ff n studiebreak

Experiment: geen Twitter, mail en Whatsapp meer voor Nina. Wel faxen, brieven in enveloppen en ouderwetsch bellen.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

Werkgroep (1 wo) [meer]

Datum ingestuurd:

21 juni 2003

Taal:

Woorden:

11.550

Bekeken:

5525 keer (5 deze maand)

Waardering:

3.4/5 (42 stemmen)

Deel op:

  • Door Eva op 21-06-2005
    Bedankt voor het online zetten van deze samenvatting!
  • Door Irma op 17-06-2005
    Dank! Bij de UU hebben ze voor de deeltijders het onzalige plan gehad acht weken stof in zes weken tijd te proppen waardoor je gigantisch met tijdgebrek te kampen krijgt. Deze samenvatting vult de mijne, die nog niet helemaal compleet was, prima aan. Volgende week tentamen. Ben benieuwd.
Hoofdstuk 7 End of Empires

I

19e eeuw: aantal Noordwesterse landen verovert niet-Europese wereld of stelt er het eigen economisch (kapitalistisch, vanaf 1917 ook communistisch) en sociaal (burgerlijk) model in.
20e eeuwse geschiedenis van niet-Noordwesterse wereld wordt dus bepaald door haar relaties met deze landen. Dynamiek in deze wereld bestaat grotendeels uit pogingen het westerse model te imiteren om vooruit te komen. Dit model kon naast traditionele geloven en ideologieën bestaan zo lang het er niet mee botste (dan sneuvelt nl. het traditionele). Traditionele (en niet-kapitalistische) ideologieën waren echter vaak superieur aan de kapitalistische, en konden effectief zijn als middel om de massa tegen westerse modernisering te mobiliseren; voor de jaren ’70 echter geen traditioneel-geinspireerde succesvolle bevrijdingsbeweging in ontwikkelingslanden. Integendeel: ideologieën, programma’s en methoden die de emancipatie van die landen inspireerden waren westers. Dat betekent: makers van deze emancipatie waren minderheden (want maar weinigen hadden westerse kennis). Deze minderheden speelden een belangrijke rol in de landen, en kwamen in allerlei hoge functies terecht.
Deze elites namen niet noodzakelijkerwijs alle westerse waarden aan: vaak bleven ze het Westen wantrouwen en namen ze alleen maar haar innovaties over om de eigen specifieke waarden te bewaren. Het imiteren van Westerse modellen was echter wel de noodzakelijke manier om de eigen doelen te verwezenlijken, zeker omdat de perspectieven van de elites en de massa’s zo verschilden (m.a.w., de elites komen daarop vanwege hun westerse kennis, de massa’s zijn traditioneler?).

II

Kapitalistische wereldeconomie had de hele wereld doordrongen, ook al stopte ze in 1917 tijdelijk bij de Russische grens; daarom was de Depressie van 1929-33 zo’n belangrijk punt in de geschiedenis van het anti-imperialisme en de bevrijdingsbewegingen in de Derde Wereld.
Derde wereld was voor de wereldmarkt een leverancier van grondstoffen en landbouwproducten en een uitlaatklep voor noordelijke investeringen, vooral in leningen aan regeringen en in de infrastructuur van transport, communicatie en steden. Het idee van de noordelijke regeringen en ondernemers was de afhankelijke wereld door de verkoop van haar grondstoffen enz. te laten betalen voor haar importen van noordelijke industrieproducten, ook al was die wereld geen lucratieve afzetmarkt. Het was in het belang van de noordelijke producenten om de afhankelijke wereld volledig afhankelijk te maken van hun industrieproducten, m.a.w. haar te agrarianizeren (?).
Werkte niet, want: juist door opname in wereldmarkt ontstonden lokale markten, die goedkoper beleverd konden worden door lokale producenten (i.p.v. dure, verre productie in bv. Engeland), en: veel lokale economieën, vooral in Azië, waren zeer complex en hadden al een geschiedenis van industriële productie.
Toch: verschuiving van industrie van de Noordwesterse ‘heartlands’ naar de (voormalige) Derde Wereld komt pas in het laatste derde van de 20e eeuw. Lijkt logisch: moederland heeft er belang bij de kolonie industrieel afhankelijk te houden. Echter: komt door gebrekkige ontwikkeling van de wereldeconomie, met name van de transport- en communicatietechnieken (daardoor kon industrialisering nog niet in de Derde Wereld). Door WO I kwamen de problemen van te lage industriële productie in de koloniën dichtbij de ‘imperial governors’; door de Depressie moesten ze hun inkomsten verhogen door importheffingen, ook op moederland-productie, en dat stimuleerde bedrijven om lokale productie op te zetten. Afhankelijke wereld blijft echter in eerste helft STC grotendeels ruraal. ‘Grote sprong voorwaarts’ in wereldeconomie (in derde kwart 20e eeuw) was dan ook keerpunt in haar lot.

III

Meeste gebieden in Azie, Afrika en Latijns/Caribisch Amerika waren afhankelijk van/werden gedomineerd door een paar staten in de Noordwestelijke wereld. In deze laatste gebieden zou het probleem van het loskomen van buitenlandse overheersing onvermijdelijk opdoemen. Dit gold niet voor Centraal- en Zuid-Amerika, dat grotendeels uit soevereine staten bestond (hoewel de VS met name in het eerste en laatste derde van de eeuw de kleinere Centraal-Amerikaanse als protectoraten behandelde).
Wilden de nu soevereine staten altijd al onafhankelijk worden? Alleen de staten die al een lange geschiedenis als politieke entiteit hadden of gebouwd waren rond een substantieel ‘staatsvolk’ (idee natie-staat?). In veel andere gebieden was het idee van soevereiniteit boven het dorpsniveau moeilijk te begrijpen en was de enige basis voor een onafhankelijke staat de grenzen zoals getrokken door de imperialisten t.g.v. rivaliteit en strijd. Bovendien waren de inwoners verdeeld; traditionalistisch gewoon volk tegenover elites die modernisering noodzakelijk vonden.
Taak van de middenklasse-nationalisten in deze landen: steun van anti-modernistische massa winnen zonder hun eigen moderniserende werk in gevaar te brengen.
Indiaas nationalistisch militant gedrag: eerste fase 1905-1910, o.l.v. Tilak, anti-modernistisch, hindoeisme-gericht. Daarna: Mohandas Gandhi (1869-1948): nationalisme, populistisch-progressief hindoeisme, maar zonder banden met mohammedanen of moderniseerders te breken; politicus als heilige, geweldloze non-cooperatie (passieve revolutie), sociale modernisering (afwijzen kaste-systeem). Kon echter niet zoals hij wilde de massa en de noodzaak tot modernisering verenigen.
Moslimwereld: moderniseerders moeten volksgeloof respecteren. Combinatie islam en moderniseringsboodschap met als doelgroep scholieren en studenten; echte revolutionairen echter niet-islamitische seculiere moderniseerders, zoals Kemal Ataturk. Mobiliseren van de massa’s werd echter het makkelijkst bereikt met anti-modernistisch volksgeloof. Ook hier werden de moderniseerders/nationalisten (ontraditioneel concept!) en het volk gescheiden.
Dus: anti-imperialistische en anti-koloniale bewegingen voor 1914 niet erg prominent; alleen het Britse rijk kreeg met serieuze, politieke problemen te maken (bv. interne autonomie naar o.a. Canada in 1907).
WOI schudt structuur kolonialisme:
-2 rijken verdwijnen (Duits en Ottomaans)
-financiele druk op Britse kolonies tgv oorlog zorgt voor onrust
-Oktoberrevolutie, Ierse onafhankelijkheid, val van oude regimes in algemeen --> idee van zwakte koloniale mogendheden
Engeland:
-semi-onafhankelijkheid Egypte, Irak, Transjordanie
-‘revolutionaire jaren’ 1918-1922: India lijkt complete onafhankelijkheid te eisen; nationalistische massapolitiek verandert doordat de moslims zich tegen de Britten keren, door een bloedbad aangericht door een Brit en door de massale burgerlijke ongehoorzaamheid gepredikt door Gandhi en het Congres i.c.m. stakingen van arbeiders. India werd onbestuurbaar, maar Gandhi riep op tot een eind aan de ongehoorzaamheid (1922) en vanaf toen hing de Britse overheersing af van zijn matiging.
Idee in Engeland na 1919 was: (binnenlands) zelfbestuur voor India was onvermijdelijk en men moest een modus vivendi zoeken met de binnenlandse elite, inclusief de nationalisten. India was de kern van het Britse rijk: zodoende leek de toekomst van het hele rijk onzeker en daarom verzette men zich uiteindelijk niet tegen dekolonisatie (verschil met Frankrijk en Nederland, die zich gewapend verzetten: hun rijken waren niet door WOI aangetast). In de Franse kolonieen ontstond geen moderniserende anti-koloniale beweging tot een tijd na WOI.

