ff n studiebreak

Maandag begint de nieuwe Weg Over Rozen! Hier vast al het tergende, romantische, schokkende, suïcidale en strontvervelende uit seizoen 1 op een rij.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

anoniem

Datum ingestuurd:

4 februari 2004

Taal:

Woorden:

3.500

Bekeken:

7147 keer (19 deze maand)

Waardering:

3.5/5 (63 stemmen)

Deel op:

  • Door Depicker op 18-06-2007
    Bij tekst 7.1,niet terwijl hij zijn zoon omhelsde, maar nadat
2.4 Lucius wil de wereld zien.
Er woonde eens in Campanië een jongeman die Lucius heette. Zijn vader was een edel man en hij overtrof alle buren in rijkdom. Hij bezat immers een mooi landgoed, wijde velden en zeer veel paarden en slaven. Hij gaf rijkelijke feestmalen die alle gasten zeer veel bevielen. Hij had immers een uitstekende kok die altijd nieuwe gerechten uitdacht. Bovendien werden vaak handelaars en reizigers door de vader van Lucius gastvrij ontvangen, die tijdens het feestmaal over hun avonturen vertelden.

Ook Lucius luisterde altijd naar de verhalen van de handelaars en reizigers en deze noteerde hij nadien met veel zorg in een boekje. Hij verlangde immers ook zelf grote reizen te maken en vreemde landen en steden te bezichtigen. Maar omdat hij roekeloos was en zich dikwijls onvoorzichtig gedroeg, mocht hij dit van zijn ouders niet voor het einde van het twintigste jaar. En zo wachtte Lucius met een ongeduldig hart op die verjaardag en intussen maakte hij alles klaar.

Dag na dag oefende hij zijn lichaam en ging paardrijden door de bossen en velden. Hij ging ook dikwijls bij zijn oude leraar en hij vroeg hem veel over volkeren en steden. Maar ’s nachts las hij in zijn boekje steeds weer opnieuw de avonturen van de gasten, totdat hij uiteindelijk in slaap viel.

3.3 Aglaea, het dienstmeisje van de tovenares
Milo's vrouw had een dienstmeisje, Aglaea heette ze. Ik beviel haar dadelijk.

Want reeds de volgende dag na het avondeten kwam ze naar me toe en zei:"Let op voor de kunsten van mijn meesteres!

Ze is immers een zeer machtige tovenares en ze aarzelt niet degene van wie ze niet houdt, te veranderen in gemene dieren.

Ze heeft zichzelf reeds vaak in een vogel veranderd en is weggevlogen. Tot ze zich heeft ingesmeerd met een bepaalde zalf.

"Maar wanneer ik dat hoorde, lachte ik en zei tot haar:"O, Aglaea, je hebt dit ofwel verzonnen ofwel gedroomd."

Maar zei sprak:"Ik heb dat verzonnen noch gedroomd, want ik heb het met mijn eigen ogen gezien.
Ze heeft immers zelf haar geheim aan mij verklapt, omdat ik haar moet helpen als ze haar menselijke gedaante terug wil aannemen.
Bij Jupiter, ik zweer het."

Toen geloofde ik haar en zei: "O allerliefste Aglaea, geef me van die zalf, ik zal je altijd dankbaar zijn."

Eerst wilde ze niet, maar ik drong aan en uiteindelijk overhaalde ik haar. Dat wat ik zo begerig vroeg, beloofde ze en ging weg.

2.7 De voorspelling.
Zeg mij, o heilige waarzegster: welk noodlot staat me te wachten? Zal ik een veilige reis doorheen alle streken van Italië maken? Zal ik rijk en gelukkig zijn?

