Geschreven door: | anoniem (1 wo) |
Datum ingestuurd: | 5 april 2003 |
Taal: |  |
Woorden: | 24.900 |
Bekeken: | 3595 keer (16 deze maand) |
Waardering: |
|
Deel op: |
|
1 - The New Balance of Power
Na de uiteindelijke eenwording van Duitsland in 1871 waren sommigen optimistisch, anderen uitten hun wantrouwen over het totstandkomen van een nieuwe grootmacht in Europa. Over de importantie van dit gebeuren heerste geen twijfel.
Het militaire succes van deze echt nationale oorlog (alle Duitse staten deden mee aan de kant van Pruisen) was te danken aan zorgvuldige militaire planning en belangrijke economische en politieke ontwikkelingen. Buitengewone industriële groei zorgde voor toename van allerlei basismaterialen die nodig zijn voor het uitbreiden van zware industrie. De annexatie van Lotharingen (Lorraine) en het ontwikkelen van nieuwe technieken en producten droegen daar ook toe bij.
De Duitse eenwording, de laatste barrière voor interne handel wegnemend, samen met een gezamenlijk bank- en muntsysteem, versnelde de industriële ontwikkeling. De Duitse verschijning als sterke militaire macht liep parallel en werd gesteund door haar verschijning als leidende industriële macht. Deze snelle industrialisatie zorgde op haar beurt voor radicale veranderingen in de Duitse samenleving en legde beperkingen op die nooit helemaal werden weggehaald.
De mankracht dat essentieel was voor de industriële revolutie in Duitsland werd deels gebracht door een verschuiving in de bevolkingsdistributie (urbanisatie?) en deels door snelle bevolkingstoename. Urbanisatie zorgde ook voor problemen.
Het Duitse overwicht in de nieuwe Europese balance of power was daarom sterk gefundeerd op industriële en demografische factoren. Maar haar militaire overwinning in 1870 en de daaropvolgende economische groei was te danken aan een aantal andere oorzaken - educatieve en technologische vooruitgang, administratieve efficiëntie en zorgvuldige planning.
Het Duitse succes in haar superieure concentratie van mankracht in de beslissende eerste dagen van de oorlog waren erg belangrijk geweest voor de overwinning.
Nationale dienstplicht bestond in de Pruisische militaire organisatie sinds de hervormingen van 1814-15. Daarentegen was de Franse legerhervorming van 1868 een onbevredigend compromis.
Desondanks, na de val van het imperium, werd dienstplicht ingevoerd en werd dat een kenmerk in leven in de meeste Europese landen tot nu. Alleen in Groot-Brittannië werd het beschouwd als een noodmaatregel, alleen nuttig voor tijden van oorlog of extreem gevaar. Enerzijds gaf de dienstplicht de mensen een ervaring met het militaire apparaat en hoopten regeringen dat het mensen zou beinvloeden voor het latere (dienstplichtige?) leven. Anderzijds was er de vrees dat het het militaire apparaat zou blootstellen aan subversieve (gezagondermijnende) burgerinvloeden. Waar deze angst niet bewaarheid werd, vreesden landen waar nog geen stemrecht was, dat als iemand werd gedwongen voor zijn land te vechten, hij ook het recht moet hebben iets over de verkiezing van zijn regering te zeggen.
Duitsland had zowel dienstplicht als algemeen stemrecht, maar net als anderen bestond hierin een contrast. Bismarck hoefde zich alleen voor de keizer te verantwoorden en niet voor de Reichstag. De Reichstag had op papier macht over begroting, maar Bismarck belemmerde dit. Veel van de individuele staten in het Duitse rijk (waaronder Pruisen) hadden geen algemeen stemrecht.
In de 1870s waren de Nationale Liberalen tevreden: sterk verenigd Duitsland, vrije handel, algemeen stemrecht en parlementair systeem. De massale middenklasse enthousiasme voor het idee van nationale eenheid was wat Bismarck steunde voor zijn idee, maar hijzelf was verre van open voor hun eisen voor verantwoordelijke regering. Hij was onmisbaar voor hen in hun wens naar Duitse eenheid, maar zij waren niet onmisbaar voor hem. De Duitse verschijning als grootmacht was, universeel erkend, Bismarcks werk. Haar plaats in het Europese balance of power systeem na 1870 ook. In 1879 verzekerde hij dat hij het Habsburgse rijk in bedwang kon houden bij een machtsverstorend (Balkan)conflict met Rusland. In een internationaal conflict zou Frankrijk kant tegen Duitsland kiezen vanwege rancune over Elzas-Lotharingen, Bismarck zag daarom in dat Duitsland gebaat zou zijn bij vredehandhaving. Als doel stelde hij handhaving van de situatie in de Europese balance of power zoals hij die had gevormd. Tot zijn ontslag in 1890 zou het Duitse militaire en economische overwicht in Europa in dienst van vredehandhaving gesteld worden.
Een ander land met pretenties om Europees grootmacht te worden, Italië, vond ook haar eenwording als resultaat van 1870. Voor Italiaanse liberalen zou deze eenheid echter nooit compleet zijn zonder Rome als de hoofdstad van het nieuwe koninkrijk. Na het Franse verlies tegen Pruisen namen Italiaanse troepen de plaats in van de Fransen in Rome.
De macht over Rome zorgde voor problemen en aspiraties die de Italiaanse politieke ontwikkelingen voor de komende vijftig jaar zouden bemoeilijken. Het einde van de Pauselijke tijdelijke soevereiniteit vervreemde de Kerk van de nieuwe Staat en dit was opnieuw een punt van conflict tussen de liberalen en de (Romeins) Katholieken. De doctrine van Pauselijke onfeilbaarheid bevestigde het liberale geloof in kerkelijke arrogantie en leidde ook tot diepe scheidingen binnen de kerk zelf.
De breuk tussen Kerk en Staat werd gemarkeerd door de Paus die Katholieken verbood deel te nemen in politiek (tot 1929). De werking van democratie in Italië leed onder de afwezigheid van een verantwoordelijke conservatieve partij.
De weerklank van het Romeinse vraagstuk beïnvloedden bovendien de politieke houding van Katholieken in een aantal andere staten.
Voor de Italianen was het winnen van Rome niet alleen symbool en verergering voor het conflict tussen Kerk en Staat, het gaf ook grootmachtstatus voor het nieuwe koninkrijk. Voor ong. zeventig jaar werd Italië geteisterd door dromen van een imperium, waar het de militaire en economische middelen niet toe had, terwijl haar strategische positie in de Middellandse Zee haar een internationale importantie gaf die ze niet kon doorstaan.
Italiaanse eenheid was eerder politiek dan economisch en sociaal.
De economische en sociale probleem van het Italiaanse zuiden maakten het moeilijk om een coherent politiek systeem tot stand te laten komen, terwijl ondertussen het ontbreken van ruw materiaal industriële ontwikkeling beperkte. Ondanks de eenheid, waren de republikeinen teleurgesteld met de instandhouding van de monarchie en de parlementaire situatie (stemrecht voor 2 van 30 mln. inwoners). Het resultaat voor de generatie wat opgroeide na de eenwording was een groeiende desillusie over Italiaans leven en politiek en een groeiend verlangen naar een radicale verandering, door revolutie dan wel door een oorlog voor nationale expansie.
De opkomst van nationale staten als Italië en Duitsland had grote invloed op het Europese BoP, maar geen enkel land werd meer aangedaan dan Oostenrijk. Daar werden volkeren simpelweg verenigd door een eed van trouw aan het Huis van Habsburg. In een tijd waarin nationale staten dynastieke vervangen was dat niet zo gebruikelijk meer. De Keizer sloot een compromis (
Ausgleich) met de Hongaren, waardoor het een Duo Monarchie werd. Hongaren onderdrukten ferm elke beweging voor nationale onafhankelijkheid van minderheden, terwijl het een reputatie voor liberalisme en een parlementair systeem tot stand hield.
Hongarije kon in elk geval nog zeggen een nationale staat te zijn met traditionele grenzen. De Oostenrijkse helft was slechts een samenraapsel van provinciën zelfs zonder gezamenlijke naam. Bewoond door verschillende volkeren en met totaal verschillende niveaus van economische ontwikkeling, waren het slechts de keizer en het imperiale leger en bestuur dat het een soort van eenheid gaf. In Wenen was de periode van 1880-1914 een periode van culturele schittering, waar vele primitieve ideeën en bewegingen van de 20e eeuw begonnen. Ook was het een periode van discussie over het `probleem van nationaliteiten' en de rol van de Habsburgse monarchie. Het idee van `zelfbeschikking' was wijdverspreid en had grote politieke gevolgen. Overal werden naties nog zonder eigen staat zich van hun wortels bewust en vroegen hun leiders om enige vorm van zelfstandigheid.
Mazzini, een theoreticus van het nieuwe nationalisme geloofde dat elke nationaliteit met specifieke kwaliteiten zou bijdragen aan een harmonieus geheel. Feitelijk ging de groei van een nationaliteit echter doorgaans ten koste van een ander. De groei van nationale staten verhoogde onvermijdelijk het probleem van nationale minderheden.
Als eenmaal het onafhankelijkheidsrecht van naties was erkend was er moeilijk een grens te trekken. Het succes van de Grieken etc. had haar weerklank elders (.. Ottomaans Rijk). Zodra de vraagstukken een internationaal kader kregen waren ze niet langer het probleem van Oostenrijk-Hongarije maar van heel Europa. Begin 20e eeuw was het falen van de Habsburgers om een oplossing te vinden voor het nationaliteitenprobleem in hun imperium één van de hoofdverstoorders van het equilibrium.
Ondanks verlies tegen Pruisen behield Oostenrijk-Hongarije haar rang als grootmacht en gaf revanchisme tegen Duitsland op, waardoor deze twee landen in 1879 een alliantie konden sluiten. Duitsland en Frankrijk was echter een ander verhaal: Het verlies van Elzas-Lotharingen had zowel militaire als economische consequenties.
Misschien even belangrijk was het emotionele en politieke effect. De herinnering aan de verloren provinciën zorgde ervoor dat in een internationaal conflict Frankrijk altijd kant tegen Duitsland zou kiezen.
Behalve militair en territoriaal verlies ook politieke crisis als resultaat van de oorlog. Parijse opstand en de gematigde reactie erop bevestigde het conservatisme van de Nationale Raad, wat het lands behoefte aan vrede en rust uitte. Herleving republikeins gevoel, republikeinse regime.
Superioriteit parlement over president, rol president van de republiek begon af te nemen. Ernstige gevolgen voor politieke en constitutionele ontwikkelingen. Daarom regelmatig overheidscrises, ministeries onstabiel.
Het was een systeem wat het meest geschikt was voor een periode waarin regeringsinterventie in economisch leven of langetermijnplanning niet verwacht werd. Ferry: onderwijssysteem. Delcassè: FM, architect
Entente Cordiale. Clemenceau: leiderschap nodig voor het overleven van laatste jaar WO I. Het politieke systeem van de Derde Republiek weerspiegelde het onderliggende conservatisme in de Franse samenleving en de wens van provinciaal Frankrijk om met haar eigen zaken verder te gaan.
Verrassend aan Frankrijk in de 1870s was de snelheid waarmee het zich herstelde van materiële verliezen en emotionele vernedering van het verlies en dat politieke stabiliteit ondanks de regelmatige regeringswisselingen vrij gemakkelijk gevonden was. Dreyfuss
De kalmte in Frankrijk was mede te danken aan de vrij langzame verandering in de samenleving, het was overwegend plattelands. De Franse natuurbronnen en het kapitaal geïnvesteerd in het buitenland gaven Frankrijk nog steeds economische kracht en stabiliteit. Social and economic resources zorgden ervoor dat Frankrijk de oorlog winnend kon overleven.
Binnen enkele jaren na 1870 was Frankrijk terug als één van de Europese grootmachten. Het loste snel de herstelbetalingen af en herstelde ook militair. De Internationale Tentoonstelling van 1878 weergaf het Franse opgepoetste prestige en haar culturele superioriteit. Het Franse herstel was een teken van zowel het stabiele regime en de capital resources die Frankrijk kon mobiliseren.
De verschijning van de Duitse grootmacht als de sterkste militaire en mogelijk sterkste industriële macht op het continent zou op de lange termijn effect hebben op de Britse positie. Voor het moment wilden de Britten de continentale gebeurtenissen met een zekere afstandelijkheid bekijken. Ze garandeerden Belgische neutraliteit.
In de 1870s kon Groot-Brittannië nog isolationistisch zijn. Het was het eerste land wat de economische voordelen en sociale kwaadaardigheden van de industriële revolutie ondervond. En het was nog steeds het leidende handelsland van de wereld.
De Britse interesses lagen echter voornamelijk buiten Europa. Haar leger was gericht op dienst in India of koloniale expedities en niet voor continentale dienst. Het was vooral een zeemacht. Wilde wel strategische doorvoerpunten in Europa vanuit India verdedigen (Gibraltar) en India zelf. Daarom was het verdacht op Russische expansie oostwaarts en het lot van de `Zieke Man van Europa'. Grootste interesses in India en Egypte (Suezkanaal).
Het waren de Russen en niet Fransen/Duitsers die de Britse belangrijkste rivaal waren tot het einde van de eeuw en dat was ook wat in 1875 de ernstigste internationale crisis veroorzaakte in die periode. Oneenduidigheid binnen Groot-Brittannië over te voeren beleid: matiging. 1878: Congres Berlijn: beantwoordde aan Brits verzoek Russische winsten te beperken.
Door het Congres van Berlijn kon Bismarck ontsnappen aan het kant kiezen tussen Rusland en Oostenrijk over een conflict op de Balkan.
Congres van Berlijn markeerde de Duitse verschijning als overheersende macht in Europa. 1884: Liberale hervormingen gaven bijna alle mannen stemrecht in Groot-Brittannië. De ontwikkeling van aristocratie naar democratie leek te leiden tot een patroon van kalmte en verstandigheid en Engeland werd wijd beschouwd als een maatschappij waarin politieke verschillen door compromis konden worden opgelost. De Ierse kwestie ging de politiek beheersen.
Gladstone was de enige die het Ierse probleem zag als eenzelfde probleem die de Habsburgers en het Ottomaanse Rijk ervoeren: een nationaliteitsprobleem. Zodra zelfbeschikking werd gelanceerd in Europa moest het ook wel Ierland aantasten, net als het later Afrika en Azië onder buitenlands bewind zou aantasten. De Ierse kwestie beïnvloedde echter de internationale positie van Groot-Brittannië en haar rol als grootmacht niet.
Rusland was ongetwijfeld een Europese grootmacht: de onmetelijke interne kolonisatie was één van Ruslands grootste successen van de 19e eeuw. Het was een macht in Europa én Azië. Rusland had een immense oppervlakte en een enorme en snel groeiende bevolkingsaantal. Spanje en Rusland bleven altijd duidelijk buiten de algemene Europese ontwikkelingen. Na de Krimoorlog moest Alexander II iets nieuws doen om de onrustige boeren tegemoet te komen.
In de 1860s voerde hij hervormingen door waarvan de emancipatie van lijfeigenen het belangrijkste was. De directe resultaten losten echter weinig van Ruslands problemen op.
5/6e van Ruslands populatie was analfabeet en een hongerige boer met weinig vooruitzichten. De afschaffing van lijfeigenschap eindigde hun onrust niet en kwam tot een hoogtepunt in 1905 waarna de compensatiegelden voor landeigenaren eindelijk werden afgeschaft, te laat. Net als zijn vader slaagde Nicholas II er niet in de boeren (70% bevolking) achter zich te krijgen.
Andere hervormingspogingen om Rusland een moderne Westerse staat te maken waren maar deels succesvol. Pas na 1890 ging de Russische een grote stap vooruit. De Russische maatschappij en politiek was niet te vergelijken met de Europese en er was twijfel tussen de keus voor Westerse methoden of traditioneel Russische.
Na 1870 waren Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië, Oostenrijk-Hongarije en Rusland de grootmachten, terwijl Italië er ook als één wilde worden gezien. Tot 1914 vonden de volgende veranderingen plaats: verandering relaties tussen grootmachten in hun pogingen balans naar hun voordeel te krijgen, verandering in hun reacties naar Duitsland, verschijnen van nieuwe krachten in de internationale politiek (VS, Japan en kleinere staten in Europa). Het verschijnen van kleinere staten, eerst ten koste van Turkije en daarna met de hoop op een deel van Habsburgse erfenis, was het gevolg van toenemend geloof in het zelfbeschikkings-principe. Zodra het geaccepteerd was als basis voor internationale organisaties stelde het kleinere staten in staat te verschijnen en de Balance of Power te beïnvloeden en ze een importantie te geven die hun middelen niet rechtvaardigde.
Andere landen die strategisch belangrijk waren in de internationale arena waren België (Het Kanaal) en Spanje (Westelijke Middellandse Zee). Ook telden Spanje, Portugal en Nederland om hun grote koloniale imperium. Van de kleinere Europese landen kon België zeggen in de voorgrond te staan van industriële en politieke vooruitgang. Haar internationaal verzekerde neutraliteit stelde België lang in staat zich te richten op industriële en commerciële groei, maar zodra die neutraliteit werd bedreigd kon België niet langer buiten het strijdgewoel van de grootmachten blijven.
Spanje was zonder hulp een zwakke macht, hoe groot haar historische verleden ook was, het kon niet haar eigen bondgenoten houden in de machtsstrijd van de moderne wereld.
