geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Experiment: geen Twitter, mail en Whatsapp meer voor Nina. Wel faxen, brieven in enveloppen en ouderwetsch bellen.

Geschreven door:

anoniem

Datum ingestuurd:

22 juni 2003

Taal:

Woorden:

7.250

Bekeken:

5989 keer (7 deze maand)

Waardering:

3.8/5 (92 stemmen)

Deel op:

  • Door hidde op 12-01-2011
    dit is echt handig voor iemand als ik die geen engels kan
  • Door kijk op 23-02-2009
    super chil bedankt
Hoofdstuk 1
Blz. 3 Het was op een dinsdagmiddag laar in oktober. Vijf minuten voor drie. De straten van Eltham waren niet drukker dan normaal rond deze tijd van de dag. Vrouwen met boodschappentassen liepen over het trottoir op hun weg van winkel naar winkel. Auto’s reden op en neer in de straat, bestuurders parkeerden en stapten uit terwijl anderen instapten en wegreden. Bestelwagens stopten buiten de supermarkten, slagerijen en bakkerijen. Iedereen hing zijn eigen weg. Een grote man met donker haar kwam uit een oude Austin in Rochester Road. Hij boog over de passagiers stoel om iets op te rapen, het was een aktetas. Toen deed hij de autodeur dicht en stak de straat over richting de zon. Hij liep naar de volgende hoek en daar ging hij het Rochester Road filiaal van Barclays Bank in. Een paar seconde later keek, Anne Collins die als bankbediende werkte in de Rochester Road filiaal van Barclays Bank, opeens op van de papieren die ze aan het nakijken was.

Blz. 4 De draaideur die uit kwam in de smalle entree naar de bank, was stil geopend zodat ze niet had doorhad dat er iemand binnen was gekomen. Het was de plotseling snauwende stem die haar hard in haar keel deed kloppen: “Niet bewegen, dit is een overval.” Anne Collins zag het grote gestalte van een man voor haar, hij kwam naar de balie toe. Het was niet het pistool dat haar bang maakte, het was haar nog niet eens opgevallen, nee het vreselijke aan de man was zijn gezicht. Ze zag dat hij een masker had, het leek op een pantykous, over zijn hoofd. Het maakte zijn neus en wangen plat, de ogen donker en mysterieus en de bovenkant van zijn hoofd onnatuurlijk rond. Het was een vreselijk gezicht. De man was nu bij de balie, zijn gezicht dicht bij de hare. Plotseling keek hij naar de deur en seinde met zijn pistool om er naartoe te gaan. “Doe de deuren op slot, deze bank sluit vandaag twee minuten eerder.En laat niemand binnen begrepen!”

Blz. 5 Anne Collins was te bang om te kunnen praten. Ze ging naar de draaideur in de entreehal, en deed de grote dubbele deuren op slot. Toen ze de bank weer binnen kwam, waren haar collega’s en baas aan de andere kant van de balie naar de man met het pistool aan het staren. Sue Berry, de ander baliemedewerkster, begon erg bleek te kijken, Anne kon zien dat ze het doodsbenauwd had. Jim Green, de nieuwe jongen, die in september was begonnen, stond met zijn handen omhoog en met zijn mond open, alsof hij niet kon geloven wat er aan de hand was. Meneer Davidson, de manager, stond aan het einde van de balie, hij keek, dacht Anne, alsof hij altijd al had verwacht dat er zoiets zou gebeuren, en dit was het. Het gebeurde echt. De man met het masker keek van de ene naar de andere kant van de balie. Er waren op dat moment geen klanten in de bank. “Ga tegen de muur daar achter staan!” zei hij. Even bewoog niemand. “Iedereen!” schreeuwde hij. “Kom op nu.” Langzaam gingen Anna en Haar collega’s naar de plek waar de man zijn pistool op richtte. Ze stonden met hun rug tegen de muur. Sue Berry’s handen trilden, zag Anne. Haar hart klopte zo hard dat ze bang was dat de andere het zouden horen. Een stukje verder stond meneer Davidson ook tegen de muur. Anne zag dat zijn ogen op de telefoon aan zijn kant gericht stonden. Van daar gingen ze naar de alarmbel onder de balie. Er leek geen kans te zijn om hem nu te kunnen gebruiken. De man werkte snel. Hij pakte een mes en stukjes dun touw uit een van zijn zakken, met zijn pistool seinde hij naar meneer Davidson.

Blz. 6 “Bindt ze vast! Bindt ze aan hun stoelen vast. Hier!” Hij deed de touwtjes in de handen van meneer Davidson. Het gezicht van de manager kreeg een rare grijze kleur, het koude zweet stond op zijn voorhoofd. Met trillende handen deed hij war de man zei. Toen hij klaar was kwam de man achter de balie gaf hem een paar stukken plakband en seinde naar de drie medewerkers. Het was in één ogenblik gedaan. De hele tijd had niemand iets gezegd. “Hier pak de tas en doe het geld erin.” De bankrover gaf de manager de zwarte aktetas en keek hoe hij het geld van de kassa’s in de tas deed. Toen de kassa’s leeg waren gaf hij de tas terug. De man trok hem uit zijn handen en snauwde: “Waar is de kluis?” “Beneden in de kluis.”Dat is dan waar we heen gaan, kom op man snel!” De overvaller duwde het pistool in de rug van de manager en ze gingen naar de deur die naar de kluis leidde. Meneer Davidson keek voor één moment naar de drie medewerkers toen hij door de deur ging, met de man met het masker achter zich. Anne Collins hoorde hun voetstappen op de trap neer beneden. Toen hoorde ze niets meer. Ze keek naar Sue en Jim. Ze kon aan hu gezichten zien dat ze hetzelfde dachten als zijzelf: hopen dat er niemand gewond zou raken. Ze wachten. De minuten waren lang. Buiten: auto’s passeerden de drukke straat. Door de gesloten ramen was het verkeer het enige geluid. Opeens was er weer een geluid op de trap. De zijdeur opende. Meneer Davidson kwam als eerst naar buiten, met het pistool (nog steeds) in zijn rug. Toen waren ze beiden door de deur, de bankrover duwde de manager naar de balie.

