 1 is het laagst, buis 5 het hoogst
Opdracht 6:
1. Die neemt heel erg toe
2. Sprinters hebben maar heel even energie nodig, zuurstof speelt hier een minder belangrijke rol
3. Nee, als je in hooggelegen bieden traint neemt deze ook flink toe
4. Die krimpen allemaal
5. Je lijkt minder bloed bij je te hebben
Opdracht 7:
Rode bloedcellen Witte bloedcellen Bloedplaatjes
Wel of geen celkern wel wel niet
Plaats(en) van vorming rode beenmerg rode beenmerg hele lichaam
Aantal per ml bloed 5x10^9 5x10^6 5x10^8
Functie(s) vervoer zuurstof afweer bloedstolling
Opdracht 8:
1. Witte bloedcellen hebben geen vaste vorm
2. Door het afsterven van witte bloedcellen op plekken waar veel bacteriën voorkomen
3. Er zitten vaak nog levende bacteriën in
4. Die produceert teveel witte bloedcellen
5. Wondjes blijven open, de ratten zullen dus als het ware inwendig doodbloeden
6. Dan kan het bloed niet goed stollen
Verbanden tussen stofwisselingsniveau en hartslagfrequentie:
- Hoe groter het lichaamsvolume, hoe lager de frequentie van het hart
- Bij mannen is de intensiteit van de stofwisseling, dus ook van de hartslag, iets groter dan bij vrouwen
- Als je traint op uithoudingsvermogen, daalt je hartfrequentie
Opdracht 9:
1. Kransslagader
2. Wand aorta
3. Wand longslagader
4. Halvemaanvormige kleppen
5. Hartkleppen
Opdracht 10:
1. rechterboezem, rechterkamer, longslagader, longen, longader, linkerboezem, linkerkamer…
2. De kamers, die moeten het bloed door het hele lichaam pompen
3. De linkerkamer, die moet het bloed over een grotere afstand wegpompen
4. De kleppen hebben als functie het bloed van plaatsen te houden waar het niet hoort, waardoor de bloedsomloop verbeterd wordt
5. Bij de longslagader is de druk overal gelijk, er loopt op dat moment tenslotte nog maar een enkele ader
6. Het hart voorzien van voedingsstoffen en zuurstof
7. In de rechterboezem
8. In de linkerboezem
Opdracht 11:
Systole boezems Systole kamers Hartpauze
In welke richting stroomt het Bloed? in het hart weg van hart richting hart
Stand van de hartkleppen? open gesloten open
Stand van de halvemaanvormige kleppen? gesloten open gesloten
Opdracht 12:
1. Vlak na de systole van de boezems is het volume het grootst, vlak na de systole van de kamers het kleinst
2. Vlak voor de systole van de kamers
3. Vlak na de systole van de kamers
4. Eerst gaan de hartkleppen dicht; zo stroomt er zeker geen bloed terug
5. Je hebt 2 kamers die tegelijk werken
6. Je kleppen sluiten dan niet goed
7. Er kan bloed het hart in blijven stromen omdat de kleppen open zijn
Opdracht 13:
1. Hoe vaak iemands hart per minuut slaat
2. Niet het centraal zenuwstelsel maar de sinusknoop zorgt voor het kloppen van het hart
3. Een grafiek waarin je het hartritme af kunt lezen
4. De sinusknoop
5. De hoeveelheid bloed die door het hart per slag wordt doorgepompt
6. Gelijk aan
7. 4900cc per minuut, dus ongeveer 5 liter
8. Vergroting van de kamers
9. Kleiner en groter
Opdracht 14:
Slagaders Aders
Het bloed stroomt van het hart weg van de organen af
De bloeddruk is hoog laag
De wand is dik, stevig en elastisch dun, weinig elastisch
De bloedstroom is stootsgewijs regelmatig
Ze liggen meestal diep in het lichaam minder diep in het lichaam
Kleppen zijn vrijwel niet aanwezig vooral in armen en benen
Opdracht 15:
1. Helpen met het doorpompen van het bloed en het bieden van stevigheid
