Geschreven door: | anoniem [meer] |
Datum ingestuurd: | 10 juni 2003 |
Niveau: | 1 havo |
Woorden: | 2043 |
Opvragingen: | 5082 (45 deze maand) |
Waardering: |
Aardrijkskunde Samenvatting boekje 1 en 2
Boekje 1
Hs 1:
Regionaal beeld= het beeld dat mensen van een bepaald gebied hebben, de indruk over de:
- Ligging en grootte.
- Kenmerkende verschijnselen.
2 soorten informatie die het regionaal beeld vormen:
- Objectieve informatie= controleerbare informatie met feiten en cijfers (compleet). Bevat informatie over:
* Ligging.
* Ruimtelijke kenmerken.
* Samenhang.
- Subjectieve informatie= informatie dat met een bepaalde doel wordt gegeven of met een bepaalde opvatting.
Zenders: personen, bedrijven of instellingen (bepaalde belangen nastreven en gekleurde informatie geven).
Ontvanger: voegt informatie samen tot een mentaal beeld.
- Regionaal beeld verschilt per leeftijd, opleiding, inkomen en de cultuur.
- Regionaal beeld klopt beter als afstand tot een gebied kleiner is en er met het gebied meer relaties worden onderhouden.
Ruimtelijk gedrag ten aanzien van wetten, recreatie en cultuur hangt af van:
- De wensen.
- Het regionaal beeld.
- Beperkingen.
De mensen hebben de neiging het gevaar voor natuurrampen te negeren of te minimaliseren.
Bij de inschatting van het gevaar voor natuurrampen spelen.
- De frequentie van natuurrampen.
- De kennis- en ontwikkelingsniveau van de groepmensen,
Een rol.
Begrippen:
Mentaal beeld= een verzameling van subjectieve beelden zoals deze door de ontvanger van informatie wordt samengesteld uit allerlei vormen van informatie.
Imago= het uitgesproken beeld dat hoort bij 1 bepaald gebied, persoon of groep. Kan positief of negatief zijn.
Stereotype= algemene karakterisering van een gebied of groep mensen. Kan positief of negatief zijn (meerdere groepen/ gebieden).
Beperkingen= belemmeringen die bepalen in welke mate personen hun wensen kunnen omzetten in concreet ruimtelijk gedrag.
Ruimtelijk gedrag= alle activiteiten van mensen waarvoor ruimte nodig is.
Hs 2:
- Iedere zender heeft zijn eigen doel bij het aanbieden van een beeld van een gebied.
- Verschillende doelen:
Nieuws: verkoopboodschap met:
* Economisch.
* Commercieel.
Politiek.
- Belangrijk bij het krijgen van een juist regionaal beeld is het: vermogen tot selecteren. Hangt af van de geografische kennis die iemand heeft (- ecologische, -economisch en –sociale) processen in een gebied.
- Zenders kunnen op allerlei manieren beeld van een gebied Manipuleren bijv. een gunstiger beeld.
- De kaartprojectie heeft bijv. invloed op de:
* Ligging.
* Oppervlakte. } Kan leiden tot onjuiste beelden.
* Afstand.
* Richting.
Ook keuze van: gevaar of isolatie. -> kaartkleuren en -> kaartelementen.
vergoten of verkleinen. -> klassen en -> klassengrenzen.
Heeft invloed op het beeld van kaarten en grafieken.
1. Oppervlakte getrouwenkaarten.
2. Hoek getrouwenkaarten.
3. Afstand getrouwenkaarten.
City marketing is een veel voorkomende vorm van manipuleren van een regionaal beeld.
Begrippen.
Doelen= alles wat individuen of groepen belangrijk vinden om na te streven en te bereiken.
City marketing= alle activiteiten die tot het doel hebben het imago van een stad te verbeteren.
Manipuleren= met bepaalde technieken een regionaal beeld aanbieden om een specifiek doel te realiseren.
Kaartprojectie= de wijze waarop de ronde aarde op een plat vlak wordt getekend.
- Mercatorprojectie (oppervlakte groter).
- Pietersprojectie (omvang van een land).
Nieuws= nieuwsberichten, subjectief of objectief, verlijk of smakelijk.
Verkoopboodschap (economisch of commercieel)= nieuwe mensen proberen aan te trekken.
Politiek= verkoopboodschap op politiek terrein.
Hs 3:
- Door het opstellen van een geografisch beeld kan door een regionaal beeld worden aangevuld.
* Geografisch beeld geeft informatie over:
Ligging van een gebied (aardbol, klimaatzone, economische blok).]
Ruimtelijke kenmerken van het landschap de bevolking en economie.