Blz. 7 “Ga erachter liggen!” snauwde hij. Toen ging het allemaal heel snel. Anne Collins, wie het grijze gezicht van de manager kon zien vanaf waar ze zat, merkte op dat zijn wangen weer roze werden. Plotseling draaide hij zich om en sloeg het pistool uit de hand van de bankrover. Het pistool lag op de grond en beiden sprongen ze erop. De hand van de manager had het pistool het eerst, maar de bankrover zat nu boven op de manager. Aan de andere kant van de balie konden de medewerkers niet zien wat er gebeurde. Ze hoorden alleen het geluid van gestoei op de grond. Plotseling ging het pistool af. Het gestoei leek voor één moment te stoppen. De geur van rook steeg in de lucht. Er was een klap en gekreun, er was iemand geraakt. In één moment rende de overvaller naar de draaideur opende hem en verliet de bank, met de zwarte aktetas in zijn hand.

Hoofdstuk 2
Blz. 8 Tot nu toe was het een rustige dag voor inspecteur Stewart. Hij zat in zijn kantoor en nam een tweede kop thee, toen er kort geklopt werd en sergeant Wood kwam binnen. “Er kwam een telefoontje binnen van de Barclays Bank, meneer. Het Rochester Road filiaal, een overval. Alleen één overvaller lijkt het. Hij is ontsnapt ben ik bang.” “Iemand gewond?” “Ik denk het niet, meneer.” “We gaan er meteen op af, en je kunt maar beter mee gaan, John.” Zeven minuten later arriveerden de twee politie mannen bij de Barclays Bank. Meneer Davidson liet hen binnen. De drie medewerkers zaten achter de balie. Sue Berry en Jim Green zaten samen stil, terwijl Anne stond met een pot thee in haar hand en schonk sterke thee in, in witte mokken.

Blz. 9 Ze trilde nog steeds en ze vond het moeilijk om de theepot stil te houden. “Wanneer kwam de man de bank binnen, meneer Davidson?” vroeg de inspecteur. “Een minuut of twee voor drie uur. We wilden net afsluiten. Er waren op dat moment geen klanten. Hij ging naar mejuffrouw Collins hier, met een pistool, en beviel haar om af te sluiten. Toen moest ik hen vastbinden en hun mond snoeren. Daarna ben in met hem naar beneden gegaan, naar de kluis en ik heb hem het geld gegeven.“ Hoeveel geld heeft hij in het totaal meegenomen?” “Meer dan £50.000. Er was altijd best veel geld in de kluis aan het einde van de maand.” “Aha.” De inspecteur keek naar de manager. “De bank heeft een alarmsysteem, waarom heeft u dat niet gebruikt?” “Ik ben een dwaas. Het duurde veel te lang voordat ik reageerde. Pas toen mejuffrouw Collins de deuren had gesloten realiseerde ik wat er gebeurde. Ik weet niet hoe het kwam.” Hij schudde zijn hoofd en haalde zijn schouders op alsof hij probeerde te begrijpen waarom hij zo traag reageerde. “Nou, hoe zag de man eruit?” ging de inspecteur door. “Kunt u een beschrijving geven?” De bank manager fronste. “Nou, even denken. Hij had natuurlijk een masker op, je weet wel zo’n nylon kous. Hij was vrij lang. Ik denk…” “Wat had hij aan?” “Een blauwe spijkerbroek, denk ik. En een zwart leren jack.” “Nog iets anders dat u van hem herinnert, meneer Davidson? Misschien zijn schoenen? Zijn stem? Iets speciaals dat u opviel?”

Blz. 10 Meneer Davidson krabde aan zijn kin. “Ik kan niet zeggen dat er iets anders is dat me echt is opgevallen.” “ik denk dat ik zijn stem weer zou herkennen.” Zei Anne Collins. “Hij had een accent, een Yorkshire Accent. Ik heb in Bradford gewoond dus ik herkende het accent.” “Ook iets over zijn uiterlijk?” vroeg inspecteur Stewart. “Is er iets dat je herinnert.” “Een ring aan de vinger van zijn rechter had. Een dikke zilveren. En hij droeg een blauwe trui onder zijn jas. Ik weet dat hij een masker op had maar ik weet zeker dat het haar eronder zwart was, en vrij dik.” “Oké. En wat gebeurde er toen de man de bank verliet, Meneer Davidson?” “Nou hij had het geld van beneden, en we kwamen hier terug, hij duwde me over de balie. Ik draaide me snel rond en sloeg zijn pistool uit zijn handen, ik wou wat verzet bieden. Maar het heeft niet veel uitgehaald. Ben ik bang. Er volgde een gevecht om het pistool, en toen hij het van me wilde afpakken, ging hij weg. Niemand was gewond gelukkig.” “Heeft de man het pistool hier gelaten toen hij het gebouw verliet?” “Ik was best geschokt toen het pistool afging, en voor ik wist wat er gebeurde, had hij me hard in de maag gestompt, En ik kon niet op tijd opstaan om hem te stoppen.” “Ja,” zei Jim Green, “Hij was heel snel weg nadat het pistool afging.” “Dus u heeft ons meteen gebeld toen hij weg was?” “Ja, als snel als ik kon,inspecteur,” zei meneer Davidson. “Ik moest eerst nog even herstellen van die stomp.”

Blz. 11 “Dat begrijp ik, nou, als één van jullie ook maar iets belangrijks kan herinneren zou dat ons kunnen helpen, laat het dan even weten, oké?” zei inspecteur Stewart. “Kom op John, “ zei hij tegen John. “We laten Philips Langs gaan om op vingerafdrukken te onderzoeken, maar dat zal niet veel opleveren denk ik.” De zon scheen nog steeds toen de twee politiemannen de Barclays Bank verlieten, maar nu was het was koeler. De inspecteur keek op zijn horloge. Het was tien over vier.