"Luister naar Gods woorden, jongeman. Je zal gelukkig zijn, maar eerst ellendig.
Je zal trachten een vogel te zijn, maar je zal geen vleugels hebben.
Lange oren zullen je sieren, slechte mannen zullen je mishandelen.
Je zal een last van goud dragen, maar je zal nauwelijks zelf te eten hebben.
In Etrurië zullen allen die je zullen zoeken, ten onrechte zeggen:
‘We zullen die gemene dief grijpen, al moeten we het hele land doorzoeken!’
De liefde zal jouw reisgezel zijn, maar je zal niet trouwen met het meisje.
Jullie zullen tevergeefs voor een oude vrouw vluchten en op de rovers stoten.
De enige die de slaap zal geven, Morpheus namelijk, zal jullie helpen.
Hij zal de zekere dood verhinderen, hij zal aan jullie een gunstig lot geven."

In de war en onrustig verlaat Lucius de grot en hij denkt bij zichzelf:

‘Wat wil Sibylla? Ik wil wel een vogel worden, maar waarom word ik versierd met lange oren? En als ik een last van goud zal dragen, hoe zal ik dan voedsel missen? Waarom zullen ze me een dief noemen? Welk meisje zal weigeren met mij te trouwen? Voor welke oude vrouw zal ik moeten vluchten? Hoe zal ik geholpen worden door Morpheus? En welk gunstig lot zal die ons geven? Ik begrijp het niet, maar dit ene ding staat vast: ik zal niet naar huis terugkeren!’

3.5 Een jammerlijke vergissing Reeds de 3e nacht wekte Aglaea mij uit mijn slaap en zei gedempt:"Lucius, sta vlug op, want mijn meesteres heeft zich zojuist in een vogel veranderd en is weggevlogen. Dus alles is veilig. Haast je en kom met me mee en wrijf je met die zalf in."
En ik stond vlug op en samen met haar spoedde ik mij naar de kamer van haar meesteres.
Daar haalde Aglaea haastig uit een kast vol kruiken een bepaalde kruik te voorschijn, opende die en gaf ze aan mij. Met deze zalf begon ik mijn lichaam dadelijk in te wrijven.
Maar helaas, er gebeurde helemaal niet wat ik hoopte. Want ik kreeg geen pluimen of vleugels,
maar lange oren, grote lippen, een harde pels, hoeven en een staart. En ik was niet in een vogel veranderd maar in een ezel! En wanneer ze dit had gezien, riep ze wenend:
"Wee mij! Wat heb ik gedaan! Ik heb mij vergist! Ik heb me ellendig vergist! Mijn gejaagdheid en de gelijkenis van de kruiken hebben mij tot een vergissing geleid.Vergeef mij, O, vergeef mij, ongelukkigste Lucius! Maar wanhoop alstublieft niet, want er bestaat een gemakkelijk geneesmiddel: Het volstaat namelijk een roos op te eten, geplukt bij dageraad. En het is reeds middernacht. Bewaar nog gedurende een poosje je geduld!"
En zo hoewel ik uiterst woedend op haar was, besloot ik het geduld te bewaren en het daglicht af te wachten. Intussen trok ik me terug in de stal.

3.10 Pakezel van een bende rovers. Daar stond ik nog na te denken over de domheid van Aglaea, toen plots een grote bende rovers het huis binnendrong.Milo, die door hun tumult uit zijn slaap was gewekt, verdedigde met al zijn kracht zijn bezittingen. Maar na een lang gevecht doodden ze hem wreed en roofden zijn rijkdommen. Ze belaadden mij en mijn paard en ze leidden ons haastig naar de bergen.
Na een lange en moeilijke tocht bereikten we eindelijk hun kamp, waar een oude vrouw ons ontving, die scheen te zorgen voor de rovers en het. Toen bevrijdden de rovers mij en mijn paard van onze lasten en gaven ons hooi, dat ik met zeer lange tanden begon op te eten. Maar rond het tijd van het middageten kwam een tweede bende rovers het kamp binnen. Die sleepten een mooi meisje mee dat met luide stem kermde:
"O, jullie wreedaards! Waarom hebben jullie mij op de dag van mijn huwelijk ontrukt aan mijn ouders en mijn verloofde? Wat heb ik jullie misdaan?"
Maar zij lachten en één van hen zei:"Je hebt ons niets misdaan, liefste meisje, meer nog je hebt ons iets goeds gebracht. Want je ouders zijn rijk en ze zullen zeker en vast bereid zijn om een grote prijs te betalen voor je redding en je vrijheid."
En daarna sleepten ze haar het huis binnen en sloten haar daar op.

