Geschreven door: | anoniem (3 vwo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 5 oktober 2003 |
Taal: |  |
Woorden: | 2.600 |
Bekeken: | 11339 keer (36 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Hoofdstuk 4
§1:
2 regels in de geografie:
1. Tijd en kosten nemen toe met de te overbruggen afstand.
2. Om afstand te overbruggen moet je je verplaatsen.
Stromen zijn gebundelde verplaatsingen langs een netwerk. Voorbeelden zijn:
1. Goederenstromen: verplaatsing van voedsel, delfstoffen etc.
2. Migratiestromen: verhuizingen van mensen.
3. Verkeersstromen: verplaatsingen van mensen, zoals woon-werkverkeer of toeristenstromen.
4. Informatiestromen: verplaatsing van informatie, zoals telefoon, radio, Internet.
5. Geldstromen: chipcard, creditcard, betaalpas.
Geografen presenteren stromen in stroomdiagrammen.
Voorbeelden van fysisch-geografische stromen zijn:
1. Convectiestromen: stromen magma in de aardmantel die de aardkorst in beweging brengen.
2. Lucht- of waterstromen.
§2:
Een spreidingspatroon is de wijze waarop mensen, activiteiten of verschijnselen over het landschap verdeeld zijn. Voorbeelden zijn:
1. regelmatig. Bijv. de productie van akkerbouw- en veeteeltproducten.
2. geclusterd of opeengehoopt. Bijv. de chemische industrie in de Rotterdamse haven.
3. lineair of lintvormig. Bijv. een winkelstraat.
4. radiaal. Bijv. benzinestations langs uitvalswegen van een grote stad.
5. concentrisch; afnemend met toenemende afstand naar het centrum. Bijv. snackbars.
6. willekeurig; geen duidelijk patroon.
Het verdelen van goederen over de verschillende afnemers noemen we distributie.
De georganiseerde aaneenschakeling van activiteiten, transport en distributie noem je logistiek.
§3:
Internationale taakverdeling is taakverdeling tussen landen , waarbij de rijke landen vooral industrieproducten en diensten leveren en de rest van de wereld vooral grond- en delfstoffen.
Overslag is het overladen van goederen van het ene transportmiddel naar de andere.
Het vervoer verloopt over transportnetwerken. Dit zijn transportlijnen die via knooppunten met elkaar verbonden zijn. Er zijn 3 schaalniveaus: intercontinentale, het Europese en het lokale transportnetwerk
Een internationaal knooppunt noem je een mainport.
Internationalisering is het steeds nationaler opereren van bedrijven en instellingen, waarbij landsgrenzen een afnemende rol spelen. Globalisering is internationalisering op wereldschaal.
§4:
Veel bedrijven verhuizen. Dat noem je bedrijfsmigratie. Een jonge ondernemer start zijn bedrijf in zijn eigen woonplaats. Daarna worden de plus- en minpunten op een rij gezet.
Bij grote bedrijven zijn de kosten hoog om te verhuizen. De inertie (de traagheid van verhuizen van bedrijven, omdat er veel geld in de grond en het gebouw gestoken moet worden) is groot. Daarom verplaatsen ze slechts een deel van het bedrijf of nemen ze een bestaand bedrijf over.
Bedrijven die niet perse in de Randstad hoeven te zitten, verhuizen naar aangrenzende provincies. Er vindt een ruimtelijk uitschuifproces plaats.
In de Randstad zijn uitwaartse bewegingen waar te nemen:
1. op lokale schaal: bedrijven verhuizen vanuit binnensteden naar stedelijke randzones.
2. op regionale schaal: uitstraling van de Randstad naar het Groene Hart en de Randstadvleugels
3. oostwaartse verhuizing van bedrijven vanuit de Randstad naar Flevoland, Gelderland, Noord-Brabant.