Hoofdstuk 3
Blz. 12 Net iets na vijf uur, stroomde het Westminster Underground (metro) station vol. Op de trottoirs liepen mannen en vrouwen die in de stad werkten en die op hun trein, winkelaars waren aan het wachten om snel terug te gaan naar de voorstad, toeristen en bezoekers terug naar hun hotels. Het district Line (streek lijn)perron was vol gestroomd met mensen. Een trein naar het westen kwam aan, de deuren gingen open, iedereen ging naar voren, en in één moment gingen de deuren weer dicht. In één moment werd het perron weer opgevuld. Aan het verre einde, liet het licht van het station een weggetje in het donker zien waar de laatste trein door was vertrokken.Al snel was daar het geluid van een volgende trein die het perron naderde.

Blz. 13 Opeens kwam er beweging in de menigte, mensen waren aan het dringen om in de trein te kunnen, sommigen op het randje van het perron. Sommige schreeuwden toen een jongen op de rails viel, de trein kwam piepen tot stilstand. Het gebeurde allemaal heel snel, Het geschreeuw en de val, de lichtflits van de elektrische rails, het piepen van de trein toen die stopte. Twee spoorweg medewerkers rende naar het einde van het perron, de menigte ging naar achteren om ruimte te maken, een even later was de jongen van de rail gehaald. De trein had hem niet aangeraakt. Maar hij was dood: geëlektrocuteerd. “Vreselijk hè, van dat ongeluk op het metrostation gister avond.” Zei Anne Collins tegen Jim Green. Ze zaten samen in de bus naar huis, na het werk op woensdag.

Blz. 14 “Je bedoelt die vent die op de rails is gevallen en is geëlektrocuteerd? Ja, ik heb het op het late nieuws gehoord.” Anne pakte de ochtend krant uit haar tas en sloeg hem open. “Kijk, er staat best veel over in, lees het en zeg me wat je ervan vindt, Jim.” “Nou”zei Anne met glinsterende ogen. “Valt er je iets op?” Jim fronste. “Ik weet niet echt wat je bedoelt, Anne. Het enige dat me opvalt is dat het dom is om van een perron te vallen, misschien is het wel zelfmoord, hoe moet ik dat nou weten?” “Dat is niet echt wat ik bedoelde,” zei Anne “Nee, kijk naar de beschrijving van de man. 1.80 m lang, donker haar, spijkerbroek, trui en een leren jas…” “De man die de bank gisteren heeft over vallen! Goh, daar had ik nog niet eens aan gedacht. Ja het is de juiste beschrijving. Maar wacht even Anne, er zijn veel mensen die er zo uitzien, niets ongebruikelijk aan die kleren. Er moeten er honderden van zijn in London.” “Maar er is een mogelijkheid dat het de zelfde persoon is , toch? Het is misschien maar het beste om de politie te bellen, je weet maar nooit.” De volgende ochtend op de bank, besloot Anne even met meneer Davidson te gaan praten. Ze liet hem het artikel in de krant zien en vroeg wat hij ervan dacht. “Ik denk niet dat het nodig is om contact op te nemen met de politie, mejuffrouw Collins,”zei hij. “Ze hebben al een beschrijving van de overvaller, er valt ze niks te vertellen.” hij lachte naar haar, maar ze zag dat, sinds de overval had hij nog niet ontspannen gekeken, zijn gezicht was grijzer, ouder.

Blz. 15 Anne ging terug aan het werk. Maar ze kon het metro ongeluk niet vergeten. Misschien was de man die dood was wel echt de man die de bank had overvallen eerder die avond. Misschien kon het op een één of andere manier bewezen worden, en het geld terug gevonden… Na haar werk belde ze het politiebureau en vroeg naar inspecteur Stewart. “Nou mejuffrouw Collins, het is zeker een mogelijkheid. Niet zeer voor de hand liggend, nee Maar we zullen het uitzoeken. Kunt u hier naartoe komen?” Dus Anne ging, inspecteur Stewart nam haar mee naar het mortuarium om het lichaam van de dode man te identificeren, maar ze kon hem niet herkennen. “Het zou de man kunnen zijn het zou ook niet zo kunnen zijn.”zei ze. “Ik heb zijn gezicht natuurlijk nooit gezien. Misschien herken ik zijn kleren.” Toen ze de kleren zag, was ze er opeens zeker van. Haar ogen glommen. “De jas, ja, dit was de jas die hij aan had. De bovenste knoop was eraf, net als deze ja, het viel me op. De broek? Nee, dat weet ik niet zeker. Maar de jas, ja het was precies dezelfde als dat hij had! Oh, kijk de akten tas. Een zwarte, hij had ook een zwarte.” “ Nou wacht even, mejuffrouw Collins. Er is niks ongewoons aan deze aktetas, weet u zeker dat het deze was?” Anne beet op haar lip. “Nee, ik denk het niet. Het is als het de zijne, zeker als het geld erin zit.” “Is dat zo,” onderbrak de inspecteur. “Ja, mejuffrouw Collins, maar het zat er niet in. De aktetas was leeg toen hij van het spoor werd gehaald, er zat alleen een avond krant in.” “Maar de ring, is er geen ring?” vroeg Anne. Die was er. Anne draaide het rond in haar hand.

Blz. 16 “Ja, het is zilver, het kan de ring zijn die ik zag.” ze keek naar inspecteur Stewart. “Het moet hem dan wel zijn, want de jas is hetzelfde.” inspecteur Stewart pakte haar arm. “Je ziet er moe uit, Mejuffrouw Collins. Laat me je naar huis brengen.”