De droom van liberalen voor een periode van permanente vrede werd door veel factoren verhinderd. De veranderingen in de internationale balance of power, o.a. veroorzaakt door Duitslands opkomst, leidde tot meer veranderingen en de enorme technische en economische vooruitgang veroorzaakte op zichzelf internationale problemen. Tot 1890 probeerde Bismarck internationale stabiliteit te handhaven, maar de subtiliteit en vaardigheid waarmee hij dit deed veroorzaakte ook weer een nieuw niveau van complicatie, cynisme en
duplicity in internationale relaties. (`It is the lees left bij Bismarck that still foul the cup'). Ondertussen ontwaakten regeringen (vaak om binnenlandse redenen), krachten en bewegingen voor nationale expansie of kolonialisme die de bestaande internationale situatie verstoorden. Het heropenen van delen van de wereld door Europeanen vergrootte de internationale rivaliteit en de aanhoudende aanspraken voor nationale rechten door kleine of onderdrukte naties maakte de internationale arena nog ingewikkelder.
Bovendien werden internationale zaken steeds meer de zorg voor gewone mensen: zelfs autocratische regeringen konden de publieke opinie en toenemende machtige pers niet negeren. Buitenlands beleid kon niet los van binnenlands beleid worden gevoerd en soms kozen regeringen fataal voor buitenlandse avontuurtjes om binnenlandse problemen te ontvluchten. Verlangen naar nationale grootheid, zelfbeschikking en overzeese expansie werd door massa mensen en hun leiders ervaren, zelfs al waren ze niet altijd bewust van de implicaties van het beleid, droegen deze verlangens bij aan de uitbraak van WO I. Ook waren andere krachten - sociale, economische, politieke, intellectuele - die het gewone leven van Europeanen beïnvloedden en zelfs de landen die geografisch of vanwege gebrek aan politieke importantie buiten de rivaliteiten van de grootmachten bleven transformeren. Als WO I de transformatie van de Europese samenleving versnelde, waren de krachten die het veranderden al voor 1914 aanwezig en de stabiliteit werd al ondermijnd.
II : Hoe werden de overtuigingen, omstandigheden en soorten uitingen van Europeanen aan het veranderen in de halve eeuw na 1870?
WEEK 2: DE SOCIALE KWESTIE
HOOFDSTUK 2: SOCIAL CHANGE AND SOCIAL REFORM
The balance of international power had been profoundly changed by the emergence of a strong, united Germany; and the demand by the lesser states for national independence and a national foreign policy contributed to the instability of international politics. But in the internal development of each society in between 1870-1914, there was an ever more marked shift in the balance of power between classes, and a growing demand for the recognition of the rights of the under-privileged, together with a continuous debate about the means by which this recognition could be achieved:
the social question.
Britain was first to experience this and since early 19th century the governments had taken some steps regarding social inequality (i.e. length of working day etc.) Later Prussia under Bismarck followed this example. France was rather slow (till after 1900). But only under the emergence of large working-class pressure-groups the governments had to take social reform seriously.
Progress in some other areas was faster: towards the end of 19th century most large epidemics were eliminated, because of both a greater knowledge and putting that knowledge to effect (Louis Pasteur and Robert Koch). Also antiseptic and anaesthetic were invented. Result: increased belief of man's control over nature.
Many cities were `done-up' (sewage, running water, etc), such as Paris and Vienna. The growth of the cities introduced the commuter. However, in for example a `healthy' part of Britain, the life expectancy was twice as high as in an `unhealthy' part (life expectancy on the whole rose, though).
Of all the modernization the peasants noticed very little at first, and the power of the old landowning class was unchallenged in for example Spain, Hungary and eastern Prussia. However, in the years before 1914, production increased and in certain areas agriculture became more specialized. Technically advanced agriculture (Denmark, The Netherlands) forced farmers to cooperate and assimilate. The biggest change was though, that many people left the country for the city, leaving many villages in destitute condition.
With the development of new industries and the beginning of a mass market for consumer goods as well as of a search for new fields of investment abroad, new forms of financial and commercial organization had grown up (i.e. joint-stock company with limited liability). The age of huge enterprises had begun, as Walter Rathenau (German industrialist and director) put it in 1909: `Three hundred men all acquainted with each other control the economic destiny of the continent.'
The establishment of London as the most important centre in the world for shipping, banking, insurance-broking and buying and selling generally, as well as the growth of the British industry, had been based on a policy of free trade. In the 1840's Richard Cobden (publicist and politician) had persuaded the members of both political parties that tariffs must be reduced or abolished. He became famous internationally, especially with the liberals, who regarded his doctrines as axiomatic. France lowered its tariffs against British trade, and this example was followed by other countries (Germany, Italy).
However, the last 25 years of the century the free-trade era was coming to an end. It had not brought what had been expected from it, and a recession followed. The main symptom was a widespread if uneven fall in world prices, tempting manufacturers to cut wages and jobs, which added to the workers' dissatisfaction. The reasons for the recession remain somewhat unclear, but their nature was industrial (the `boom' was over), financial (the world-supply of gold was temporarily declining as the demand rose) and agricultural (there had been bad harvests in1878-9, but wheat, meat and dairy had become available cheaper
from overseas). There were 2 possible solutions to the agricultural question: one was to increase and modernize agricultural production (dairy in Holland and Denmark) and the other was to introduce a protective tariff. The latter was demanded most by European landowners and peasants (notably Britain never really recovered from the agricultural problems in the 1870s and 1880s). Many liberals let their goal of free trade go, except in Britain, which kept low tariffs until the recession of 1931.
In Germany the end of free trade also marked the end of Bismarck's alliance with the liberals. By the mid-1870s Bismarck was looking for a new basis of parliamentary support and he found it in 2 policies which he used to split the National Liberal Party and to do permanent harm to the liberal movement in Germany: protection and anti-socialism. The introduction of a tariff caused some trouble, since; the industrialist wanted the tariff to be limited to industrial goods, enabling cheap foreign food to enter the country and keep wage demands down. The landowners and peasants however, wanted to be able to buy clothing and agricultural implements as cheaply as possible (some industrialists who were members of the NLP split from it for this reason). So Bismarck had to negotiate, but the agreement was precarious and only lasted from 1879 till 1902. Many other countries introduced tariffs as well, such as Austria-Hungary, Russia, Romania, Greece, etc. The new tariffs had international consequences and contributed to mutual accusations and suspicions amongst European states.
With the changes that had come with the Industrial Revolution (such as the growth and organization of the proletariat) the belief amongst governments was growing that it was in their own best interest to keep the working class contented (Bismarck!!!). Bismarck launched an anti-socialist law (banning party organisations, publications and meetings etc.)after Wilhelm 1 had been assassinated (even though there were no real links with the Social Democratic Party), which functioned also to divide the liberals, caught between their dislike for socialism and their belief in civil liberties. This came on top of their division regarding free trade. Moreover, the income provided by the new tariff was used by Bismarck to curb socialism by sponsoring schemes for social welfare. Bismarck realised that this was not enough to prevent an emergence of an organised working-class political movement, so he introduced an early version of the welfare state (the state took over the responsibility by running a compulsory system and the state itself paid a little bit, too), which failed in its immediate purpose, as the SDP steadily increased in strength. In two ways Bismarck's policy breached with the beliefs of liberalism: the State decided what was good for the people and used taxation money for social benefits. This was probably a feature more typical for Germany than any other contemporary European state. In the same strain of thought, the
Verein für Sozialpolitik was set up. In England the
laissez-faire liberal doctrines had been regarded as axiomatic, but started to get challenged (by for example Chamberlain), and the
Fabian Society was set up. They believed that society could be reformed by piecemeal practical means, by `permeation' of any political organisation that could serve these ends and that social legislation must be scientifically based.
The thought was growing that institutions should adapt to the changes of society if they were to survive, amongst them the Roman Catholic Church. Pius IX had in the
Syllabus of Errors of 1864 condemned most contemporary literature and philosophy, and had in 1870 introduced the doctrine of Papal Infallibility. The ties between church and the ever more secular state loosened (Gambetta:' Le cléricalisme, voilà l'ennemi!'). Leo XIII at least listened to his advisors who were pressing a change of attitude on him. Bismarck, who now realised that his Kulturkampf had been a mistake and no longer needed the support of the liberals, but the support of the conservatives for his protectionist ideas, revoked the anti-catholic laws in the next decade. Already before 1970 Ketteler, Bishop of Mainz, had preached the necessity of Catholic participation in socialist movement; and it was under his influence that the first Catholic trade unions were founded. Amongst those he influenced was Karl von Vogelsang, who believed that a truly Christian state should not be based on a democratic one man, one vote system, but on an organisation by `estates'. Karl Lueger, the reforming Mayor of Vienna, used some of the ideas of Christian Socialism to create a succeful demagogic movement, primarily aimed at improving conditions in Vienna, accompanied by a virulent anti-semitism. In France the church had been under attack ever since the French Revolution. Only under the leadership of Marquis de la Tour du Pin and Count Albert de Mun (influenced by Vogelsang's theories) a real effort was made to bring the church into contact with the workers and to promote social reform.
In 1891 Pope Leo XIII issued a comprehensive statement of Catholic social policy in the
Rerum Novarum which basically said that the State must intervene to avoid the class conflict which the contemporary (social) conditions would produce.
This chapter in a nutshell, according to Jean Jaurès, the great French socialist:
`
You have finally torn the people away from the protection of the church and its dogma…You have interrupted the old song which lulled human misery, and human misery is rising up and is crying out.'
HOOFDSTUK 3: THE SOCIALIST CHALLENGE
In 1871 an insurrection broke out in Paris, after having suffered a siege by the Prussian army. Under the leadership of a group of revolutionaries elections were held and the new government (the Commune) managed to rule Paris, before being overthrown by the regular forces. Nonetheless it functioned as an example for the Left all over Europe. In the eyes of anarchists, such as Bakunin and Proudhon it was `simply the city of Paris administering itself' and for the Marxists it was `the glorious harbinger of a new society'. It also proved to have influenced Lenin later on.
For the rulers of Europe however, it confirmed their worst fears for an imminent social revolution. It convinced people all over Europe that the International Working Men's Association (the First International, which split in 1872), into which Marx had made a vehicle for his ideas, was a kind of general staff for a universal revolution. So it had been given a popular significance greater than in its lifetime. Marx believed that all historical change, the development of legal and social systems, the emergence of philosophies and ideologies, are to be explained in terms of economic causes and of changes in the nature of economic production and organisation.
Marx was not the only prophet of a revolutionary solution of the evils of 19th-century society. Pierre-Joseph Proudhon, Michael Bakunin, and Ferdinand Lasalle had each started different movements from that of Marx's. Proudhon had preached a doctrine of federalism, in which society would exist of small communities cooperating (cooperation) to run their own economic activities with little or no central administration (decentralisation and reduction of governmental power) and the abolition of property. This seemed to fit the structure of France reasonably well, and therefore the ideas of Marx only made slow progress in France.
In the International the Russian anarchist Bakunin had reinforced the libertian ideas of Proudhon's followers. He believed that the true revolutionaries were those that had nothing to lose, such as the landless agricultural workers in Spain and Russia for example (where he found a lot of support). His opinion was that the proletariat already was enjoying the benefits of economic progress.
Ferdinand Lasalle believed strongly in the necessity of a strong German state under Prussian leadership. This was something that Marx did not disapprove of, but he disapproved of the way Bismarck wanted to reach this unification. Lasalle thought that under a system of universal suffrage the organised working class would ultimately be able to win control of a strong state machine and to use it for the benefit of the masses. One of his close associates ended up as one of Bismarck's confidential secretaries and later their supporters united and formed the GSDP and pointed the way to the other socialist parties of Europe. With the spread of universal suffrage and the growth of the proletariat, socialism was becoming a mass movement.
In hoping for better social conditions, the proletariat could either gain reforms by political means or by direct action. Great Britain and Germany, where industrial development was farthest advanced, it was possible to organise mass political parties and to found effective trade unions. In other ways the development was strikingly different. In GB by 1884 nearly all men had the vote, but both the Liberal Party and the Conservatives had shown to be willing to reform. The Independent Labour Party which was founded in 1893 only got mass support in 1902-3, when it became clear that the Conservative government was not prepared to amend the legislation controlling trade union activity (workers were liable to pay damages caused by strikes). The organisation in trade unions gave the workers in many industries a real bargaining power, after dockworkers in 1889 had managed to get a pay rise through a strike. The increasingly strong British labour movement remained pragmatic, with little ideological interest, seeking the improvements that were practically possible in a social system that allowed for gradual and peaceful change.
In Germany the socialist movement had rapidly grown, and 1 in 3 voters voted socialist on the eve of World War I. After Bismarck's fall his anti-socialist laws were allowed to lapse in 1890, but there were still considerable limitations on their freedom. The Chancellor was responsible to the Emperor alone, so the socialists had very little hope of affecting the conduct and policies of, for example, the army and the navy. Moreover, in some of the individual states, the state parliaments were chosen on a very restricted franchise (Jean Jaurès: `You concealed from your own proletariat, from the international proletariat your inability to act'). The role of the GSDP was more a way of life than the British Labour Party.
The fact that circumstances were somewhat different than Marx had expected them to be (the industrial proletariat benefited from the rising economy and quite a few peasants were prosperous) forced socialist parties to adept some orthodox Marxist ideas. In 1899 Eduard Bernstein pointed out that these predicaments had not come true and that the workers would do best to concentrate on obtaining a fair share of the country's increasing wealth, while at the same time he questioned the rigid materialism of contemporary Marxists and tried to leave room in socialist belief for independent, individual, ethical choice.
In France, the practical organisation of the labour movement had been delayed by the repression following the Commune. However, an amnesty in 1879 allowed many of the socialist leaders who had been exiled to return and in 1884 the formation of trade unions had been made legal. At the same time the newly established parliamentary democracy made possible the formation of an active socialist parliamentary group. Between 1880 and 1900 various trends in the French socialist movement, and it was not until 1905 that a united party was formed. Three main tendencies can be traced in the 1890s. First there was the growing influence of Marxism in France (largely due to Jules Guesde). Secondly, a parliamentary group of independent socialists was formed (Jean Jaurès; he combined a liberal ethical humanism and a deep sense of social justice with elements drawn from Marx's analysis of historical development). Jaurès and Guesde became opponents in the Dreyfus-affair, in which a Jewish officer had been unjustly charged with espionage for the Germans. This case divided the country in two and caused much debate. The Dreyfusards saw it as an anti-Semitic, anti-Republican move. The result of this crisis was the formation in 1899 of a government with a republican solidarity, and it was this event which produced a controversy within the French socialist movement comparable to that aroused by Bernstein in Germany.
Under pressure of the Germans at the International Socialist Congress (Amsterdam, 1904) that the socialist parties should not collaborate with other parties, the French Socialist Party was committed to permanent opposition until 1914 (at this time they had 103 seats in The Chamber)
STUDIEVRAGEN
Verein Für Sozialpolitik was een organisatie van professoren die veel bijgedragen hebben aan het creëren van een nieuw klimaat van gedachten over sociaal reform. Zij geloofden dat de Staat in moest grijpen om iets aan de schrijnende sociale ongelijkheid te doen. Ook waren zij van mening, dat een wetenschappelijke studie van de wetten van de economie als een basis konden dienen voor rationele wetgeving en reform. Ook de
Fabian Society (opgericht in 1884) was van mening dat wetgeving betreffende sociale verandering gestoeld moet zijn op wetenschappelijke bestudering. Zij vonden dat hun gedachtengoed langzaam moest doordringen. Ze sponsorden de oprichting in 1895 van de London School of Economics. Hun enorme verzameling van onder andere statistisch materiaal hierdoor gaf hen de reputatie ongeïnteresseerde reformers te zijn. Paus Leo 8, in tegenstelling tot zijn voorganger Pius 9, luisterde tenminste naar zijn adviseurs als zijn aandrongen op een verandering van gedachten. Pius had namelijk fel afgegeven tegen de sociale beweging en de liberale staat,omdat de macht van de kerk daardoor steeds meer in het gedrang kwam. De campagne van Bismarck tegen de Katholieke Kerk had ertoe geleid dat de Katholieke Centrum Partij snel groeide, maar ook dat zelfs Protestanten zich zorgen gingen maken want zij zagen de politiek van Bismarck als een aanval op het gehele Christendom. Later werden de banden tussen het Vaticaan en Bismarck beter, mede doordat Bismarck zich realiseerde dat zijn Kulturkampf op een mislukking was uitgedraaid. Onder de invloed van Ketteler, de bisschop van Mainz, werden katholieke vakbonden opgericht. Hoewel de kerk langzaam was met zichzelf aan te passen aan de nieuwe wereld, legde de paus de kerkelijke sociale politiek vast in de
Rerum Novarum, (waarin stond dat de staat moest ingrijpen om de arbeiders te beschermen en wat beschouwd kan worden als een toenadering naar de seculiere staat) en gaf in het jaar daarop zijn goedkeuring aan de katholieken in Frankrijk die werkten aan een verzoening tussen kerk en staat.
2. Marxisme berust onder andere op de idee dat geschiedenis verloopt in een vastgelegd patroon: `all history is the history of class struggles'. De feudale aristocraten(verleden) maakten plaats voor de bourgeoisie(heden) en die zouden weer plaats maken voor het proletariaat(toekomst). Dit laatste stadium ziet er in de bewoording van Engels als volgt uit:' The political authority of the state dies out. Man, at last the master of his own form of social organisation, becomes at the same time the Lord over nature, his own master - free.'
AANTEKENINGEN VAN HET WERKCOLLEGE
Marx heeft Hegel als voorbeeld, maar zet zich tegelijkertijd van zijn ideeën af. Hij was het met Hegel eens betreffende de idee dat de geschiedenis verloopt volgens een vastgesteld patroon. Maar waar bij Hegel het dialectiek patroon vooral betrekking heeft op het spirituele en metaphysische vlak, zo heeft het volgens Marx meer te maken met economische omstandigheden en materialisme.
Theorie van Hegel:
Elke these heeft een anti-these, die als het ware door hun conflict samenvloeien in een synthese.