De bedrijfsmobiliteit is het gemak waarmee een bedrijf zich verplaatst. Als regel geldt:
1. Hoe kleiner de bedrijven, hoe groter de afstand waarover bedrijven verhuizen.
2. Verhuizingen binnen de eigen regio zijn 3x zo talrijk als verhuizingen over grotere afstanden.
3. Bedrijven werken steeds meer nationaal en internationaal. Een centrale ligging temidden van de afzetmarkt heeft bij veel ondernemers een voorkeur.
§5:
Er zijn 2 soorten vluchtelingen:
1. politieke vluchtelingen; ze vluchten voor oorlog en onderdrukking.
2. economische vluchtelingen; ze hebben slechte levensomstandigheden en slechte toekomst.
In het herkomstland van de vluchtelingen zijn vooral pushfactoren (kenmerken waardoor mensen worden aangetrokken). In het opvangland zijn vooral pullfactoren (kenmerken woordoor mensen worden afgestoten).
§6:
Er zijn 3 soorten toerisme:
1. Binnenlands toerisme: toerisme van Nederlanders binnen Nederland.
2. Uitgaand toerisme: toerisme van Nederlanders die een ander land bezoeken.
3. Inkomend toerisme: buitenlandse toeristen die Nederland bezoeken.
De vakantiedeelname is het percentage van de bevolking van een land, dat jaarlijks minstens één keer op vakantie gaat. In Nederland is de vakantiedeelname 80%.
Het vakantiegemiddelde bereken je als volgt:
aantal vakanties / aantal vakantiegangers
Hoofdstuk 5
§1:
Culturele antropologie: de wetenschap die zich bezighoudt met het bestuderen van volken en hun culturen.
Tegenwoordig worden volken ingedeeld in complexe culturen en minder complexe culturen. Een aantal kenmerken zijn:
1. In complexe culturen maakt men voornamelijk gebruik van machines.
2. In complexe culturen zijn mensen veelal sterk gespecialiseerd in één taak.
3. In complexe culturen zijn grote organisaties als regeringen en vakbonden belangrijk.
4. In complexe culturen is alles vastgelegd in officiële regels.
Participerende of deelnemende observatie is dat antropologen een tijd bij een volk gaan wonen, om meer van het volk te weten te komen.
§2:
Nomadisme: Mensen trekken met grote stukken vee door zolang er voedsel is.
Sedentaire landbouwers: Mensen die rondtrekken en voedsel verbouwen. Ze blijven er een langere periode en ze trekken door als de bodem uitgeput is.
Shifting cultivation: Brandbouw. Een stuk grond platbranden om er voedsel te verbouwen.
Roofbouw: Het te snel opnieuw gebruiken van stukken grond, waardoor de grond weer snel uitgeput raakt en beschadigd wordt.
§3:
Je kunt op verschillende manieren met elkaar verbonden zijn:
1. Door verwantschap (familie).
2. Door huwelijk.
Clan: Een groep mensen die geloven dat hun biologische banden naar één voorouder teruggaan.
Patrilineair: De afstamming wordt teruggerekend via de mannen.
Matrilineair: De afstamming wordt teruggerekend via de vrouwen.
Exogaam: Trouwen buiten je eigen groep.
Endogaam: Trouwen met iemand uit je eigen groep.
Polygamie: Eén man is met meer dan één vrouw getrouwd.
Kaste: Verdeling van het Indiase volk in groepen. De leden oefenen hetzelfde beroep uit.
§4:
Macht: De mogelijkheid om een ander iets te laten doen wat jij wilt.
Dit kan bijv. door geweld of gezag / autoriteit.
Ideologie: De manier van denken over hoe een samenleving bestuurd moet worden.
Anarchie: Een samenleving zonder leiders en regels.
Je kunt aan macht komen door:
1. Standen. De macht is gebaseerd op de groep waarin je geboren bent.
2. Klassen. De macht is gebaseerd op bezit.
Patronage: Afhankelijkheidsrelatie waarbij de gever van geld en goede-ren in ruil daarvoor van de begiftigde gehoorzaamheid en arbeid verlangt.
§5:
Religie: Alle ideeën over het bovennatuurlijke en alle handelingen die daarmee te maken hebben.