Hoofdstuk 4
Blz. 17 Sergeant Wood gaf een groot papier over het bureau aan. “Hier is het, meneer. Alle informatie die we konden vinden over de zaak van het metro ongeluk.” “Dank je, John.”inspecteur Stewart keek ernaar. “Uh, de identiteit is al vast gesteld. Michael Taylor, 27 jaar, adres: 133 North End Road, Hammersmith.” “Twee mensen kwamen hem identificeren. De ene was zijn broer, Patrick Taylor, geen vaste woon plaats. En mevrouw Simmons, zijn hospita. Beiden hadden hem gemist. Wat denkt u meneer? Is hij de man van de bankoverval? “Meneer Davidson was eerder vandaag in het mortuarium. Hij was er niet zeker van. Kon de kleren niet identificeren. Hij wist eigenlijk helemaal niet of het wel de man was.” Inspecteur Stewart krabde aan zijn kin. “Maar mejuffrouw Collins dacht van wel. En ik geloof haar.”

Blz. 18 “Nou als ze gelijk heeft wat is er dan in godsnaam met het geld gebeurd?” zei sergeant Wood. “Dat is wat ik graag wil weten. En waar is het pistool?” Inspecteur Steward haalde zijn schouders op. “Heel veel dingen zouden er kunnen zijn gebeurd. De bank was om drie uur overvallen, en het ongeluk is om vijf uur gebeurd… Nou, waar is dat adres? 133 North End Road … We gaan nu meteen naar Hammersmith, John.” Nummer 133 was een rijtjes huis, allemaal hetzelfde behalve de kleur van het verfwerk van de deur en ramen. Inspecteur Stewart ging naar de groene deur en belde aan. Sergeant Wood volgde. Een vrouw van een jaar of 55-60 deed open. “U komt vragen stellen over Meneer Taylor, of niet?” vroeg ze toen de inspecteur zijn legitimatie liet zien. “Komt u niet binnen om even te zitten?” ze leidde hen de woonkamer binnen. “Woont meneer Taylor hier al lang?” vroeg inspecteur Stewart. “Pas zes maanden. Wat erg, en nor wel op het metrostation. Ik kan niet geloven hoe dat kan hebben gebeuren.” Ze schudde haar hoofd. “Hij was zo’n aardige man.” “Kunt u ons vertellen wat voor werk meneer Taylor deed, mevrouw Simmons?” “Werk? Nou, ik ben bang van niet. Om u de waarheid te vertellen, ik denk niet dat hij deze laatste paar dagen werk had. Hij keek altijd in de krant met het ontbijt, op de vacature pagina.” “Heeft hij nooit verteld wat voor werk hij normaalgesproken deed?” “Ik kan niet zeggen dat hij dat deed, nee.” “Hij kwam niet uit London, denk ik.”

Blz. 19 Mevrouw Simmons lachte. “Oh, nee! Dat kon je al horen aan hoe hij praatte, hij zei dat hij uit het noorden kwam: Yorkshire.” Sergeant Wood keek naar inspecteur Stewart en haalde zijn wenkbrauwen op. De inspecteur draaide zich weer naar mevrouw Simmons. “Had hij vaak bezoek?” “Nou, je had zijn vriendin. Ze was er alleen de avond voor het ongeluk. En zijn broer. Maar die kwam niet vaak. Ik denk niet dat er iemand anders was. “Aha. En hun namen, van de vriendin en de broer? Heeft u enig idee hoe we met hen contact op kunnen nemen?” “Nou,”zei mevrouw Simmons, “Ik weet de naam van het meisje. Ze belde wel eens en ik nam dan op als meneer Taylor weg was, en gaf dan een bericht door. Mejuffrouw Winter, dat is de naam die ze gaf. Ze werk in het schoonmaakbedrijf Holland Road.” Sergeant Wood maakte aantekeningen. “En meneer Taylor broer? Vroeg hij, “Was zijn naam Patrick Taylor?” “Ik weet niet zijn precieze naam of adres. Maar de land meester beneden in de “King George” kan misschien meer vertelen. Ik denk dat meneer Taylor en zijn broer daar ‘s avonds wel eens afspraken.” Inspecteur Stewart stond op. “Nou, bedankt, mevrouw Simmons, we houden u niet langer op” “Er is toch niks wat meneer Taylor heeft gedaan, of wel?” Vroeg mevrouw Simmons op de weg naar de deur.”Ik bedoel, met al deze vragen…” “ Nee,nee gewoon routine, Mevrouw Simmons. Tot ziens.” En de twee politiemannen liepen de straat op. “Het is niet ver van hier naar Holland Road,”zei Sergeant Wood. “Je hebt gelijk. We kijken of we mejuffrouw Winter kunnen vinden en even met haar kunnen praten.” Ze vonden de schoonmakerij zonder enige problemen, en gingen naar binnen.

Blz. 20 Twee meisjes stonden achter de balie. Inspecteur Stewart liet zijn naamkaartje zien en vroeg of mevrouw Winter er was. “Kom deze weg.”Zei een van de meisjes, en leidde hen naar de achterkant van de winkel, waar allemaal dunne jonge meisjes met lang haar aan een strijkplank stonden. Ze keek op en inspecteur kon aan har gezicht zien dat ze kort geleden had gehuild. “Mejuffrouw Winter?” Inspecteur signaleerde haar om te gaan zitten. “Ik ben bang dat ik je een paar vragen over je vriend moet vragen, mejuffrouw Taylor. Het zal niet lang duren.” Ze keek naar haar schoenen. Ze deed haar best om niet weer te gaan huilen. “Wat wil u weten over Mike? Hij heeft toch niks misdaan.”