IV

Revolutiejaren hadden het Britse rijk aangetast; Depressie tastte de hele afhankelijke wereld aan, die voor het grootste deel de hele imperialistische tijd alleen maar groei had meegemaakt, zelfs door WOI niet aangetast. Imperialistische economie leidt tot veranderingen in dagelijks leven van mensen, vooral in export-georienteerde productie; deze veranderingen zijn soms al te zien in het type politiek dat heersers erkennen (bv. men gaat zich op lokaal niveau met nationale doelen bezighouden). Veranderingen werden echter vooral op lokaal niveau waargenomen. Bv. door komst van geld: veranderde de betekenis van goederen, diensten en transacties, de morele waarden en de vorm van sociale distributie (bv. matrilineaal/patrilineaal verkrijgen). Veel van zulke veranderingen in gemeenschappen die verder minimaal met de verdere wereld in contact stonden. Wereldeconomie lijkt ver weg, omdat onmiddellijke, herkenbare impact niet enorm was, behalve misschien in snel-groeiende industriele enclaves en grote haven- en industriesteden.
Door Depressie:
-belangen van afhankelijke en moederland-economieen botsen voor het eerst zichtbaar, doordat prijzen van primaire producten veel sterker instorten dan die van de industriele producten die de kolonieen van het moederland kochten.
-kolonialisme en afhankelijkheid worden zelfs onacceptabel voor hen die er eerst van profiteerden
-levens van gewone mensen worden aangetast door niet-natuurlijke oorzaken; roept op tot protest i.p.v. gebed
---> basis voor massale politieke mobilisatie, vooral in West-Afrikaanse kustgebieden en Zuidoost-Azie. Ook: destabilisering nationale en internationale politiek in koloniale wereld.
Jaren ’30 waren cruciale periode voor de 3e Wereld: door Depressie contact tussen gepolitiseerde minderheden en het gewone volk. Is te zien in landen waar de massa al gemobiliseerd is (India, concessies van de Britten, o.a. landelijke provinciale verkiezingen in 1937 waarbij het nationalistische Congres grote steun blijkt te hebben) en waar dat nog niet gebeurd is, massapolitiek van de toekomst wordt duidelijk in verschillende vormen (bv. communistische, agrarische nationale weerstand in Vietnam). Op z’n minst: banden tussen koloniale autoriteiten en boerenmassa’s beginnen te breken (ruimte voor toekomstige politiek).
Eind 30’er jaren: crisis van kolonialisme had zich verspreid naar andere rijken, hoewel het Italiaanse en Japanse nog aan het expanderen waren (maar niet voor lang). Problemen in o.a. Indochina en Nederlands-Indie.
Sub-Sahara Afrika bleef nog rustig, hoewel er in de periode 1935-40 in heel Afrika stakingen waren - maar die waren niet politiek in de anti-koloniale zin. Koloniale regeringen gingen zich bezighouden met het destabiliserende effect dat economische verandering op de rurale Afrikaanse samenleving had. Maar in politieke zin leek het gevaar voor de westerlingen ver weg; de blanke bestuurder zat stevig in het zadel. Desalniettemin werden er al kritische politieke geluiden gebundeld en verschenen de leiders van lokaal politiek nationalisme op het toneel, beinvloed door buitenlandse voorbeelden.
Het einde van de koloniale rijken leek in 1939 echter nog niet dichtbij; WOII veranderde de situatie, omdat het o.a. een inter-imperialistische oorlog was, en de grote koloniale mogendheden tot 1943 aan de verliezende hand waren (bv. Japanners bezetten Nederlandse en Britse gebieden in Zuidoost-Azie, Duitsers bezetten stukken van Noord-Afrika), m.u.v. in Sub-Sahara Afrika.
Fatale beschadiging voor de koloniale mogendheden: het bewijs dat blanken en hun staten konden worden verslagen, en na een gewonnen oorlog niet meer hun oude positie konden herstellen. De Japanners wierpen zich op als bevrijder van kolonieen in Azie op basis van hun (?) huidskleur en steunden o.a. India, China, en Indonesie. De nationalisten daar waren te realistisch om pro-Japans te worden en keerden zich, toen de Japanners aan het verliezen waren, tegen hen, ook al waardeerden ze hun steun wel. Van cruciaal belang was echter:
-de nederlaag van de oude machten
-het feit dat de twee machten die de Assen hadden verslagen, de VS (Roosevelt) en de USSR (Stalin) anti-kolonialistisch waren (ondanks dat Amerikaans communisme al snel in conservatisme in de 3e wereld veranderde).


V

Koloniaal systeem brak als eerste in Azie: onafhankelijkheid voor o.a. Syrie (1945), India (1947) en Indonesie (1948). Islamitisch Noord-Afrika: al onrust, maar bleef nog koloniaal; sub-Sahara Afrika en Caribische en Pacifische eilanden relatief rustig. (Alleen) In delen van Zuidoost-Azie verzetten de oude mogendheden zich tegen de politieke dekolonisatie:
-Frans Indochina (Cambodja, Laos, Vietnam) werd pas in 1954 na verlies van de Fransen tegen de communisten o.l.v. Ho Chi Minh onafhankelijk, terwijl de VS in Zuid-Vietnam een satellietregime in stand hielden.
-De Nederlanders lieten Indonesie, dat ze door gebrek aan militaire kracht toch al niet konden behouden, los toen bleek dat de VS het geen noodzakelijk front tegen het communisme achtte (1948) - m.u.v. Nieuw Guinea (tot 1963).
-De Britten wilden Maleisie niet loslaten vanwege het rubber en tin dat daarvandaan kwam en de pond sterling stabiel hield; ze vochten van 1948-60 tegen Chinese communistische guerrilla-strijders. Dekolonisatie zou hoe dan ook moeilijk zijn geweest. In 1957 werd het land onafhankelijk; Maleise conservatieven en Chinese miljonairs vonden het niet erg dat het zo lang duurde (?).
Britten lieten India in 1947 los zonder weerstand; dachten zo - met het oog op de stevige nationalistische beweging - toch de voordelen van een koloniaal rijk te behouden. Brits Commonwealth, waaraan Ierland (republiek uitgeroepen in 1947) en Birma zich onttrokken, moest i.i.g. herinnering aan dat rijk levend houden. Terugtrekking Britten ging vreedzaam, maar ‘kostte’ een bloedige scheiding van (hindu) India en (moslim)Pakistan. Dit was niet het plan geweest van de Indiase nationalisten, de moslimbewegingen of de koloniale heersers. Hoe gebeurde dat?
Het (seculiere, niet-sektarische) Indiaas Nationaal Congres triomfeerde in 1935, ook in de meeste moslimgebieden, terwijl de Moslim-Liga het niet goed deed. Moslims werden hierdoor zenuwachtig over Hindu-macht (want de meerderheid van de Congresleiders in een overwegend Hindu-land zouden waarschijnlijk Hindu’s zijn). De verkiezingen leken de claims van het Congres om de enige nationale partij, voor Hindu’s en moslims, te zijn te bevestigen --> moslim-leider Jinnah breekt met het Congres en creeert potentieel separatisme (was echter pas in 1940 niet meer gekant tegen een afzonderlijke moslimstaat).
WOII zorgde voor de splitsing: tegen de zin van de massa’s, nu achter een nationale bevrijdingspartij, mobiliseerden de Engelsen Indiase financieen en mankracht. Congresleiders waren afzijdig van de politiek door hun oppositie tegen de oorlog en moslims vervreemdden van de Engelsen door de hoge kosten van de oorlog, en zochten hun heil bij de Moslim-Liga, die nu een ‘mass force’ werd. Tegelijkertijd probeerde de koloniale regering de moslims en hindu’s verdeeld te houden om zo de nationalistische beweging (uit angst voor sabotage van de oorlogshandelingen) te verlammen. Na de oorlog konden de twee partijen niet meer bij elkaar worden gebracht en het land niet meer onder controle De Britse aanwezigheid was bovendien altijd moreel gelegitimeerd door het bereiken van een onpartijdig bestuur waaronder verschillende groepen relatief vreedzaam konden samenleven.
1950: dekolonisatie in Azie m.u.v. Indochina compleet. Ondertussen volksbewegingen, coups en opstanden in west-islamitische regio (Iran tot Marokko), bv. omverwerpen westerse regimes in Egypte (1952, Nasser), Iran (1951-3, daarna regime hersteld) en Irak (1958). Fransen verzetten zich tegen onafhankelijkheid in Algerije, waar dekolonisatie moeilijk was vanwege een groot aantal Europeanen. Zeer wreed conflict (1954-62), leidt tot val Vierde Republiek (1958). Ondertussen hadden Engelsen en Fransen andere Afrikaanse bezittingen stilletjes laten gaan (Soedan, Marokko, Tunesie in 1956).
Wanneer hadden de ‘oude rijken’ door dat de koloniale tijd ten einde was? Nog niet helemaal ten tijde van de Suez-oorlog (Engeland, Frankrijk, Israel tegen Nasser in Egypte), die een catastrofe was, en het einde van de Britse hegemonie in het Midden-Oosten.
Hoe dan ook was het aan het einde van de jaren ’50 duidelijk voor de oude rijken dat het formele kolonialisme aan z’n einde moest komen. Uitzonderingen:
-Portugal had de inkomsten uit Afrika nodig vanwege z’n slechte economie en moest de kolonieen daarom direct besturen;
-Zuid-Afrika en en Zuid-Rhodesie wilden, vanwege hun grote aantal Europese inwoners, geen Afrikaans nationaal regime (Z-R roept ‘white settler independence’ van Engeland uit in 1965).
Algemeen idee in Frankrijk, Engeland en Belgie is echter (m.u.v. m.b.t. Kenia): vrijwillig formele onafhankelijkheid geven (terwijl economische en culturele afhankelijkheid blijft) is beter dan langdurige strijd eindigend in onafhankelijkheid onder een links regime. Ging m.u.v. Belgisch Kongo succesvol in de periode van ca. 1957-1962; Portugal en de onafhankelijke kolonistenstaten blijven zich tegen de trend verzetten.
Jaren ’60: onafhankelijkheid voor grotere Britse Caribische kolonies, tussen toen en 1981 kleinere, late jaren ’60 en ’70 Indische en Pacifische eilanden.
1970: einde imperialistische tijd, die rond 1900 nog onverwoestbaar had geleken. --> nostalgische literatuur en films in voormalige imperialistische landen, onafhankelijkheidsliteratuur in voormalige kolonieen.


Samenvatting Hobsbawm:

Hoofdstuk 9: The Golden Years

I

In de jaren ’50 werd men er zich van bewust dat hun situatie zeer was verbeterd, zeker ten opzichte van WO II. Pas aan het eind van de jaren ’70 werd men zich er van bewust dat ze een unieke periode hadden meegemaakt. De groei van de VS was niet zo groot ten opzichte van andere landen. Maar in alle andere industriële landen brak het Gouden Tijdperk alle records. Het duurde een tijdje voordat Europa hun unieke economische bloei als vanzelfsprekend zagen. Men was vooral nog bezig met het herstel van WOII en met hun angst voor sociale revolutie. Een andere reden waarom men hun unieke positie niet zag, was dat het leek alsof niet alleen de kapitalistische maar ook de socialistische landen hetzelfde meemaakte. Pas in de jaren ’60 bleven de socialistische landen economisch duidelijk achter. Toen hun unieke positie doordrong, begon men te denken dat het vanaf nu aan alleen maar beter en beter zou gaan. Maar dat bleek niet zo te zijn.
Er ontstond een groot voedseloverschot in de ontwikkelde landen. Men besloot minder te produceren en voedsel goedkoop aan armere landen te verkopen. Er ontstond een contrast tussen voedseloverschot aan de ene kant en honger aan de andere kant. Maar men vond het normaal dat er zulke verschillen waren. Dat hoorde erbij.
De wereldeconomie groeide explosief. Nooit had zoiets plaatsgevonden. Toch ontstond er een nieuw probleem, dat toen nog bijna niemand erkende, namelijk dat van milieuvervuiling en ecologisch verval, uitputting. Men vond het verdienen van geld belangrijker en het hoorde er nou eenmaal bij. De energieconsumptie schoot omhoog tussen 1950 en 1973. Het was ook spotgoedkoop. Een grote uitstoot van broeikasgassen kwam op en er was smog te vinden boven grote steden. Broeikasuitstoot verdrievoudigde tussen 1950 en 1973.