4.6 Het verhaal van de verspieder De nacht was eindelijk heengegaan en de zon was reeds begonnen alles met haar vrolijk licht te verlichten, maar voor mij was het uur van de dood nabij, toen plots een rover, die ik nog niet gezien had, het kamp binnenkwam. Allen liepen meteen naar hem toen zodra het stil was, melde zijn kameraden het volgende:
"Wat met het huis van Milo te maken heeft maak jullie daarover maar geen zorgen meer. Nadat jullie immers naar het kamp gegaan waren ben ik daar gebleven - zoals jullie mij opgedragen hadden - en heb ik de gesprekken van de burgers afgeluisterd. En bij Hercules, een zekere Lucius werd door allen voor de dader van onze overval gehouden. Die was namelijk enkele dagen tevoren Volaterrae aangekomen en had tot op de dag van de misdaad bij Milo gebleven. En een
onweerlegbare aanwijzing van de schuld van deze Lucius leek te zijn dat hij na de misdaad gevlucht was en nergens meer opgedoken was. Hij leek zijn paard meegenomen te hebben, maar zijn slaaf had hij daar achtergelaten. De burgers hebben deze gevangenen over zijn meester ondervraagd. Maar zelfs onder folteringen bleef de onschuld van zijn meester houden. Niettemin hebben ze die Lucius bij verstek ter dood veroordeeld en nu zoeken ze hem over heel Etrurië."

4.11 Vlucht naar de vrijheid.

De rovers waren eindelijk vertrokken en behalve de oude vrouw en het gevangen meisje bleef daar niemand achter. Ik echter dacht na over mijn dreigende dood en ik werd door geen kleine angst gefolterd. En aldus zij ik bij mezelf:"Wat sta je hier nog, Lucius? De rovers hebben je een wrede dood voorbestemd. Wanneer ze terugkomen, zullen ze je zeker doden. Waarom, terwijl het je nog is toegestaan, zorg je dan niet voor je redding? Er is immers voor jou een ruime gelegenheid tot vluchten, want de rovers zijn er niet. Of vrees je soms die oude vrouw, die je met één stevige trap van je poten kan vloeren? Als je vandaag niet vlucht, zal je nooit meer kunnen vluchten!" Ik bedacht deze dingen dus bij mezelf en ik besloot niet meer af te wachten. Met een snelle ruk brak ik de riem waarmee, ik was vastgebonden en in snelle vaart begon ik te vluchten. Maar toen de oude vrouw mij bevrijd zag, greep ze even snel mijn riem en trachtte me terug te leiden. Ik echter, denkend aan mij dreigende dood, vloerde haar met een trap van mijn achterpoten. Maar hoewel ze op de grond lag, bleef ze toch de riem vasthouden en liet ze zich voortslepen terwijl ze met luide stem de hulp van een sterkere hand afsmeekte. Maar er was daar niemand,behalve alleen dat meisje dat gevangen was. Die kwam onmiddellijk aangelopen en rukte de riem uit de handen van de oude vrouw. Vervolgens riep ze me met vleiende woorden terug en klom op mijn rug. Ik echter, die niet zozeer zin had om een meisje te bevrijden, maar vooral om mijn eigen leven te redden, vluchtte in pijlsnelle vaart weg uit het kamp. En mijn voeten dachten niet meer aan de pijn, en leken wel in vleugels veranderd te zijn.

6.3 Kussen en gefluister
Terwijl de rovers zich dus zat dronken met wijn, speelde Haemus met grote ijver de rol van de kok. Intussen echter, alsof hij bepaalde benodigheden zocht die hij nodig had om het feestmaal te bereiden, ging hij af en toe de plaats binnen waar ik en het meisje samen waren opgesloten, en hij bracht haar voedsel en wijn. En deze geschenken nam het meisje graag aan! Meer nog, ze gaf voor wat de rover haar schonk, gaf ze kusjes terug. Ook spraken ze met gedempte stem tegen elkaar, maar ik kon hun woorden niet opvangen, hoewel ik mijn lange oren zo ver mogelijk opspitste.