Blz. 21 “Wanneer heeft u hem voor het laatst gezien, mejuffrouw Winter?” “Maandag. De avond voor dat hij dood ging. We zijn samen naar de film geweest. Daarna hebben we wat gegeten in een Indisch restaurant.” “Wie betaalde als jullie uitgingen? Betaalde meneer Taylor?” “Soms.” “Betaalde hij maandag?” “Nou nee, dat deed hij niet. Ik betaalde” “Zat hij krap bij kas?” Het meisje keek ongelukkig. “Nee. Ik weet het niet. Misschien een beetje. We praatte nooit veel over geld.” Ze draaide haar gezicht weg. “Maar het zal net lang meer duren zei hij.” “Wat niet?”vroeg de inspecteur snel “Heeft hij je verteld hoe hij aan meer geld wou komen? Wat heeft hij gezegd?” “Niks hij zei alleen dat hij een aanbod had gekregen, dat is alles. Een goed aanbod.” “Voor een baan?” “Ik denk het. Ja.” “Heeft hij niet verteld wat voor een baan het dan was?” Ze schudde haar hoofd. “We praatte er niet veel over.” Ze keek op naar de twee politiemannen. “Waarom stellen jullie me al deze vragen? Mike is toch dood? Niks brengt hem nog terug.” Inspecteur Stewart glimlachte. “Ne dat is zo. Het spijt me maar zulke vragen moeten altijd gesteld worden bij dit soort zaken, ongelukken weet je wel.”Hij en sergeant Wood stonden op en zeiden goedendag. Het meisje staarde naar hen toen ze de winkel uit liepen en de straat overstaken naar de politieauto die geparkeerd was op de hoek.

Hoofdstuk 5
Blz. 23 Het was een koude natte nacht. Een blok hout brandde in de grote openhaard van de “King George” . De lucht in het vertrek was gevuld met de geur van rook en bier. Alle plaatsen waren bezet, en rond de bar stonden mensen te drinken en te praten. Inspecteur Stewart deed zijn jas uit toen hij binnen kwam, ging naar de bar en bestelde een whisky. Toen hij het drankje aan nam, betaalde hij en leunde over de bar naar de barman. “Ik heb gehoord dat Taylor tot je klantenkring behoord,”zei hij “Hij is er vanavond niet hè?” De barman wees naar een lange goedgebouwde man van rond de dertig, die aan de andere kant van de bar stond met een glas bier in zijn handen. “Dat is meneer Taylor.”

Blz. 24 Inspecteur Stewart ging naar de man die de barman aanwees. Hij stelde zichzelf voor en zette zijn glas Whisky neer naast het glas bier. “Politie, hè?” zei Patrick Taylor, met een half lachje op zijn mond. “Nou wat is het probleem?” Inspecteur Stewart merkte het Yorkshire accent op. “Alleen een paar vragen over je broer.” “Ik heb het lichaam toch geïdentificeerd? Wat wil u nog meer? Zijn verrekte levensverhaal?” “Ik ben bang dat ik je moet vertellen, meneer Taylor, dat we alle redenen hebben om aan te nemen dat uw broer iets met de overval op de Barclays Bank afgelopen dinsdag, heeft.” Patrick Taylor trok zijn hoofd in en lachte. “Misschien heeft u enig idee,” ging de inspecteur door, “waar hij het geld gelaten heeft. Het zat niet meer in de tas die we vonden na het ongeluk dinsdag avond.” “Ongeluk?” De lach op Patricks gezicht verdween opeens. “U bedoeld dat hij op de rails geduwd was.” “U zegt geduwd, dus u denkt niet dat het een ongeluk was?” Patrick Taylor gaf geen antwoord. Hij dronk zijn bier op en bestelde er nog een. Hij zei:”Gebruik je hersens, smeris. Het geld is verdwenen, dat zei u zelf. Mike is dood, dat kan heel wat betekenen hè, toch?” “Dus u bekend dat uw broer de bank heeft overvallen? Heeft hij u daar iets over verteld?” De glimlach keerde terug. “Ik heb het geld niet als dat is wat je bedoeld, smeris. Sorry ik kan je niet helpen.” Inspecteur Stewart was stil voor een moment. Hij nam een pijp uit zijn zak en vulde het. “Meneer Taylor,’ zij hij ten slotte, “Ik kan u niet dwingen om iets te zeggen als u dat niet wil, maar ik waarschuw u, het is een strafbaar feit om informatie achter te houden die de politie kan helpen. Denk er nog eens over na meneer Taylor.”

Blz. 25 Er kwam geen antwoord. Patrick Taylor dronk langzaam zijn bier. Hij leunde over de bar met zijn rug naar inspecteur Stewart. Na een paar minuten stond inspecteur Stewart op. “Misschien kunt u mij uw adres geven, meneer Taylor. Misschien moet ik u nog een paar vragen stellen. Waar woont u op het moment?” “Zoek maar uit als je dat wil weten.” Zal ik doen. Goedenavond, meneer Taylor.” Inspecteur Stewart verliet de”King George” en stapte in de patrouillewagen die op hem aan het wachten was buiten op straat. Voorn zaten Constable Smith en Constable Crawford, Het Team van de patrouillewagen 2500. “Parkeer een beetje verderop in de straat Smith,” zei hij toen hij instapte. “Niet te dicht bij die straat lamp Oké.”Hij wierp een blik op zijn horloge. Het was twintig over tien. Vanaf waar ze parkeerde kon je de ingang van de “King George” goed zien.

Blz. 26 Een paar mensen gingen naar buiten, maar Patrick Taylor was er niet bij. De minuten verstreken. Toen, vlak na half elf, verscheen de man waar ze op wachtte. Hij was alleen. Hij begon weg te lopen in de richting van de Shepherd’s Road. “Houd afstand.” Zei inspecteur Stewart. “Ik wil niet te dichtbij komen.” Patrick Taylor liep verder. Hij stak de straat voor hem over en ging een zijstraat in. “Eenrichtingsverkeer, meneer,”zei Constable Smith. “Parkeer hier maar. Crawford, kom met mij mee. We volgen hem te voet. Hij lijkt geen auto mee te hebben.” Inspecteur stapte uit met Constable Crawford. De zijstraat was rustig en er waren niet veel straatlampen. Aan beide kanten van de straat waren auto’s voor de huizen geparkeerd. Voor dat ze erg ver waren, had de man alweer een straat overgestoken. De twee mannen stonden in een deuropening van een winkel en keken hoe hij naar een van de huizen liep, een sleutel pakte en zichzelf binnen liet. Vijf minuten later was de blauwe Patrouillewagen op weg naar het Eltham politie bureau.