THESE X ANTI-THESE
SYNTHESE
Een synthese heeft weer een these tot gevolg, wat weer leidt tot een anti-these, enz. enz.
Marx gebruikt ook dit model en het ziet er volgens hem dan zo uit:
FEODALISME X KAPITALISME
(
bourgeois-revolutie)
BOURGEOISIE X PROLETARIAAT
(
arbeidersrevolutie)
COMMUNISME
In het geval van bijvoorbeeld Lenin ontbrak de bourgeoisie en werd de revolutie als het ware van bovenaf geforceerd, geleid door een kleine groep aan de top staande mensen.
Verelendung: Volgens Marx wil kapitalisme zoveel mogelijk winst maken met zo min mogelijk kosten, waardoor de arbeider uiteindelijk op het absolute bestaansminimum terecht komt en hierdoor zouden zij in opstand komen.
WEEK 3: OMSTREDEN LIBERALISME
HOOFDSTUK 5: LIBERALISM AND ITS ENEMIES
By the beginning of the 20th century many of the political, social and intellectual movements which were to transform Europe over the next fifty years had already been launched. The imperialist movement led to a movement of radical criticism in the imperialist countries, which contributed to the revolutionary forces of the 20th century in Europe. The socialist movement obliged governments to take social legislation seriously; but it also provoked a renewed fear of revolution which resulted in new counter-revolutionary and anti-socialist ideologies. The widespread belief that scientific progress would solve almost all problems and that the methods of the natural sciences could be applied to the study of history or of society or of literature gave rise, in reaction, to a new emphasis on the irrational element in man and on the importance of the instinctive and subconscious emotions.
In politics the demands for universal suffrage and a representative government were becoming increasingly successful, so that these ideas were now becoming political orthodoxy. In both Britain and France there was a wide electorate and the executive was responsible to parliament. In Britain there were two parties (the Liberal and the Conservative Party) and for the most part their system tended to give a substantial majority to one or other of the two parties. Thus, the executive was enabled to retain its hold over the legislature as long as the government leaders retained control over their own party.
In the French Chamber of Deputies however, governments could be overthrown by a chance vote of deputies who perhaps hoped they themselves might be represented in the government, which would result from the ensuing reshuffle. While politicians on the right were calling for a strong government, they were not able to overthrow a system which seemed to satisfy the desire of the Frenchmen to be free of government interference (esp. in taxation) and to see their local interests safeguarded by the political bargaining of their representatives in Paris. They believed, in the voice of `Alain', that a strong party machine or a too powerful bureaucracy must be avoided if liberty was to be preserved. In France the influence of the smaller villages was still weighted against that of the cities. During the whole life of the Third Republic the senate, was a consistently conservative element in the political system, particularly where economic and fiscal measures were concerned. And it is perhaps a measure of the satisfaction felt that demands for any further reform of the senate after 1882 were slow to come and never very important.
In Britain however, the powers of the upper house of parliament, the House of Lords, became a major political issue in the first years of the 20th century, and where the existence of a chamber composed of members of hereditary aristocracy seemed a direct threat to the principles of liberalism and of a constitution based on universal suffrage. When in the election of 1906 the Liberals won a large majority and undertook extensive measures of social reform that the crisis came to a head (the republicans were already complaining about the `death duties' and inheritance tax).
V - Liberalism and its enemies
In het begin van de 20e eeuw waren vele bewegingen die Europa zouden veranderen in de komende vijftig jaar al ontstaan. Het imperialisme zou later leiden tot onafhankelijke staten en de sociale beweging dwong overheden sociale wetgeving serieus te nemen en bracht een revolutieangst. Zoals industrialisatie en technologische vooruitgang de maatschappij veranderde, zo reageerden de mensen tegen industrialisatie.
De vraag naar algemeen kiesrecht en een representatieve regering werden in toenemende mate succesvol en deze liberale ideeën die eerst revolutionair heetten te zijn werden nu orthodoxe politiek en beïnvloeden zelfs de conservatieve mogendheden Duitsland en Oostenrijk-Hongarije.
Groot-Brittannië en Frankrijk demonstreerden een succesvolle parlementaire democratie in actie. Tussen de twee landen waren er echter wel verschillen.
Het Britse electorale systeem en het bestaan van slechts twee grote partijen stelde het uitvoerende in staat macht te behouden over de wetgeving zo lang de regeringsleiders hun eigen partijen onder controle hielden. Ondanks de relatieve zwakte van het parlement klaagden sommigen toen al over de `tirannie van de massa en het gevaar van meedogenloze professionele politieke machines en pressiegroepen die verkiezingen en parlementen beheersten'.
Daarentegen was in Frankrijk de wetgeving oppermachtig en had het parlement een soevereiniteit over successieve regeringen. In praktijk echter werd de continuïteit van regering in Frankrijk gegarandeerd, mede veroorzaakt door efficiënte gecentraliseerde professionele administratieve diensten. Het resultaat van de Dreyfus-crisis was een `regering van republikeinse solidariteit', haar overtuiging in de republikeinse constitutie bevestigend. Feitelijk wilden maar weinig Fransen een sterke regering.
De negatieve houding naar regering toe had een stabiele samenleving nodig om de politieke instabiliteit die tengevolge van deze angst voor een sterke regering neigte te ontstaan. De Fransen kregen wat dat betreft wat ze wilden tot aan WO I en in zekere mate tot aan WO II.
De macht van de gematigde opinie in de Franse provinciën, werd mede ondersteund door het electorale systeem.
In tegenstelling tot Frankrijk was er in Groot-Brittannië werd de macht van de senaat van het parlement (The House of Lords) een grote politieke issue in de beginjaren van de 20e eeuw, hier leek de aristocratische erfrecht een directe uitdaging voor de principes van het liberalisme en de constitutie gebaseerd op algemeen kiesrecht. Pas na de grote liberale verkiezingsoverwinning in 1906 kwamen er uitgebreide sociale hervormingen die de crisis tot een hoogtepunt brachten (?) en na veel getouwtrek kwam in 1911 de Parliament Act die de macht van de Lords ernstig beperkte, hun absolute veto over wetten gepasseerd door de Commons weghalend.
De toewijding aan het principe van algemeen kiesrecht inspireerde ook een effectieve (en voor de Liberale regering verontrustende) beweging in Groot-Brittannië, in de jaren voor 1914. De eis voor vrouwenkiesrecht werd door groepen kracht bij gezet door directe actie, soms gewelddadig. Een grote schok voor de conventionele samenleving van liberaal Engeland en het maakte vrouwenkiesrecht een levendige politieke kwestie. Mede als gevolg van de oorlog en de rol van vrouwen daarin in het thuisfront gaf vrouwen in 1918 kiesrecht.
Frankrijk en Groot-Brittannië bewezen dat een constitutionele democratie gebaseerd op algemeen kiesrecht werkte; en bewegingen richting uitbreiding van het recht om te stemmen werden ook belangrijke politieke kwesties in de kleinere democratieën van Europa. In België zorgden vakbonden in 1895 (en verdere maatregelen werden beraadslaagd in 1914) ervoor dat dit bewerkstelligd werd.
Zweden en Noorwegen splitsten zich in 1905 van elkaar af, na vanaf 1815 onder gezamenlijk koningsschap geleefd te hebben. Daaropvolgend werd Noorwegen een monarchie met algemeen kiesrecht (in beperkte mate ook voor vrouwen) en in Zweden werd algemeen mannenkiesrecht in 1909 geïntroduceerd. In bovengenoemde drie landen had de constitutionele transformatie te maken met hun eigen interne problemen.
De ogenschijnlijke succesvolle werking van parlementaire democratieën in Groot-Brittannië, Frankrijk en de kleinere landen van Noord-Europa en het wijdverspreide geloof dat deze vorm van politieke organisatie de sleutel was tot morele, sociale en economische vooruitgang, maakte liberalen en socialisten in landen die nog niet een effectieve representatieve regering hadden nóg dorstiger ernaar. Ondanks Bismarcks invoering ervan in de Reichstag behielden veel individuele staten (ook Pruissen!) een beperkt kiesrecht. Hervormingen in het Pruisische electorale systeem werden een belangrijk punt in Duitse interne politiek en pas in oktober 1918 werd algemeen stemrecht geïntroduceerd. Een ander probleem was dat de kanselier aan het parlement geen verantwoording schuldig was. Aangezien partijen in het parlement toch maar weinig macht hadden werden ze maar pressiegroepen voor bepaalde economische of sociale interesses. Het leek vaak of het parlementaire leven buiten de sfeer lag waar de echte beslissingen genomen werden. Het was niet duidelijk wie er regeerde in Berlijn, maar de parlementariërs waren het zeker niet.
Liberalisatie van de constitutie door uitbreiding van het kiesrecht en de introductie van een echte representatieve parlement moest wel het meeste effect hebben op de twee grote autocratische rijken van Oost-Europa: Rusland en Oostenrijk-Hongarije.
Spanningen namen toe tussen Tsjechen en Duitsers in Bohemië en een crisis tussen de Hongaren en de Keizer over het leger leidde tot grote problemen. De Keizer gebruikte algemeen kiesrecht in Hongarije om de Hongaarse regerende Magyars onder druk te zetten, wat tot het einde van de monarchie niet werkte. In Oostenrijk werd het in 1907 geïntroduceerd deels onder druk van sociaal-democraten (“waarom wel in Hongarije en niet in Oostenrijk ingevoerd?”) en deels door Franz Josephs indruk van de Russische Revolutie (1905). Het gaf het parlement niet meer macht, maar door de verbreding ervan werd het publiek bewuster van de monarchie's nationale problemen, en het gevoel dat deze problemen onoplosbaar waren groeide.
De principes van een representatieve regering waren doordringend. Oog in oog met dreigingen voor zijn regime, werd de Tsaar gedwongen een constitutie te verlenen - een hervorming van boven, net als de emancipatie van de lijfeigenen vijftig jaar eerder - gemaakt om ergere gevolgen te voorkomen. Het nieuwe parlement (Duma) kreeg echter maar weinig macht. Desondanks was het bestaan op zich van een parlement voor een land dat volledig autocratisch een verstrekkende verandering. Het Russische politieke leven kon niet meer hetzelfde zijn en de mogelijkheid van een vreedzame transformatie van de tsaristische autocratie naar een liberalere regeringsvorm kon ondanks de tegenslagen moest uiteindelijk mogelijk geacht worden.
Het succes van een parlementaire democratie in eerder genoemde landen hing van twee zaken af: 1. Een consensus van mening ter voorkeur van het bestaande constitutionele systeem. 2. Een regerende klasse wat voldoende elastisch was om nieuwe elementen te absorberen om zo de industriële werkers ervan te overtuigen dat hun belangen tot op zekere hoogte behartigd werden op overheidsniveau.
Het was in de landen die op papier een echte democratische parlementaire systeem hadden maar waarbij het systeem duidelijk niet werkte, door onevenwichtige economische ontwikkelingen en het gebrek aan gezamenlijke interesses tussen de verschillende klassen, dat de sterkste kritiek op de liberale staat ten gehore werd gebracht (Spanje: gebrek aan vertrouwen in heersende klasse, Italië: gebrek aan stemmers/stemgerechtigden om staat te ondersteunen).
Het door Agostino Depretis gelanceerde
trasformismo (compromissysteem uit 1876) overtuigde de bevolking er alleen maar van dat parlementaire politiek achterkamertjespolitiek was zonder oog op het landsbelang.
Eind jaren '90 kwamen er veel sociale demonstraties en ongeregeldheden en als gevolg van de chaos viel de regering, evenals uiteindelijk het parlement.
Na Pelloux werd onder leiding van Giolitti van 1903 tot 1914 een poging gedaan een compromissfeer en praktische hervormingen in parlementaire politiek in te voeren (criticasters beschouwden het als een nieuwe
trasformismo), deze periode werd echter beëindigd door WO I. Ondanks tot tussen 1900 en 1914 liberale democratie beter leek te werken in Italië bleef kritiek op het parlementaire systeem bestaan en het liberalisme bestaan, wat bijdroeg aan het klimaat dat groei van fascisme na de oorlog mogelijk maakte.
Aanvallen op het liberale systeem in Italië kwamen van drie richtingen:
De groeiende arbeidersklasse beweging werd bewuster van de kloof tussen de liberale politieke idealen (vrijheid, gelijkheid) en de praktische ervaringen van economische ongelijkheid en gebrek aan vrijheid om het eigen leven te bepalen.
Veel Italianen koesterden ondanks imperialistische tegenslagen in Ethiopië de ambitie voor een hernieuwd Italië die niet langer alleen op de grootheid van het verleden hoefde te teren.
Sommige Italiaanse sociale wetenschappers en politieke denkers gaven duidelijke theoretische kritiek op de liberale democratie
Alledrie deze bewegingen hadden soortgelijken in Europa, maar nergens zo extreem als in Italië.
De Italiaanse sociale bewegingen had met dezelfde spanningen en verdelingen te maken als andere socialistische partijen in Europa. Zo had je reformisten, die bereid waren met liberalen en Giolitti samen te werken en orthodoxe marxisten die geloofden in politieke actie en samenwerking met bourgeois partijen uitsloten. Steeds meer mensen werden aangetrokken door het idee van directe actie en voor Rechts bevestigde dit het gevoel dat revolutie naderend was.
Dezelfde bereidheid tot het regelen van politieke kwesties door directe actie kon gevonden worden onder sommige nationalisten. Een groep geleid door Enroco Corradini verbond de doelen en methodes van de syndicalisten aan de nationale zaak. Ook de futuristen (middenklasse, wilden een moderne dynamische geïndustrialiseerd Italië en zagen oorlog als de medicijn voor de wereld) namen eenzelfde tactiek aan. Nationalisten waren in het algemeen bereid tot directe (gewelddadige) actie en hadden een gezamenlijke afkeer van de liberale democratie. Ondanks dat er geen liberale crisis was als voor 1900 werd de liberale democratie geconfronteerd door sterke en actieve critici die al het extreme waren bereid te doen om hun ideeën te laten gelden en hun politiek vooruit te laten komen.
Ook op het intellectuele en theoretische vlak, waren er in Italië politieke denkers en conservatieven bereid een algemene kritiek op parlementaire democratie te uiten op basis van de Italiaanse situatie.
Mosca, een senator, uitte in zijn
Elementi di Scienza Politica (
The Ruling Class) de gedachte dat in elke samenleving de heersende klasse - de mensen die politieke beslissingen nemen en de mensen die ze uitvoeren - altijd noodzakelijk een minderheid van de bevolking vormen. De beste regeringen waren regeringen waarbij de heersende klasse gerekruteerd werd uit mensen met gelijke morele overtuigingen en met voldoende economische onafhankelijkheid om hun onzelfzuchtige houding te garanderen.
Mosca maakte zich ook zorgen over de macht van het parlement over de regering in Italië en Frankrijk. Wanneer het parlement soeverein is dan `weegt de onverantwoordelijke en anonieme tirannie van elementen die verkiezingen winnen en spreken in de naam van het volk over het hele rechts- administratieve systeem' en is er geen enkele onafhankelijkheid over in de overheidsmachine.
In
Trattato di Sociologia Generale (
The Mind and Society), waar hij vooral sociologisch (non)-logische gedrag analyseert, zegt Pareto dat elites opstaan, macht houden en vervolgens vervallen. Hij meende in de liberale politiek van modern Europa een verval van de huidige elite te zien.
Zijn cynisme over geaccepteerde waarden van liberale samenleving, de overtuiging dat alle uitingen van humanitair idealisme of van utopisch socialisme slechts een rechtvaardiging zijn van acties die fundamenteel zelfzuchtig zijn, maakt Pareto een belangrijke criticus van het liberalisme. Tegelijkertijd maakte zijn aandrang op toughness als de regerende elite wil overleven en de noodzakelijkheid voor een regering om indien nodig kracht te gebruiken hem een voorloper op de theorie en praktijk van 20e eeuws fascisme. Desalniettemin zou hij fascisme zoals die later door Mussolini bedreven werd afwijzen op haar bombastiek en leegheid van ideeën en het feit dat het puur afhankelijk was van fysieke kracht.
Hoewel de veronderstelling door velen in een vorige generatie dat de mens en geschiedenis vooruit bewegen en de het lot van de mens zich zal verbeteren en dit onderliggende vertrouwen pas in de helft van de 20e eeuw volledig verdween in Europa, suggereerden sommigen denkers al in het eerste decennium van de 20e eeuw een andere conclusie.
Comte, Spencer en Marx hadden allemaal geloofd dat sociologische analyse noodzakelijkheid was om sociale verandering te kunnen bewerkstelligen. De nieuwe generatie sociologische denkers waren meer bezig met te laten zien dat de maatschappij ingewikkelder was en de oorzaken voor verandering dieper en mysterieuzer waren dan voorheen verondersteld. In het begin van de 20e eeuw gaven sociologen en politieke wetenschappers het idee dat politiek gedrag vaak gebaseerd was op irrationele en emotionele veronderstellingen.
Hoe meer men samenleving bestuurde, hoe ingewikkelder de motieven voor sociale verandering leken te zijn en de onzekerder de balans van het liberale politieke systeem in West-Europa leek te zijn. Aan het einde van de 19e eeuw gingen sommige denkers de importantie van religieuze overtuiging als motief voor sociale actie heroverwegen (Max Weber). Veel van Webers werk was impliciete kritiek op Marx en de materialistische conceptie van geschiedenis. Het suggereerde een andere relatie tussen ideologie en economisch leven en onderstreepte de belangrijkheid van irrationele motieven en het onderbewuste overleven van voorgaande overtuigingen. Weber wilde de wetenschappelijke benadering van sociologen combineren met de imaginaire inzichten van historici en vond verder dat sociale en politieke hervormingen zich moesten aanpassen aan nieuwe omstandigheden.