Relaties binnen het gebied en met andere gebieden.
Samenhang tussen ruimtelijk kenmerken.
* 10-puntenplan:
1. Bepalen van de absolute ligging van het gebied.
2. Inventariseren van natuurlijke gebiedskenmerken..
3. Inventariseren van menselijke inrichtingskenmerken.
4. Inventariseren van demografische kenmerken.
5. Inventariseren van culturele kenmerken.
6. Inventariseren van economische kenmerken.
7. Inventariseren van politieke kenmerken.
8. Inventariseren van ecologische kenmerken.
9. Inventariseren van relaties met andere gebieden.
10. Inventariseren van samenhang tussen de verschijnselen/ kenmerken binnen en gebied.
Er zijn 3 manieren om met het 10-puntenplan te werken:
- Van een gebied een compleet geografisch beeld maken.
- Gebieden vergelijken.
- Regionale belden ten aanzien van een bepaald thema controleren.
Begrippen:
10-puntenplan: een hulpmiddel van het systematische verzamelen van informatie over een gebied voor het maken van een geografisch beeld.
1e fase: Verkenning= je moet dan gaan bepalen waarvoor het 10-puntenplan gaat gebruiken.
1. Het samenstellen van compleet geografisch beeld.
2. Gebieden vergelijken.
3. Regionale beelden controleren.
2e fase: Analyse= je moet gegeven verzamelen en op een dusdanige manier ordent dat je de hoofdvraag uit de verkenningsfase kunt beantwoorden (databestand, atlas, foto’s en teksten).
3e fase: Reflectie= je geeft antwoord op de hoofdvraag en waarin je terug kijkt op de manier hoe je met het 10-puntenplan hebt gewerkt.
- Nieuwe informatie geografische beeld en regionaal beeld completer?
- Regionaal beeld klopt met de werkelijkheid (mentaal of geografisch beeld).
- Welke manier het beeld van het gebied met een bepaald doel kunnen manipuleren?
Boekje 2
Hs 1:
Gedragsruimte= de ruimte waarvan mensen die op een bepaalde plek wonen, gebruik maken voor hun dagelijkse activiteiten en hun leefsfeer.
Functionele gedragsruimte= de gedragsruimte die bepaald is door de woon- werkverplaatsingen en door de verplaatsing die nodig zijn voor het gebruik van commerciële en niet-commerciële diensten.
Mental gedragsruimte= de gedragsruimte waarbinnen mensen zich met elkaar en het gebied verbonden voelen.
- Door gemeenschappelijke kenmerken krijgt groep een eigen identiteit= het eigen gezicht
van een groep mensen, op basis van gemeenschappelijke kenmerken, waardoor de groep zich onderscheidt van mensen in andere gebieden.
- Verbondenheid van groep leidt tot: regionaal bewustzijn= de verbondenheid van mensen met elkaar door het gebied waar ze wonen.
- Het regionaal bewustzijn uit zich in exclusiviteit= het exclusief gebruik van een gebied. Een gebied of ruimte is voor een bepaald groep mensen gereserveerd.
- Bij afbakening van de functionele gedragsruimte is zijn de reikwijdte en verplaatsingen bepalend. Zo wordt het woon- werk gedragsruimte bepaald door de afstand die mensen afleggen tussen hun woon- werkplek.
Suburbanisatie= migratiebeweging waarbij mensen wegtrekken uit de steden naar de dorpen in de omgeving.
- Ontwikkelingen in het wonen en in het werken (uitschuiving) vergoten de scheiding tussen de woon- en werkplek.
* Bij de afbakening van de functionele gedragsruimte spelen ook de verplaatsing voor het gebruik van diensten een rol.
Bij commerciële diensten moet je letten op:
- het verzorgingsgebied van een dienstverlener:
De drempelwaarde= het minimumklanten dat nodig is om een diensverlenend bedrijf in stand te houden.
Het draagvlak= het aantal klanten in een gebied of plaats (consumptieve vraag).
- Het spreidingspatroon van centrale plaatsen.
- De gedragsruimte van commerciële diensten.
De reikwijdte= de maximale afstand die mensen willen afleggen om van een bepaalde dienst gebruik te maken.
- Bij niet-commerciële diensten valt de gedragsruimte samen met rayons, de door overheid vastgestelde verzorgingsgebieden.
- Niet-commerciële diensten (non- profisector)= het maken van winst niet het hoofddoel.
Rayon= een gebied dat het werkterrein van betreffende dienst.
Politieke- ruimtelijk organisatie= bestuurlijke indeling bijv. de gemeentelijke indeling.
