Geschreven door: | Mariëlle (4 havo) [meer] |
Datum ingestuurd: | 26 juni 2003 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.300 |
Bekeken: | 33036 keer (37 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Hoofdstuk 1. De vorming van inkomen
Begrippen
Inkomen in natura: een inkomen dat uit goederen bestaat.
Zelfvoorzienend: het produceren van goederen die je zelf nodig hebt.
Arbeidsverdeling: het specialiseren in een bepaalde productie.
Directe ruil / Ruil in natura: ruil van goederen tegen goederen.
Indirecte ruil: handel drijven m.b.v. een algemeen aanvaard ruilmiddel.
Mechanisering: gebruik van machines.
Primair inkomen: inkomen dat je verdient door mee te helpen met produceren.
Investeren: kopen van kapitaalgoederen door bedrijven.
Kapitaalgoederen: goederen om mee te produceren (in handen van bedrijven).
Ondernemersactiviteit: alles wat te maken heeft met het opzetten en runnen van een bedrijf.
Productiefactoren: arbeid, kapitaal, natuur en ondernemersactiviteit.
Netto-inkomen: het inkomen dat je overhoudt na betaling van belastingen en premies.
Overdrachtsinkomen / Sociale uitkering: inkomen dat je ontvangt zonder een bijdrage te leveren aan productie.
Productieproces: het toevoegen van waarde aan de waarde van de ingekochte grond- en hulpstoffen en ingekochte diensten van andere bedrijven.
Toegevoegde waarde / Productiewaarde: de waarde die wordt toegevoegd aan de grond- en hulpstoffen en diensten.
Balans: momentopname van de bezittingen van een bedrijf en de vermogensbronnen waarmede de bezittingen zijn betaald.
Resultatenrekening: alle opbrengsten en kosten over een bepaald tijdvak.
Saldo: verschil tussen opbrengsten en kosten.
Bedrijfskolom: alle bedrijven waarin de opeenvolgende productiestadia worden doorlopen.
Nationaal inkomen: de primaire inkomens van alle gezinnen in een land in een jaar.
Theorie
Verschillende vormen van primair inkomen:
1. Loon / Salaris: in ruil voor het leveren van arbeid.
2. Rente: beloning voor het ter beschikking stellen van kapitaal.
3. Huur: vergoeding voor kapitaal.
4. Pacht: wanneer je een stuk natuur ter beschikking stelt van producenten.
5. Winst: de beloning voor ondernemersactiviteit.
- Productie = inkomen.
- de rechterzijde van een balsns geeft aan hoe men aan middelen.
- de linkerzijde van een balans geeft aan waarin die middelen zijn geïnvesteerd.
- een balans is altijd in evenwicht.
Verschillende soorten bezittingen:
1. Vaste kapitaalgoederen / Vaste activa: kunnen meerdere productieprocessen worden gebruikt. Bijv.: grond, gebouwen en machines.
2. Vlottende kapitaalgoederen / Vlottende activa: gaan maar 1 productieproces mee. Bijv.: voorraden en de vorderingen op afnemers (debiteuren).
3. Liquide middelen / Liquide activa: kunnen direct worden gebruikt om iets te kopen. Bijv.: geld in de kas en de lopende rekening bij een bank.
Verschillende soorten vermogen:
1. Eigen vermogen: het vermogen dat door de eigenaar in het bedrijf is gestoken. Hierover kan het bedrijf blijvend beschikken.
2. Vreemd vermogen / Schulden: hierover kan het bedrijf tijdelijk beschikken.
- Kort vreemd vermogen: leningen die binnen een jaar moeten worden terugbetaald.
- Lang vreemd vermogen: leningen die pas na jaren hoeven worden afgelost.
Formules
Omzet = aantal verkochte producten x verkoopprijs
Nationaal product = toegevoegde waarde alle bedrijven + toegevoegde waarde overheid
Nationaal inkomen = loon + winst + huur + pacht + rente
Hoofdstuk 2. Inkomen en inflatie
Begrippen
Nominaal inkomen: inkomen gemeten in geld.
Reëel inkomen: inkomen gemeten in goederen.
Productiecapaciteit: hoeveelheid goederen die een land in een jaar maximaal kan maken.
Overbesteding: productiecapaciteit is bijna / helemaal bezet.