Monotheïsme: Het geloof in één god, zoals Islam.
Polytheïsme: Het geloof in verschillende goden, zoals Hindoeïsme.
Mythen: Verhalen waarin kennis en ideeën over goden, geesten en zielen worden bewaard. Ze bevatten veel kennis over de cultuur van het volk.
Animisme: Dat mensen geloven dat mensen, dieren en voorwerpen een ziel hebben.
Als religies in contact komen, kunnen er mengvormen ontstaan, zoals voodoo in Haïti en Winti in Suriname.
§6:
Subcultuur: Groepen, binnen één cultuur, die zich anders gedragen dan de massa.
Stereotype: Sterk vertekende en eenzijdige voorstellingen van mensen die anders zijn. Het zijn meningen die niet waar zijn.
Cultuurevolutie: Een cultuur verandert langzaam, zodat de sociale econo-mische en geestelijke aspecten veranderen.
Cultuurrevolutie: Cultuurevolutie, maar dan verandert het sneller.
Als één aspect van een cultuur verandert, veranderen vaak andere aspecten mee. De ontwikkelingssamenwerking probeert hiervan gebruik te maken. Door de zwakke economische sector van ontwikkelingslanden te versterken, zullen ook aspecten als onderwijs en de positie van vrouwen verbeteren.
§8:
Over Arabische stammen:
1. De Arabische taal bestaat uit veel dialecten. Sommige stammen kunnen elkaar niet verstaan. Het schrift is overal hetzelfde.
2. In de 7e eeuw ontstond de Islam. Aanhangers heten moslims.
3. Moslims geloven in één god, dat is Allah.
4. Het heilige boek van de moslims heet de koran.
Binnen de Islam zijn verschillende stromingen. Een bekende stroming is het fundamenta-lisme. De fundamentalisten leggen de koran heel streng uit. Ze laten geen westerse ideeën en invloeden toe.
§9:
Over Surinamers:
1. Oorspronkelijke bewoners zijn Indianen. Ze leven buiten de steden.
2. In de 17e eeuw kwamen er Europeanen, vooral Nederlanders, naar Suriname.
3. Rond de 17e eeuw kwamen er Afrikaanse slaven naar Suriname, om op de plantages te werken. Sommige slaven ontsnapten en ontwikkelden een eigen cultuur. Nakomelingen werden bosnegers genoemd.
4. De nakomelingen van de overige negers werden creolen genoemd. Ze wonen vooral in de steden.
5. Na de afschaffing van de slavernij werden er Hindoestanen uit India en Pakistan naar Suriname gehaald.
6. Ook Javanen en Chinezen zijn naar Suriname gehaald om op de plantages te werken. Javanen wonen nu op het platteland, Chinezen in de middenstand.
§10:
Aardrijkskunde onderzoekt de relatie tussen de mens en zijn woongebied. Aardrijkskunde onderzoekt waar en waarom juist daar veranderingen plaats vinden.
Deelvragen over aardrijkskunde zijn:
1. Wat gebeurt er met de samenleving als de natuurlijke omgeving verandert?
2. Hoe reageren nomadische veetelers als door verwoestijning of ploegen hun weidegronden verloren gaan?
3. Wat gebeurt er met de samenleving van de Papoea’s als hun regenwouden gekapt worden om plaats te maken voor Indonesische kolonisten?
Maatschappijleer gaat over ontwikkelingen binnen samenlevingen. Het onderzoekt hoe en waarom veranderingen in de samenleving tot stand komen.
Deelvragen over maatschappijleer zijn:
1. Hoe verandert de Masaicultuur door westerse invloeden?
2. Hoe reageert de Surinaamse politiek op de etnische verscheidenheid?
3. Hoe gaan nomadische veetelers om met de beperking van hun vrijheid om met hun kuddes rond te trekken?
Hoofdstuk 6
§1:
Geografie beschrijft en verklaart hoe verschijnselen over de aarde zijn verspreid. De geografen zijn verenigd in het KNAG (Koninklijk Nederlands Aardrijkskundig Genootschap.