Max Weber is van belang vanwege zijn besef dat de Europese samenleving zich in een crisis bevond en in zijn onderliggende pessimisme over de uitkomst, in zijn besef van de sterke irrationele krachten die de precaire fundamenten van Westerse beschaving zouden kunnen wegvagen en bovenal in zijn verlangen een ongepassioneerde wetenschappelijke studie van de ontwikkelingen van de mens.
De Fransman Durkheim en zijn volgers trokken de aandacht naar de variëteit en relativiteit van sociale organisaties en suggereerde dat de liberale samenleving van West-Europa niet noodzakelijk de richting was waartoe alle sociale ontwikkelingen zich bewogen. Tevens richtten zij zich op de zwakheden karakteristiek voor de moderne industriële samenleving: samenleving kon niet langer haar rol vervullen om de individu te beperken in zijn wens en hoop over wat te bereiken in het leven. Tengevolge daarvan voelden mensen zich continu gefrustreerd en gedwarsboomd. De mens wist niet waar hij stond. In stabielere samenlevingen was het sociale systeem sterk genoeg om mensen daar een reëlere kijk op te geven. Desondanks hield hij een optimistische idee vast dat als de mens zijn verlangens aanpast aan de realiteit, wat hem dichtbij Freud brengt.
Studie van antropologie droeg bij aan afname van Europees vertrouwen in de onontkoombaarheid van vooruitgang en in de universele toepasbaarheid van Westerse liberale waarden en methoden. Evolutionaire veronderstellingen werden weggenomen en men probeerde vast te stellen wat er in gelijkenis bestond tussen overtuigingen en praktijken van wijdverspreide samenlevingen. Zowel de denk- als samenlevingsstructuren van `primitieve' bleken net zo goed op de behoefte van haar leden te voldoen als die in westerse samenlevingen. Antropologen toonden aan dat de beschaving zoals die in Europa bestond op basis van liberale principes en industriële technologie alleen één van de zovele mogelijke alternatieven voor het organiseren van een samenleving was (al stelde Europa's technologische kracht haar in Europese waarden op andere mensen/gebieden op te leggen).
Het midden van de 19e eeuw had niet alleen de ontwikkeling van politiek liberalisme gezien; het was ook een periode waarin er geen grenzen leken te zijn voor de toepasbaarheid van de methodes van natuurlijke wetenschappen aan alle problemen. In de historische wetenschap raakte men ervan overtuigd dat er maar geschiedenis was, de geschiedenis `
wie es eigentlich gewesen'.
Aan het einde van de 19e eeuw werd deze zekerheid aangevochten, dezelfde nadruk op het irrationele en instinctieve reacties als bij sociologen in die periode te zien was ging uit naar alle takken van gedachtevorming. Zo beargumenteerde Benedetto Croce in
History Subsumed Under the Concept of Art dat `alle geschiedenis geschiedenis van het denken is', hij maakte historie een subjectief iets.
t/m blz 138?
///
Hoofdstuk 6 James Joll: “The industrial society and its critics”.
Begin 20e eeuw veranderen de geindustrialiseerde landen hun type en organisatie van de industrie. Chemische, electrische en mechanische indsutrien leiden tot veranderende technieken en organisatie. Er kwamen meer luxe-goederen. Velen meenden dat dit was bereikt ten koste van een afgenomen humanisatie meer economische competitie, arbeidsbesparing en standaardisering van de productie. Er volgde automatisering (Taylorism).
Duitsland liep voorop, zij koppelden wetenschap aan industriele expansie. Scholing was hierbij belangrijk. Er was sprake van kartelvorming. Gevolg was de opkomst van een goed georganiseerde en gedisciplineerde socialistische partij.
1900-1914: onrust onder arbeiders in heel Europa. Het gat tussen de rijken en de arbeiders werd steeds groter. Arbeiders werkten onder slechte omstandigheden. De arbeiders werden hierdoor minder loyaal aan hun werkgevers.
Rond 1900 waren de handelsverbonden goed georganiseerd. In Engeland kwamen er stakingen. Frankrijk volgde, maar daar werd militair ingegrepen. Een oplossing leek ver weg en revolutie hing in de lucht. Vooral in Duitsland hing revolutie in de lucht. De handelsverbonden werden sterker en de linkse radicalen werden geinspireerd door wat er in Rusland gebeurde in 1905. Tot WO I namen de spanningen toe. Stakers stonden tegenover de overheid en er werd militair ingegrepen.
Zakenmannen wilden (ook uit eigenbelang) de conflicten uit de wereld helpen.
Walter Rathenau: een topman van een industriele onderneming (AEG). Pleitte voor inkomensherverdeling, gematigde consumptie en afschaffing van geerfde welvaart. Hij wilde eerlijkere kansen voor de arbeiders. Hij wilde econ. planning i.s.m. de overheid en veel investeringen. Door zijn klasse werd Rathenau als verrader gezien.
Ronjd 1900 ging de technologische ontwikkeling snel, kritiek op de maatschappij nam toe. Arbeid steeds onmenselijker en steeds meer vervuiling. Er ontstond een gat tussen de stad en het platteland. Men droomde van een combinatie van landbouw en fabriek. Er werden een soort steden aangelegd met deze combinatie. Daar gingen de arbeiders dan wonen. Dit in Engeland, Italie en Frankrijk. Men wilde de kwaliteit van het leven in een industriele maatschappij verbeteren. De Engelse socialist
William Morris heeft zich hier hard voor gemaakt. Hij verlangde eigenlijk terug naar de periode vóór de industrialisatie.
Eind 19e eeuw:
art nouveau/Jugendstil creeren eigen ingewikkeldheid met meer vormen met ingewikkelde patronen. Verwijderen van rommelige ornamenten en een nieuwe eenvoud in alledaagse objecten leggen.
Dit soort nostalgische bewegingen zetten zich af tegen politiek en economisch liberalisme. Leidden soms tot socialisme. Mem wilde weer versimpeld en sober gaan leven.
Leo Tolstoy: een radicale hervormer die de moderne maatschappij afwees. Men moest terug naar de werken en lessen van Christus. Hij hekelde ongelijkheden in Rusland, terwijl hij zelf tot de hogere klasse behoorde. Men moet voor zichzelf zorgen en anderen niet uitbuiten herverdeling land nodig. Terug naar de simpelheid van het rurale leven. Ook hekelde hij kunst. Hij wilde directe communicatie. Russische boeren waren de basis voor zijn maatschappij primitief. Hij werd de orthodoxe kerk uit gezet. Hij heeft veel invloed op de intellectuelen gehad. De Israelische kibboets stammen hier ook van af. Hij verzette zich tegen de tsaar en werd zo een held voor de revolutionairen van 1905.
Terug naar het land
Blut und boden: de donkere krachten van het bloed en de zwarte mysterie van het land. Reactie op het wetenschappelijke en het rationele.
Theodor Fritsch: door andere vormen van landeigendom moest iedereen contact met de grond en natuur kunnen behouden. Hij linkte de droom van een pre-industriele maatschappij aan de zuiverheid van een ras. Hij heeft veel voor de nazi's betekend. De term
Volk was belangrijk het onverdorven, nationale ras. Radicale doctrines werden neergezet alsof het een wetenschap betrof.
Julius Langbehn: wilde terug naar natuurlijke spontaniteit en simpelheid. Hij gaf veel Duitsers een oplossing voor de dagelijkse slons en een nieuw identiteitsgevoel. Ook hij was een anti-semiet. Dit kwam voort uit zijn aversie tegen steden. Echte Duitse waarden vond men op het platteland. Hij richtte zich op de jeugd. Lichamelijke ontwikkeling belangrijk. Men zag de jeugd als een aparte klasse.
Wandervogel jeugdbeweging die veel buitenactiviteiten organiseerden. Hier kwamen veel latere intellectuelen uit voort. Ze zetten zich af tegen de stad. Wandelden in bossen en bergen. Niet politiek. Wel een vorm van nationalisme. Terug naar de Duitse basis (boden). De politiek raakte geinteresseerd. Vooral de SDP. Zij wilden een combinatie van opleiding en sport en recreatie.
Door de snelle industrialisatie en politieke frustratie was Duitsland geknipt voor dit soort bewegingen. Frankrijk was minder verstedelijkt. Minder interesse in deze bewegingen.
Engeland verloor veel macht in hun oorlog tegen Zuid-Afrika. Dit besef groeide. Hiermee steeg de vraag naar jeugdbewegingen.
Robert Baden-Powell richtte bewegingen voor buitenactiviteiten op
Boy Scouts.
Verschillen Duitse en Engelse bewegingen: Duitse bewegingen meer gericht op de nationale gemeenschap (
Volksgemeinschaft). Engelse meer gericht op overleven in de natuur bijna militair. Gebaseerd op de oude liberale maatschappij. Alles zelf doen en kunnen.
Nevenverschijnselen waren terugkeer van het ambacht en opkomst van folklore. Men zong veel volksmuziek. De Russische dichter Igor Stravinsky schreef veel volksmuziek. Dit gaf de bewegingen het idee terug te keren naar de wereld van voor de industrialisatie.
Veel mensen verwlkomden de wetenschappelijke ontwikkelingen. Er kwamen overzeese vluchten en draadloze verzending van boodschappen overzees (Marconi). Begin van globalisering en Europa's dominantie. Er was opkomst van science fiction schrijvers Verne en Wells.
Rontgen werd uitgevonden en
Einstein kwam met zijn relativiteitstheorie. Al deze ontwikkelingen hadden veel invloed op de maatschappij. Men dacht na over nieuwe vormen van het stadsleven, vooral architecten. Men begon staal en beton te gebruiken. Men wilde eenvoud zonder overbodige decoratie. Vooral in Duitsland heeft dit invloed gehad. Men wilde technologische methoden en materialen in de kunst van het industriele tijdperk gebruiken. De stroming heette:
nieuwe zakelijkheid. Het blik op de stad met machines, auto's, radio, cinema e.d. werd positiever. Er werd steeds meer over steden en machines geschreven. Hoewel Italie en Rusland later industrialiseerden dan Frankrijk en Duitsland werd daar opgeroepen machines als een centraal punt in het menselijk bestaan te zien.
Futuristen (Marinetti) verheerlijking van technologie, dynamiek en kracht. Ook in Engeland, Frankrijk en Duitsland kregen futuristen voet aan de grond.
Effect van deze ideen: verschil revolutionaire theorien (Einstein) alleen toegankelijk voor geleerden. De algemenere theorien konden meer mensen begrijpen. De
avant-garde was zijn tijd ver vooruit i.v.m. de gemiddelde mens.
Veel intellectuelen maakten gebruik van ideeen uit de generaties ervoor Darwin.
Vele kritieken dus gebaseerd op werken van voorgaande generaties. De sfeer waarin toen geschreven werd was anders, maar voor jongeren waren de teksten nu onafhankelijk, ongeemancipeers en onconventioneel.
Friedrich Nietzsche: zette zich sterk af tegen geaccepteerde ideen en doctrines. Werd populair vlak voor en tijdens WO I. De Angel-Saxen hielden hem soms zelfs verantwoordelijk voor de oorlog. Hij geloofde in een blinde krqacht die je naar je lot bracht. Maar je kon dit lot ook overtreffen door veel inzet. Hij had bewondering voor de Hellenistische wereld. Later ging hij zich afzetten tegen het hele bestaande systeem. Dit moest gedragen worden door een
Ubermensch, welke vrij is van sentimenten.
Nietzsche had ook rascistische en gewelddadige trekken. Hij wordt ook gezien als voorloper op het Nazisme.
Belangrijkste was zijn verzet tegen de bourgeoisie. Hij heeft veel invloeed gehad op alle jeugdbewegingen Futuristen, Wandervogel, Boy Scouts e.d.
WEEK 4
STUDIEVRAGEN
`Met dit begrip wordt aangeduid dat de inhoud van de politiek niet los kan worden gezien van de vorm waarin politiek bedreven wordt. Spelen spelers, inzet en regels zijn immers op talloze wijzen met elkaar verbonden. Politiek gaat vaak over wat `politiek' is, wie daaraan mag deelnemen, en de manier waarop deze bedreven mag of moet worden. Er is een voortdurend debat gaande over wat tot de alom aanvaarde `politieke cultuur' gerekend mag worden, waarin voortdurend kleine accentverschuivingen zijn waar te nemen'. (Land van kleine gebaren 8-9).
Na het herstel van de onafhankelijkheid in 1813 draait de politiek vervolgens alleen maar om de koning, die de politiek reduceert tot een patriarchaal bewind. De mensen zelf konden niet deelnemen en in de jaren 1840 wordt hiertegen oppositie gevoerd en de daaraan verkregen inzichten groeiden na 1848 uit tot een liberale politieke cultuur, die er op gericht was om het aantal onderwerpen dat tot het politieke domein gerekend werd beperkt te houden. De vertegenwoordigers van de samenleving zagen zich meer als autonome burgers, die slechts het `algemeen belang' voor ogen hadden. In de laatste 25 jaar van de eeuw werd de liberale politieke cultuur verdrongen door een andere variant, met twee kenmerken: de opkomst van de politieke partij (wordt al snel de centrale instantie voor toegang tot het Binnenhof) en het sterk toenemende belang van ideologie (een essentieel bindmiddel).
In de nieuwe grondwet werd de vrijheid van drukpers, vereniging en vergadering vastgelegd en de definitieve scheiding van Kerk en Staat. De leden van de Tweede kamer zouden in het vervolg rechtstreeks worden gekozen. Het censuskiesrecht bleef echter bestaan (de uitwerking van de grondwet in de Kieswet van 1850 gaf het kiesrecht aan 90.000 mensen- 10.000 minder dan vóór 1848). De leden van de Eerste Kamer zouden nu door de Provinciale Staten worden benoemd, i.p.v. door de koning. Ook werd ministeriële verantwoordelijkheid ingevoerd en werd de koning onschendbaar (de koning mocht vanaf toen dus ook niet meer openlijk politiek bedrijven). Het provinciaal bestuur werd ook hervormd.
In de grondwetsherziening van 1917 werd algemeen mannenkiesrecht ingevoerd (vrouwenkiesrecht in 1919) en een evenredige vertegenwoordiging op basis van partijlijsten.
de rooms-katholieken: keerden zich tegen de Schoolwet van Kappeyne,wat subsidie gaf aan alleen openbaar onderwijs. Bovendien was steun aan de liberalen sinds 1848 (meer mogelijkheden na de grondwet) niet meer noodzakelijk. Hierbij kwam dat de Paus zich met zijn Quanta cura en Syllabus errorum tegen de liberalen had gekeerd. Bovendien nam de centralisatie binnen de Kerk sterk toe (pauselijke onfeilbaarheid is daar een voorbeeld van).
de anti-revolutionairen: keerden zich eveneens tegen de schoolwet.
De socialisten: in 1885 hielden socialisten een grote betoging voor algemeen kiesrecht op het binnenhof.
De Tachtigers zetten zich af tegen de ethisch-realistische stijl van het liberalisme, dat de werkelijkheid wilde weergeven zoals ze zou moeten zijn en niet zoals ze was. De tachtigers wilden de werkelijkheid en kunst om de kunst zelf en niet met een opdracht.
Door de verzuiling was het moeilijk voor de Nederlanders om zich tot een eenheid te voelen, maar de Boerenoorlog in Zuid-Afrika, de invoering van Koninginnedag en de Lombokexpeditie hebben zeker bijgedragen tot een `nationaal gevoel'.
De liberale politiek had ernaar gestreefd om staat en maatschappij zoveel mogelijk te scheiden. Kiesrechtuitbreiding en buitenparlementaire partijvorming vergrootten de greep van de maatschappij op de staat en het begin van sociale wetgeving betekende een ingrijpen van de staat.
Om niet op te vallen en zich buiten conflicten te houden en op die manier de kolonieën weten te behouden, want Nederland kon Indonesïe niet verdedigen tegen een aanval van bijv. Groot-Brittannië.
Ethische politiek (1901 onder Kappeyne): Van Deventer schreef Nederland een `terugbetalingsplicht' aan de Indonesische kolonie voor, een vergroting van de overheidsinspanning in onder meer onderwijs, irrigatie, beschikbaarstelling van krediet en gezondheidszorg.
In 1870 werd het cultuurstelsel in Indonesië afgeschaft, wat de weg voor particulier bedreven kapitalisme vrijmaakte.
Europe since 1870 - James Joll
7. The coming of the first world war
Oorzaken van het uitbreken van de eerste wereldoorlog:
het resultaat van “oude diplomatie” en een alliantiesysteem gebaseerd op geheime overeenkomsten (visie in interbellum)
een halfbewuste of opzettelijke poging van overheden om aandacht af te leiden van interne problemen door actieve buitenlandse politiek en beroep op nationale solidariteit (visie Duitse historici sinds WOII)
inherent aan kapitalisme: de grootmachten die overzees expandeerden moesten wel tot botsing komen waarbij de grote internationale kartels niet langer op vredige manier de onderontwikkelde landen onder zich konden verdelen en zo overheden tot oorlog dwongen (visie Marxisten)
gevolgen van strategische beslissingen en de invloed van bijv. de rivaliteiten op zee van Brittanië en Duitsland.