II

Het Gouden Tijdperk rustte op geavanceerd wetenschappelijk onderzoek en vond nu zijn realisatie binnen enkele jaren. Er was sprake van een grote technische vooruitgang en ook ontstond er massaproductie. Drie opmerkelijke dingen:

1. Het dagelijks leven in zowel de rijke als in mindere mate de arme wereld. De radio bijvoorbeeld kon iedereen ontvangen en eten kon nu bewaard worden. Natuurlijke of traditionele materialen werden in grote mate minder gebruikt.
2. Hoe complexer de technologie werd, hoe complexer het was om van ontdekking tot productie te komen en hoe duurder het ook was. R&D (research en development) stond centraal in economische groei.
3. De nieuwe technologieën waren kapitaalintensief en arbeidsbesparend of arbeidsvervangend zelfs. In het Gouden Tijdperk waren investeringen nodig en geen mensen, behalve dan om te consumeren.

Vroeger ontstond er altijd na een periode van groei een periode van daling. Maar nu was er zoveel bescherming van de staat. En inkomens bleven elk jaar stijgen. Er waren geen problemen meer op te lossen.

III

Er is niet echt een goede uitleg voor deze ‘grote sprong voorwaarts’ in de kapitalistische wereldeconomie. Er waren landen die probeerden de VS te evenaren. Zo werd de economische ontwikkeling ook gestimuleerd. Maar er was meer dan dit alleen.
Er vond een hervorming van kapitalisme plaats die een ‘mixed economy’ produceerde, die ervoor zorgde dat het makkelijker was voor staten om hun economische modernisering te plannen en onderhouden. Ook zorgde het voor een grotere vraag.
Er ontstond ook een vooruitgang in de internationalisering van de economie. Deze vermenigvuldigde de productiemogelijkheden van de wereld economie. Er was een meer internationale verdeeldheid op het gebied van arbeid.
De hervorming van kapitalisme en de vooruitgang in economische internationalisatie stonden centraal. De technologische revolutie alleen is niet verantwoordelijk voor het Gouden Tijdperk, maar maakte er wel een groot deel ervan uit.
Men was ervan overtuigd dat teruggaan naar ‘laissez-faire’ en de vrije markt niet moest gebeuren. Een sterke regering was nodig. De ‘mixed economie’ was de toekomst.

IV

In het echt was het Gouden Tijdperk de tijd van de vrije markt en stabiele munteenheden. Dit kwam vooral door de dominantie van de VS en door de dollar die goed functioneerde als stabilisator.
De Koude Oorlog droeg in zekere zin ook bij aan de snelle ontwikkeling. Bijvoorbeeld de Marshall Hulp zorgde ervoor dat het communisme/de SU geen grip op de kapitalistische landen kreeg. Ook zorgde Amerikaanse hulp ervoor dat de transformatie van Japan en West Duitsland werd versneld.
Het Gouden Tijdperk kwam niet alleen door het werk van de mensen die eerst werkloos waren, maar ook door migratie in het land. Van het platteland naar de stad, van de arme naar de rijke regio’s.
De wereldeconomie in het Gouden Tijdperk was eerder internationaal dan transnationaal. Toch ontstond er wel enige groei in transnationalisatie. 3 aspecten van transnationalisatie waren duidelijk:
1. transnationale bedrijven (multinationals)
2. nieuwe internationale verdeling van arbeid
3. groei van buitenlandse investeringen

V

Er was een combinatie van economische groei in een kapitalistische economie gebaseerd op de massa consumptie van een volledig werkende en goed betaalde en goed beschermde arbeidsmaatschappij. Iedereen was tevreden met deze situatie. Tot eind jaren ’60 bleef dit zo. Links zat zonder macht, maar in de jaren ’60 schoof de consensus naar Links. Er is een parallel tussen de verschuiving naar Links en de meest opvallende publieke ontwikkelingen in die jaren. Namelijk het verschijnen van zogeheten ‘welfare states’. ‘Welfare’ uitgaven werd het grootste van alle publieke uitgaven. De balans van het Gouden Tijdperk kon geen stand houden. Deze balans was afhankelijk van een coördinatie tussen de groei van productiviteit en salarissen die de winst stabiel hielden. Lonen moesten snel stijgen om de markt bij te houden, maar niet te snel, zodat er minder winst zou zijn. Het Gouden tijdperk was afhankelijk van de politieke en economische dominantie van de VS. Alleen de hegemonie van de VS nam af en het monetaire systeem klapte in. Migratie in landen zelf liep terug. Ook was een nieuwe generatie volwassen geworden, een generatie die geen oorlog had meegemaakt en alleen een tijdperk van volledige werkgelegenheid kende. Wat er precies allemaal gebeurde, wat de ineenstorting veroorzaakte, is moeilijk te zeggen. Er is geen precies punt te noemen dat het eind van het Gouden tijdperk zou zijn. Het is een samenloop van omstandigheden geweest.



Samenvatting Hobsbawm – Hoofdstuk 11, Cultural Revolution

I
De Culturele Revolutie van de jaren 60 en 70 kunnen het beste benaderd worden vanuit het relatiepatroon tussen seksen en verschillende relaties. Over het algemeen was er in het verleden weinig ruimte voor patroonverschuivingen binnen deze relaties. Vrijwel overal in de wereld leven de mensen in een ‘kernwooneenheid’, waarbij zowel mannen, vrouwen als kinderen hun eigen specifieke rol vervullen.

In de tweede helft van de 20e eeuw is er een verandering waar te nemen in de grondpatronen van de samenleving, met name in de ontwikkelde landen:
· De echtscheidingscijfers stijgen spectaculair in met name de traditionele West-Europese landen (België, Frankrijk, Nederland verdrievoudiging)
· Vanaf 1960 schiet het aantal alleenwonenden omhoog
· Liberalisering vindt plaats op seksueel gebied. Niet alleen hetero’s mogen alleen wonen, maar voortaan worden ook homoseksualiteit en ander cultureel-seksueel deviant gedrag geaccepteerd.
· De wetgeving wordt naar aanleiding van deze tendensen versoepeld. Abortus is geen taboe meer, voorbehoedsmiddelen en seksuele voorlichting worden gelegaliseerd.

Deze liberale tendens verloopt niet overal ter wereld in dezelfde mate. In Latijns-Amerika zijn er landen waarbij de traditionele samenleving in hoge mate hetzelfde blijft (bv Mexico, Brazilië). Ook binnen de socialistische wereld zijn er verschillen in mate van verandering – dit is niet opvallend. Bijzonder is wel dat de liberalisering overal ter wereld plaats vindt: nergens ontkomt men aan verandering. Deze tendens is met name terug te vinden in de jeugdcultuur.

II
Vanaf de jaren 60 werden de pubers en middentwintigers zich namelijk bewust van het feit dat zij een aparte leeftijdsgroep vormen. De mobilisatie van een aparte leeftijdscategorie zorgt voor verschillende impulsen binnen de samenleving. Zo krijgen de platenindustrie en andere consumptieartikelbedrijven een grote boost. De zelfstandigheid van de jeugd wordt gesymboliseerd door de jeugdige held die jong sterft: het idee hierachter is dat jeugd vergankelijk is. Voorbeelden van jong gestorven helden uit die tijd: Bob Marley, Jimi Hendrix, Buddy Holly.

De opkomende jeugdcultuur was in verscheidene opzichten vernieuwend:
· De puberteit en de jaren daarna werden niet langer gezien als een voorbereidende fase op het volwassen-zijn, maar als het einde en vervolmaking van de menselijke ontwikkeling.
· Jongeren werden een dominante factor in de ‘ontwikkelde markteconomieën’. De jongeren hadden een grote koopkracht. Daarbij namen ze hun ideeën en gedrag over consumptie mee naar hun latere leven. Hierbij kwam dat de jeugd een technologische voorsprong had op ouderen, en zodoende ook in de computermaatschappij een vooraanstaande plek innamen.
· De ontstane jeugdcultuur was opvallend internationaal. Overal ter wereld droeg men spijkerbroeken en luisterde de jeugd naar Engelse songteksten. Hieruit is zowel af te leiden dat er inderdaad sprake was van een wereldwijde jeugdcultuur, als dat de VS hier een grote rol in speelden.

Door deze zelfstandigheid en grote koopkracht vond de jeugd – vooral in het Westen – gemakkelijk een eigen identiteit. Samen met het Gouden Tijdperk zorgde dit gegeven voor een grote kloof tussen ouders en kinderen: Mensen die voor 1925 of na 1950 geboren waren begrepen elkaar niet meer. Ouders en kinderen leefden in een aparte wereld.

III
De jeugdcultuur was zogezegd de voedingsbodem van de culturele revolutie. Deze nieuwe cultuur was informeel en antiautoritair. De vrijetijdsbesteding en kunstliefhebberij van de hogere maatschappelijke lagen baseerde zich (zoals vaker gebeurd) op de lagere klassen. Mode, muzieksmaak en gedrag (bv taalgebruik) werd overgenomen van de jeugd. Een oorzaak hiervan zou volgens Hobsbawm kunnen liggen bij de studenten, die zich wijdden aan de nieuwe ideologieën.

Het antiautoritaire aspect van de nieuwe cultuur kwam naar voren bij demonstraties en de massale opstandigheid van de bevolkingen. Hun motto was ‘persoonlijke en maatschappelijke bevrijding’. Dit werd met name geuit in het gebruik van drugs en het openlijk bespreken van seks. De ‘onbeperkte wilsvrijheid van het individu’ werd geuit door middel van provocatie: verboden middelen als marihuana werden publiekelijk gebruikt. Eind jaren 60 werd de onschuldigheid minder: cocaïne was in opkomst, waardoor ook het crimineel circuit vorm begon te krijgen.

IV
De laatste decennia van de 20e eeuw kunnen dus gezien worden als de overwinning van het individu op de samenleving als geheel. De sociale structuren verdwenen echter niet helemaal – vooral in de traditionele landen (in het Verre Oosten en de Derde Wereld) was een sociaal netwerk essentieel om het hoofd boven water te kunnen houden. In het Westen was wel degelijk sprake van verregaande afbraak van oude normen en waarden. Het traditionele gezin en met name de kerkgenootschappen kregen een harde optater van de ‘nieuwe wereld’.