2 soorten geografie:
1) Fysische of natuur-aardrijkskunde: Beschrijft en verklaart hoe natuurkundige verschijnselen over de wereld zijn verspreid (zoals klimaten, bodems, gebergten, rivieren), maar ook over geografie, zoals vulkanisme, aardbevingen etc. Meestal een exacte studie.
2) Sociale of mens-aardrijkskunde: Beschrijft en verklaart hoe mensen hun natuurlijke omgeving inrichten om er te wonen, te werken en te recreëren (kenmerken van de bevolking, stad / platteland, welvaart, werkgelegenheid, politiek etc.). Meestal een sociale studie.
§2:
Demografie bestudeert veranderingen in aantal, spreiding en samenstelling van de bevolking.
Als demografische veranderingen geld kosten, noem je dat demografische investeringen. Bijv. als er vergrijzing is, moeten er meer bejaardenvoorzieningen komen.
Een leeftijdsgrafiek toont in één oogopslag de samenstelling van de bevolking naar leeftijd en geslacht op een bepaalde datum. Zoals:
1) Piramidevorm: meer onderwijs, bedrijven kunnen zich richten op producten en
diensten voor jongeren.
2) Ui- of urnvorm: hoge kosten gezondheidszorg en AOW, bedrijven kunnen zich
richten op vitale, welgestelde ouders.
3) Klok- of torenvorm: Geen snelle veranderingen
De demografische druk is de verhouding tussen de productieve leeftijdsgroep (19-65) en de onproductieve leeftijdsgroepen (0-19 en 65+). (0-19 + 65+) / (20-65) x 100.
§3:
Bilaterale of multilaterale ontwikkelingssamenwerking is hulp aan ontwikkelingslanden, waar de rijkere landen iets voor terug willen hebben.
Ontwikkelingslanden lijken minder ontwikkeld dan wij, omdat:
1) In die landen hebben een laag BNP is.
2) De landbouw grotendeels zelfverzorgend en arbeidsintensief is.
3) Een groot deel van de industrie bestaat uit kleine, ambachtelijke bedrijven.
4) Er een grote tegenstelling is tussen de rijke massa en de arme elite.
5) Er sprake is van ondervoeding, analfabetisme etc.
6) De huisvesting vaak slecht is (sqatterwijken).
Positieve dingen over ontwikkelingslanden:
1) Ze zijn vaak hoog ontwikkeld in sociaal en cultureel opzicht.
2) Er is nog ongerepte natuur en cultuur.
3) Sommige landen hebben zich in snel tempo ontwikkeld tot NIC’s.
Nadelen van toerisme en economische ontwikkeling:
1) Door cultuurbotsing kan de sociale en culturele rijkdom (gedeeltelijk) verloren gaan.
2) Natuur en milieu hebben veel te lijden.
Je kunt op 2 manieren werken voor of uitgezonden worden naar ontwikkelingslanden:
1) Via de overheid
2) Via de non-gouvernementele organisaties (NGO’s). Meestal particulieren organisaties.
§4:
De werkgelegenheid in de communicatiesector neemt snel toe door:
1) toenemende vrije tijd
2) toenemend aanbod van informatie, o.a. via de elektronische snelweg.
3) Afname van de werkgelegenheid in de primaire en secundaire sector door schaalvergroting, mechanisering, automatisering en robotisering.
Vooral toerisme en recreatie vertonen een onstuimige groei. Daarbij verandert het karakter van het toerisme:
1) Naast massatoerisme zien we de opkomst van elitetoerisme of ecotoerisme.
2) Toerisme wordt steeds meer gespreid in:
1) Ruimte: steeds meer gebieden ontdekken het belang van toerisme en willen naar andere, verdere gebieden.
2) Tijd: onder andere door vakantiespreiding en dubbelseizoen.
Als je in de communicatiesector wilt werken, moet je een goede algemene ontwikkeling hebben, dat krijg je vooral met talen, aardrijkskunde, geschiedenis en economie.