Gedecentraliseerde eenheidstaat= staatsvorm waarbij niet alles centraal van bovenaf wordt geregeld. Er is lokale autonomie binnen door hogere overheden gestelde grenzen.
Ruimtelijk ordening= proces waarbij met een groot aantal spelregels de ruimte planmatig wordt benut en ingericht, dus: het zo goed mogelijk aanpassen van samenleving en ruimte.
Streekplan= niet- bindend, globaal langetermijnplan voor de inrichting van de ruimte van een provincie.
Structuurplan= plan waarin de gemeente in grote lijnen aangeeft welke bestemmingen en inrichtingen op het gemeentelijk grondgebied mogelijk zijn.
Bestemmingsplan= bindend, gedetailleerd plan voor de inrichting van de ruimte in een gemeente.
- In de gemeente staat het bestuur het dichts bij de burgers en de burgers het dichts bij het bestuur.
Gemeentelijke herindeling= proces waarbij men door samenvoeging van gemeenten grotere nieuwe gemeenten vormt. Hierdoor wil men:
- De bestuurskracht vergroten en de bestuursruimte meer laten samenvallen met de gedragsruimte.
- Voldoende draagvlak voor een geheel van voorzieningen.
- Besparingen op de bestuurskosten.
- Meer ruimte voor bijv. woningbouw.
Grote steden hebben eigen problemen: financieel en ruimtelijk.
Oplossing: 4 stadsprovincies
4 grootstedelijke herindelingen.
Stadsprovincie= nieuwe bestuurlijke eenheid om de bestuurskracht van de hele grote gemeente vergroten. Ligt tussen de ‘gewonen’ provincies en de stadsgemeenten in.
- De stadprovincie vervangt in een groot en ingewikkeld stedelijk gebied de provincie en een deel van het gemeentelijk bestuur.
- Rotterdam en Eindhoven werden per 1-1-2000 stadsprovincie. Twentestad en KANC (= knooppunt Arnhem- Nijmegen) hebben plannen voor grootsstedelijke herindeling
Succes van gemeentelijk herindeling:
1. Heeft de nieuwe gemeente gewonnen aan daadkracht?
2. Valt de gemeenteruimte samen met de primaire- functionele gedragsruimte?
3. Is de gemeenteruimte de mentale gedragsruimte?
Hs 2:
- Op Europees niveau is er sprake van een proces van integratie= gebieden krijgen onderling steeds meer relaties waardoor die gebieden gaan samenhangen en op den duur een hechte eenheid worden.
Bij politieke integratie dragen staten een deel van hun zeggenschap over aan bovenstatelijke organisaties. Stukjes afstaan van hun zeggenschap (samenwerking in de diepte) en om uitbreiding van de beleidsterreinen waar de samenwerking over gaat (samenwerking in de breedte).
Vervlechting= door intensieve relaties ontstaat een grotere samenhang (handels- en investeringsrelaties).
De Europese Unie (EU) is een groot voorbeeld van economische en politieke integratie.
Sinds 1957 ontwikkelingen in integratieproces:
- Uitbreiding van het samenwerkingsband.
- Intensivering van de integratie (vervlechting).
Associatieverdrag= verdrag van EU met Polen, Bulgarije, Tsjechië, Hongarije, Slowakije en Roemenië. De EU belooft daarin financiële steun voor economisch hervorming richting markteconomie, een blijvende politiek dialoog en een geleidelijke afbraak van de handelsbelemmeringen..
Bondstaat= federatie staat, gevormd door een duurzame, nauwe verbinding van staten. De politieke samenwerking in de breedte en diepte is vergaand.
Comparatief voordeel= voordeel dat een land heeft doordat de producten of diensten relatief goedkoper en beter kan voortbrengen. Door met elkaar handel te drijven, kunnen beide landen daarvan profiteren. Landen kunnen hun comparatief voordeel benutten, zodat een regionale specialisatie ontstaat.
- Regionale specialisatie= een land of een gebied zou zich toeleggen op die producten en diensten die het in vergelijking met andere producten/ diensten het goedkoopst kan maken.
De samenwerking binnen de EU komt op vele terreinen steeds meer voor. De 2 belangrijkste:
1. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid.
Vooral het markt –en prijsbeleid= geheel van maatregelen binnen het landbouwbeleid waardoor de markt en dus de prijsvorming van landbouwproducten beïnvloed wordt. Doel is het garanderen van het inkomen van de boeren het zorgen voor betaalbare voedselprijzen.