Hoofdstuk 6
Blz. 27 “47 Barry Road. Ja, het is de Shepherd’s Buch area. Neem Constable Hayes mee.” Inspecteur Steward keek op van zijn bureau naar sergeant Wood. “Je hebt een huiszoekingsbevel nodig.” Een oude man met een baard van een dag of drie oud opende de deur van 47 Barry Road toen sergeant Wood en Constable Hayes aanbelde. Hij keek ongemakkelijk naar de twee politiemannen, en zei niks. “Heb je hier een jongen die Taylor heet binnen?” vroeg sergeant Wood. “We willen alleen even zijn kamer bekijken als u het goed vindt.” De oude man opende zijn mond om iets te zeggen. Sergeant Wood zei: “Sorry,We hebben huiszoekingsbevel. U moet ons binnen laten.” De oude man zei niks. Hij leidde ze de trap op en opende de deur naar een kleine slaapkamer. Het was een armoedige kamer met goedkoop meubilair. “Weet u zeker dat er niks in zijn kamer was?” vroeg inspecteur Stewart toen sergeant Wood en Constable Hayes teug kwamen naam Eltham. “We hebben overal gekeken meneer. Geen spoor van het geld, helemaal niks. Kan het ergens anders verborgen hebben, denk ik, maar zeker niet in zijn kamer.” “Oké dan, John.” Inspecteur Stewart staarde uit het raam naar de straat. “Nee,” zei hij, “Ik denk niet dat patrick Taylor ooit het geld heeft gehad. Maar hij wist over de plannen van zijn broer van de overval.” “Denk je dat hij verwacht had om iets te krijgen?” “Misschien. Ja, misschien had hij dat. Maar ik weet een ding zeer zeker. Hij heeft nog iemand van zijn plannen verteld.” “Zijn vriendin?” vroeg sergeant Wood.

Blz. 28 “Nee, niet de vriendin. iemand anders. Ik denk dat er een medeplichtige was.” “Maar er was maar één man in de bank, toch? Denk je dat er iemand op hem wachtte in een auto buiten?” “Het is mogelijk, toch? We hebben geen idee wat er is gebeurd tussen de tijd dat hij de bank verliet en het ongeluk in Westminster.”Sergeant Wood fronste. “Als het er twee waren, is het, het meest waarschijnlijk dat die andere man hem naar het station heeft gebracht. En het geld heeft gepakt.” Maar Taylor had een aktetas bij hem.” Inspecteur Stewart deed zijn ogen dicht. “En waar is het verstopt? Wat is er met die andere man gebeurt als er een andere was?” Sergeant Wood krabde aan zijn hoofd. “Heeft Taylor op de rails gegooid, dat is wat zijn broer tenminste denkt.” “Kreeg je de indruk dat Patrick Taylor wist wie de medeplichtige was?” Vroeg sergeant Wood. “Ja, dat deed ik. En ik kreeg ook de indruk dat hij plannen voor zich zelf had, plannen om met die andere man af te rekenen.” De telefoon op het bureau van inspecteur Stewart ging. Hij nam op. “Hier Stewart. Ja. Oh, deed hij dat? Oh. Wat?” er was een lange pauze. Een gilmlach verscheen op het gezicht van de inspecteur. “Ja, ik denk dat, dat ons zal helpen. Heel hartelijk dank.” Hij legde de horen neer. “Interessante informatie van de politie in Huddersfield, John.” “Dat is waar Mike Taylor en zijn broer vandaan kwamen, toch?” “Dat klopt,John.”De glimlach stond nog steeds op zijn gezicht.

Blz. 29 “Nou wat is het volgende wat we gaan doen, meneer?” Er was een interessante blik in sergeant Wood’s ogen. “Eerst even wachten. Een oogje op Patrick Taylor houden. Weet je, John, ik denk dat we iets op het spoor zijn.

Hoofdstuk 7
Blz. 30 Het was een van die koude dagen in de herfst dat de winter dichtbij laat komen. Mensen liepen snel, met hun hoofd naar beneden, met kragen omhoog, paraplu’s waren overal. Een lange man in een regenjas haastte zich door Cromwell Road met de andere. Hij stopte bij een telefooncel en wachtte. Een meisje was binnen. Uiteindelijk legde ze de horen neer en kwam ze naar buiten. De man ging snel naar binnen. Vanaf de andere kant van de straat, in een donker portaal, hij kon de man amper zien. Het was Patrick Taylor. Hij haalde de horen van de haak en draaide een nummer. Even later deed hij er wat geld in.

Blz. 31 Het gesprek duurde niet lang. Na een paar minuten legde Patrick Taylor de horen neer en verliet de telefooncel. Er verscheen een glimlach op zijn gezicht, deed de kraag van zijn regenjas omhoog en liep de straat uit. De politie aan de andere kant van de straat begon ook te lopen. Rond de avond stopte het met regenen. Een paar auto’s reden heen en weer in de Rochester Road, maar de drukte van die dag was verdwenen, Patrick Taylor liep snel over de straat en over het voetpad naar de hoek, zijn voetstappen klonken luid in de nacht. Toen hij bij de Barclays bank kwam worp hij een blik op zijn horloge: twee minuten voor negen. Een van de dubbele deuren was niet op slot, hij opende het snel en ging naar binnen. Het was donker in de smalle entree hal. Hij deed de draaideur open en liep door. De lampen waren uit, een kleine bureau lamp brandde aan het einde van de balie. En bij de lamp zat een man met grijs haar. Hij keek op toen Patrick Taylor binnen kwam, en zijn ogen vernauwden. “Meneer Taylor?” “Meneer Davidson.” De twee mannen keken naar elkaar. De bank manager stand snel op en leunde over de balie. “Nou, meneer Taylor wat zijn uw eisen? Wat verwach u nu eigenlijk?” “Mike’s Deel van het geld. Zoals ik al over de telefoon zei £25.000.” Meneer Davidson haalde zijn wenkbrauwen op.”Veel geld meneer Taylor, en waarom denkt u dat ik zal toestemmen?” Patrick Taylor’s gezicht was strak. “Je hebt geen keuze. Mike heeft me van het plan verteld. Doen net als of hij de bank beroofd, weggaan met een lege tas. En het geld later verdelen. Als de potiie de zoektocht had gestaakt, en er geen risico meer was. Het enige verschil is dat ik het geld nu wil.”