Al voor het daadwerkelijke uitbreken had men het gevoel dat er een oorlog zou uitbreken:
Het Frans-Duitse conflict over Marokko: 1905 had de Duitse keizer Duitse invloed in Marokko willen vergroten. Dit had tot de dreiging van oorlog geleid met Frankrijk. 1911 zond Duitsland een oorlogsschip naar Marokko zogenaamd om Duitse burgers daar te beschermen tegen de interne onrusten aldaar, maar in feite om Frankrijk te dwingen hun koloniale bezittingen elders in Afrika op te geven om Marokko te kunnen behouden. Opnieuw oorlogsdreiging. Frankrijk was sterk door Alliantie met Rusland 6 zou voor Duitsland een oorlog op twee fronten betekenen. (mogelijkheid Duits-Franse oorlog)
1908 in Turkije staatsgreep door de Jonge Turken die de macht kregen met een programma van modernisatie en reorganisatie voor het aftakelende Ottomaanse Rijk. Poging om de soevereiniteit te herwinnen in gebieden die in de praktijk geen Turkse overheersing meer hadden: Bulgarije, Bosnië en Herzegovina. 6 Prins van Bulgarije benoemde zichzelf tot koning, Oostenrijk-Hongarije annexeerde formeel Bosnië en Herzegovina. Rusland had Oostenrijk-Hongarije gesteund in de veronderstelling de Bosporus en de Dardanellen geopend te krijgen voor Russische oorlogsschepen, dat gebeurde niet.6Bittere diplomatieke strijd, Rusland wilde een internationale conferentie met de ondertekenaars van het verdrag van Berlijn (Oostenrijk-Hongarije mocht de gebieden bezetten maar niet annexeren). Duitsland steunde Oostenrijk-Hongarije 6 Rusland moest buigen. (mogelijkheid Habsburgs-Russische oorlog)
Wensen van kleine nationalistische groeperingen op de Balkan: binnen Oostenrijk-Hongarije waren veel nationaliteiten, sommigen wilden onafhankelijkheid (Bosniërs, Tsjechen, Kroaten, Slovenen, Serven). Twee mogelijkheden voor Oostenrijk-Hongarije:
Poging tot overwinnen van Servië, alle Serven onder directe Oostenrijkse heerschappij brengen
Servië onafhankelijk laten maar het reduceren tot vazalstaat, zo de invloed van Rusland op de Balkan reduceren en de aantrekkingskracht van Servië voor andere slaven binnen de monarchie reduceren
Groeiende vraag naar zelfbeschikking had twee doelen, Oostenrijk-Hongarije en Turkije (in Macedonië en Thracië leefden vele Serven, Bulgaren en Grieken onder Turkse heerschappij).
Tweede Balkanoorlog
Nieuwe Balkan League viel Turkije aan en wist de Turken uit Salonika te verdrijven, later uit Thracië. Hun volgende stap moest Oostenrijk zijn. 1913 einde van Turkse heerschappij in Europa. Binnen een maand na het verdrag ruzie over het verdelen van de buit 6 Tweede Balkanoorlog
Gevolgen Balkanoorlog:
Kleine staatjes bleken niet van plan te zijn zich naar de wensen van de grote staten te voegen
Hun militaire capaciteiten bleken groter dan gedacht
Het toonde aan dat het tijdperk van multinationale rijken teneinde was.
Het was duidelijk dat een crisis tussen de Habsburgse overheid en de zuidelijke Slaven niet kon worden uitgesteld.
Rivaliteit tussen Engeland en Duitsland over hun zeemacht. Duitsland wilde wereldmacht zijn en bouwde daarom grote vloot. Dit wekte argwaan in Brittanië. De exacte doelen van het Duitse beleid werden nooit geformuleerd, erg gevaarlijk. In Duitsland de hoop dat Brittanië misschien neutraal zou blijven en Duitsland wat koloniaal territorium zou geven. Voor Brittanië betekende een grote Duitse vloot een constante bedreiging van hun vrijheid om dingen te doen en een bedreiging zelfs voor haar bestaan. Vanaf 1906 begon ieder zich te bewapenen met de ander in gedachten. Toch nog steeds het idee dat een conflict kon worden vermeden. Door de rivaliteiten werd de band tussen Brittanië en Frankrijk sterker. 1912 informele overeenkomst, waarbij werd afgesproken dat de Franse vloot in het Middellandse Zeegebied
zou worden ingezet om de Oostenrijk-Hongaarse en Italiaanse zeemachten af te weren, en de Britse vloot voor de noordelijke Franse kust om de Duitsers af te weren
Vanaf 1918 het idee dat het alliantiesysteem de oorlog had veroorzaakt populair, toen liberalen uit heel Europa hoopten dat de principes uitgesproken door President Wilson de basis zouden zijn van een nieuwe internationale orde en dat de stichting van een League of Nations een periode van open diplomatie en democratische controle van buitenlands beleid zou inluiden.
Tegenargument:
Het alliantiesysteem van voor 1914 werkte wanneer de allianties overeenkwamen met de strategische en politieke behoeften, en beïnvloedden het beleid niet wanneer er geen gemeenschappelijke belangen waren. Voorbeeld:
De Engels-Franse alliantie was oorspronkelijk niet meer dan overeenkomst van bestaande twisten tussen de twee landen, maar iedere crisis die veroorzaakt werd door Duitslands groeiende kracht zorgde voor nauwere samenwerking.
Oostenrijk was bereid concessies te doen aan de nationaliteiten maar dat lukte niet: het wilde in Oostenrijk een Italiaanse universiteit stichten, maar het bleek onmogelijk een plaats daarvoor te vinden. Men dacht aan Trieste, maar dat zou direct een centrum worden van Italiaans nationalisme en Irredentisme. Hoewel er een Oostenrijks-Italiaanse alliantie was, was die niet erg hecht, en kon makkelijk verstoord worden. Het was dus niet verrassend dat Italië zich neutraal verklaarde aan het begin van de oorlog.
Waarom hadden de gebeurtenissen voor de Juli-crisis van 1914 niet tot oorlog geleid, maar de juli-crisis wel?
al gauw waren alle potentiële bronnen van conflict onder de grote machten erbij betrokken
het kwam op een moment waarop om een aantal redenen de kans op succes, met name voor Duitsland het grootst leek.
Begin van de oorlog
28 Juni 1914 werd de aartshertog Franz Ferdinant, troonopvolger van Oostenrijk-Hongarije vermoord in Sarajevo, hoofdstad van Bosnië. Daarop besloot Oostenrijk-Hongarije Servië te reduceren tot Habsburgse satelliet. Hierbij werden twee besluiten genomen:
De monarchie zou niet nog meer Slavische inwoners overnemen
Duitse steun moest verzekerd zijn voor men actie zou ondernemen
De Duitsers besloten Oostenrijk-Hongarije te steunen, omdat het een mogelijkheid was om de internationale en nationale positie van hun enige betrouwbare bondgenoot te versterken, omdat ze zich bewust waren van hun steeds verdere internationale isolatie.
Op 14 juli zond men een ultimatum naar Servië dat zo streng was dat acceptatie ervan zou leiden tot het reduceren van Servië tot cliëntstaat. Als het zou worden verworpen was het een excuus voor Habsburg om Servië met militaire kracht te verslaan. Men hoopte dat door de belofte van Duitse steun, net als in de Bosnische crisis van 1908, de Russen zouden worden afgeschrikt en dat Oostenrijk-Hongarije zelf met de Serven kon afrekenen.
Duitsland nam aan dat er vroeg of laat een oorlog zou komen, en dan was dat wel een zo geschikt moment:
In 1916 zou de Russische militaire kracht veel groter zijn
De Anglo-Russische overleggen over zeemacht zou kunnen leiden tot nauwe samenwerking tussen die twee machten
de reorganisatie van het Franse leger ten gevolge van het verlengen van de dienstplicht van 2 naar 3 jaar was nog niet voltooid
Engeland had een grote interne crisis in Ierland
Op 25 juli ontving de Russische Tsaar een vraag om hulp van de Serviërs. Men ging hierop in:
Een Franse delegatie was kort daarvoor in Rusland geweest en men had daarom vertrouwen in de Franco-Russische alliantie
Men had het gevoel dat als men nu Servië niet hielp, dat verbanning van Russische invloed op de Balkan zou betekenen en acceptatie van Duitse overheersing in dat gebied, met Ruslands positie als grootmacht in gevaar.
Men heeft wel gezegd dat het Russische besluit om te mobiliseren op 30 juli het cruciale moment was dat tot algehele oorlog leidde, en dat als men het verder had uitgesteld, er dan een diplomatieke oplossing had kunnen komen. Dat is niet waarschijnlijk:
De voorwaarden van het Oostenrijks-Hongaarse verdrag waren zo streng dat Servië ze nooit binnen 48 uur onvoorwaardelijk zou accepteren, zoals Oostenrijk eiste
De Oostenrijkers, zeker van Duitse steun, leken vastbesloten tot een gewelddadige oplossing, wat de Russen ook zouden doen.
Sir Edward Grey in Groot-Brittanië probeerde een diplomatieke oplossing te vinden om de oorlog te beperken. Dit mislukte omdat Oostenrijk en Duitsland vastbesloten waren de ingeslagen weg te bewandelen. Gevolg van Greys diplomatie was dat Europa onzeker was over de Britse intenties, omdat zo lang er een kans was op een diplomatieke oplossing, hij niet wilde ingaan op vragen van Frankrijk en Rusland om steun, uit angst hen onwelwillend te maken bij onderhandelingen.
Toen de Russen op 31 juli mobiliseerden nam de militaire machine het over van de diplomatieke:
Rusland mobiliseerde zowel langs de Oostenrijk-Hongaarse grens als langs de Duitse grens.
Duitsland zette het Von Schlieffenplan in actie, waarbij men eerst Frankrijk zou aanvallen om het Franse leger uit te schakelen, om zich vervolgens tot Rusland te wenden.
Zodra men hoorde van de Russische mobilisatie werd de eerste fase van mobilisatie afgekondigd: Rusland moest binnen 12 uur alle oorlogsmaatregelen afblazen, en Frankrijk moest binnen 18 uur zich neutraal verklaren.
De volgende dag was Duitsland in oorlog met Rusland en Frankrijk.
Op 2 augustus eisten de Duitsers van de Belgen het recht troepen door het land te sturen naar Frankrijk. België weigerde en werd binnengevallen.
Zo begon de oorlog in het Westen.
Engeland
De houding van Engeland was tot het laatste moment onzeker: Grey en Asquith de premier waren ervan overtuigd dat Brittanië niet neutraal kon blijven, andere leden van de regering en belangrijke figuren uit de zakenwereld waren ervan overtuigd dat voor Brittanië betrokkenheid bij een continentale oorlog inging tegen de traditie van Brits liberalisme en Britse wereldwijde financiële en commerciële belangen waren. In het weekend van 1-3 augustus werd de openbare opinie steeds sterker voor oorlog. Redenen om in oorlog te gaan:
gevoel van verplichting ten opzichte van Frankrijk
angst over de veiligheid van het Engelse Kanaal
angst dat als Duitsland zou winnen, men vroeg of laat alleen met een zeer sterk Duitsland geconfronteerd zou worden
De invasie van België
Op 3 augustus zond Engeland een ultimatum naar Duitsland om België te verlaten. Dit werd niet beantwoord en op 4 augustus waren Brittanië en Duitsland in oorlog.
Houdingen t.o.v. de oorlog:
Brittanië: aanvankelijk anti-oorlog, overtuigd van het idee dat economische verwevenheid van internationale leven een oorlog zou voorkomen.
Frankrijk: socialistische oppositie tegen de oorlog. Militante leiders van de vakbbonden moesten direct worden opgepakt in geval van mobilisatie.
Duitsland: sociaal-democraten wilden op alle mogelijke manieren proberen de oorlog tegen te houden. Een oorlog tegen Rusland was echter iets dat de Sociaal-Democraten wel konden accepteren, want tsaristische regering was voor hen hét voorbeeld van tirannie. Daarom moest Bethmann-Hollweg ervoor zorgen dat de oorlog het resultaat leek van Russische agressie.
Houdingen van de socialisten in Duitsland en Frankrijk
Frankrijk: twee belangrijke socialistische vakbondsleiders voegden zich bij een overheid van een
Union Sacrée die ervoor moest zorgen dat het vaderland verdedigd werd tegen de invallers.
Duitsland: ook Duitse socialisten gaven unaniem hun steun aan de oorlog.
Ook in andere landen schaarde men zich massaal achter de oorlog. Op die manier leidde het uitbreken van de oorlog tot een tijdelijke stop in politieke controversie. Vaak waren deze politieke problemen dingen die al langer speelden. Met name in Engeland was de situatie vlak voor het uitbreken van de oorlog precair:
De Liberal Party in Ierland wilde een eigen parlement met een eigen regering.
Er kwam echter gewelddadige oppositie vanuit Ulster, een Noordelijke provincie. De inwoners van Ulster waren protestant en wilden geen overheersing uit Dublin, omdat de meeste andere provincies Katholiek waren en het Ierse parlement overheersend katholiek zou worden.
Het leek erop of het een burgeroorlog zou worden.
Op dat moment kwam de internationale crisis.
Brittannië mengde zich echter niet in de oorlog om van de interne crisis af te komen.
Oostenrijk-Hongarije deed dit wel: ze dachten dat als ze de Zuidelijke Slaven een klap toebrachten, ze beter met de vele gecompliceerde nationale problemen zouden kunnen omgaan. Het leek er even op of het ging lukken: de mobilisatie verliep zonder veel problemen.
De Tsjechen braken als eerste het blok van patriottische solidariteit onder de nationaliteiten. Ze wilden geen oorlog en in 1915 gaf men zich en masse over aan de Russen omdat men niet wilde verder vechten. Gedurende de hele oorlog bleef deze houding zo. De andere nationaliteiten brachten de veiligheid of integriteit van de monarchie niet in gevaar tot het laatste van de oorlog.
Oostenrijk-Hongarije in de oorlog
Hoewel Oostenrijk-Hongarije uit het grootste gedeelte van Roemenië (? Galicia) verdreven werd en Duitse hulp moest inroepen versloegen ze de Serven en Italianen. Pas toen Franz Joseph stierf in 1916, na een regering van 68 jaar, doordat dit belangrijke symbool van continuïteit weg was, werden de interne problemen, versterkt door de oorlog, zichtbaar.
Men had gedacht dat de oorlog kort zou duren en men was ook met die instelling naar het front gegaan. Na korte tijd zag men in dat dit niet zo zou zijn en vele dichters en intellectuelen begonnen de oorlog te becritiseren en manieren te zoeken om de desastreuze gevolgen te beperken.
Oorzaken van het initiële optimisme en enthousiasme:
Geloof dat de doctrine van “survival of the fittest” ook op internationale relaties kon worden toegepast, zodat de oorlog de ultieme test was voor het recht dat een natie had om te overleven.
Een manier om aan de interne problemen te ontsnappen.
Het geloof dat internationale relaties op rationele basis gevoerd konden worden waarbij de belangen van de verschillende naties met elkaar in harmonie konden worden gebracht zonder dat er een gewapend conflict voor nodig was.
8. The European crisis, 1914-18.
Begin September 1914 ging voor de Duitsers nog alles volgens plan, hoewel het Von Schlieffenplan niet geheel succesvol was verlopen.
Loop van de oorlog
Generaal Moltke had besloten twee corpsen te verplaatsen naar het Oostfront vanuit het Westfront. Zo konden de Fransen de Duitsers tegenhouden in de slag bij Marne.
In de volgende weken veranderde de oorlog van karakter: in plaats van een snelle beweeglijke oorlog stonden de legers aan het Westfront half november stil en begon men loopgraven te graven vanaf het Kanaal naar de Zwitserse grens.
Men bewapende zoveel mogelijk om op die manier het schaakmat te proberen te doorbreken.
Men voerde kleine acties uit om de vijand te vermoeien. Dit liep slechts uit op duizenden doden.
In de oorlogvoerende landen moest de overheid het economische leven in handen nemen, om voor munitie en mankracht te zorgen en om voor een voorraad ruwe materialen te zorgen die de oorlogvoerende landen elkaar probeerden te onthouden. Gevolgen:
Achter zich laten van oude liberale ideëen van
laissez faire en individuele rechten
Door de ervaringen in de loopgraven kwamen er nieuwe sociale problemen en een nieuw sociaal bewustzijn.
Gevolgen voor Duitsland
Bij het uitbreken van de oorlog kregen plaatselijke legerofficieren veel macht over de burgeradministratie.
Toch kon het leger zo niet aan ruwe materialen komen. Daarom werden speciale staatsbedrijven opgezet om te handelen in bepaalde benodigdheden voor de oorlog.
Gevolg:
Er werd een voorbeeld gesteld voor de samenwerking tussen staat en handel (“big business”) bij het gaande houden van de economie
het vermeerderde de trend van de concentratie van “big business”, grote cartels ontstonden ten koste van kleinere bedrijven.
Problemen:
grote industriëlen wilden op die manier hun macht consolideren en voor na-oorlogse productie gaan zorgen
de Pruissische minister van Oorlog wilde goede banden houden met de vakbonden en de samenwerking behouden met arbeiders die voor de oorlogsindustrie nodig was.
Eind 1916 verwijderde de hoogste legerleider officieren en burgers die samen werkten met de Sociaal Democraten en de Generale Staf kreeg vele taken die daarvoor door het Pruissische ministerie van Oorlog werden gedaan.
Gevolgen voor Frankrijk
De Franse economie had veel te lijden onder het feit dat de Duitsers zo'n 6% van hun land bezetten. Hier kwamen de grootste voorraden ijzer en steenkool vandaan voor de Fransen, en er was ook veel textielindustrie. Dit alles kon Duitsland nu voor zichzelf gaan exploiteren. Daarom moest Frankrijk meer gaan importeren van haar bondgenoten en bovendien werd het gedwongen de industrie te moderniseren Hier brak toen pas echt de industriële revolutie door.
De gevolgen van mobilisatie waren o.a. dat de landbouwproductie lager dan ervoor was en bleef. Dat had twee oorzaken:
Van alle gemobiliseerde mannen in Frankrijk was 41% boer
De landbouwgebieden in de door de Duitsers bezette gebieden waren belangrijke graanvoorraden geweest, daarom bleef voeding gedurende oorlog een probleem.
Weg van het front werden nieuwe fabrieken opgezet, er werden nieuwe arbeidskrachten gevonden en bestaande fabrieken werden uitgebreid en er ontstond verloop in de bevolking, omdat de vluchtelingen uit de bezette gebieden huizen moesten vinden.