§5:
Een bedrijf kan zich het beste vestigen op een plaats, waar veel locatievoordelen zijn, zoals:
1) De aanwezigheid van de productiefactoren natuur, arbeid en kapitaal.
2) Een goede afzetmarkt met agglomeratievoordelen.
3) Een goede verkeersligging.
Waar een bedrijf zich vestigt, is afhankelijk van het soort bedrijf. Het kan zich vestigen in de buurt van:
1) De afzetmarkt: als goederen dagelijks nodig zijn of als er veel persoonlijke contacten zijn met klanten.
2) De energie bron: om aluminium te maken is veel elektriciteit nodig.
3) De grondstof: waar die snel kan bederven moet snel kunnen worden ‘verduurzaamd’ (conservenindustrie).
4) Goedkope arbeidskrachten: voor branches waar veel werknemers nodig zijn, zoals textiel
Een optimizer is een ondernemer die alle locatievoordelen afweegt en streeft naar het hoogst haalbare. Een satisfier wil dat juist niet.
Footloose bedrijven zijn zeer moderne bedrijven die niet erg gebonden zijn aan de ‘oude’ locatievoordelen: dicht bij de vindplaats van de grondstof of de energiebron.
Met een regionaal bedrijf probeert men bedrijven te lokken met allerlei subsidies.
§6:
Planologie is onderzoek om er achter te komen hoe de overheid (rijk, provincie of gemeente) een gebied het beste kan inrichten.
Planologen moeten rekening houden met de volgende ontwikkelingen:
1) Door urbanisatie en suburbanisatie veranderen nederzettingen in agglomeraties, stads-gewesten of stedelijke zones. Daardoor blijft er steeds meer open ruimte over.
2) Schaalvergroting in de landbouw.
3) Mensen hebben meer tijd grotere recreatiedruk.
4) In de stedelijke gebieden: afname van de leefbaarheid door verkeers- en milieu-problemen, verpaupering en ruimtelijke segregatie.
5) In de landelijke gebieden ver van de stad: jongeren trekken weg, afname van het voorzieningenniveau, aantasting van natuurgebieden,
6) In de landelijke gebieden dicht bij de stad: sterkere ruimtelijke druk.
Planologen hebben de volgende oplossingen voor deze problemen:
1) Stedelijke gebieden: stadsvernieuwing, compacte stad, bufferzones en open ruimtes instellen.
2) Landelijke gebieden: landinrichting, nationale parken oprichten, de Ecologische hoofdstructuur verwezenlijken.
Planologen werken op verschillende niveaus:
1) Bij de Rijksoverheid: Ministerie van VROM, RPD. Ze maken plannen voor Nederland als geheel.
2) Bij een provincie: Zij houden zich o.a. bezig met het maken van streekplannen.
3) Bij een gemeente: Daar worden bestemmingsplannen gemaakt.
§7:
De mobiliteit wordt steeds groter door:
1) Welvaartstoename, kan meer geld uitgegeven worden aan vervoer.
2) Technische vooruitgang, de relatieve afstanden worden steeds korter.
3) Scheiden van wonen en werken. Hierdoor ontstaan files.
Door toenemend vervoer van personen en goederen ontstaat steeds meer congestie (verkeers-opstoppingen). Dit kan bestreden worden door:
1) Stimuleren openbaar vervoer.
2) Nieuwe bedrijven en woonwijken vestigen op plaatsen die goed bereikbaar zijn met het openbaar vervoer.
3) Carpoolen
4) Rekeningrijden, toeritdosering en signalering.
5) Uitbreiding infrastructuur.
6) Nieuwe vervoerstechnieken, zoals people mover.
Bij logistiek heb je techniek en economie nodig, maar kennis van talen en aardrijkskunde is ook belangrijk.
§8:
Ecosystemen handhaven een natuurlijk evenwicht via kringlopen van water, lucht en grond-stoffen. De draagkracht van een ecosysteem verstoord worden. Er ontstaat milieuvervuiling, milieu-uitputting of milieuaantasting:
1) In landelijke gebieden: vermesting, verzuring, verdroging, vergiftiging.