Er waren onmiskenbaar voordelen aan de materiële samenleving, maar daarbij waren vooral de gevolgen van het ontbreken van een nieuwe orde verstrekkend.
· De oude morele codes werkten niet meer, het was ieder voor zich in de zakenwereld. Daarom was overheidsingrijpen belangrijk geworden, er moesten regels worden opgesteld om toch zaken te kunnen doen. Contracten en ook samenlevingsverbonden werden belangrijk omdat relaties niet meer alleen op vertrouwen konden bouwen: dat vertrouwen was juist weggevallen. Het kapitalisme was gebaseerd op ‘geneigdheid tot werken’ – nu ieder zijn eigen hachje probeerde te redden was die basis juist weggevallen.
· In 1980 werd ‘onderklasse’ een gangbaar woord: deze bevolkingslaag was uitgesloten van de normale samenleving en moest rondkomen van overheidssteun of haalde zijn gram in het criminele circuit. Oorzaak hiervan was dat het maatschappelijk hulpbetoon aan de minder bedeelden van de gemeenschap was weggevallen.
· Verder miste de Westerse wereld op persoonlijk gebied de oude waardenstelsels: men wilde terug naar de oude veiligheid, je geborgen voelen in een gezin in plaats van moeten vechten in de individuele jungle.



Hobsbawm, hoofdstuk 12: ‘The Third World’, door Adriejan van Veen


I

Dekolonisatie en revolutie hebben de politieke kaart van de wereld grondig gewijzigd. Het aantal internationaal erkende staten in Azië, Afrika en Zuid-Amerika verveelvoudigde ongekend. Het belangrijkste aan deze staten was echter niet hun aantal, maar het enorme en groeiende demografische gewicht en druk die ze samen vertegenwoordigden.
Dit was het gevolg van een verbijsterende demografische explosie in de afhankelijke wereld na WO2. De geboortecijfers waren veel hoger, de sterftecijfers veel lager. Dit werd veroorzaakt door de moderne technologie die in de ‘Golden Age’ als een orkaan door de arme landen woedde, in de vorm van medicijnen en een transportrevolutie. Een consequentie hiervan was dat de kloof tussen rijk en arm, tussen ontwikkelde en achterlopende landen, groter werd, zelfs als hun economieën even hard groeiden – het BNP wordt immers over meer mensen verdeeld.
Het is belangrijk om elk verhaal over de Derde Wereld te beginnen met enige overweging omtrent demografie, daar de bevolkingsexplosie het centrale feit in haar bestaan is.

II

Het eerste waar de nieuwe staten van de arme wereld zich echter mee bezig hielden was de vorm die ze aan zouden nemen.
Het is niet verrassend dat ze de politieke systemen van hun voormalige overheersers overnamen. Een minderheid, die voortkwam uit sociale revolutie of lange bevrijdingsoorlogen, was bereid het model van de Sovjetrevolutie te volgen. In theorie raakte de wereld dus meer en meer gevuld met parlementaire republieken met vrije verkiezingen, en een minderheid van ‘democratische volksrepublieken’ onder een eenpartijstelsel.
In de praktijk gaven zulke labels meer aan waar de nieuwe staten zich internationaal wensten te plaatsen. In het algemeen waren de labels volstrekt onrealistisch, omdat de landen de materiële en politieke omstandigheden ontbeerden ernaar te leven. Dat geldt zelfs voor de nieuwe communistische landen, die door hun autoritaire structuur en hun eenpartijstelsel misschien meer bij niet-westerse staten pasten.
Wat communistische en niet-communistische landen verenigde in de Derde Wereld was de veelvuldigheid van militaire régimes. Het is moeilijk om één republiek te bedenken die niet voor kortere of langere tijd door militairen is geregeerd. India is hierop een positieve uitzondering. We zijn inmiddels zo gewend geraakt aan militaire coups en régimes in de wereld – zelfs in Europa – dat we vergeten dat het in de geschiedenis een heel nieuw fenomeen is.
Militaire coups zijn de producten van een nieuwe tijd van onzekere of onwettige regeringen. Het leger was in de nieuwe staten, waar geen traditionele legitimiteit of politieke traditie bestond, vaak de enige organisatie die op nationale schaal politieke of andere actie kon ondernemen. Vaak werden ze door één van de twee supermachten gesteund, die in de Derde Wereld makkelijker konden interveniëren.
Militaire politieke vulde zo de leegte die ontstond door de afwezigheid van normale politiek. Het kwam in de Derde Wereld ook steeds meer voor doordat zo goed als alle landen zich op een of andere manier committeerden aan een beleid dat precies zulke stabiele, functionerende en efficiënte staten nodig had als ze juist niet hadden. Ze wilden een beleid van economische onafhankelijkheid en ontwikkeling, om minder afhankelijk te zijn van de ontwikkelde wereld. Nationalisme en anti-imperialisme waren hierbij een stimulans.
Staatsingrijpen of staatscontrole stonden hierbij centraal, of een land nu het Sovjetmodel volgde of niet. De nieuwe landen die de beperkingen van achterlopen onderschatten waren het minst succesvol, zeker als een regering zich bezighield met centralistische, staatsgecontroleerde industrialisering (vooral in de landen onder de Sahara). Ook de succesvolle ontwikkelingslanden (de NICs) hadden veel te danken aan staatsingrijpen.
Planning en staatsingrijpen stonden in de jaren 50 en 60 in de hele wereld dus centraal, en in de NIC’s tot in de jaren 90. Of deze manier van economische ontwikkeling slaagde hing af van lokale omstandigheden en menselijke fouten.

III

De grote meerderheid van de bevolking in de Derde Wereld die leefde van de landbouw had echter geen boodschap aan al dan niet staatsgecontroleerde ontwikkeling.
In sub-Sahara Afrika, het grootste deel van Zuid- en Zuidoost-Azië, en China, bleef de meerderheid zich bezig houden met landbouw. Alleen op het westelijk halfrond en in het Midden-Oosten stroomde de plattelandsbevolking naar gigantische steden.
Veel bewoners van vruchtbare en dunbevolkte gebieden (zwart Afrika) konden het best redden zonder de staat, veel Aziatische en islamitische boeren waren veel armer. Toch leek het voor velen van hen het beste om zich verre te houden van de mensen die economische ontwikkeling propageerden. Mensen waren argwanend voor wat van buiten kwam.
Dit zorgde voor een scheiding in de Derde Wereld tussen ‘kust’ en ‘binnenland’, tussen ‘stad’ en ‘achterland’, en vooral tussen opgeleide mensen en onopgeleide mensen. Iedereen die iets bij de overheid wilde moest minimaal een aantal talen spreken, kennis betekende macht (zeker wanneer de overheid voor veel mensen een machine was die grondstoffen van ze afpakte en ze herverdeelde – opleiding werd dan het ticket naar een publieke functie en dus naar mogelijkheden tot omkoping, corruptie en cliëntelisme. Eén dorpsbewoner met een opleiding kon zo zijn hele gemeenschap steunen). Langzamerhand gingen zelfs de meest afgezonderde en achterlopende bevolkingen zich dit realiseren. Zodoende werd dorst naar kennis universeel, en dit verklaart veel van de verbazingwekkende massamigratie van platteland naar stad in Zuid-Amerika.
Er was één aspect van het beleid van economische ontwikkeling waar deze mensen naar verwachting oren naar zouden kunnen hebben: landhervorming. Na WO2 werd dit op immense schaal toegepast (de helft van de mensheid woonde in een land waar op een of andere manier landhervormingen werden toegepast).
De moderniseerders hadden voor deze hervormingen politieke, ideologische (‘land terug aan de boeren’) en soms economische motieven. Normaal gesproken heeft het economisch gezien weinig nut een grote boerenstand in stand te houden, maar het demonstreerde wel dat grote, moderne boerenbedrijven in principe zo efficiënt konden zijn als en flexibeler waren dan de traditionele landgoederen, de koloniale plantages, of de quasi-industriële Sovjet-staatsboerderijen. Desondanks is de grootste vooruitgang (de groene revolutie) geboekt door commerciële, zakelijke boeren.
Het ging bij de landhervormingen dan ook vooral om gelijkheid en niet om productiviteit. De inkomensongelijkheid is gedaald in landen met de meest radicale hervormingen (Japan, Zuid-Korea, onder leiding van de USA), en is het grootst in landen met de minste hervormingen (Zuid-Amerika, Afrika).
Veel boeren verwelkomden de landhervormingen ook al een terugkeer naar de traditionele, pre-koloniale situatie.


IV

Veel van de landen van de Derde Wereld (een verzamelnaam waar wel wat inzit omdat alle landen arm en afhankelijk waren, regeringen hadden die zich toelegden op economische ontwikkeling, en niet geloofden dat puur kapitalisme dit zou kunnen bereiken) probeerden zich gedurende de Koude Oorlog niet bij één van beide kampen aan te sluiten. Veel leiders van deze non-geallieerde beweging (Bandung, 1955) waren echter wel communistisch of socialistisch en waren bereid economische en militaire hulp van de USSR te ontvangen. Zich echt aansluiten bij een pact, zoals de Amerikaanse bondgenoten in de Derde Wereld wel deden, deden ze niet.
Niet alle internationale relaties werden beïnvloed door de Koude Oorlog. Twee regio’s waren permanente (mogelijke) conflicthaarden onafhankelijk van de Koude Oorlog: het Midden-Oosten en noord-India. Pakistan, China en India vochten in de jaren 60 en 70 drie oorlogen uit, waar in de westerse media niet veel aandacht aan besteed is. Aan het Midden-Oosten werd meer aandacht besteed, omdat hier ook 3 bondgenoten van de USA bij betrokken waren (Turkije, Israël en het Iran van de sjah). Door de vele militaire en civiele revoluties bleef het gebied onstabiel. Het Israël-Palestina conflict is de belangrijkste bron van onrust in het Midden-Oosten.
Alleen Latijns-Amerika bleef tot na de Cubaanse revolutie gevrijwaard van globale en lokale internationale conflicten.