Vrouwen namen op veel terreinen de taken van mannen over; in de industrie en landbouw bijvoorbeeld.
Omdat de oorlog op Franse bodem gevoerd werd had het leger veel zeggenschap over grote gebieden van Frankrijk, waardoor een voortdurende twist ontstond tussen overheid en leger.
Gevolgen voor Italië
De Italianen hadden industriële zwakte en bijna geen essentiële ruwe materialen, m.n. steenkool. De oorlog zorgde er daarom voor dat de Italiaanse economie gemoderniseerd werd. De industriële capaciteit werd vergroot en men nam grote stappen in het ontwikkelen van electriciteit op basis van waterkracht.
Staatstoezicht dat hierbij kwam kijken zorgde voor veel corruptie en wantrouwen, zodat deze economische interventies van de staat ook toevoegden aan het wantrouwen van de Italianen jegens de regering.
Gevolgen voor Groot-Brittannië
De Britse regering had vooral te maken met tekort aan munitie en mankracht. Lloyd George werd aangesteld tot beheerde van munitie en verwierf zo de reputatie als staatsman dat hij vastbesloten was de oorlog actief te beëindigen. Hij kon goed improviseren en zorgde ervoor dat dienstplicht in 1916 werd ingesteld.
Door het tekort aan arbeidskrachten begonnen vrouwen mannenwerk te doen in fabrieken en kantoren achter de frontlinies. De beweging van vrouwenrechten kreeg een praktische vorm.
Omdat men overal militairen moest mobiliseren was samenwerking met de vakbonden onmisbaar, omdat men meer moest produceren of langer werken. Hiervoor werd gezorgd door de socialisten die in de overheden van Frankrijk en Groot-Brittannië zaten, en door dagelijkse samenwerking tussen vakbondsleiders. Op die manier kregen de vakbonden na de oorlog een betere positie.
De oorlog moest betaald worden:
meestal werd geleend van de Verenigde staten.
In het begin van de oorlog waren de mensen nog bereid leningen aan de staat te geven of meer belasting te betalen uit patriottische overwegingen, maar uiteindelijk verwachtten ze wel terug betaald te worden. Hierdoor werd de financiële situatie na de oorlog in Frankrijk en Duitsland nog moeilijker, want de regering moesten óf meer geld lenen om de andere leningen af te betalen, óf meer papiergeld uitgeven zodat het inflatieproces steeds meer toenam.
Alle landen die in de oorlog betrokken waren hadden dezelfde problemen, maar losten ze anders op naargelang de politieke en sociale tradities en de omstandigheden. Algemene problemen:
Tekort aan mankracht. Als gevolg daarvan: strijd tussen leger en industrie om de beschikbare mankracht. Hierdoor: hogere prijzen en grotere voedselschaarste (en groter tekort aan mankracht). Gevolg: meer macht voor de vakbonden die de stem waren voor de georganiseerde werkende klasse.
Beide kanten leden onder de wederzijdse blokkades.
Beide kanten hadden enorme hoeveelheden explosieven nodig voor de wederzijdse slachtpartij aan het Westfront.
Toen ruwe materialen schaars werden, werd een systeem van vastgestelde prioriteiten ingesteld, zodat oorlogsbedrijven meer kregen dan andere bedrijven. Dit zorgde voor aanklachten van corruptie en aanvallen op de `profiteurs' die munt sloegen uit de oorlog.
De hoge prijzen en grote tekorten leidden tot een florerende zwarte markt en meer kritiek op de profiteurs.
Het gat tussen het front en de burgerwereld werd steeds groter, en zo ontstonden beschuldigingen tussen die twee groepen.
Terwijl de generaals door de vijandelijke linies aan het Westfront probeerden te breken en nieuwe wapens ontwikkelden waarmee dit moest gebeuren, zochten politici naar manieren om de balans omver te werpen en nieuwe bondgenoten en nieuwe manschappen te verkrijgen:
1914 Turkije werd de nieuwe bondgenoot van Duitsland. Hierdoor werd de hele Balkan-kwestie opnieuw geopend. De Engelsen hoopten Bulgarije als bondgenoot te kunnen verwelkomen, maar na een mislukte Engelse expeditie op de Dardanellen sloten ze zich aan bij de Duitsers, en vielen Servië aan.
Servië was bijna geheel uit de oorlog geslagen, en ook konden de Bondgenoten (Engeland, Frankrijg en hun bondgenoten) Griekenland niet in de oorlog betrekken. De regering daar was openelijk pro-Duits, en pas in 1917, na een staatsgreep werd Griekenland bondgenoot van Engeland.
1915: Duitsland en Oostenrijk lijken voordeel te hebben in Oost-Europa, met Bulgarije en Turkije als bondgenoten en Griekenland en Roemenië nog niet bij de Engelse bondgenoten.
Italië
Iedereens grote hoop sinds het begin van de oorlog: het neutrale Italië.
Het had wel een alliantie met Duitsland en Oostenrijk, maar bleef neutraal omdat het niet hoefde te vechten volgens het bondgenootschap.
In Katholieke en conservatieve kringen was er sympathie voor Duitsland en Oostenrijk
Anderen hoopten dat de Bondgenoten zouden winnen zodat men in en buiten Europa terrein zou verkrijgen en zo Italië's economische problemen zouden oplossen. Vele intellectuelen met sympathieën voor de liberaal-democraten van Frankrijk en Engeland benadrukten hun culturele banden met Parijs en hun politieke banden met Londen.
Er was algemene vijandigheid tegenover Oostenrijk vanwege Italia Irredenta. Nationalisten geloofden dat Italië's plaats in de wereld alleen veilig gesteld kon worden door een overwinning op Oostenrijk en ze hadden zo een natuurlijke band met de Italianen die nog onder Oostenrijks gezag stonden.
Er waren dus twee kampen. In 1915 tekenden ze een verdrag met Brittannië, Frankrijk en Rusland en kwamen zo in de oorlog. Deze beslissing werd pas genomen na behoorlijke interne strijd:
Mussolini
Toen de interventiecampagne er al aan zat te komen kwam er een demagoog en redelijk succesvol journalist bij, Benito Mussolini. Hij was een actief en radicaal lid van de de Italiaanse Socialistische Partij. De Italiaanse socialisten waren trouw aan hun geloof in neutraliteit in de oorlog. Gedurende de eerste maanden van de oorlog probeerden de Italiaanse socialistische leiders actief maar onsuccesvol samen te werken met de Zwitserse Sociaal Democraten om banden te creëren tussen socialisten in neutrale landen en misschien ook tussen socialisten in oorlogslanden. Mussolini was echter te dynamisch en oorlogszuchtig in zijn temperament om daar geduldig op te wachten. Daarom brak hij in November 1914 met de Socialistische Partij en werd redacteur van een nieuwe krant dat actieve interventie aan de kant van de Gealliëerden stimuleerde.
De parlementsleden en zakenlieden bleven echter overtuigd van de kracht van Duitsland. In de lente van 1915 kregen de Duitsers en Oostenrijkers weer de overhand aan het Oostfront. Mussolini, die het jaar daarvoor fel anti-oorlog was geweest, sprak nu over een oorlog die moest. Toen het parlement weer bij elkaar kwam was een grote meerderheid voor inmenging in de oorlog. De Italiaanse inmenging in de oorlog was voorafgegaan door zorgvuldige berekening en onderhandeling, maar zorgde wel voor een politieke crisis: demonstraties en koninklijk ingrijpen.
De geheime toezeggingen van de Geallieerden aan Italië van grote delen van het Oostenrijkse grondgebied lieten zien hoe het militaire schaakmat ervoor zorgde dat men nieuwe bondgenoten probeerde binnen te halen en hoe daarom ook nieuwe oorlogsdoelen geformuleerd werden: Brittannië speculeerde al over het annexeren van Egypte toen Turkije zich met de oorlog ging bemoeien, en wilden de Russen Constantinopel wel geven.
Duitsland
Ook in Duitsland, voor de slag bij de Marne, tekende de regering plannen op voor na de oorlog: ze wilden meer territorium uit Frankrijk, bezetting van de kust langs het Kanaal van Duinkerken tot Boulogne, overheersing over België's buitenlandse relaties en bezetting van Luik tot Verviers. In het Oosten zou de Duitse grens verder liggen, en samen met Oostenrijk-Hongarije zou het grote economische controle in Oost-Europa hebben. Duitsland ging echter niet de oorlog in om deze doelen te halen, noch waren het lang van tevoren overdachte doelen. De basale Duitse doelen bleven gedurende de oorlog hetzelfde en zolang er uitzicht op was dat deze doelen haalbaar waren bleef een onderhandelde vrede onmogelijk. Toen de gewonden steeds meer werden begon men te discussiëren over een onderhandelde vrede. Beide kanten waren zich bewust van de noodzaak de slachtpartij te kunnen rechtvaardigen. De regeringen moesten dus uitleggen waarom ze vonden dat de oorlog moest doorgaan en wat ze wilden bereiken. Eind 1916 nodigde de Amerikaanse president Woodrow Wilson de belligerenten uit om hun oorlogsdoelen te formuleren, in de hoop op die manier te kunnen bemiddelen. De poging was echter onsuccesvol.
In datzelfde jaar hoopten de Duitsers de oorlog te kunnen beëindigen met een zeeblokkade van Brittannië. Er kwam slechts één onbesliste slag tussen de oorlogsvloten en die werd nooit herhaald omdat beide zijden bang waren om hun oorlogsschepen te verliezen. De oorlog op zee werd er steeds meer een van onderzeeboten en vernietigingsschepen. Het doel was wederzijdse blokkade, handel tegen te houden en handelsschepen te vernietigen. Aanvankelijk waren de Amerikanen het minder eens met de methoden van de Britse blokkade dan met die van de Duitse blokkade, maar toen in Duitsland de invloed van de hoogste legerleiding sterk groeide - Hindenburg werd hoofd van de Generale Staf - begonnen de Duitsers met een medogenloze onderzeeërcampagne. De Duitse militaire en mariene authoriteiten waren ervan overtuigd dat Brittannië binnen 6 maanden op de knieën zou zijn gedwongen, zelfs als Amerika te hulp zou komen. Het lukte bijna, maar de Verenigde Staten verklaarden de Duitsers op 7 april 1917 de oorlog. Deze inmenging in de oorlog zorgde voor nieuwe hoop dat men zou overwinnen, maar ook dat de democratie zou overwinnen en rechtvaardigde op die manier gedeeltelijk de vele slachtoffers.
In die periode ontstonden in alle belligerente landen discussies over hoe de na-oorlogse maatschappij eruit zou zien. De oppositie tegen de oorlog werd steeds sterker en leidde in de parlementaire democratieën (Frankrijk, Brittannië) tot politieke instabiliteit. In Duitsland leidde het tot een soort militair dictatorschap, in Rusland tot revolutie.
Groot Britannië
Men had in 1916 het gevoel dat Asquith de premier zich niet actief genoeg inzette voor de oorlog en een interne regeringscrisis en persoonlijke intriges leidden tot het aftreden van Asquith, die werd opgevolgd door Lloyd George. Hoewel deze enkele kleine veranderingen doorvoerde, was hij niet in staat Generaal Sir Douglas Haig van zijn commandopositie in Frankrijk af te halen, of het leger van het idee af te brengen dat de strategie die gevoerd werd correct was. De minachting van generaals voor politici en de verschillen tussen de lijdende soldaten aan het front en de officieren achter de linies of de burgers thuis werden steeds duidelijker. De invoering van dienstplicht in mei 1916 zorgde ervoor dat de ongelijkheden minder werden, maar lieten wel duidelijk zien dat er ook totale oppositie bestond tegenover de oorlog. Overigens was het het enige land waar men onder dienstplicht uit kon komen als men kon bewijzen dat hij `gewetensvolle bezwaren' had tegen de oorlog. In enkele intellectuele en middenklasse kringen in Engeland was sprake van groeiende oppositie tegen de oorlog.
Zwitserland
Zwitserland werd een toevluchtsoord voor iedereen die de oorlog wilde ontvluchten. Hier stichtten enkele kunstenaars en schrijvers een beweging die verder ging dan iedere andere beweging in het beweren dat op de totale gekte van de oorlog en van de maatschappij die hem maakte alleen gereageerd kon worden met een totale verwerping van alle bestaande waarden en met het tonen van absurditeit in zowel het leven als de kunst, de Dada-beweging. Gedurende de oorlog bleef Zwitserland een veilige haven in het verdeelde Europa.
De Britse en Franse regering had grote verwachtingen van het plan van een offensief in het voorjaar van 1917dat naar voren was gebracht door de Franse generaal Robert Nivelle, die zijn eigen en de Britse regering ervan had overtuigd dat hij het geheim bezat om tot een doorbraak te komen aan het westfront. Zijn zelfvertrouwen bleek echter misplaatst en het Franse leger begon te muiten. Toen de Engelsen in de zomer en herfst probeerden de aanval te hervatten, leidde dat alleen tot een aantal dure maar nutteloze aanvallen.
Gevolg: steeds meer tekenen van tegenover de oorlog, zowel politiek als literair.
Duitsland en Oostenrijk
In Duitsland en Oostenrijk hadden de schrijvers en kunstenaars die aanvankelijk de oorlog hadden verwelkomd er nu afkeer van.
Eigenlijk is het nog verbazend hoe weinig oppositie er was als men nadenkt over de verveling, onaangenaamheden en de angst van de soldaten aan zowel het Oost- als het Westfront. Naast de literatuur en kunst waarin de oorlog sterk afgekeurd werd, bleef namelijk steeds een literatuur bestaan die het accepteerde en die het meeste maakte van die vreugde die nog kon worden waargenomen.
Frankrijk
Het falen van Nivelle leidde tot een langdurige politieke crisis. In 1917 viel de regering en deze keer deden de officiële vertegenwoordigers van de Socialistische partij niet mee met de hervormde regering. De belangrijkste taak was de moraal van de soldaten aan het front te herstellen, die nu weigerden orders op te volgen omdat ze geen zin meer hadden in de nutteloze loopgravenoorlog, die bijna zeker zou resulteren in de dood. Generaal Philippe Pétain zorgde hiervoor, door de omstandigheden te verbeteren en te zorgen voor betere rusttijden en aflossing van de troepen aan het front.
De regering werd echter aangevallen door Extreem Rechts en de ervaren politiek leider Georges Clemenceau vanwege het falen om de oorlog actiever te benaderen. Tegelijkertijd bekritiseerden de Socialisten de regering vanwege het nutteloze bloedvergieten van Nivelle, vanwege de onduidelijke oorlogsdoelen en voor het bestraffen van de muiters. Bij deze interne problemen kwam ook het feit dat door de Russische revolutie van 1917 het einde leek te komen aan de oorlog aan het Oostfront, en dan zouden Brittannië en Frankrijk bloot worden gesteld aan de volledige kracht van het Duitse leger. Ook had Frankrijk te kampen met een reeks van schandalen die te maken hadden met politieke leiders van de republiek. Dit alles leidde ook tot militaire mislukkingen van Frankrijk. In 1917, in een sfeer van wantrouwen en met zeer weinig voedselvoorraden, viel de derde regering in 8 maanden. Clemenceau redde de situatie door het vertouwen in de regering en het legerleiderschap tot op zekere hoogte te herstellen. Hij heerste bijna alleen, door zich te omgeven met onbenullige ministers.
Duitsland
In 1917 leek het er dus op dat de Duitsers alle kans hadden om de oorlog te winnen. Toch werd de interne situatie in Duitsland in dat jaar ook kritiek:
Het succes van de hoogste legerleiding in het doorvoeren van het beleid van een onbegrensde onderzeeboot-oorlog ondanks de oppositie van de Kanselier, en de groeiende invloed van Hindenburg en Ludendorff op de Duitse economie, zorgde ervoor dat de politici in de Rijksdag teleurgesteld en ontevreden werden, en maakten de positie van de Kanselier, Bethmann-Hollweg, erg moeilijk.
De Britse blokkade van Duitsland begon succes te hebben: er was weinig voedsel, men introduceerde rantsoenering en een grote staking van metaalbewerkers toonde aan dat de situatie instabiel was.
De solidariteit tussen de partijen die aan het begin van de oorlog zichtbaar was geweest, werd steeds minder.
Toen in juli 1917 duidelijk werd dat de onderzeeër-campagne Engeland niet had verslagen in 6 maanden, de Russen nog steeds in de oorlog betrokken waren en dat ondanks de fouten van de Fransen Duitsland nog steeds niet verder was doorgebroken in het Westen, begonnen een aantal leden van de Rijksdag, onder leiding van de leider van de Centrumpartij, zich positief op te stellen ten opzichte van een onderhandelde vrede. Twee dagen nadat deze ideeën waren uitgesproken werd Bethmann-Hollweg gedwongen op te stappen, omdat Ludendorff dreigde zelf te gaan als Bethmann niet zou gaan. Hij werd opgevolgd door een onbeduidende Pruissische ambtenaar, waarvan Ludendorff hoopte dat hij wel zou gehoorzamen aan de wensen van de generale staf. Dit bleek echter niet te lukken. In alle belligerente landen kwamen nu stemmen voor een onderhandelde vrede.
Hoewel de Rijksdag erin slaagde het opstappen van de nieuwe Kanselier af te dwingen, was het begin 1918 duidelijk dat de Rijksdag eigenlijk machteloos was, en dat Hindenburg en Ludendorff de echte leiders van Duitsland waren, die nu meer dan ooit uitgebreide annexaties wilden ten koste van Frankrijk en België in het Westen, en Rusland en Roemenië in het Oosten.