Blz. 32 Er was een stilte. De manager keek ongemakkelijk naar Patrick Taylor. “Of zal ik de politie waarschuwen, ze hebben al vragen gesteld.” “Kom maar beter even met me mee,” zei meneer Davidson snel, “Probeer geen truckjes.” zei hij tegen de andere man “Ik heb een vriendin een die verwacht me dadelijk op een bepaalde plek en als ik niet voor half tien terug ben dan gaat ze direct naar de politie.” Weer gaf de manager geen antwoord. Een koele lach verscheen op zijn gezicht. “Kom maar mee meneer Taylor. Als je het geld nu wilt kom dan mee naar de kluis.”De manager ging eerst de trap af, Patrick Taylor kwam achter hem aan. Meneer Davidson haalde de deur van de kluis van het slot af. Er was een kluis aan een kant van de muur, en aan aantal safeloketten aan de muur ertegenover. Meneer Davidson ging naar een van de loketten en opende die met een andere sleutel. Toen het loket open was haastte Taylor zich naar het loket om de bundels met geld te zien. Het loket was vol gepropt. “Nou, komt er nog wat van en tel ze.” Zei Taylor. “Ik haal ze er wel uit.” Voor één moment, toen hij zich klaar maakte om het geld uit het loket te halen, stond hij met zijn rug naar de manager. Net toen hij rond wilde gaan kijken met zijn handen vol geld, voelde hij iets in zijn rug. Het was de loop van een revolver. “Oké Meneer Taylor geef me het geld. Alles.” De stem van de manager was rustig en koud. “Een verkeerde beweging en het pistool gaat af.”

Blz. 33 “Jij verrekte bedrieger!”Snauwde Taylor en draaide half om, om de manager aan te kijken. “Hier kom je niet mee weg.” Taylor had geen keus. Één voor één werden de bundels overgegeven naar meneer Davidson, die ze in een aktetas stopte, toen hij al het geld had en het safeloket dicht had gedaan, signaleerde hij naar meneer Taylor om de kluis uit te gaan. “Jij en ik gaan een klein reisje maken, opschieten!”schreeuwde hij opeens.

Hoofdstuk 8
Blz. 34 Buiten de kluis, waren de trappen die naar het hoofdgedeelte van de bank leidt, en daartegenover was een gang die naar meer trappen leidt. Met het pistool stevig in zijn rug, ging Taylor deze trappen op. Boven was een andere deur, de achterdeur van de bank. De lampen in de kluis gingen uit, en meneer Davidson had de lampen op de trap nog niet aangedaan. Een raam dat op de straat uitkwam, maakte alles een beetje minder donker. Toen ze bij de deur kwamen zette de manager de aktetas even neer en pakte zijn sleutels. Taylor keek naar de aktetas en een gedachte trof hem. Kon hij de aktetas snel oppakken en het pistool uit Davidson’s handen slaan?

Blz. 35 Maar het was al te laat. De deur naar de straat was al geopend en Taylor voelde het pistool al weer even stevig in zijn rug als daarvoor. “Lopen!”Zei Davidson weer. Plotseling waren er voetsteppen. Davidson keek snel langs de straat. Een straatlamp wat verder op scheen op de rij auto’s die aan de zijkant waren geparkeerd. Niemand aan die kant. Hij draaide zich om en keek de andere kant op. Voor hij het in de gaten had, hadden ze hem en Taylor. “Meneer Davidson! Meneer Taylor!” In het licht van de straatlantaren was het gezicht van inspecteur Stewart bleek, maar zijn ogen glinsterden. Vier politieagenten in uniform stonden opeens bij hem, en sergeant Wood aan zijn zijde. “Er staan een paar auto’s op jullie te wachten om de hoek, heren.” zei inspecteur Stewart. “Wat bedoel je daarmee?” zei Davidson. “Hier ben ik, ik verlaat alleen de bank en jij…” “Alleen de bank verlaten, meneer Davidson?” glimlachte de inspecteur. “Met een pistool in de rug van meneer Taylor? Om kwart over negen ‘s avonds? En met een aktetas vol met… nou laten we zeggen £50.000?” Hij pakte de aktetas en opende hem. De politiemannen namen hem aan en keken vol ontzag naar het geld. “Het spijt me meneer Davidson maar u zal met ons mee moeten komen. U ook, meneer Taylor.” Het gezicht van Taylor was vol ontzag toen hij Davidson aankeek. Beiden werden naar twee patrouillewagen geleid verderop in de straat. Taylor was met sergeant op de achterbank gestopt, Davidson met inspecteur Stewart in de andere. De auto’s reden weg in de richting van het politiebureau van Eltham. “Het was een erg slim plan dat Mike Taylor had uitgewerkt,” zei inspecteur Stewart tegen Davidson toen ze op weg waren.