V

In de jaren 70 begon het concept ‘Derde Wereld’ steeds minder op de realiteit te slaan. Om de kloof tussen ‘Noord’ en ‘Zuid’ mee aan te duiden is het nog wel geschikt, maar de Derde Wereld is niet langer één entiteit.
Dit komt in de eerste plaats door economische ontwikkeling. De OPEC-landen lieten in 1973 zien dat ze wat BNP betreft onvergelijkbaar waren met, bijvoorbeeld, een land als Pakistan. Met name kleine oliestaatjes deden het ongelooflijk goed. Oliestaten met een grotere bevolking deden het minder goed, maar het was in ieder geval duidelijk dat landen die afhankelijk waren van één exportproduct toch extreem rijk konden worden, al werd het geld er in de meeste gevallen ook zo weer doorheen gejaagd.
In de tweede plaats raakte een deel van de Derde Wereld zichtbaar en snel geïndustrialiseerd, en kon zich aansluiten bij de Eerste Wereld (al bleven ze armer). De New Industrializing Countries kwamen op, zoals Zuid-Korea, Hong Kong, Singapore en Taiwan, India, Brazilië en Mexico. Kapitalistische landen als Spanje en Finland, de meeste ex-socialistische landen van Oost-Europa en China sinds eind jaren 70 moet je hier ook bij rekenen.
Er ontstond in de jaren 70 een ‘nieuwe verdeling van arbeid’, d.w.z. een grote verplaatsing van wereldmarktindustrieën van de oude industrielanden naar andere delen van de wereld. De revolutie in modern transport en communicatie (en de pogingen van Derde Wereldregeringen om exportmarkten te veroveren) maakte wereldwijde productie zowel mogelijk als economisch verantwoord. Deze economische globalisering begon langzaam in de jaren 60 en nam een grote vlucht in de decennia na de economische crisis van 1973.
In de derde plaats waren er landen waarmee het steeds slechter ging, voornamelijk te vinden in Afrika. Voor investeerders en ondernemers waren, naarmate de wereldeconomie meer geglobaliseerd raakte, deze gebieden ook van steeds minder interesse. Het einde van de Koude Oorlog beroofde deze landen ook van economische (militaire) steun.
Daarnaast bracht de globalisering nieuwe mensenstromen op gang: toeristen van de rijke landen naar de arme landen, en massamigratie van de arme landen naar de rijke landen. De laatste stroom ging niet alleen naar de oude industrielanden (Europa, USA) maar ook maar landen in het Midden-Oosten (m.n. uit Zuid-Azië). Deze massale migratie om werk gaf de regeringen van de Eerste Wereld de nodige problemen.

VI

De verbazingwekkende vlucht naar voren van de (kapitalistische) wereldeconomie en de groeiende globalisering verdeelde en verstoorde niet alleen het concept van een Derde Wereld, maar bracht ook zo goed als al haar inwoners bewust in de moderne wereld. Daar was niet iedereen blij mee. Veel fundamentalistische en andere in naam traditionele bewegingen die opkwamen in de Derde Wereld (vooral in het Midden-Oosten) verzetten zich tegen de moderniteit.
De stad had ook een veel grotere invloed gekregen op de samenleving, en raakte verweven met het dorp en het platteland. De stad was de bakermat van verandering. Van de stad verspreidde het moderne bewustzijn zich over het platteland, via de groene revolutie (landbouw met wetenschappelijk ontworpen gewassen). De hele economie van het platteland werd, door de massale emigratie, ook afhankelijk van de stad. Veel dorpen raakten verlaten.
De grootste sociale revolutie in de Derde Wereld is wel de opkomst van grote nieuwe midden- en lagere middenklassen van migranten, die voor een groot deel hun brood verdienen in de ‘informele economie’. In het laatste derde deel van de eeuw begon de kloof in de Derde Wereld tussen kleine, verwesterde elites en de grote massa gevuld te raken door de algemene verandering van de samenlevingen.
In de jaren 50 broeide het, in de jaren 60 en 70 waren de tekenen van grote sociale verandering duidelijk in het westelijk halfrond, de islamitische wereld en de grote landen van Zuid- en Zuidwest-Azië. Hoe dit precies gebeurd is, is nog onbekend, en het is ook nog gissen naar de culturele consequenties van deze grote sociale transformatie. De paradoxale politieke consequenties zijn makkelijker in kaart te brengen: het monopolie van de kleine, verwesterde elites kwam op de helling te staan door de opname van de massa, of tenminste de jongeren en de stadsmensen, in de moderne wereld. Met hen veranderden de programma’s, de ideologieën, het hele discours van de nieuwe staten.
In ieder geval deelden de arme massa’s niet het westerse geloof in seculiere vooruitgang. In de westelijke islamitische wereld werd het conflict tussen de oude seculiere leiders en de nieuwe islamitische massademocratie duidelijk. Ook in andere gebieden en op andere gronden ontstond er conflict. Op bijv. Sri Lanka lag de oorzaak in 2 sociale veranderingen: de identiteitscrisis van dorpen wier sociale structuur aan stukken lag, en de opkomst van een grote groep opgeleide jongeren. Door immigratie en emigratie, de grotere kloof tussen rijk en arm, de instabiliteit door de op opleiding gebaseerde sociale mobiliteit, het vervagen van de oude kastesystemen, raakten mensen ongerust en vervreemd van de samenleving. Wat alles nog gecompliceerder maakt is dat er in veel Derde Wereldlanden geen besef is van nationale eenheid en nationale politiek.
In landen waar al ervaring is met massapolitiek en politieke klassen (Colombia, India) kan enige continuïteit bewaard worden, in NIC’s ontstaan er processen die gelijk zijn aan de processen die zich vroeger voordeden in de Eerste Wereld (het ontstaan van vakbonden, van een rijke middenklasse, etc.).
Er zijn echter grote delen van de Derde Wereld waar de politieke consequenties van de sociale verandering niet zijn te overzien. Het enige dat zeker is, is het bestaan van instabiliteit en ontvlambaarheid in deze Wereld.




H13 REAL SOCIALISM

I.
really existing socialism
Na 1945 kwamen Polen, Tsjecho-Slowakije, Joegoslavië, Roemenië, Bulgarije, Albanië en Oost – Duitsland ( DDR) in het Sovjet kamp terecht. In tussentijd vond een nieuwe uitbreiding plaats van de toekomstige socialistische regio in het Verre Oosten, zoals de communistische regimes in China ( 1949) en, gedeeltelijk, in Korea ( 1945) en wat vroeger Frans Indochina was ( Vietnam, Laos, Cambodja) in de loop van de 30-jarige oorlog ( 1945-1975), in Cuba ( 1959) en in Afrika in de jaren ’70. De sociale systemen van deze landen werden in de jaren ’60, binnen de Sovjet – ideologie, de landen van het ‘echte existerende socialisme’ genoemd. Deze ambigue term impliceert of suggereert dat er andere en betere vormen van socialisme kunnen bestaan, maar dat in de praktijk deze de enige vorm was die echt functioneerde.
Deze socialistische regio van de wereld was voor het grootste deel van haar bestaan afgescheiden van de rest van de wereld, zowel politiek als economisch. Er was weinig beweging van mensen van de eerste naar de tweede wereld. De Sovjet-Unie moest lange tijd voor zichzelf zorgen zonder deel te nemen aan de wereldeconomie. Tot werd de Sovjet-Unie zelfs niet eens erkend door de VS. Daarna bevroor de Koude Oorlog zowel de economische als de politieke relaties tussen beide partijen. Pas sinds de jaren ’70 en ’80 leek de afgescheiden economie van het socialistische kamp zich te integreren in de bredere wereldeconomie. Achteraf kunnen we zien dat dit het einde betekende van de ‘really existing socialism’.
De oprichters van het marxisme veronderstelden dat de functie van een Russische revolutie het in gang brengen was van de revolutionaire explosie in meer ontwikkelde landen, waar de voorwaarden voor de constructie van socialisme aanwezig waren. Maar het werd duidelijk dat dit niet het geval zou zijn in de nabije toekomst. Dus leek het logisch deze voorwaarden ( industrialisatie, modernisering, de vorming van proletariaat,…) in de SU zelf te creëren. Dus werd het op de SU gebaseerde communisme als gauw een programma voor het omvormen van onderontwikkelde landen en ontwikkelde landen. ( dus landen buiten de ‘eerste wereld’- ex-kolonies)

SU economisch
De SU zelf was een agrarische samenleving. Deze werd in moordend tempo geïndustrialiseerd. Oorspronkelijk lukte dit goed. Maar de agrarische ontwikkeling bleef achter lopen. Gedurende de jaren’ 30 groeide hun economie meer dan alle andere landen, behalve Japan. (Economische planning door de staat kan men nergens terug vinden in de geschriften van Engels of Marx.) Vanaf 1917 was er sprake van War Communism, gericht tegen contra -revoluties en buitenlandse interventies. Alle oorlogseconomieën zijn planeconomieën. In het communisme streefde men er hier ook naar privaat eigendom te vervangen door publiek eigendom en de vrije markt en het prijsmechanisme af te schaffen. Dit soort economie werkte uitstekend in ’18-’20, maar dit kon niet blijven duren. ( enerzijds kon men opstand van boeren verwachten en anderzijds was het geen middel om de economie zelf te herstellen) Daarom introduceerde Lenin in 1921 de ‘New Economic Policy’. Hier wou hij van de oorlogseconomie overschakelen op Staatskapitalisme. ( het kapitaal onder staatscontrole) Men zag de NEP toen als de teloorgang van het communisme. Tegenstanders waren de radicalen onder leiding van Trotsky en voorstanders waren de gematigden onder leiding van Bukharin. Lenin stierf in 1924. De NEP leidde tot een korte golden age voor de SU, die in de jaren ’17-’20 nog meer verankerd geraakte in het verleden als ooit tevoren. Toch is het heel onwaarschijnlijk dat deze NEP – een gebalanceerde economische groei gebaseerd op een boeren markteconomie gestuurd door de staat – een blijvende strategie zou geweest zijn. Waarom zouden de Sovjet arbeiders hun productiviteit verhogen om meer loon te krijgen als de economie niets produceerde waarmee ze verbruiksgoederen zouden kunnen kopen?
Het alternatief was opgelegde industrialisatie, en die werd ingezet door Stalin – met alle wrede gevolgen die erop volgden. De ‘geplande economie’ van de Vijf – Jaren Plannen vervingen vanaf 1928 de NEP. Het ging vooral om zware industrie en energie productie zoals staal, elektriciteit, olie, … ( veel ruwe materialen in SU) Crisis was de vorm van management die gepaard ging met ‘shock efforts’ als antwoord op orders van bovenaf. Uiteindelijk veranderde dit systeem de SU in een grote industriële economie. Het gaf de arbeiders een gegarandeerd sociaal minimum, gebaseerd op gelijkheid (totdat de privileges van de nomenklatura uit de hand liepen na de dood van Stalin) en onderwijs.
3 negatieve aspecten. De landbouw bleef hopeloos achter. De boeren waren ook achtergesteld, sociaal en economisch. Het beleid bestond uit gedwongen collectivering in samenwerkende of staatsboerderijen. Deze waren desastreus, wat leidde tot lage graanopbrengsten en de hongersnood van ’32 – ’33. En vanaf de jaren ’70 moest men afnemen van de wereld graanmarkt. Een ander aspect van de SU was de gigantische bureaucratie, die nodig was voor een gecentraliseerde commando – regering. Zelfs Stalin kon deze niet beheersen en misschien was the great terror van de jaren ‘ 30 wel een gevolg hiervan ( aldus Hobsbawm). Na Khrushchev kon niets stagnatie voorkomen. Een derde aspect was de inflexibiliteit van het systeem. Het was afgestemd op constante groei van output van producten waarvan het karakter en de kwaliteit vast werden gelegd, maar bezat geen mechanisme om kwaliteit of kwantiteit aan te passen of om innovatie te stimuleren. Dit alles leidde tot een uitgebreide tweede of zwarte economie.

