Geschreven door: | Nick Praas |
Datum ingestuurd: | 4 juni 2003 |
Taal: |  |
Woorden: | 1.850 |
Bekeken: | 9572 keer (19 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
Het Hellenisme
Het hellenisme is een stroming van de filosofie tussen Aristoteles en de Middeleeuwse Filosofie. Het hellenisme is ontstaan na de dood van Alexander de Grote. Dat was ongeveer 325 jaar voor Christus. Het hellenisme kent vier verschillende stromingen: het Epicurisme, het Stoďcisme, het Cynicisme en het Neo-Platonisme. Over deze stromingen heb ik het later nog wel.
Het hellenisme was een periode van cultureel verval. In Griekenland komt men geen politieke eenheid bereiken. Door de Peloponnesische oorlog liep het bevolkingsaantal ver terug. Eerst kwamen de overgebleven Grieken onder Macedonisch gezag en na de dood van Alexander de grote werden ze overrompeld door de Romeinen. Veel van de filosofen uit die tijd kwamen uit Griekenland, maar werden in Rome verder ontwikkeld. Dit is het geval bij twee van de belangrijke filosofieën uit deze periode, het epicurisme en het stoďcisme. Het hellenisme heerste in drie grote rijken: Macedonië, Syrië en Egypte. Tijdens het hellenisme werden de grenzen tussen verschillende landen uitgewist en zo vermengden vele culturen zich in een grote heksenketel van religieuze, filosofische en wetenschappelijke ideeën. Er ontstonden nieuwe religies, die hun goden en religieuze voorstellingen uit diverse oude naties konden betrekken. Dat wordt syncretisme of vermenging van religies genoemd. Vroeger voelden de mensen een sterke verbondenheid met hun eigen volk en hun eigen stadstaat. Naarmate grenzen vervaagden, gingen velen twijfelen voer zaken als levensbeschouwing. De late oudheid werd sowieso door religieuze twijfel, culturele vervaging en pessimisme gekenmerkt. ‘De wereld is oud’, werd er gezegd. De nieuwe religies werden tijdens het hellenisme gekenmerkt door het feit dat ze meestal een leer over verlossing uit de dood bevatten. Die leer was vaak geheim. Door zich bij een een dergelijke geheime leer aan te sluiten en bovendien door bepaalde rituelen uit te voeren, kon de mens op de onsterfelijkheid van de ziel en een eeuwig leven hopen. In het algemeen kunnen we zeggen dat de hellenistische filosofie niet erg origineel was. Er dook geen nieuwe Plato of Aristoteles op. Maar de drie grote filosofen uit Athene werden wel een belangrijke inspiratiebron voor verschillende filosofische stromingen. De hellenistische cultuur kan goed met de hedendaagse wereld worden vergeleken. Ook de twintigste eeuw wordt door een steeds opener wordende wereldmaatschappij gekenmerkt. En ook in onze tijd heeft dat tot grote omwentelingen op het gebied van religie en levensbeschouwing geleid. Zoals men in Rome rond het begin van onze tijdrekening Griekse, Egyptische en oosterse godsvoorstellingen kon tegenkomen, zijn tegen het eind van de twintigste eeuw in iedere Europese stad van enig formaat religieuze voorstellingen uit alle werelddelen te vinden. De hellenistische periode ging door met probleemstellingen die door Socrates, Plato en Aristoteles waren opgeworpen. Zij hadden alle drie antwoord willen geven op de vraag hoe de mens het best kon leven en sterven. Zij zetten dus de ethiek op de agenda. In de nieuwe wereldmaatschappij werd dat het belangrijkste filosofische project. De vraag luidde waaruit het echte geluk eigenlijk bestond en hoed at kon worden bereikt. Ik zal vier van dergelijke filosofische stromingen gaan bestuderen.
Het Cynicisme
Er wordt van Socrates verteld dat hij op een keer voor een marktkraam bleef staan, waarop tal van koopwaar was uitgesteld. Ten slotte riep hij uit: ‘Wat bestaan er veel dingen die ik niet nodig heb!’ Deze uitspraak kon als titel functioneren voor de cynische filosofie waarvan de basis rond 400 voor Christus in Athene door Antisthenes werd gelegd. Hij was leerling van Socrates en voelde zich met name door de bescheidenheid van Socrates aangetrokken. De cynici benadrukten dat werkelijk geluk niet in uiterlijke zaken zoals materiële luxe, politieke macht en een goede gezondheid te vinden was. Werkelijk geluk kon je pas bereiken door je onafhankelijk op te stellen tegenover zulke toevallige en kwetsbare dingen. Juist omdat het geluk niet van dat soort zaken afhankelijk was kon het door iedereen worden bereikt. Je kon het bovendien niet meer verliezen als je het eenmaal had gevonden.