Oostenrijk-Hongarije
Duitslands zwakke positie in 1917 lag niet alleen aan de politieke onrusten, maar ook aan de situatie van bondgenoot Habsburg. De dood van Franz Joseph in november 1916 en de opvolging van zijn achterneef Karl zorgde voor de definitieve crisis in de monarchie en de laatste twee jaar van het bestaan waren gevuld met groeiende spanningen, zowel economisch als politiek. Op economisch gebied werd Oostenrijk steeds sterker afhankelijk van Hongarije, met name voor graan. Hongarije wilde niet steeds ingaan op het verzoek om meer graan, tenzij het zelf industriële producten nodig had van Oostenrijk. Begin 1917 was het voedsel in Oostenrijk van slechte kwaliteit en kwantiteit, de zwarte markt woekerde overal en de mensen klaagden. Keizer Karl, die inzag dat men niet nog een jaar oorlog zou volhouden, ging de mogelijkheden na van een aparte vrede via zijn zwager die officier was in het Belgische leger, met de belofte concessies te doen aan Italië en Duitsland onder druk te zetten Elzas-Lotharingen terug te geven.
De Fransen waren sceptisch, en wisten niet of ze wel een vrede wilden waarbij zowel Italië als Oostenrijk buiten de oorlog stonden
De Italianen maakten Karl duidelijk dat ze geen vrede wilden met Oostenrijk op de voorwaarden die Karl zou kunnen accepteren
De mate waarin Oostenrijk met Duitsland verbonden was, maakte Karls diplomatie onrealistisch.
Het enige effect was dat toen Clemenceau de originele voorstellen van Karl publiceerde in 1918, het wantrouwen tussen de Oostenrijkers en het Duitse hoog commandantschap steeds sterker werd.
Ook in zijn zoektocht naar interne vrede was de keizer onsuccesvol. Iedere nationaliteit binnen het rijk zocht naar een manier om zichzelf te redden van het verval dat ze zagen aankomen. Tsjechen, Joegoslaven en Poolse émigrés probeerden de Geallieerden over te halen te luisteren naar hun klachten. Iedere hermodellering van de monarchie op de licht-federale manier die de keizer voorstelde was nu irrelevant. Politiek, economisch en militair werd het steeds duidelijker dat Duitsland steeds meer verantwoordelijkheid voor haar bondgenoot zou moeten nemen.
Rusland
Tussen de herfst van 1916 en eind 1917 vonden in Rusland zeer verregaande veranderingen plaats. De factoren die aan de basis van de Europese crisis lagen, waren ook hier aanwezig:
oorlogsmoeheid, voedseltekort, stijgende prijzen, vraag naar efficiëntere oorlogvoering en naar betere omstandigheden voor de troepen.
Ze werden verergerd door de aard van de Russische instellingen en de persoonlijkheid en overtuigingen van Nikolaas II. De Tsaar was een autocraat die geloofde goddelijk recht te hebben om als alleenheerser te regeren. Toch had hij na de revolutie van 1905 terughoudend de Doema geaccepteerd, hoewel die slechts weinig macht had. Net als in andere oorlogslanden waren ook hier een aantal vrijwillige organisaties ontstaan vanaf 1914 om te zorgen voor oorlogsadministratie en voorraden en die, toen de oorlog voortging, belangrijker werden en centrale committees gingen vormen. Hoewel de macht dus in naam alleen bij de Tsaar lag, werden steeds meer organisaties bij de oorlogvoering betrokken en waren daar ook kritisch in. De bijeenkomsten van de Doema in 1915 en 16 toonden aan dat er een liberaal blok opkwam, net als in Duitsland, dat kritisch was tegenover de monarch. Verschil was dat hier geen Hindenburg en Ludendorff waren om dictatoriale macht aan te nemen in naam van de hoogste legerleiding. Om de kritiek van de generaals te stuiten besloot de Tsaar in 1915 zelf het bevel over het leger te gaan voeren. Hij was daarna meestal aan het front, en de Tsaritsa Alexandra hielp hem met advies wat meestal afkomstig was van de sinistere monnik Raspoetin.
Doordat het leger teveel gebruik maakte van het spoorwegnet werd de voedselstroom naar de steden, die aanzienlijk waren gegroeid sinds begin van de oorlog, onderbroken, zodat de prijzen stegen en de zwarte markten floreerden.
In 1916 was duidelijk dat de militaire discipline verzwakt was en dat er groeiende klachten waren van soldaten en burgers tegen de oorlog en tegen de regering.
Onder die omstandigheden vermoordde een groep conservatieven Raspoetin om zo de reputatie van de Tsaar te zuiveren. Dit was echter niet genoeg om de dynastie te redden. De Doema werd het symbool van de mogelijkheid van een liberaler regime, hoewel het de gebeurtenissen niet leidde maar volgde.
Belangrijker: op straat uitten honderd duizenden arbeiders hun ontevredenheid door middel van politieke stakingen in de dorpen, waar niet alleen vijandelijke gevoelens bestonden onder de boeren tegenover de regering, maar ook tegenover andere sociale groepen, en in het leger, waar discipline weg viel en patriottistische praatjes met cynisme werden beantwoord. Toen de Doema bij elkaar kwam eind februari waren er vele stakingen in Petrograd (Sint Petersburg) en kwamen er steeds meer deserteurs. Hoewel de Doema een commitee instelde om de situatie onder controle te krijgen leek het erop of het onder de voet zou worden gelopen door hordes soldaten en arbeiders die een rivaliserend machtscentrum organiseerden, de Petrograd Sovjet van Soldaten en Afgevaardigden van Arbeiders. Een aantal dagen bestonden de regering van de Tsaar, het Doema-committee en de Sovjet naast elkaar, maar de staking verspreidde zich en op 15 maart werd een voorlopige regering gevormd door de Doema met steun van de Sovjet. Laat die avond werd de Tsaar afgezet.
Gevolgen:
Voor liberalen in Frankrijk en Brittannië zorgde het dat Rusland een respectabelere bondgenoot leek en het verbeterde de kansen, zo leek het, op een rechtvaardige vrede.
Voor de Amerikanen maakte het deelname aan de oorlog makkelijker, omdat het leek te bevestigen dat de oorlog ging tussen democratie en absolutisme, en de enige hoop op permanente vrede tussen de naties lag in het vormen van democratische instellingen in de wereld.
In Rusland wilde de volksbeweging vrede boven alles, en in de geest van de boeren was dit gekoppeld aan de hoop dat de revolutie hen bezit van het land zou brengen. Het volbrengen van deze twee wensen was het grootste probleem voor de voorlopige regering.
De voorlopige regering stond onder druk van de Geallieerden om in de oorlog te blijven, maar al gauw bleek dat de problemen die voor de revolutie de oorlog hadden parten gespeeld, er nu nog waren. De situatie was zelfs verslechterd: de afbraak van administratie, transport en voorraden, oorzaken van de revolutie, waren verslechterd door de opstartproblemen van het overgaan van de regering. In het leger was de discipline weg. De liberale politici probeerden een revolutie van de grond te krijgen in een vacuüm waarin ze niet alleen politieke steun moesten creëren, maar ook een administratieve en economische basis van waaruit gewerkt kon worden. Hiervoor was het bestaan van de Sovjets belangrijk. Ze werden gedomineerd door twee partijen die het industriele proletariaat en de boerensoldaten representeerden, de Mensjewieken Sociaal Democraten en de Sociale Revolutionairen. De Sovjets in de steden waren vaak het enige effectieve administratieve orgaan die konden voorraden konden regelen en distribueren en de dagelijkse functies van publieke administratie konden vervullen. Omdat er een `duaal systeem' was, kon de voorlopige regering moeilijk werken zonder de Sovjets en moesten dus gezamenlijk tot een beleid komen.
In oorlogszaken werd een tijdelijk compromis bereikt. Het alternatief naast een onderhandelde vrede was een onmiddellijk staakt-het-vuren, dat Rusland bloot zou stellen aan de Duitsers Alleen de Bolsjewieken wilden dit onder ogen zien, en dan nog niet unaniem. De voorlopige regering kwam overeen dat het Sovjet en Russische beleid een vrede ten doel moest stellen zonder annexaties. Op die manier maakte de Russische Revolutie en de vraag naar een rechtvaardige vrede een kleine minderheid tot een belangrijke drukgroep in ieder land in Europa.
Zimmerwald-congres
In september 1915 kwam een kleine groep socialisten samen in Zimmerwald, Zwitserland. Hoewel het een onrepresentatieve groep was, was dit congres toch belangrijk, niet alleen omdat het de opkomst van een nieuwe internationale Linkse beweging aanduidde, maar ook omdat het 3 beleidslijnen liet zien die de komende jaren zouden domineren in de socialistische beweging:
Enerzijds waren er afgevaardigden van de Duitse Onafhankelijke Socialisten en de Franse syndicalist Merrheim, die de urgentie benadrukten van het beëindigden van de oorlog
Aan de andere kant was er Lenin, die de oorlog onmiddellijk wilde omzetten in een burgeroorlog om zo een beleid na te streven, het `revolutionary defeatism' waarbij de nederlaag gewenst was om zo een revolutie te ontketenen.
Ertussen in zaten zij die geloofden dat de oorlog gebruikt kon worden voor een revolutie, maar die geen complete breuk met het verleden wilden en die geloofden dat in sommige landen, waaronder Rusland, er eerst een revolutie van de bourgeoisie moest plaats vinden en een onderhandelde vrede, voordat de volgende stap kon worden gezet, namelijk revolutie van het proletariaat.
De Russische revolutie, en met name de vraag naar vrede zonder annexaties gaf uiteindelijk alle bewegingen een praktisch doel om de oorlog te beëindigden. De socialisten realiseerden zich dit als eerste. De socialistische partijen in de neutrale landen hadden het gevoel dat er een kans was de band tussen de leden van de Tweede Internationale te herstellen en dat dit gebruikt kon worden om een openbare discussie los te krijgen over oorlogsdoelen en een onderhandelde vrede. Hierdoor raakten de regeringen van de belligerente landen in een lastige positie:
in een tijd waarin intern steeds meer discussie en kritiek kwam, zou een discussie over oorlogsdoelen en een mogelijke onderhandelde vrede de wil om te vechten nog verder afzwakken.
het was duidelijk dat de Russische regering het idee van een socialistisch congres wilde doorzetten als eventuele manier naar vrede.
De regeringen waren hiertoe echter niet bereid, zodat het congres dat in Stockholm gehouden werd een serie bezoeken werd aan Stockholm door afgevaardigden van de sociale partijen om de situatie te bediscussiëren met de organisatoren. Dit leidde tot een breuk onder de socialisten in de regeringen in de belligerente landen.
Lenin
Dit hielp de Russische regering echter niet om uit te komen onder haar tegenstellingen, en de meningen bleven dan ook sterk uiteenlopen. Lenin en zijn Bolsjewieken waren sterk in de minderheid, maar toch slaagde hij erin zijn programma binnen 7 maanden uit te voeren en een succesvolle revolutie te creëren.
Oorzaken:
door Lenins gave om een revolutie op te stoken en te organiseren, en zijn begrip van zijn partij in die revolutie
door de zwakte van de voorlopige regering. Hoewel er zeker intelligente mensen in de regering zaten, had niemand, en met name de premier Alexander Kerensky, de wilskracht en besluitvaardigheid van Lenin, of de steun van een gedisciplineerde en meedogenloze partij als de Bolsjewieken.
door gebrek aan een middenklasse in Rusland die de bourgeoisie-revolutie kon beginnen die de tegenstanders van Lenin, de Mensjewieken, noodzakelijk achtten.
Lenin loste de problemen echter niet op, negeerde ze of maakte het zelfs slechter, en gebruikte de gelegenheid die door complete afbraak van de administratieve en overheidsmachine was ontstaan om een revolutionaire te creëren.
De Duitsers maakten het Lenin makkelijk om vanuit Zwitserland terug te keren, omdat ze wisten dat hij moeilijkheden zou veroorzaken in de Russische regering en de wil om door te gaan met oorlogvoeren zou verzwakken. Snel nadat hij terug was (1917) nam hij leiderschap aan over de Bolsjewistische Partij, en bracht hen de discipline bij die essentieel was voor zijn revolutionaire methode. Hoewel Bolsjewieken in de minderheid waren in de Sovjets, lanceerde Lenin de slogan “alle macht aan de Sovjets”, omdat hij dacht dat dat het beste wapen was om de voorlopige regering te beletten een bourgeoisie-revolutie, die de Mensjewieken eisten, uit te voeren en te leiden.
Een maand na Lenin nam Trotsky ook een belangrijke rol aan in de partij. Die maand, juli, was een crisismaand voor hen, en eindigde in Trotsky's arrestatie en Lenins vlucht. Er waren namelijk 4 dagen lang spontane demonstraties op straat en de regering hield de Bolsjewieken verantwoordelijk, hoewel Lenin de tijd nog niet rijp achtte. In zijn vluchtplaats in Finland schreef Lenin zijn pamflet `Staat en Revolutie'. Hierin pleit hij voor de noodzaak van een gewelddadige revolutie, omdat alleen op die manier het proletariaat de bourgeoisie-staat kan vernietigen en onder de oppositie van de voormalige uitbuitende klasse kan uit komen. De essentie van zijn argument is dat het doel van de revolutie niet het overnemen van de staat met democratische middelen is, zodat de regeringsmachine gebruikt kon worden om vredig het socialisme te bouwen, zoals de Mensjewieken en Sociale Revolutionairen geloofden, maar het doel was de totale vernietiging van de bestaande staatsmachine om zo een nieuw revolutionair systeem te bouwen dat de uitoefening van de dictatuur van het proletariaat mogelijk zou maken in een wat Lenin beschouwde als overgangsfase tussen socialisme en communisme. Hieruit blijken twee tegenstellingen in Lenins gedachten, waardoor sommige historici hebben getwijfeld aan de oprechtheid van Lenins geloof in de tweede:
Het geloof in de noodzakelijkheid van geweld en gewelddadige overname.
Het geloof in het uiteindelijke resultaat dat zou leiden tot het einde van het klassensysteem en het ineen vallen van de staat.
Oktoberrevolutie
In september 1917 waren Lenin en enkele Bolsjewistische leiders klaar voor een gewelddadige machtsovername. Ze hadden nu een meerderheid in de Sovjets van Moskou en Petrograd. Trotsky was voorzitter van de Petrograd Sovjet geworden na zijn vrijlating, en trof daar praktische voorbereidingen voor de omverwerping, terwijl Lenin andere Bolsjewistische leiders ervan overtuigde dat de tijd rijp was voor revolutie. Lenin maakte geen geheim van zijn ideeën, en dat zorgde voor paniek, niet alleen in de voorlopige regering, maar ook onder andere linkse partijen die geloofden dat de omverwerping gedoemd was te mislukken, en dat het de weg zou banen voor een nieuwe succesvollere coup van de rechtse partijen. Dit zou dan het einde betekenen van de weinige weerstand die Rusland Duitsland nog kon bieden.
In de nacht van 24-25 oktober begon de revolutie echter met het innemen van de belangrijkste regeringsgebouwen, en Kerensky kwam erachter dat geen van de troepen in Petrograd hem wilde steunen. Toen het pan-Russische congres van Sovjets `s avonds 25 oktober bij elkaar kwam, kon Lenin meedelen dat de macht in hun handen lag. Niet allen wilden dat accepteren. De situatie was nog steeds buitengewoon verwarrend, en de Bolsjewieken werden bekritiseerd door zowel Mensjewieken en Sociale Revolutionairen. Toch nam het congres de macht op, en de volgende dag werd een Raad van Commissarissen van de Mensen opgezet, bestaand uit Bolsjewieken. De strijd inherent aan het bestaan van een duale macht moest nog beslist worden, niet langer tussen Sovjets en de regering, maar tussen de Sovjets en de Raad van Afgevaardigden. Hoewel de Bolsjewieken verkiezingen toestonden, ging dat niet normaal: een van de leiders van de Sociale Revolutionairen werd gearresteerd en de belangrijkste liberale partij werd uitgeroepen tot `vijand van het volk'. Toch hadden de Bolsjewieken een minderheid in de Raad, bleek toen hij bij elkaar kwam. Lenin maakte er echter geen geheim van dat hij van plan was de Raad te negeren als hij zichzelf niet tot non-entiteit zou stemmen. Lenin zorgde er dus inderdaad voor dat de Raad werd ontbonden. Het derde pan-Russische congres nam met grote meerderheid een Verklaring van de Rechten van de Zwoegende en Uitgebuite Mensen aan, die de Raad van Afgevaardigden had geweigerd, die Rusland uitriep tot Republiek van Sovjets van Arbeiders, Soldaten en Boerenafgevaardigden.
Lenin had altijd geloofd dat de communistische revolutie een internationale moest zijn, en had daarom een Derde Internationale gewild om revolutionaire activiteit te coördineren. Een van de argumenten die hij in de oktoberrevolutie had aangevoerd voor een gewapende opstand was dat de revolutie nabij was in Duitsland en de andere ontwikkelde landen in het Westen. Daarin had hij zich vergist. Hoewel daar wel dergelijke partijen waren, hadden de regeringen de zaak tot op zekere hoogte wel onder controle.
Het land wat nog de meeste kans had op een dergelijke revolutie was Italië. In augustus 1917 had een delegatie van de Petrograd-Sovjet Turijn bezocht, waar de werknemers in de auto-industrie van de gelegenheid gebruik maakten om grootschalige demonstraties te houden tegen de oorlog. Toch herenigde militaire nederlaag en nationale angst het land slechts kort, net als in Frankrijk. Wel zorgde het voor meer extremisme aan beide kanten: de nationalisten prezen militaire deugden en de agressieve gemoedstoestand van de elite troepen, en in de arbeidersklasse bleef het revolutionaire vuur smeulen en de revolutionaire beweging bleef aanhangers winnen.
Ondertussen wilden de Bolsjewisten vrede sluiten, en waren daartoe bereid iedere prijs te betalen, naar het bleek.