SU politiek
De politiek van de SU brak met de socialistische traditie in Europa, die sterk democratisch was en sterk gebonden waren aan het idee van ‘politieke actie’. De SU daarentegen was ( zoals het ook een commando economie was) een commando politiek. De evolutie naar dit systeem komt oa voort uit de geschiedenis van de Bolshevik Partij ( het behoud van de revolutie – en dus het tegengaan van een counter revolutie – leidde tot een autoritaire wijze van regeren) zelf, uit de crises en de urgente prioriteiten ( zoals de industrialisatie van de SU)van het jonge Sovjet –regime en uit de eigenschappen van de Man van Staal, ie Stalin. Wanneer de scheiding van de machten opgegeven werd, werd de SU een echt autocratie ( onder Stalin). De mogelijkheid van dictatuur is impliciet verbonden met alle regimes gebaseerd op een enkele en onvervangbare partij. Ook revolutionairen in se zijn geen democraten, hoe sterk ze ook met het volk begaan zijn. Toch hoeft hieruit geen dictatuur te volgen. Het is Stalin die dit wel gedaan heeft. Hij heeft van zichzelf een seculiere Tsaar gemaakt en van het communisme een seculier Orthodox geloof. Dit garandeerde de legitimiteit van het systeem bij de bevolking.
Oorzaken van Stalins moordzuchtige en absurde terreur. Ten eerste geloofde Stalin dat enkel hij de weg vooruit kende en was gedetermineerd die na te streven. Iedereen die hem daarbij tegenhield moest uitgeschakeld worden. Wat zijn terreur een ongekende inhumaniteit gaf was dat hij geen enkele vorm van conventionele of andere limieten erkende. Het was de toepassing van Totale Oorlog tegen Alle Tijden. Er was ook een gebrek aan tegenwerkende krachten – die in een democratie met vrije pers wel bestaan. Na Stalin werd de terreur heel wat minder, maar de SU bleef een politie staat, een autoritaire staat die onvrij was.
Het systeem was brutaal en autoritair, maar niet totalitair – als we dit zien als een allesomvattend gecentraliseerd systeem met totale fysieke controle over haar bevolking, en door monopolie op propaganda en educatie, ook gemachtigd om deze waarden door haar bevolking te doen aanvaarden ( dixit Hobsbawm). Dat zou Stalin wel gewild hebben ( Lenin en Marx niet). Het systeem had geen controle op de ideeën van haar bevolking, die erg gedepolitiseerd was.

II.
De communistische staten die gevormd werden na WOII werden allemaal gecontroleerd door communistische partijen gevormd naar het voorbeeld van de SU. ( 1 partij –systeem, gecentraliseerde autoriteit, officieel geformuleerde culturele en intellectuele waarheid gedetermineerd door de politieke autoriteit, centrale en geplande staatseconomie, sterk geprofileerde almachtige leiden / cf Stalin) Maar vier van deze nieuwe regimes waren opgelegd door het Rode Leger: Polen, Oost – Duitsland, Roemenië en Hongarije. In Joegoslavië, Tsjecho-Slowakije en Albanië was het min of meer daar spontaan ontstaan en de communistische macht in China, Korea en Frans Indochina had helemaal geen hulp nodig van het Rode Leger. ( idem Cuba)
Deze nieuwe staten hadden enige legitimiteit omdat men het communisme zag als model tot industrialisatie en modernisering – vooral in de minder ontwikkelde landen. Politiek gezien begonnen al deze landen te functioneren onder het leiderschap van de SU, die zelfs ondersteund werd door China, gezien haar anti – Westerse instelling. Frictie: Joegoslavië onder Tito in 1948. Dit bracht geen ernstige schade toe aan het SU- blok. Toen Stalin stierf in 1953 veroorzaakte de kritiek op het stalinistisch beleid wel fricties in de monoliet olv SU. Het hervormende communistische leiderschap in Polen werd vredig geaccepteerd door de SU, maar de revolutie in Hongarije werd in november ’56 onderdrukt door het Russische leger. In Polen werd de agricultuur ‘gedecollectiveerd’, In Hongarije werd onder Janos Kadar systematisch geliberaliseerd, waarbij naar verzoening werd gezocht met de oppositie. In Tsjecho-Slowakije begon men te de – Staliniseren. De Praagse lente in 1968 werd omvergeworpen door militaire macht. Om de economie te hervormen werd een beetje rationaliteit en flexibiliteit geïntroduceerd in het commando systeem, vooral door decentralisatie. Dit was nodig want de communistische economieën deden het merkbaar minder goed als hun Westerse tegenhangers. Behalve in Hongarije hadden deze hervormingen weinig succes.



Deel 3: De Aardverschuiving

14 De Crisisdecennia

1
Wereldwijde crisis sinds 1973 werd pas in de jaren ’80 erkend in de westerse landen.
Vergelijking met de crisis van de jaren ’30 gaat niet echt op. De wereldeconomie stortte niet in elkaar.
Bovendien bleven de westerse economieën wel groeien, zij het minder hard. Maar in Afrika, West-Azië + Latijns-Amerika stortten de economieën na ’89 ineen. Dit gebeurde ook in de voormalige socialistische landen.

In Zuid-Oost Azië en Oost-Azië was er geen echte crisis (behalve in Japan). Meer in ontwikkelde landen: toenemende armoede, werkeloosheid, daklozen, ongelijkheid.
Dit kwam doordat de voortdurende stijging van de reële lonen in 1970 ophield. Er was minder sociale onrust dan verwacht mag worden, dankzij sociale zekerheid.

Niemand had de crisis in 1970 voorzien. De nationale staten hadden er ook minder grip op. Wat moest er gebeuren? Meer of minder overheidsbemoeienis (respectievelijk Keynesianen tegenover Neoliberalen).
In het gouden tijdperk: opkomst verzorgingsstaat , stijgende winsten + lonen. Maar deze kwamen elkaar nu in de weg te zitten. In geen enkel land werd puur neoliberale economische politiek gevoerd!

Crisis was zo nijpend, want conjuncturele + structurele veranderingen gingen samen:
1- Mondiale economie was ontstaan, met verstrekkende gevolgen.
2- Industrialisatie, mechanisatie + automatisering zorgden voor vervanging van veel mankracht > werkeloosheid nam sterk toe.
3- Nieuwe internationale arbeidersverdeling > werkeloosheid groeit. Productie stootte meer arbeidskrachten af dan ze aantrok, dit proces werd versneld door wereldwijde concurrentie. In rijke landen konden veel werklozen terugvallen op uitkeringen, in armere landen ontwikkelde zich een ‘informele’ economie.


II
Door herstructurering in de economie: gespannen sfeer. Pas later in jaren ’80 begonnen hoger opgeleiden hun baan te vrezen.
Gevoel van desoriëntatie + onveiligheid > politieke systeem ging barsten vertonen.
Socialisme kreeg steeds minder aanhang. Nieuwe politieke groepen: van extreem-links tot extreem-rechts. Verwerping van de ‘oude politiek’, m/n. uit negatieve overwegingen. Drastische terugval v/d aanhang van de gevestigde partijen. Nieuwe partijen vaak populistisch, demagogisch, en xenofobisch.


III
Soortgelijke crisis tastte de ‘tweede wereld’ aan. Socialisme was al sinds jaren ’60 hard aan hervorming toe. Oost + West waren aan elkaar gebonden, niet alleen door wereldeconomie, maar ook door machtsevenwicht in koude oorlog.
Toen Sovjetsysteem instortte werd dit evenwicht verstoord. De crises in Oost en West liepen dus voor een groot deel parallel. Maar er waren 2 grote verschillen:
1- Voor het communisme stond er meer op het spel, het betekende het einde van het regime.
2- De maatschappijstructuur in het Westen was veel meer aangetast dan die in het Oosten (natuurlijk had er ook in het Oosten een sociale revolutie plaats gevonden, maar het communisme zorgde veel meer voor het conserveren van de oude tradities dan het kapitalisme).


IV
Bijna alle Derde Wereldlanden zitten sinds 1970 diep in de schulden. Hun winsten daalden. Weinig investeerders. Een groot deel van de wereld viel nu buiten de wereldeconomie.
Door de crisisdecennia werd de kloof tussen de rijke en arme landen dus nog meer vergroot.


V
De territoriale natie-staat steeds meer uitgehold door mondialisering. Paradoxaal: tegelijkertijd nieuwe trend om oude territoriale natie-staten te splitsen.. Deze mini-staatjes kenden dezelfde problemen.
Nieuw separatistisch nationalisme was combinatie van 3 fenomenen:
1- Gevestigde natie-staten konden macht moeilijk uit handen geven (maar wereldhandel bleef het ideaal).
2- Collectief egoïsme van rijker bedeelden leidde tot grote ongelijkheid. Nationale overheid moest deze ongelijkheid opvangen. Soms werd separatistisch nationalisme door dit collectieve egoïsme ingegeven. Bijvoorbeeld in Joegoslavië, Tsjechoslowakije en het Baskenland.
3- Reactie op culturele revolutie > opkomen van identiteitsgroepen (m.n. op basis van ‘etniciteit’) door wegvallen van oude identiteitsgroepen. Exclusiviteit juist doordat specifieke gronden waarop staten van elkaar verschilden steeds meer vervaagden. Dit leidde vaak tot gewelddadigheid (in Joegoslavië, maar ook Duitse Neonazi’s). Identiteitspolitiek was geen doelgericht programma, eerder een uiting van emotionele reacties op de problemen van de late 20e eeuw.

Wereldwijde aanpak van problemen werd steeds meer erkend. Helaas verliepen de internationale formele procedures hiervoor langzaam, stroef en vaak ook ontoereikend. Toch 2 manieren voor internationale actie:
1- Vrijwillig overdragen van nationale bevoegdheden aan supranationale autoriteiten (vb. EG)
2- De internationale financiële instellingen die sinds WOII opgericht waren (vb. IMF en WTO)
Wat de effecten van deze nieuwe ‘wereldpolitiek’ op de lange termijn zullen zijn, zal afgewacht moeten worden.