2. Die wordt hoger
3. Die neemt ook toe
4. Zuurstof kan zo makkelijker bij de organen komen
5. Ze werken met het trechterprincipe, wat zeggen wil dat het bloed er van de ene kant makkelijker doorgaat als aan de andere kant
6. Slagaders, aorta, haarveten, aders
7. Op slagaders staat een veel hogere druk, het bloed stroomt er dus ook sneller uit
8. Naar de hersenen
9. Je kunt zo makkelijker transpireren
10. Je hebt de zuurstof dan ergens anders nodig
Opdracht 17:
1. Alle vaten die bij de kleine bloedsomloop horen
2. Zuurstofarm; het komt van andere organen af die zelf ook al zuurstof hebben opgenomen
3. Via de poortader
4. Haarvaten, poortader, leverslagader, rechterboezem, rechterkamer, longslagader
5. Haarvaten, halsslagader, poortader, rechterharthelft, longslagader, longader, linkerharthelft, haarvaten, poortader, lever
Opdracht 18:
1. De lever
2. Een nier, een darm, de alvleesklier of de milt
3. Bovenste holle ader, onderste holle poortader, leverader, longslagader, leverslagader, poortader
4. 4, 2, 3 en 5
5. In de poortader
6. In de leverslagader
7. Het percentage is het gemiddelde van het bloedvolume van alle bloedvaten die daar bij elkaar komen
8. 3, 2, 4 en 1
Opdracht 19:
1. De bloeddruk is lager omdat de rechterkamer het bloed met minder kracht wegpompt
2. Bij a daalt de druk, bij b, c en d stijgt deze
3. De druk zal dalen; bloed stroomt weg
4. Hier kun je de druk het beste meten omdat er erg veel bloed doorheen stroomt
5. Omdat de slagader hier dicht aan het oppervlak licht
6. De overdruk is 120, de onderdruk 80
7. Nee, het bloed stroomt eigenlijk niet meer door
8. Op plaats 1; hier wordt het bloed niet meer geremd
9. Op plaats 3; hier kan nu weer makkelijker bloed langs
10. Op plaats 4
Opdracht 20:
1. Omdat de wanden, niet de aderen zelf, “verkalken” (en bovendien gaat het niet om aders maar slagaders)
2. Deze mensen hebben vaak last van verdunde aderen waardoor het hart harder pompen moet
3. Met bypasses kun je het bloed makkelijk omleiden
4. De vernauwing in de kransslagader wordt opgerekt
5. Vetarm (zo weinig mogelijk verzadigd) eten, meer sporten en niet roken
6. Het verlagen van de bloeddruk door de doorsnee van de kransslagader te verbreden
7. Hij rekt met een ballonnetje de wand van de kransslagader uit
8. De ader; anders krijg je het ballonnetje niet goed naar boven (stroming van het bloed)
9. Ongeveer 4%
10. Ongeveer 4% meer (dubbel zo groot)
Opdracht 21:
1. Het vervoeren van afval- en voedingsstoffen
2. De bloeddruk
3. Door osmose
4. De hoeveelheid vocht die uittreedt neemt toe en het verschil in osmotische waarde ook
5. De lucht kan geen vocht aantrekken, dat zou ook niet goed zijn want dan zou je niet kunnen ademen
6. Via de borstbuis en rechterlymfestam
7. De eiwitten zorgen ervoor dat het vocht terugstroomt naar de aderen
8. Het zuiveren van lymfe en het samenvoegen van de vaten
9. De lymfe “zuivert” de tatoeage en trekt de inkt aan
10. Lymfe
11. Ja; witte bloedcellen
Diagnostische toets:
1. B
2. D
3. C
4. C
5. B
6. A
7. B
1. C
2. B
3. C
4. B
5. D
1. B
2. D
3. D
4. A
5. C
1. Slagaders
2. Aders
3. Haarvaten
4. Slagader
5. Aders
6. Aders
7. Haarvaten
1. Juist
2. Onjuist
3. Juist
4. Onjuist
5. Onjuist
6. Juist
7. Onjuist
8. Juist
9. Juist
1. C
2. D
3. B
4. C
1. C
2. A
3. C
4. A
5. B
1. B
2. A
3. D
4. A
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.