De bekendste cynicus was Diogenes van Sinope, leerling van Antisthenes. Van hem wordt verteld dat hij in een ton woonde en alleen maar een mantel, een stok en een kalebas bezat. Op een dag verlangde Alexander, de koning van Macedonië, die met veel gezellen de stad in was gekomen, de beroemde filosoof te zien. “Ik ben Alexander”, zei hij, “de grote koning.” “Ik ben Diogenes, de hond,” antwoordde hij. “Om welke reden word je hond genoemd”, vroeg de Macedoniër. “Omdat ik voor iedereen die mij iets schenkt, kwispelstaart, maar naar degenen die mij iets weigeren blaf ik.” Hij ging voor de wijze man staan en vroeg of hij iets wenste, want dan zou hij die wens onmiddellijk vervullen. Diogenes antwoordde: ‘Ga alleen een beetje opzij, zodat ik weer in de zon zit.’ Zo liet Diogenes zien dat hij rijker en gelukkiger was dan de grote legeraanvoerder. Hij had immers alles wat hij wenste. Er is zelfs overgeleverd dat hij bij klaarlichte dag, terwijl hij een lamp in de hand hield, in de straten wandelde. Toen zijn medeburgers vroegen wat hij deed, zei hij: “ik zoek een mens, en ik kan er geen vinden.” Toch kenden de Atheners hem veel eer toe: Toen een jongen zijn vat gebroken had, boden ze de filosoof een nieuw vat aan.
De cynici vonden dat de mensen zich niet om hun eigen gezondheid hoefden te bekommeren. Zelfs niet over het lijden en de dood hoefden ze zich geen zorgen te maken. Zo hoefden ze zich ook niet druk te maken over het lijden van andere mensen.
Ongevoeligheid voor andermans lijden wordt tegenwoordig vaak met de woorden ‘cynisch’ en ‘cynisme’ uitgedrukt. Hij beëindigde op 90-jarig leeftijd zijn leven door zijn adem in te houden.
Het Stoďcisme
Het Stoďcisme ontstond rond 300 voor Christus in Athene. De stichter was Zeno van Citium, die oorspronkelijk uit Cyprus kwam maar die zich na een schipbreuk in Athene bij de cynici aansloot. Hij verzamelde zijn volgelingen gewoonlijk onder een zuilengalerij. De naam ‘stoďcijns’ komt van het Griekse woord voor zuilengalerij (Stoa). Het stoďcisme zou later van groot belang zijn voor de Romeinse cultuur.
Net als Heraclitus dachten de stoďcijnen dat alle mensen deel uitmaakten van hetzelfde wereldverstand of logos. Ze dachten dat ieder mens een wereld in miniatuur was, een ‘microkosmos’ die een afspiegeling was van ‘macrokosmos’.
Dit leidde tot de gedachte dat er een algemeen geldend recht bestond, het zogenaamde ‘natuurrecht’. Omdat het natuurrecht op het tijdloze denken van de mens en het universum steunde, verschilde het niet per tijd en plaats. In dat opzicht kozen ze dus de zijde van Socrates.
Het natuurrecht gold voor alle mensen, ook voor de slaven. De stoďcijnen beschouwden de wetboeken van de verschillende staten als onvolmaakte imitaties van een ‘recht’ dat in de natuur zelf aanwezig is.
Net zoals de stoďcijnen het verschil tussen de individuele mens en het universum uitwisten, wezen ze ook het idee af dat er een tegenstelling tussen ‘geest’ en ‘materie’ bestond. Volgens hen bestond er slechts een natuur. Zo’n opvatting wordt ‘monisme’ genoemd. Mono betekent een.
Stoďcijnen stonden meer open voor de cultuur van hun tijd dan de ‘tonfilosofen’ (de cynici). Ze wezen op de onderlinge verbondenheid van de mensen, hielden zich met politiek bezig en een aantaal van hen waren actieve staatslieden, bijvoorbeeld de Romeinse keizer Marcus Aurelius (121-180). Ze leverden een bijdrage aan het bevorderen van Griekse cultuur en filosofie in Rome.