15 Derde Wereld en revolutie

I
Terwijl de Eerste en Tweede Wereld de langdurigste vredestijd sinds de 19e eeuw ingingen, bleef de Derde Wereld een oorlogstoneel. Machtige communistische partijen waren er zeldzaam, behalve China, Mongolië en Vietnam, het was niet de drijvende kracht achter de nationale bevrijdingsbewegingen. De VS begonnen vanaf het begin van de Koude Oorlog het communisme te bestrijden, van economische hulp, ideologische propaganda en officiële of onofficiële subversieve militaire activiteiten tot regelrechte oorlog. Voor de ineenstorting van het Sovjetstelsel kwamen er zo’n 19 miljoen mensen om in meer dan honderd ‘ware oorlogen en militaire acties en conflicten’. Moskou voerde een politiek van weloverwogen gematigdheid inzake de jonge Afrikaanse staten die graag als anti-imperialistisch en vriend van de Sovjetunie werden gezien.

II
Na 1945 was de guerrillaoorlog de voornaamste vorm van revolutionaire strijd in de Derde Wereld. Met Mao Zedong en Che Guevara als inspirators werd de tactiek van de strijders gepropageerd door links-radicale ideologen die kritisch tegenover de sovjetpolitiek stonden.
Die gerichtheid op de Derde Wereld, die overtuiging dat de wereld geëmancipeerd zou worden door middel van de bevrijding van haar verarmde agrarische ‘periferie’ uitgebuit en tot ‘afhankelijkheid’ gebracht door de ‘kernlanden’ van wat men ‘het wereldsysteem’ noemde, maakte zich van veel linkse theoretici in de Eerste Wereld meester.

III
In de welvarende landen van het industriële kapitalisme nam niemand het klassieke toekomstbeeld van maatschappelijke revolutie door opstand en massale acties nog serieus. Toch, in ’68-’69 ging er een golf van rebellie door alle drie de werelddelen, voornamelijk gedragen door de studenten. Naast hun aantallen wogen drie karakteristieken mee die hun politieke effectiviteit als nieuwe maatschappelijke factor versterkten;
-Ze waren gemakkelijk te mobiliseren in hun enorme kennisfabrieken en hadden meer vrije tijd dan arbeiders.
-Ze waren meestal in hoofdsteden te vinden, in het gezichtsveld van politici en de camera’s van de media.
-Als leden van de ontwikkelde massa kon er minder gemakkelijk op ze geschoten worden dan op het lagere volk.

Behalve culturele waren het geen echte revoluties (hoewel in Frankrijke en Italië arbeiders mee staakten). Men stond ver van de macht i.t.t de Derde Wereld maar men was aangetrokken door het marxisme. Maar wat er van de door Moskou gedirigeerde internationale communistische beweging overbleef, desintegreerde tussen 1956 en 1968 doordat China met SU brak en de landen van het Sovjetblok tot afscheiding en de vorming van rivaliserende communistische partijen opriep, doordat communistische partijen zich openlijk van Moskou begonnen te distantiëren.

IV
De traditie van maatschappelijke revolutie in de trant van oktober 1917 was verloren gegaan, maar de maatschappelijke en politieke instabiliteit die revoluties genereerde bestond nog steeds. Na het op z’n eind lopen van het Gouden Tijdperk van het wereldkapitalisme, speelde er wereldwijd een nieuwe golf van revoluties, gevolgd door de crisis van het communistische stelsel in het westen in de jaren tachtig, die in1989 tot de ineenstorting ervan leidde.
De positie van de VS als supermacht werd verzwakt door de voorspelde nederlaag in Vietnam, doordat ze in de Derde wereld de conservatieve krachten steunden (bij revoluties de verliezende partij) en het Gouden Tijdperk voorbij was. Ze zagen elke verzwakking van hun wereldhegemonie onontkomelijk als een bedreiging daarvan en als een bewijs van de sovjethonger naar wereldoverheersing. Dit leidde tot ‘de tweede koude oorlog’ die in Afrika en later Afghanistan werd uitgevochten.

Religieuze bewegingen werden, hoewel niet altijd, een belangrijke politieke factor. De Iraanse revolutie was de eerste die onder het banier van religieus fundamentalisme gepleegd en gewonnen werd.

Er was niet één bepaalde revolutionaire doctrine die de oude revolutionaire traditie van 1789-1917 verving. Toch behielden oude ideologieën veel invloed in Latijns-Amerika (Sendero Luminoso= Lichtend Pad, maoïstische guerrillabeweging in Perú), Afrika en Indië.

V
De revoluties in de laatste decennia van de 20e eeuw vertoonden dus twee karakteristieken:
-de ene was de uitholling van de gevestigde revolutionaire traditie,
-de andere de wederopleving van de massa’s.

Doordat de kloof tussen regeerders en geregeerden breder werd en de vestedelijking van de wereld, vooral de Derde Wereld was het enige wat een massa kon doen, aantonen dat een bewind zijn legitimiteit verloren had.

De wereld bevindt zich in de jaren negentig meer in een staat van maatschappelijke ontwrichting dan van revolutionaire crisis. Een wereld vol geweld en wapens. (staatsmonopolie van oorlogstuig staat op losse schroeven)


Door Charlotte van Hout:
Chapter 16: The End of Socialism

I
Het Chinese socialisme kan niet beschouwd worden als een slap aftreksel van het Sovjet communisme. China had een grote bevolking die bovendien zeer homogeen was. Al langer dan 2000 jaar bestond er (vrijwel ononderbroken) politieke eenheid. In tegenstelling tot inwoners van andere communistische landen zagen de Chinezen zichzelf als een beschaafd, zelfs superieur, volk. O.a. om deze zelfvoldaanheid liep China later een technologische achterstand op.
Het Chinese communisme was sociaal en nationaal. Het vond weerklank, eerst bij de arbeidersmassa (arm en onderdrukt), daarna ook onder de boeren.

De radicale communisten (Mao Tse-tung) lanceerden een guerilla-oorlog tegen de Kuomintang Partij, die als leider had Sun Yat-sen en later Chiang Kai-shek ( 1887 – 1975). Deze oorlog verliep voorspoedig voor de communisten.
De Kuomintang bleven hun invloed uitbreiden, maar zij konden de grote massa niet aanspreken. Chiang Kai-shek genoot steun vooral vanuit de stedelijke middenklasse, maar 90% van de Chinezen woonde buiten de steden.
Na de Japanse inval (1937) mobiliseerde de Communistische Partij de massa tegen de Japanners. In 1949 namen de communisten China over, nadat zij de Kuomintang met gemak hadden verslagen in een korte burgeroorlog.

Aanvankelijk ging het goed met de nieuwe Volksrepubliek onder Mao, maar er volgden twee decennia van verval vanwege:
1. De supersnelle collectivisatie van landbouw (’55- ’57)
2. De ‘Grote Sprong Voorwaarts’ in de industrie ( 1958) en de daaropvolgende hongersnood (1959 – 61)
3. Tien jaar van ‘Culturele Revolutie’ tot aan Mao’s dood in 1976.

Verschil Chinees/Russisch communisme: Chinese communisme had geen directe relaties met Marx/marxisme (via Stalin’s marxisme-leninisme). Mao gebruikte alleen de aspecten die in zijn denkwijze pasten. Soms resulteerde dit in acties die zelfs in strijd waren met het marxisme. Lenin hield er rekening mee dat praktische omstandigheden een ideaal in de weg konden staan, maar gezien Mao’s krankzinnige plan voor de ‘Grote Sprong Voorwaarts’ was hij dit kleine doch essentiële detail uit het oog verloren. Na de hongersnood werden algauw de meest extreme aspecten van Mao’s plan dan ook achterwege gelaten.

Mao geloofde in ‘het volk’ en wantrouwde alles wat intellectueel was. Het hoger onderwijs kwam bijna volledig tot een eind. Mao geloofde in het belang van strijd, conflict en spanning. ‘Revolution could never end’.
Het vreemde van zijn politiek was de tegenstelling tussen een extreme vorm van ‘westernisation’ aan de ene kant en een gedeeltelijke terugkeer naar de traditionele patronen aan de andere. Industrialisatie had de absolute prioriteit.Tegelijkertijd bleef het platteland de basis van Mao`s systeem. Er vond geen massale urbanisatie plaats, zoals in de USSR.

Ondanks alle ellende deed de Chinese bevolking het best goed onder Mao. De levensverwachting steeg (sterftecijfer daalde). Hoewel het hoger onderwijs bijna verdween, gingen er wel zes keer zoveel kinderen naar school. Om deze redenen maakte Mao wel degelijk indruk op de Chinezen.

Met de Grote Culturele Revolutie mobiliseerde Mao een groep jonge anarchisten (studenten), de ‘Red Guards’ die een einde maakten aan het partijleiderschap, en aan de meeste intellectuelen. Later moest Mao echter weer, lekker hypocriet, met de hulp van een partij de orde herstellen. Zonder Mao zelf had het maoisme weinig echte steun, dus na zijn dood in 1976 was het einde verhaal voor het maoisme. De pragmatische Deng Xiaoping kwam aan de macht.


II
Begin 1980’s werd het duidelijk dat de economie in socialistische landen vooruitging ‘als een vermoeide os’. Niet erg hard dus. De USSR was veranderd in een energieproducerende kolonie van de meer ontwikkelde industriële economieën. De stijging van het sterftecijfer ondermijnde het vertrouwen in het socialisme. Het begrip nomenklatura suggereerde de zwakheid van de USSR: een combinatie van incompetentie en corruptie.

De jaren onder Brezjnjev worden de jaren van stagnatie genoemd, omdat in die tijd het regime opgegeven had te proberen serieus iets aan de creperende economie te doen. Op de korte termijn de consumenten tevredenstellen was makkelijker dan vergaande hervormingen die resultaat zouden leveren op de lange termijn. Dus kocht Rusland graan in het buitenland en betaalde met de olie-inkomsten. De levensstandaard van de Russen was hoger dan ooit (in het korte termijn geheugen).

Ironisch genoeg werden juist de ‘echte socialistische’ landen in de 1970s het slachtoffer van de tweede economische crisis (Great Slump). Omdat de USSR nu meedraaide in de wereldhandel (i.t.t. tot de jaren ’30) werden de Russen ook getroffen. De oliecrisis had echter ook twee Gelukkige Gevolgen:
1. Dankzij de olievoorraad rolden de miljoenen nu de USSR binnen, waarmee het graan dus betaald kon worden. Problemen op korte termijn opgelost.
2. De stroom van dollars die nu van de OPEC-staten afkwam zorgde ervoor dat een internationaal banksysteem vrijelijk leningen kon verschaffen (Derde Wereld).

Begin jaren ’80 was er een acute energiecrisis in Oost-Europa. Stalin`s oplossing leek de enige, maar toen kwam Gorbatsjov aan de macht.