Blz. 36 “Met een beetje geluk had niemand het geld ooit gevonden. Wie had er nu ooit gedacht dat het nog gewoon in de bank was. Jammer dat u zo ongelukkig was, meneer Davidson.” “Wie heeft u op mijn spoor gezet? Vroeg meneer Davidson. “Mike’s broer, de idioot?” “Niet direct, nee. Nee, het was Mike zelf.”Davidson staarde naar hem. “Zie je het ongeluk op het metrostation was heel ongelukkig voor u. Een paar inlichtingen maakte ons vrij zeker dat Mike de bank had overvallen. We vonden uit dat Mike uit Huddersfield kwam. En dat hij daar een aantal jaren als bankmedewerker had gewerkt, in een filiaal van Barclays Bank. Nou, dat was een beetje toevel. Dus hadden we de politie in huddersfield gevraagd wie er nog meer bij dat filiaal hadden gewerkt. En we kregen een lijst met namen, één daarvan was John Davidson.” “Dat bewees nog niks.” “Nee, maar het begon opeens een heleboel dingen te verklaren die zo mysterieus waren geweest. Waarom u geen gebruik had gemaakt van het alarm toen de bank werd overvallen, waarom u de man niet goed kon beschrijven, en later niet kon identificeren. Waar het geld was en waarom het niet was gevonden.” Davidson was stil. “Hoe wist u dat de broer van Mike vanavond naar de bank zou komen?” zei hij als laatste. “We hadden hem gevolgd. We hadden al verwacht dat hij u zou gaan opzoeken. Het was nauwelijks een verrassing.” De inspecteur keek in het gedimde licht naar Davidson. “Maar één ding is me nog niet helemaal duidelijk, waarom besloot Mike om met u samen te werken. Hij is toch niet uw type, of wel?” “Nee. Misschien niet.” Davidson zei niks meer. De twee auto’s stopte buiten het politiebureau. Davidson en Taylor werden het gebouw in geleid.

Hoofdstuk 9
Blz. 38 Hier was het licht helder. Op het bureau van inspecteur Stewart was een bureaulamp aan gedaan. Hij draaide hem en scheen hem op het midden van de kamer, waar Davidson en Taylor zaten. “Chantage,”zei hij “Is een ernstige misdaad. Dat weet je heel goed hè? Misschien herinner je onze eerste ontmoeting bij “King George”? Ik denk dat ik toen ook heb gezegd dat het strafbaar is om informatie voor de politie achter te houden, u bent dom geweest.” Taylor’s gezicht werd rood omdat hij kwaad was op Davidson. “Wat is heb gedaan is niks in vergelijking met wat hij heeft gedaan!”

Blz. 39 riep hij. “Levenslang is wat hij verdiend! En als je denkt dat zijn eigen bank overvallen alles is wat hij gedaan heeft dat heb je het mis. De verrekte…” “Oké meneer Taylor” onder brak inspecteur Stewart. “Wat weet je nog meer van wat meneer Davidson schuldig aan is?” “Genoeg!” riep Taylor. “Ik wed dat je, je afvraagd waarom mijn broer zich in heeft gelaten met zo’n vent als hem? Ik kan je vertellen waarom. Op de bank in Huddersfield, daar is waar het allemaal is begonnen. Hij drukte geld achterover en Mike was erachter gekomen. Ik weet de details niet, maar dat weet ik! Het was net rond de tijd dat Davidson was bevorderd, net voor dat hij hierheen kwam en zijn baan als manager van het Eltham filiaal startte. Manager! Nou een fijne manager was hij!” “Waarom ging je broer niet naar de politie, als hij wist dat meneer Davidson geld achter hield?” zei de inspecteur. “Taylor lachte. “Ja dat is de vraag. Hij was dom. Hij vertelde meneer Davidson dat hij het wist, en Davidson haalde hem over om zijn mond dicht te houden.” “En hoe overtuide de manager hem?” “Je bent een slimme smeris, of niet?”zei Taylor. “Kan je dat niet raden? Mike had geen werk weet je nog?” “Je bedoeld dat hij beloofde dat hij mee mocht doen met zijn nieuwe plan, de overval?” “Meteem goed! Van harte gefeliciteerd, smeris!” De hele tijd had Davidson geen woord gezegd. Hij keek naar de vloer. Hij keek Taylor geen één keer aan. “En ik ben nog niet met hem klaar!” riep Taylor. “Wat denk je van dat ongeluk op het metrostation?Wat denk je dat er echt is gebeurd? Je denk toch niet dat Mike van het perron af is gevallen, of wel? Dit zwijn wist dat Mike de gestolen Austin bij het metrostation zou parkeren. Hij wilde al het geld voor zichzelf, dus duwde hij mike op de rails.”

Blz. 40 De wangen van Davidson werden roze. Hij draaide om naar Taylor te kijken. “Jij dombo!” riep hij “dit keer ben je te ver gegaan!”Zijn handen trilden toen hij half opstond van de stoel. Één politieman hield hem tegen. “Ik heb niks te maken met de dood van Mike.”zei hij wat zachter nu. “Het was het ergste wat kon gebeuren. Ons plan was perfect…” Plotseling staarde hij naar Taylor. “Nou wacht even” riep hij. “Als het geen ongeluk was, dan was jij het! Mike had je van ons plan verteld. Jij ging naar het metrostation en duwde je broer op de rails. Zodat je me kon chanteren voor zijn deel van het geld.” Taylor wilde opstaan. “Jij viese…”begon hij. “Heren!” onderbrak inspecteur Stewart. “Genoeg!” Een plotslinge stilte vulde de kamer. De inspecteur kaak van de één naar de ander. “Vanaf het begin vroegen we ons af of dat wat er bij Westminster was gebeurd een ongeluk was of niet. We informeerden we naar de beiden van jullie.”Davidson en Taylor keken naar mekaar. De kleur was van hun gezicht. “We kwamen erachter dat meneer Davidson tot ongeveer kwart voor vijf op de bank was. Onmogelijk voor hem om in zo’n korte tijd naar Westminster te gaan. En meneer Taylor? Het is Oké, je hoeft het niet te vertellen ik weet al dat je die week in een garage in Hammersmith begon te werken en dat je daar die middag was tot half zes.”hij glimlachte. “Dus ik moet jullie allebei teleurstellen. Michael’s dood was een ongelukkig ongeluk.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.