Het markprijsbeleid is een pakket van maatregelen rond prijsgarantie (prijssteun)= minimumprijs die de overheid voor een bepaald product garandeert om zo het inkomen in een bedrijfstak op peil te houden. Het aanbodoverschot dat ontstaat, koopt de overheid op.
- 2 nadelen: - de noodzaak van de protectie.
- het ontstaan van productieoverschotten.
Met toenemende kosten + het beleid heeft dit geleid tot: Het plan Mac Sharry (1992): De Eu wil hiermee de prijssteun verminderen, de overprotectie verminderen en inkomenssteun aan boeren geven.
Ook door WTO (GATT) is het marktprijsbeleid veranderd. Doel van WTO is het streven voor landen naar liberalisering van de wereldhandel.
De liberalisering van de wereldhandel (= het vrijmaken van de wereldhandel, dus geen invoerrechten en geen handelsbarrières).
2. Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (= hoeveelheid geldmiddelen waarmee de EU probeert de sociaal- economische ongelijkheid in de achtergebleven gebieden in de EU te verminderen).
De regionale ongelijkheid= onrechtvaardige verschillen tussen gebieden in welvaart, welzijn en macht.
- De regionale ongelijkheid moet worden verminderd. Dit kan worden bereikt door:
* Ontwikkeling en verbetering van de economische structuur van achtergebleven gebieden (periferie) bijv. Spanje.
* Economische omschakeling van gebieden met afnemende industriële activiteit (herstructureringsgebieden).
* Bestrijding van langdurige werkeloosheid.
* Ontwikkeling van landelijke gebieden.
* Aanpassing van gebieden met zeer geringe bevolkingsdichtheid, zoals Zweden en Finland.
Begrippen:
Inkomenspariteit= situatie waarin de levensstandaard (inkomenssituatie) van de landbouwers gelijk is aan die van mensen in andere economische sectoren, zoals de industrie.
Basisrichtprijs= Hoort bij het markt- en prijsbeleid van de EU. Het is de streefprijs die door de landbouwministers jaarlijks voor elk product wordt vastgelegd met het oog op de kosten en de inkomens van de landbouwers. De basisrichtprijs is het uitgangspunt van de garantieregeling.
Interventieprijs= Hoort bij het markt- en prijsbeleid van de EU. Het is de feitelijke marktprijs van een bepaald product die lager is dan de basisrichtprijs en aanleiding is tot ingrijpen (interveniëren). De EU koopt dan het betreffende product waardoor het aanbod kleiner wordt en de prijs weer stijgt.
Quotum= De hoeveelheid producten die een landbouwer in een bepaald jaar mag voortbrengen. Ook wel productiequotum genoemd.
Superheffing= De extra lage prijs, op te vatten als een soort boete, die de landbouwer krijgt voor de hoeveelheid producten die hij meer produceert dan het quotum toestaat.
Braaklegging= Het niet in productie toenemen van een deel van de grond van een landbouwbedrijf.
Drempelprijs= De prijs die geldt voor de invoer van bepaalde producten. Ligt de prijs onder de drempelprijs, dan moet de importeur een invoerheffing betalen.
Restitutie= Vergoeding, subsidie die landbouwers krijgen om het prijsverschil van landbouwproducten met de wereldmarktprijs op te heffen.
Lomé-akkoorden= Afspraken tussen de EU en ontwikkelingslanden in Afrika, het Caribische gebied en het Pacifisch gebied over de handel en ontwikkelingshulp.
Structuurfondsen= Fondsen met geldmiddelen waarmee de EU probeert ongunstige omstandigheden in gebieden van de EU blijvend te veranderen.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons dan weten.
a d v e r t e n t i e
Win beltegoed met Cash
Cash helpt je slimmer met je geld omgaan. Zodat je minder snel zonder beltegoed komt te zitten. Probeer nu de tools van Cash! Met de Cashculator Mobiel ontdek je wat voor beller je bent. Of speel de Cash Battle op Hyves, daag je vrienden uit en maak kans op €500 beltegoed! De game duurt maar een minuutje!
a d v e r t e n t i e

Wat ga jij later doen voor je poen? Het liefst wil je een uitdagende baan met een goed salaris. Misschien iets met economie en biologie. Met mensen werken, in een team van experts of als zelfstandig ondernemer. Niet alleen op kantoor, maar ook buiten aan de slag. Wil je weten hoe? Check www.beleefbuiten.nl, doe mee met de actie en win een VIP-dag!
Zonder jouw bijdrage kan Scholieren.com niet bestaan. Help andere scholieren door je eigen samenvattingen en ander huiswerk op te sturen.

Maxim maakte als klein jochie in Frankrijk een foto van een luchtballon. En toen? Lees het korte verhaal.