Daarom werd ik meer en meer boos op haar en viel ik bij mezelf uit tegen haar: Hé zeg, ontrouw meisje, vergeet jij zo gauw je verloofde en omhels je die gemene leider van de rovers? Knaagt jouw geweten dan niet en vrees jij Juno, de godin van het huwelijk niet? Of volstaat dit uiterst grote gevaar, waarin we tot nu toe nog altijd verkeren, voor je nog niet? Ik smeeek je, gebruik je verstand! Want wat zal er gebeuren als de rovers dit merken? O, menselijk geslacht, hoe bedrieglijk en trouweloos ben je!

En aangezien dit ene meisje zo gemakkelijk van haar verloofde naar een rover overliep, veroordeelde ik al heel het menselijk geslacht.

6.6 Wie is Haemus?
Maar terwijl ik bij mezelf op het meisje kwaad word, gaat Haemus opnieuw binnen en sprak met een iets luider stem weinig met haar. En ik stond heel verbijsterd. Want met mijn lange oren kon ik de woorden van het meisje opvangen: "O, m'n lieve Tlepolemus, probeer mij zo snel mogelijk hier vandaan te brengen!" Daarop zei hij: "Moed houden, allerliefste Charis, want alle gemene rovers zal je weldra gevangen zien. Dat beloof ik je. Ik heb immers een slaapwekkend drankje in hun wijn gemengd."

Goede goden! Dus die jongeman was niet Haemus, de leider van de rover, maar Tlepolemus, de verloofde van het meisje zelf, en ik had mij door zowel het meisje als het geheel menselijk geslacht te veroordelen mij als een echte ezel gedragen. Vervolgens bij zijn terugkeer naar zijn kameraden, hield de jongeman niet op met hun bekers te vullen met de slaapverwekkende wijn, totdat ze allen tot de laatste man als dood lagen. Dan knevelde Tlepolemus hen met zeer stevige boeien en hij bracht het meisje dat hij op mijn rug gezet had, haastig naar huis terug.

6.9 De triomfantelijke terugkeer
Bijna heel het dorp is naar ons toegegaan. Als eerste snelden de ouders van het meisje, verwanten, dorpsgenoten en slaven ons tegemoet, met blije gezichten vol vreugde. Ik stapte met omhoog gerichte oren en trotse stappen voort en met een stem zoals een trompet bracht ik veel geluid voort. En terwijl de ouders het meisje omhelsden en koesterden, ging Tlepolemus met een grote bende burgers en lastdieren naar het roverskamp terug.

Ook ik vergezelde hen, want ik verlangde heel erg de straf van de rovers te zien. We hebben deze nog altijd door wijn en boeien vastgemaakt teruggevonden. Eerst zijn alle rijkdommen uit hun kamp weggenomen en op de lastdieren gelegd, daarna zijn de rovers zelf deels in een dichtbijgelegen afgrond gegooid, deels door hun eigen zwaarden gedood.

7.1 Alexander en Bucephalus
Alexander, die later De Grote werd genoemd, was de zoon van Philippus, de koning van de Macedoniërs. In de verhalen die zullen volgen, zullen sommige van zijn minder bekende daden verteld worden.

Alexander vond van kinds af veel plezier in paarden en hij bestuurde hen met de grootste vaardigheid. Op een bepaalde dag bracht een handelaar een paard naar Philippus, dat buitengewoon was op het vlak van kracht en uiterlijk, en Bucephalus genaamd was en hij probeerde het paard voor een enorme prijs te koop bood. Daarom zijn de vrienden van koning Philippus afgedaald naar een open veld om de kwaliteiten van het paard te testen. Maar Bucephalus gedroeg zich zeer wild en hij wierp alle ruiters van zich af. Daarom lieten deze het paard achter als ontembaar en daardoor nutteloos.