Onderbesteding: producticapaciteit is bij lange na niet bezet.
Bestedingsinflatie: prijzen stijgen als gevolg van de te hoge bestedingen.
Deflatie: daling van het algemeen prijspeil.
Kosteninflatie: prijzen stigen als gevolg van de hogere productiekosten.
Geïmporteerde kosteninflatie: prijzen stijgen als gevolg van de hogere prijzen van geïmporteerde producten.
Winstinflatie: producenten verhogen hun prijzen om de winst te laten stijgen.
Chartaal geld: stoffelijk geld. Bijv.: munten en bankbiljetten.
Giraal geld: direct opvraagbare tegoeden die op een rekening bij de bank staan waarmee je kunt betalen m.b.v. een overschrijfkaart, pinpas of creditcard.
Theorie
Nadelen van inflatie:
1. Geldontwaardiging: geld wordt reëel minder waard.
2. Beïnvloedt leen- en spaargedrag: lenen wordt gestimuleerd; sparen wordt afgeremd.
3. Verslechterde internationale concurrentiepositie: Nederlandse inflatie > buitenlandse.
4. Hyperinflatie: het vertrouwen in geld neemt af.
Functies van geld:
1. Ruilmiddel
2. Spaarmiddel
3. Rekeneenheid
Functies van banken in de economie:
1. Beheren van betaal- en spaarrekeningen van klanten.
2. Zorgen dat de klanten hun geld kunnen storten en opnemen.
3. Verzorgen van het girale betalingsverkeer.
4. Banken lenen geld uit.
Verschillende soorten banken:
1. Algemene banken: bieden een breed pakket aan diensten aan.
2. Secundaire banken: kunnen geen geld scheppen.
3. Primaire banken: kunnen wel geld scheppen.
Formules
Indexcijfer reëel inkomen = (indexcijfer nominaal inkomen / prijsindexcijfer) x 100
Gewogen indexcijfer = (wegingsfactor x indexcijfer) / wegingsfactoren
Hoofdstuk 3. Het nationaal inkomen
Begrippen
Welvaart: mate waarin mensen in hun behoeften kunnen voorzien.
Schaarste: er moet iets worden opgeofferd om een product te maken. Bijv.: een productiemiddel, vrije tijd. Er is ergens een tekort aan.
Informele circuit / economie: productie van goederen en diensten die niet wordt geregistreerd. Bijv.: vrijwilligerswerk en zwart werk.
Formele circuit / economie: geregistreerde productie.
Grijze circuit: legale, niet-geregistreerde productie. Bijv.: doe-het-zelfwerk en vrijwilligerswerk.
Zwarte circuit: illegale productie, belastingen en premies worden ontdoken.
Duurzame ontwikkeling: een economische ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de welvaart van de komende generaties aan te tasten.
Uitbreidingsinvesteringen: investeringen die de omvang van de productiecapaciteit vergroten.
Conjuctuur(golf): de schommelingen in de hoogte van het nationaal inkomen als gevolg van de schommelingen in de bestedingen.
Trendmatige groei: gemiddelde groei gerekend over een lange periode.
Laagconjuctuur: groei van het reële nationaal inkomen < trendmatige groei.
Hoogconjuctuur: groei van het reële nationaal inkomen > trendmatige groei.
Recessie: afnemende groei van het nationaal inkomen.
Depressie: daling van het nationaal inkomen.
Theorie
Nadelen aan het reële nationaal inkomen:
1. Zegt niets over de verdeling van het inkomen
2. Sommige zaken die de welvaart verhogen worden niet meegeteld
3. Sommige producten die wel worden meegetld bij het nationaal inkomen, verlagen in bepaalde opzichten de welvaart.
4. Bij de meting van het nationale inkomen wordt geen rekening gehouden met de uitputting van natuurlijke hulpbronnen.
Formules
Nationaal inkomen per hoofd = nationaal inkomen van een land / aantal inwoners
Bezettingsgraad = feitelijke productie / productiecapaciteit
Hoofdstuk 4. Inkomensverdeling
Begrippen
Lorenzcurve: afbeelding van de scheefheid van de inkomensverdeling.