III
De communistische satellietstaten in Oost-Europa hadden hun legitimiteit verloren, maar tegenstand was onmogelijk. Behalve in Polen, o.a. omdat het volk enorm eensgezind was (ook dankzij de R-K kerk).De Poolse regering moest een tijd grote stakingen tolereren, maar in het midden van de 1970s liep het de spuigaten uit. Er kwam een politiek georganiseerde vakbeweging en een agressieve kerk. In 1980 bleek echter na een triomf van de handelsunie Solidariteit dat omverwerping van de regering niet mogelijk was door massaopstanden. Staat en Kerk sloten een geheime deal, waarna de politie/leger de rust herstelde. Het werd steeds duidelijker dat de Sovjets niet langer bereid waren zich actief met hun satellietstaten te bemoeien.

Gorbatsjov, een gepassioneerd hervormer, kwam in 1985 aan de macht. Zijn oproep tot glasnost (openheid) vond verrassend veel weerklank, maar alleen onder de intellectuele elite. De massa beschouwde het Sovjetsysteem als legitiem en volledig geaccepteerd. Het was ‘het oude Tsarenrijk onder nieuw bestuur’. De periode onder Brezjnjev, altijd beschouwd als een tijd van stagnatie, werd door de Russen gezien als de beste tijd die zij ooit hadden beleefd. Radicale hervormers vonden dus, behalve in de bureaucratie, ook in het volk een tegenstander. Druk om te hervormen kwam dus niet van onder af, maar van the top.

Hoe kon Gorbatsjov aan de macht komen? a. Zelfs de meest trouwe aanhangers van de partij waren hevig verontwaardigd door de corruptie die op grote schaal plaatsvond binnen de Communistische Partij. b. De hoogopgeleiden die de economie draaiende hielden zagen wel in dat drastische hervormingen nodig waren. Het systeem was per definitie inefficiënt en niet flexibel. Bovendien moesten ze de status van militaire supermacht hooghouden, terwijl de economie het onderhoud van het militaire apparaat helemaal niet aankon (kosten oorlog in Afghanistan!).

Gorbatsjov`s eerste doel was het beëindigen van de Tweede Koude Oorlog, wat hem een enorme populariteit in het westen opleverde. Hoogstwaarschijnlijk was er geen enkele hervormer, hoe radicaal ook, die het socialisme wilde afschaffen.



IV
Gorbatsjov: glasnost (openheid) en perestrojka (hervorming). Dit moést wel fout gaan, omdat volgens Hobsbawm deze twee doelstellingen in strijd met elkaar zijn. Het enige dat zorgde dat het Sovjetsysteem werkte, was de commandostructuur van de partij/staat. Hervormingen kwamen van bovenaf. Maar de partij/staatsstructuur was tegelijkertijd het grootste obstakel bij het transformeren van een staat die zíj hadden gecreëerd. Grote delen van de partij en staat stonden openlijk vijandig tegenover hervormingen. Door deze tegenstelling stortte uiteindelijk de USSR ineen.

Een nieuw constitutioneel systeem werd geïnstalleerd, maar de kloof tussen woorden en daden werd steeds groter. Een oud politiek mechanisme werd vervangen door een nieuw systeem, maar het was onduidelijk hoe de nieuwe instituten te werk zouden moeten gaan. In feite wilden de hervormers de voordelen van het kapitalisme genieten, maar uiteraard zonder het socialisme uit het oog te verliezen. Jammer was dat niemand ook maar enig idee had hoe dat plan uitgevoerd kon worden.

Glasnost leidde tot de desintegratie van autoriteit, terwijl perestrojka de mechanismen vernietigde die de oude economie draaiende hielden, zónder een alternatief te verschaffen.

In feite was de USSR inmiddels een verzameling van autonome feodale heerschappen. Hoewel de partij totale controle leek te hebben over de staat, opereerde een netwerk van lateral relations onafhankelijk van het centrum. De Russische economie had het zonder dit systeem niet zo lang overleefd.

Gorbatsjov verschoof de machtsbasis van partij naar staat, maar dit betekende in de praktijk dat niemand meer aan het hoofd stond van de USSR. Desintegratie dreigde. De strijd om onafhankelijkheid speelde echter nog geen rol, pas in 1989-90 radicaliseerde het nationalisme.

Boris Yeltsin kwam aan de macht. Een nationale economie bestond niet meer, na de politieke en economische desintegratie kwam er een rush into self-protection and self-sufficiency. In 1989 was de point of no return bereikt. Een politieke (na het uitroepen van de democratie) en economische (tussen oktober 1989 en mei 1990) breakdown. Wat het westen zich echter afvroeg was; wat zou er gebeuren met de Russische satellietstaten?

Tussen augustus en eind ’89 kwam er een eind aan de communistische macht in Polen, Tsjechoslowakije, Hongarije, Roemenië, Bulgarije en de DDR. In Joegoslavië en Albanië (geen satellietstaten) konden de communisten ook hun biezen pakken. Dit had natuurlijk invloed op andere socialistische landen. In China werd een opstand hardhandig neergeslagen, tot afgrijzen van het westen (massacre of Tienanmen Square).

De ineenstorting van het communisme bleef echter beperkt tot de USSR en haar satellietstaten. De drie resterende communistische regimes in Azië (China, Noord-Korea, Vietnam) en het geïsoleerde Cuba werden niet direct beïnvloed.




Hobsbawm - Hoofdstuk 19 – Towards the Millennium, paragraaf I en II

( Week 8)

I
Na het einde van de Koude Oorlog heerst er wanorde in de wereld à geen internationaal systeem of structuur
à na 1989 vele nieuwe staten zonder een onafhankelijk mechanisme om hun grenzen te bepalen.

Wat waren de internationale grootmachten, oude of nieuwe, aan het einde van het millennium?
VS als enige overgebleven als grootmacht :
- Rusland was gereduceerd tot de grote van het land wat het in midden 17de eeuw was geweest.
- GB en Frankrijk waren gereduceerd tot staten met een regionale status.
- Duitsland en Japen waren economische grootmachten maar zagen geen noodzaak om hun enorme economische middelen kracht bij te zetten met militaire macht.
De verdwijning of transformatie van de oude actoren/agressors van het werelddrama (wereldoorlogen) van de 20ste eeuw betekende dat het gevaar van een Derde Wereldoorlog zoals de 1e en 2e WO geweken was.
Hier tegenover staat dat er na 1989 meer militaire operaties waren in meer delen van Europa, Azië en Afrika dan ooit was geweest maar de meest werden niet gekwalificeerd als oorlogen à het was niet duidelijk wie er aan het vechten was tegen wie, en waarom in de situaties van nationale ineenstorting en desintegratie, dat deze activiteiten niet vallen onder de klassieke benaming van een burger of internationale oorlog.

Het globale gevaar van oorlog was niet verdwenen maar veranderd:
1. Door de democratisering en privatisering van de staten in de wereld worden de staten enerzijds stabieler maar anderzijds krijgen kleine ondermijnende/verwoestende groeperingen (terrorisme) binnen een staat de ruimte à vrijheid van de individu
Deze vormen van geweld zijn zeer onvoorspelbaar: -geen onderscheid gemaakt wordt zoals bij oorlogsvoering
-politiek standpunt i.p.v militair
2. Verschil rijk en arm werd steeds groter met als gevolg de opkomst van moslim fundamentalisme = organisatie tegen het Westen.
In elk open conflict tussen de staten Noord en Zuid, is het noorden technologisch superieur t.o.v het Zuiden.
Maar eind 20ste eeuw werd duidelijk dat het Noorden (First World) gevechten kon winnen van het Zuiden (3e Wereld) maar niet de gebieden kon controleren.
De 20ste eeuw eindigde in een wereldwanorde waarvan de oorzaak niet duidelijk was, en zonder een duidelijk mechanisme om de wanorde te beëindigen of het onder controle te houden.


II
De 20ste eeuw was een tijdperk van religieuze oorlogen en de opkomst van ideologieën. (nationalisme, socialisme, communisme, kapitalisme)

-Tijdens de Koude Oorlog stonden twee ideologieën tegen over elkaar op economisch gebied :
1. het communisme : het centraal geleide systeem à faalde met het uiteenvallen van de SU
2. het kapitalisme : de vrije markt economie ; ongelimiteerde competitie/concurrentiestrijd, maximum van goederen en diensten = ultraliberaal à faalde om überhaupt gerealiseerd te worden.
à ideologische desoriëntatie :’Einde der ideologieën’.
De tussenliggende mogelijkheid was dat politieke programma’s gemixd werden waaronder publiek en particulier, open markt en planning, staat en bedrijfslevenà succesvoller geweest omdat het meer op de praktijk gericht was dan op de theorie.
Maar ook deze ideologie overleeft het niet.
Menselijke collectieve instituties verloren de controle over de collectieve consequenties van de acties van de mens à ecologische problemen, demografische groei
De ideologieën verdwenen en de traditionele geloven konden dit niet opvangen à sprake van een ontkerkelijking àontstaan van cultvormen; er kwamen sektes voor in de plaats maar die werden niet zo massaal als het traditionele geloof was geweest à men was wel zoekende naar iets wat een oplossing gaf voor de wereldcrisis.
In de Derde wereld lag het heel anders met uitzondering van het Verre Oosten.
De religieuze tradities kwamen centraal te staan en werden de visie op de wereld en op de crisis.
De traditionele geloven in de 3e wereld waren zo populair omdat het politiek gezien, de vijanden waren van de westers civilisatie.
Volgens de 3e wereld was de Westerse civilisatie van de rijke en goddeloze staten die steeds meer begon te lijken op de exploitanten van het arme deel van de wereld en waren zij de oorzaak van de sociale verdeeldheid.

Na 1e WO Wilson/Lenin met het recht op zelfbeschikking voor homogene etnische volkeren; zelfde taal en cultuur een eigen natie mochten vormen à eind 20e eeuw bleek deze vorming van de naties een chaos geworden te zijn.
Er kwamen vele afgescheiden staten, zonder een onbetwiste territorium, zonder regeringen met autoriteit, geen wetten, geen rechtssysteem, geen leger, geen etnisch begrensde populatie.
Bv.Rhodesie, Koerden.
àgroepen met de combinatie van intellectuele krachteloosheid en massa emotie werden politiek sterk. Zij werden machtig in de tijden van crisis, onzekerheid en in de uiteenvallende staten en instituties en streefden naar het omver gooien van het bestaande regime omdat die geen oplossingen konden vinden voor de natie.
Nieuwe regime is geen verbetering want ze zijn zelf net zo zwak en konden ook geen oplossing vinden voor de problemen.
à crisis voor democratie want de regering wordt niet gekozen, geen wetten, geen rechtssysteem, geen leger, geen autoriteit en om deze landen op te bouwen heb je een zeer krachtige regering nodig.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.