Maar Alexander, die een kereltje van 16 jaar was zei: "Vader, zij spelen dat uitstekend paard kwijt omdat ze het niet kunnen temmen. Dus, als je het toestaat, zal ik het temmen." Waarop Philippus zei: "Zoon, als jij het paard kunt temmen zal ik het kopen en aan jou geven."

Alexander echter was de enige die had opgemerkt dat Bucephalus werd geschrokken door zijn eigen schaduw. En zo wanneer hij de teugels had vastgegrepen, draaide hij hem in de richting van de zon staan en kalmeerde hij hem een tijdje, door kop en zijn flank te strelen en sprak hem met zachte stem aan. Toen steeg hij plots op de rug.

Dadelijk begon Bucephalus met zijn voorste benen te steigeren en probeerde hij hem af te werpen. Na tevergeefse pogingen vluchtte hij, opgezweept door razernij, met grote snelheid weg. Alexander helemaal niet verschrikt, nam toch met een ijzersterke hand de teugels vast, totdat Bucephalus eindelijk, moe van het lopen, opnieuw wilde rusten.

En dan heeft Alexander dat gevierd en het paard met zweepslagen en zijn sporen gedwongen, begon door te lopen. Na dat lopen is hij, gebroken door het zware werk en totaal getemd, naar zijn vader teruggekeerd. Toen zei Philippus terwijl hij zijn zoon omhelsde: "Ga weg, mijn zoon! Zoek je een ander koninkrijk. Macedonië volstaat immers niet voor jouw moed."
Daarna heeft Bucephalus, altijd even wild, niemand nog gehoorzaamd buiten die ene Alexander. Nooit heeft Alexander in een veldslag een ander paard willen gebruiken. Tenslotte toen Bucephalus, verzwakt door zijn oude leeftijd aan de rivier Indus ziek werd, is hij daar gestorven. Op dezelfde plaats heeft Alexander een stad gesticht, die hij naar het paard, Bucephalus heeft genoemd.

7.7 Het ongeluksbad
Alexander ging, nadat hij die knoop in Gordia oplostte, in Cilicia naar Tarsum, die de hoofdstad van Cicila is en bezet deze. Door het midden van de stad loopt een rivier, die Cydnus heet, met helder maar tegelijk koud water.

Alexander ging, nadat hij die Gordiaanse knoop in losmaakte, naar Cilicia en bezette Tarsum, die de hoofdstad van Cicila is. Door het midden van de stad voert een rivier, die Cydnus heet, helder maar tegelijk koud water.

Dan was het zomer en snikkend heet. Alexander, vermoeid door de reis maar ook door de hitte, besloot een bad te nemen. Maar nauwelijks was hij in het water gegaan, of hij werd plots bleek en het leven scheen hem te verlaten. Daarom werd hij gelijkend op een dode weggedragen in een veldheerstent.

Maar er was tussen de dokters die het leger volgden een zekere Philippus, die ooit toen Alexander nog een kind was zijn oppas en werd kameraad. Die, wanneer hij hoorde over de ziekte van de koning, haastte hij zich bij hem en gu-ging niet meer weg van zijn bed.

De ziekte van de koning trof intussen het legerkamp met grote bezorgdheid. De soldaten weeklagen: "Want het gerucht deed de ronde dat Darius met een groot leger naderde. Terwijl de vijand nadert, wordt onze koning met een ellendige dood van ons weggenomen. Niemand van ons zal terug naar ons vaderland terugkeren."

Intussen na dat Alexander bijgekomen was, herkende hij de artsen en zijn vrienden en hoorde de soldaten terwijl ze weeklaagden in het kamp.

Hij vroeg naar het voorval met een zwakke stem. Hij zei tegen de dokters: "Onze situatie duld geen trage genezing meer toe. Gebruik dus nieuwe geneesmiddelen en overwin hiermee zo snel mogelijk mijn ziekte."

Maar de dokters zeiden: "Vergroot de gevaren toch niet, o koning. De geneesmiddelen die wij zelf nog niet getest hebben zijn voor ons nu terecht verdacht. Darius probeert immers de Macedoniërs zelf met geld om te kopen en ze aan te zetten om jou te doden. Heb daarom aub geen vertrouwen in die nieuwe geneesmiddelen. Vertrouw op liever op ons en op onze geneesmiddelen. We zullen doen wat we kunnen. Daarna gingen ze weg.