Theorie
Factoren die van invloed zijn op het loon:
1. Vooropleiding
2. Ervaring
3. Inspanning
4. Verantwoordelijkheid
5. Uniek talent
6. Ruimte / Krapte op de arbeidsmarkt
7. Status
8. Macht
Factoren die van invloed zijn op het inkomen uit vermogen:
1. Hoogte van het vermogen
2. Rendement van de belegging
Hoofdstuk 5. Sociale zekerheid
Begrippen
Averechtse selectie: mensen die weinig risico lopen verzekeren zich niet.
Bruto-inkomen: inkomen dat je verdient voordat je belasting en sociale premies hebt betaald.
Netto-inkomen: inkomen dat je na aftrek van belastingen en premies overhoudt.
Loonkosten: bedrag dat de werkgever kwijt is aan een werknemer (brutoloon en sociale premies).
Wig: verschil tussen loonkosten en nettoloon (belastingen en premies).
Actieven: werkenden.
Inactieven: mensen met een uitkering.
Privatiseren: de overheid stoot taken af naar particuliere bedrijven.
Theorie
Collectieve verzekeringen:
1. Verplicht
2. Solidariteit
3. Niet uitsluitbaar
4. Wettelijk geregeld
Particuliere verzekeringen:
1. Niet verplicht
2. Risico
3. Uitsluitbaar
4. Niet wettelijk geregeld
Weknemersverzakeringen:
- Alleen voor werknemers.
- Bedoeld om een grote teruggang in het inkomen te voorkomen.
- Hoogte en duur van uitkering hangt af van arbeidsverleden.
1. Werkloosheidswet (WW)
- Vangt inkomensverlies op.
2. Ziektewet (ZW)
- Bedoeld voor zwangere vrouwen, ex-werknemers van failliete bedrijven en sommige zelfstandige ondernemers.
3. Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO)
- Vangt het inkomensverlies op.
- Gaat in werking nadat je een jaar ziek bent geweest.
4. Ziekenfondswet (ZFW)
- Vergoedt de hoge kosten als gevolg van ziekte.
- Geldt ook voor gezinsleden en uitkeringsgerechtigden.
Volksverzekeringen:
- Geldt voor iedereen die legaal in Nederland verblijft.
- Hoogte van uitkering is het sociaal minimum (bestaansminimum).
1. Algemene ouderdomswet (AOW)
- Geldt voor 65+.
- Wordt betaald uit premies die de mensen die op dat moment werken betalen.
- Vangt inkomensverlies op.
2. Algemene nabestaandenwet (ANW)
- Zorgt voor een inkomen als de ouders of de partner overlijdt.
3. Algemene kinderbijslagwet (AKW)
- Vergoedt de hoge kosten van kinderen.
4. Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ)
- Vergoedt bijzondere ziektekosten (psychiatrische verpleging, dagverblijven gehandicapten).
Sociale voorzieningen:
- Solidariteit: de werkenden zorgen via betaling van belasting en premies voor inkomen voor de mensen die buiten hun schuld niet kunnen werken.
1. Algemene bijstandswet (ABW)
- Hoogte van uitkering is het sociaal minimum (bestaansminimum).
- Bedoeld voor mensen zonder inkomen die voor geen enkele andere uitkering in aanmerking komen.
2. Wet arbeidsongeschikheid jongeren (Wajong)
- Bedoeld voor jonge gehandicapten zonder arbeidsverleden.
Hoofdstuk 6. De overheid
Begrippen
Directe belastingen: belastingen die je betaalt over inkomen, winst en vermogen.
Indirecte belastingen: belastingen die worden doorberekend in de prijzen van goederen en diensten.
Dividend: Winst van bedrijven die wordt uitgekeerd aan hun aandeelhouders.
Staatsobligaties: schuldbewijzen van de overheid met een vaste rente en een lange looptijd. Wanneer je een staatsobligatie koopt leen je geld aan de overheid.
Theorie
Vormen van directe belastingen:
1. Loon- en inkomstenbelasting
2. Vennootschapsbelasting
3. Kansspelbelasting
4. Successierechten
Vormen van indirecte belastingen:
1. BTW
2. Invoerrechten
3. Accijns
4. Milieubelasting
Bij het financieringstekort zijn de aflossingen van de overheid bij de uitgaven, die voor het volgend jaar begroot zijn, weggelaten.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.