2) In stedelijke gebieden: afvalproblemen, smogvorming, zure regen, broeikaseffect.
Milieuproblemen worden afgewenteld op de volgende generaties. Bij maatregelen ter verbetering van het milieu is aardrijkskundekennis nodig:
1) Fysische geografie: bestuderen hoe je ecosystemen in elkaar zitten
2) Sociale geografie: bestuderen hoe menselijke activiteiten invloed hebben op het land-schap.
Uitgangspunt bij het milieubeleid moet het streven naar duurzame ontwikkeling: de draagkracht van de ecosystemen mag niet overschreden worden. Voorbeelden:
1) Landelijke gebieden: mestboekhouding, biologische bestrijdingsmiddelen.
2) Stedelijke gebieden: recycling, openbaar vervoer, schone productieprocessen.
Voor milieuonderzoek zijn exacte vakken nodig.
Voor Voorlichting bestuur en beleid is economie, aardrijkskunde, geschiedenis en maatschappij-leer nodig.
§9:
De laatste tijd beseffen we dat behoud van mooie landschappen nodig is. Daarvoor worden allerlei maatregelen genomen:
1) Ruilkaveling vervangen door landinrichting.
2) Instellen van nationale parken.
3) Aanwijzen van waardevolle natuurlandschappen.
Behalve landschapsbehoud willen we ook oude landschapsvormen herstellen:
1) hermeanderen van beken
2) Ontpolderen: polders worden teruggegeven aan de natuur.
Natuurgebieden worden verbonden met de Ecologische Hoofdstructuur (verbindingszones).
Verwildering is het omzetten van landbouwgrond in nieuwe natuur.
Een landschapsarchitect probeert van een bestaand landschap een mooier landschap te ontwerpen. Ze hebben aardrijkskunde, natuurkunde, scheikunde en biologie nodig.
§10:
2/3 van de aardkorst is bedekt met water: de hydrosfeer. De rest is gesteente: de lithosfeer. Rondom de aarde zit een luchtlaag: de atmosfeer.
Endogene krachten zijn krachten die zich afspelen in het binnenste van de aarde.
Exogene krachten zijn krachten die van buitenaf op de aarde inwerken.
Op aarde wordt dit zichtbaar in:
1) Afwisseling van klimaten. Klimaat en plantengroei veroorzaken het ontstaan van bepaalde bodems.
2) Ontstaan van afwisselende landschappen. O.a. door afbraak en opbouw.
De planeet aarde is het studieterrein van de aardwetenschappen. Daartoe behoren o.a.:
1) Geologie: Beschrijft en verklaart de eigenschappen en geschiedenis van de aardkorst.
2) Geofysica: Bestudeert het binnenste van de aarde.
3) Bodemkunde: Bestudeert de bodem.
4) Meteorologie en klimatologie: Bestuderen het weer en de klimaten.
5) Oceanologie: Bestudeert de oceanen op aarde.
Voor aardwetenschappen heb je aardrijkskunde, wiskunde, natuurkunde, scheikunde en soms biologie nodig.
§11:
De draagfunctie is de taak die het landschap heeft om allerlei bouwwerken te dragen en om een bepaald gebruik (landbouw, verkeer, recreatie) mogelijk te maken.
De ondergrond van Nederland bestaat uit:
1) Hoogveen laagveen en klei: slechte draagfunctie.
2) Löss, zand, keileem, grind: goede draagfunctie.
Veen is ontstaan in het Holoceen, het bestaat uit vergane plantenresten. Hoogveenplanten leven van regenwater, laagveenplanten van grondwater.
Zand, grind of löss en keileem zijn grotendeels afgezet in het Pleistoceen. Klei vooral in het Holoceen.
Bij het aanleggen van infrastructurele werken is naast technische en kennis van de geologie ook kennis nodig van:
1) Cartografie: gebieden in kaart brengen.
2) Geodesie: Landmeetkunde. Het landschap wordt nauwkeurig opgemeten.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.