De redenaar, filosoof en politicus Cicero (106-43 voor Chr.) was een van de bekendste stoďcijnen. Hij was degene die het begrip ‘humanisme’ bedacht, dat wil zeggen een levenshouding die de individuele mens centraal stelt. Cicero was geboren op 3 januari in het jaar 106 voor Chr. en hij was vermoord op 7 december in 43 voor Chr. De stoďcijn Seneca (4 voor Chr. – 65 na Chr.) zei een paar jaar later dat de ‘mens voor de mens iets heiligs is’. Dat is door de eeuwen heen de leus van het humanisme gebleven.
Het Epicurisme
Zoals we weten onderzocht Socrates hoe de mens een goed leven kon leiden. Zowel de cynici als de stoďcijnen meenden dat de mens volgens Socrates afstand moest doen van materiële luxe. Maar Socrates had ook een leerling die Aristippus heette. Volgens hem moest het je levensdoel zijn om zoveel mogelijk zinnelijk genot te bereiken. ‘Het hoogste goed is de lust,’ zei hij, ‘het grootste kwaad is de pijn.’ Zo wilde hij een levenskunst ontwikkelen die ten doel had alle vormen van pijn te vermijden. Het doel van de cynici en de stoďcijnen was pijn te verdragen, de epicuristen zetten alles op alles om pijn te vermijden.
Rond 300 voor Christus stichtte Epicurus(341-270 voor Chr.) een nieuwe filosofische school in Athene. De epicuristen. Hij ontwikkelde de lustethiek van Aristippus verder en combineerde die met de atoomleer van Democritus.
Er wordt gezegd dat de epicuristen in een tuin bijeenkwamen. Daar om worden ze ook wel de ‘tuinfilosofen’ genoemd. Boven de ingang van de tuin zou een inscriptie hebben gehangen met de woorden: ‘Vreemdeling, hier zult u het goed hebben. Hier is de lust het hoogste goed’.
Epicurus vond het belangrijk dat het lustbevredigend resultaat altijd eventuele bijwerkingen kon hebben. Als je ooit een keer te veel van iets hebt gegeten dan weet je wat ik bedoel. Als je bijvoorbeeld voor €10,- chocola koopt en het allemaal in een keer opeet. Zo’n half uur nadat je het hebt opgegeten zul je merken was Epicurus met bijwerkingen bedoelde.
Epicurus vond ook dat een lustbevredigend resultaat op korte termijn moet worden afgewogen tegen de mogelijkheid van een groter en langduriger genot op lange termijn. Je kunt bijvoorbeeld een heel jaar geen chocola kopen en dat je dan spaart voor een nieuwe fiets of een vakantie.
Epicurus was de zoon van Neocles en Chaerestrate
Het Neoplatonisme
Zowel de cynici, de stoďcijnen als de epicuristen gingen voor hun ideeën terug tot de tijd van Socrates. Soms gingen ze terug naar presocratici als Democritus en Heraclitus.
De belangrijkste filosofische stroming in de late oudheid haalde de inspiratie vooral uit de ideeënleer van Plato. Daarom noemen we die stroming het neoplatonisme.
De belangrijkst neoplatonist was Plotinus (ca. 205-270), die filosofie studeerde in Alexandrië, maar die later naar Rome verhuisde. Hij kwam dus uit Alexandrië, de stad die al eeuwenlang de grote ontmoetingsplaats tussen Griekse filosofie en oosterse mystiek was. Plotinus haalde een bevrijdingsleer naar Rome, die een serieuze concurrent van het christendom zou worden, toen dat in opkomst was. Maar ook het neoplatonisme zou op de christelijke theologie een sterke invloed gaan uitoefenen.
Plotinus is van mening dat de wereld tussen twee polen is gespannen. Aan het ene uiteinde staat het goddelijke licht, wat hij het ‘Ene’ noemde. Soms noemde hij het ‘God’. Aan het andere uiteinde is de absolute duisternis, waar het licht uit het Ene niet doordringt. Maar volgens Plotinus heeft de duisternis eigenlijk geen bestaansgrond. Het is enkel een afwezigheid van het licht – het bestaat niet. Het enige wat bestaat is God of het Ene, maar zoals een lichtbron geleidelijk in de duisternis opgaat, zo loopt er ergens een grens tot waar de goddelijke stralen kunnen reiken. Volgens Plotinus is de ziel door licht van het Ene bestraald, terwijl de materie de duisternis is die geen eigenlijke bestaansgrond heeft. Maar ook de vormen in de natuur bezitten een sprankje van het Ene.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.