7.8 Vriend of verrader
Toen zei Philippus: "Na drie dagen, o koning, zal ik je een zeer krachtig en snelwerkend geneesmiddel brengen, die de kracht van de ziekte snel zal breken." En hoewel Alexander hem beval dat geneesmiddel sneller te brengen, wou Philippus niet en nadat hij Alexander had aanspoord tot geduld, is hij buitengegaan.

Nauwelijks was hij buiten, toen men bij Alexander een brief van Parmenion bracht, zijn allertrouwste leider, waarin geschreven was: "Gelieve vertrouw jouw reddinge niet toe aan Darius, want hij zal proberen je met gif te doden. Hij is immers met 1000 talenten omgekocht door Darius."

Door de brief was de koning heel erg in de war. Hij liet deze echter aan niemand zien maar hij verborg hem onder zijn hoofdkussen. Hij dacht bij zichzelf gedurende enkele dagen zeer vaak na: " Als Philippus het vergif aanbied aan mij en ik drink ervan, zal ik niet alleen door mijn schuld sterven maar zal ik ook mijn soldaten verliezen. Maar mag ik twijfelen over de trouw van Philippus?"

Op de afgesproken dag bracht een arts het geneesmiddel bij de koning. Terwijl deze (Alexander) in de ene hand hield de brief vast en met de andere hand dronk hij de beker uit; daarna vroeg hij Philippus de brief te lezen, intussen verwijderde hij zijn ogen niet van zijn gezicht. Maar Philippus riep wanneer hij de brief gelezen had, eerder verontwaardigt dan geschrokken: "Jouw welzijn, o koning, zal die misdaad overwinnen!"

Maar Alexander zei terwijl hij zijn rechterhand aan hem gaf: "Vrees maar niet, Philippus. Hoewel ik die brief had ontvangen, toch, zoals je hebt gezien, heb ik niet geaarzeld jouw geneesmiddel te drinken. Ik had jou geen groter teken van trouw kunnen geven."

Maar wat volgde, scheen de misdaad te bevestigen. Alexander lag immers gedurende lange tijd als dood door de kracht van dat zeer krachtige geneesmiddel. Daarna zijn echter geleidelijk de krachten van zowel zijn lichaam en geest teruggekomen. En reeds de derde dag na het innemen van het geneesmiddel kon hij naar zijn soldaten terugkeren.

8.11 De dood van Alexander
Weinig maanden later kreeg Alexander een ernstige ziekte in de stad Babylon.. En toen de ziekte verergerde, begrepen de soldaten dat hun koning weldra zou sterven. Daarom verlangde ze hem een laatste keer te zien. En zo vroeg hij zijn vrienden om zijn bed voor de veldheerstent te plaatsen en liet de soldaten een per een voor zijn bed voorbij gaan.

En terwijl rijen voorbijgingen, zei hij aan de rondomstaande vrienden: "Jullie zullen wanneer ik gestorven ben, een koning vinden die zo'n mannen waardig is. En hierna nadat hij naar de veldheerstent teruggedragen was, overhandigde hij Perdicca een ring die hij van zijn vinger had afgenomen en hij zei hem met een reeds verzwakte stem dat hij wilde dat zijn lichaam naar de tempel van Amon gedragen wordt. Hij zei aan zijn vrienden die hem over de opvolging ondervraagden: "Maak hem die de beste is tot koning!" Hierna vroeg een van hen hem: "Wanneer wil je vereerd worden als god?" Hij zei: "Als jullie zelf gelukkig zullen zijn."

Dit waren zijn laatste woorden en een beetje later stierf hij. Velen geloven dat hij niet aan een natuurlijke dood gestorven is, maar dat hij vermoord was met vergif van Antipater, die verlangde koning te worden. Hij leefde slechts 33 jaar, maar op die korte tijd heeft hij ongelofelijke dingen bereikt. Daarom is hij terecht Alexander de Grote genoemd.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.