Het eerste wat ze deden was een decreet uitvaardigen waarin ze voorstelden dat alle oorlogvoerende landen direct zouden beginnen met onderhandelingen die zouden leiden tot een rechtvaardige democratische vrede. Hierbij werden ook geheime verdragen gepubliceerd, wat voor een gênante situatie zorgde, en voor een vraag van de Geallieerden naar een volledige uitspraak van oorlogsdoelen.
Amerika
President Wilson van Amerika had het gevoel dat hij zijn positie duidelijk moest maken: hij had de Amerikanen vanaf het begin van Amerika's deelname aan de oorlog voorgehouden dat men voor een groter doel vocht dan alleen voor de egoïstische doelen van de Europese landen. Amerika was een macht die banden had met Engeland en Frankrijk, maar geen bondgenoot, en wilde niets te maken hebben met de eerdere afspraken van de Geallieerden. Daarom bracht hij in januari 1918 de Veertien Punten naar voren, punten die hij beschouwde als een basis voor toekomstige vrede.
Veertien punten-programma
Dit programma was een mengsel van algemene principes (open diplomatie, vrijheid van de zeeën en handel, ontwapening, aanpassing van de koloniale claims) en specifieke aanbevelingen (België moest bevrijd worden, Elzas-Lotharingen terug naar Frankrijk) en ze werden later heel belangrijk, toen ze de basis werden van de discussie voor de daadwerkelijke vredesvoorwaarden die Duitsland opgelegd moesten worden. Begin 1918 vertegenwoordigden ze echter een concessie aan de idealen van de liberalen overal en een daadwerkelijk antwoord op de vraag naar vrede zonder annexaties.
Einde van de oorlog in het Oosten
In Rusland werd duidelijk hoe gecompliceerd de situatie was en hoe moeilijk het zou worden om Europa te ontwikkelen volgens de punten van Wilson: De Sovjet-regering had de vraag naar algehele vrede opgevolgd met een ondertekening van een wapenstilstand met Duitsland, en met onderhandelingen voor vrede in het Duitse hoofdkwartier in Brest-Litovsk. Hoewel de Russische delegatie onder leiding van Trotsky de onderhandelingen zo lang mogelijk rekten in de hoop op een revolutie in Oostenrijk en Duitsland, ondertekenden ze uiteindelijk een vredesverdrag met extreem harde voorwaarden. De Sociaal Revolutionairen en sommige Bolsjewieken klaagden over de mate van opoffering van Russisch grondgebied.
Einde van de oorlog in het Westen
De terugtrekking van Rusland uit de oorlog was voor de Geallieerden niet onverwacht, maar de harde eisen in het verdrag en de mate van Duitse annexaties, wat ook weer naar voren kwam in het vredesverdrag met de Roemenen, zorgde ervoor dat men zich wilde blijven verzetten en doorvechten, uit angst voor dergelijke voorwaarden in het westerse vredesverdrag.
Vanaf november 1917 had Ludendorff troepen vanuit Rusland naar Frankrijk laten vertrekken, en was een groot offensief van plan in de lente van 1918. Hij wist dat de oorlog gewonnen moest worden voor de Amerikaanse legermacht tot volle sterkte was gebracht. De Duitse voedselvoorraad was minimaal dankzij de Britse blokkade, en de mensen werden ontevreden. Daarom begon in maart 1918 een goed voorbereidde en overdonderende Duitse aanval tegen de Britse sector aan het front. Onder de Geallieerden was er een groot verschil in mening over welke strategie men zou volgen, maar toch wisten de Geallieerden de aanval te overleven. In die aanval moest men meer toegeven op de Duitsers dan in welke andere aanval sinds 1914.
Ludendorff besefte echter dat hij geen mannen meer had om de definitieve klap toe te brengen waar hij eigenlijk op gerekend had. Op 18 juli lanceerden de Geallieerden een tegenaanval en overvielen daarmee de Duitsers, met tanks die ze effectief gebruikten. Daarop begonnen de Duitsers zich terug te trekken.
Oorzaken van de Duitse terugtrekking:
Ludendorff had geen mannen meer
de Amerikanen waren nu succesvol de oorlog aan het voeren en zo zouden de Geallieerden op nieuwe voorraden mannen kunnen rekenen.
De Duitse bondgenoten waren er nog beroerder aan toe: In Salonika wachtte al sinds 1915 een leger van Geallieerden dat nooit genoeg mannen en munitie had, omdat de prioriteit naar het Westfront ging, maar nu ook bijdroeg aan de overwinning.
Ludendorff besliste op 28 september dat als er een Duits leger moest overblijven voor de revolutiedreiging in Duitsland, er een directe wapenstilstand moest komen. Er moest ook een nieuwe regering komen om de verantwoordelijkheid te nemen voor deze vernederende stap. De nieuwe regering kwam onder leiding van de liberale politicus prins Max van Baden. De Duitse revolutie was begonnen en op 3 oktober vroeg Duitsland om een wapenstilstand. Hiermee begon het maken van een vredesverdrag, dat op 11 november werd gesloten. Gedurende deze weken vonden de eerste stappen van de Duitse Revolutie plaats, de Habsburgse monarchie stortte ineen en de toekomstige territoriale inrichting van oost en zuid-oost Europa werden grotendeels bepaald.
Joll, 12. Fascism, Communism and Democracy, 1929-37. blz 324-361
13. Hitler's war. 362-392
Hobsbawm, 13 Into Economic Abyss.
85-108
Eind oktober 1929 vond er een beurskrach op Wallstreet plaats. Deze had grote gevolgen in de hele wereld.
De beurskrach zorgde voor een eind aan de groei in de VS.
De gevolgen waren snel te merken in europa. De prijzen van voedsel en ruwe materialen daalden en de vraag naar industriële producten ook. Boeren zaten zonder afzetmarkt en arbeiders werden werkloos. Er was een tekort aan geld in de VS en veel investeerders trokken hun kortlopende leningen in. Dit had onder andere voor Duitsland grote gevolgen. De wederopbouw werd daar voor het grootste gedeelte betaald met uit het buitenland geleend geld. Toen de leningen stopgezet werden moesten de openbare werken worden stilgelegd. Hierdoor kwamen veel mensen zonder werk te zitten.
De daling van de prijzen van landbouwproducten en de toenemende werkloosheid in '30 zorgde voor gebrek aan vertrouwen in het hele economische systeem. In '31 was er een monetaire crisis. Credit Anstalt een belangrijke Oostenrijkse bank ging failliet en ook Darmstadter und National Bank uit Duitsland.
In September '31 verliet GB de goudstandaard en devalueerde de pond. Een aantal landen volgden dit voorbeeld. Veel mensen waren bang voor inflatie. Zij hadden net hun leven na Wo1 weer opgepakt. Elk alternatief was beter dan inflatie. Hierdoor werden extreme partijen in Duitsland die radicale economische oplossingen beloofden, geholpen aan stemmen.
In Frankrijk maakte dit de devaluatie van de frank onmogelijk, terwijl dit misschien voor de concurrentiepositie beter was geweest, omdat andere landen hun munt wel hadden gedevalueerd.
Nu werkloosheid steeg en het vertrouwen in de munten en financiële instituten daalde, was de orthodoxe reactie van de overheden om de munt te devalueren, het vertrouwen te herstellen door te bezuinigen, de lonen van werknemers bij de overheid te verlagen en overbodige werknemers te ontslaan. Deze reactie zorgde echter voor een toename van het aantal werklozen en een vermindering van de koopkracht. Langzamerhand werd een ander beleid ontwikkeld. The New Deal in de VS was het voorbeeld. Een oplossing voor de recessie zou het creëren van werk zijn door publieke werken te laten uitvoeren, door uitgaven van de overheid de koopkracht en de vraag naar consumptieartikelen te herstellen. Maar er werden ook nieuwe economische theorieën ontwikkeld.
Een ervan was van de britse econoom John Maynard Keynes. Een van de fouten van de economie was dat er nooit volledige werkgelegenheid was en de ongelijke verdeling van de welvaart. Werkloosheid kon door overheidsingrijpen worden opgelost en was niet onoplosbaar zoals daarvoor altijd gedacht werd. Keynes wilde het kapitalistische systeem zo aanpassen dat de slechte kanten verdwenen.
Nu de kapitalistische wereld in een crisis was, was de houding van de communisten belangrijk. Stalin maakte een eind aan discussie binnen het partijkader. Trotski was verbannen en Stalin had onenigheid met Bukharin. Stalin werd een dictator. De communisten zagen dat het hele kapitalistische systeem ineen ging storten. In dat kader zagen zij ook het fascisme. Dit was een wanhopige poging de revolutie te stoppen en een teken van de verdeeldheid onder de kapitalisten. Het zou een voorbijgaande fase zijn, die de komende revolutie zou voorbereiden. Niet de fascisten, maar de hervormers van de sociaal democraten, die het leven van het kapitalisme zouden verlengen waren de tegenstanders. De sociaal democraten werden sociaal fascisten genoemd.
Het officiële beleid van de fascisten was het vernietigen van de communisten. Maar beiden verzetten ze zich tegen het bestaande systeem.
De crisis zorgde voor politieke problemen voor overheden. Frankrijk had het minst last van de crisis, Duitsland het meest. Frankrijk had een grote goudvoorraad, pas vanaf '34 kreeg Frankrijk last van de crisis. Toen was de rest van europa al weer op weg naar herstel. Frankrijk was ook minder afhankelijk van buitenlandse valuta en handel dan GB en Duitsland. Door deze sterke positie kon Frankrijk een akkoord tussen Oostenrijk en Duitsland tegenhouden in Maart '31, dat de economie van beide landen moest redden. Frankrijk wilde ook niet lenen aan Duitsland, tenzij Duitsland stopte met het bouwen van kleine nieuwe oorlogsschepen. In '32 namen ze een hard standpunt in over de ontwapening en wilde geen concessies aan Duitsland doen over haar positie. Maar president Hoover stelde in '31 voor de herstel- en schuldbetalingen (tussen de geallieerden) een jaar uit te stellen. Een jaar later bleek dat de betalingen niet gedaan konden worden en werden ze geschrapt. Dit gebeurde op de conferentie van Lausanne.
In Duitsland en GB waren socialisten aan de macht. Hun regering was voor een deel afhankelijk van de massale steun van de vakbonden. Maar de regeringen stonden onder druk om de uitgaven te beperken. Om dit te bereiken moesten de uitkeringen verlagen en zo min mogelijk mensen een uitkering geven. Hierdoor konden ze de steun van de vakbonden verliezen en hun partij kon verdeeld raken. In GB werd hierdoor de Labour partij verdeeld en in Duitsland viel hierdoor het kabinet van Hermann Muller. Hierdoor kregen de nationaal socialisten met Hitler een triumph. Deze gebeurtenis had meer effect op de geschiedenis dan enige andere gebeurtenis, behalve de Russische revolutie.
In heel europa waren de reacties op de crisis vergelijkbaar. De handelsbarrières werden verhoogd. Nationale gevoelens werden versterkt. Tegenstellingen tussen de klassen vergroot.
In Duitsland hadden 2 partijen profijt van de situatie: de communisten en de Nationaal Socialisten. De zwakheid van de Weimarrepubliek werd hiermee aangetoond.
Heinrich Bruning wilde artikel 48 in werking stellen. Dit stond regeren zonder parlementaire toestemming toe, in geval van nood. Hiervoor kreeg hij toestemming van president Hindenburg, die 82 jaar oud was. Nadat het parlement in Juli '30 weigerde om zijn voorstellen op het gebied van verhoogde inkomensbelasting, het verlagen van de lonen van officieren en belasting van vrijgezellen aan te nemen, stuurde hij de Reichstag naar huis. In de daaropvolgende verkiezingen behaalden de Nazi's succes ten koste van andere rechtse partijen.
Men wilde in Duitsland een sterke leiding. Men was bang, bang voor werkloosheid, bang voor gebrek aan handhaving van orde en wet, bang dat de toekomst weinig te bieden zou hebben. Hitler kreeg succes doordat hij de angsten van de bevolking uitspeelde. In de jaren dertig waren de kansen voor een demagoog die een sterke leiding beloofde groot, maar Hitler liet de bevolking geloven dat hij wilde wat zij wilde. Hitlers overwinning was niet onvermijdelijk. Nadat de Putsch in Munchen in '23 was mislukt, schreef hij in de gevangenis Mein Kampf. Hierin staan zijn overtuigingen, het meeste van zijn politieke programma en het laat veel van zijn karakter zien. Hitlers ideeën zijn gebaseerd op sociaal darwinisme, een overlevingsstrijd, met als criterium raszuiverheid. Als hij aan de macht was zou zijn beleid zijn: het totaal controleren van het onderwijs, sterilisatie van de ongeschikten en de vakbonden niet meer laten onderhandelen over betere arbeidsomstandigheden voor arbeiders. Zijn beleid voor de buitenlandse politiek zou zijn: omkering van het verdrag van Versailles, herbewapening en Lebensraum (levensruimte, het land en de aarde die het Duitse volk toekomt.) Ook het oplossen van de Joodse kwestie en het elimineren van Joden uit het Duitse leven. Hoe dat zou moeten gebeuren, daar had hij op dat moment nog geen plan voor. De toon van het boek is hysterische, bombastisch en er spreekt paranoïde haat en angst voor Joden uit.
In december '24 toen Hitler uit de gevangenis kwam besefte hij dat hij een brede politieke basis nodig had om aan de macht te komen. Hij moest een partijorganisatie gaan opbouwen en de nationaal socialisten die brede basis geven. In 1928 was de partij een deel van de nationale politiek. Goebbels en Goering zaten in de Reichstag. Hitler niet, hij had nog steeds de Oostenrijkse nationaliteit.
Hitler wilde de totale controle over de partij houden, het Fuhrerprinzip. Dit zag hij als onmisbaar voor een politieke organisatie.
Toen de depressie toesloeg begon de inspanning van Hitler resultaat te boeken. Hij kreeg massale steun. Het programma van de Nazi's kon iedereen iets bieden door de nadruk te verleggen naar gelang de toehoorders verschilden en iets anders wilden horen. Het deel dat hen aansprak hoorden ze en de rest negeerden ze, of verworpen ze. Ze dachten dat het geweld en de aanvallen op Joden kwam doordat het een jonge partij was of dat ze Hitler wel konden controleren door op hem te stemmen. In de lente van '32 waren er presidentsverkiezingen. Hindenburg werd herkozen, maar Hitler behaalde 37 % van de stemmen. In mei trad Brunning af wegens gebrek aan steun in de regering en gebrek aan populariteit bij het volk. Generaal von Schleicher wilde een deal sluiten met de nazi's. Hij wilde het parlement afschaffen en een autoritaire staat onder legerleiding vormen, met steun van de Nazi's. Onder van Papen werd er een baronnen kabinet gevormd. Hitler zei steun toe in ruil voor opheffing van het verbod op de SA (sturmabteilung) en nieuwe verkiezingen. De SA was weer actief een maand voor de verkiezingen en zorgde voor terreur en wanorde. De Nazi's werden de grootste partij, met 37,4 % van de stemmen. Het parlement had de controle verloren, Hindenburg weigerde echter nog steeds Hitler Reichskanselier te maken. De Nazi's, samen met de communisten, hadden meer dan 50% van de zetels. Ze konden dus elk besluit tegen houden. Als Hitler in de regering kwam wilde hij de functie van Reichskanselier. Hitler vormde een coalitie met Papen van de rechtse nationalisten. Aan het hoofd van deze coalitie en als leider van de grootste partij werd hij op 30 januari tot Reichskanselier benoemd.
In de nacht van 27 februari brandde de Reichstag af. De Nazi's gaven de communisten de schuld. Een week voor de verkiezingen was er nu een sfeer van hysterie. De noodwet maakte het de oppositie moeilijk en de Nazi's propagandeerden zichzelf als de redders, die de mensen tegen het rode gevaar zouden beschermen. Door deze gebeurtenis nam het aantal stemmen voor de nazi's sterk toe en het aantal stemmen voor de communisten sterk af. Met 441 stemmen voor en 94 stemmen tegen werd de wet die de regering volledige macht gaf aangenomen, alleen de sociaal democraten stemden tegen. In de jaren die volgden werd de regering van Hitler een dictatoriale regering. Onderwijs, de kerken, de cultuur, alles werd onder controle gebracht; Gleichschaltung. Bijna alle aspecten van het Duitse leven werden gecontroleerd. De nacht van 30 juni werden Rohm en duizenden leden van de SA vermoord. Hierdoor was het leger de enige organisatie die wapens mocht dragen en werd de macht van de SA beperkt. In deze nacht werden vele tegenstanders van Hitler een kopje kleiner gemaakt. Op 1 augustus stierf Hindenburg en werd Hitler ook staatshoofd. Na de afschaffing van de politieke partijen en de afschaffing van de vakbonden was het leger een van de mogelijke bron van oppositie. De loyaliteit hiervan werd verzekerd door het onderdrukken van de SA en het begin met herbewapenen. De kerken waren een andere mogelijke oppositiemogelijkheid, maar alleen de leden afzonderlijk boden tegenstand en niet de kerken als geheel. De kerken waren erg conservatief en voor een sterk bestuur. In september '33 tekende Hitler een accoord met het Vaticaan. De kerk zou haar politieke, sociale en professionele organisaties opheffen en in ruil daarvoor haar scholen mogen blijven behouden en haar pastorale letters mogen blijven publiceren. De kerk wilde deze privileges behouden en besefte dat kritiek ervoor kon zorgen dat deze ingetrokken werden en alle activiteiten van de kerk verboden zouden worden.
De nazi's bleven populair, niet alleen doordat ze de radiozenders en de kranten in handen hadden, maar ook omdat het erop leek dat ze hun beloftes waarmaakten. De werkloosheid was sterk afgenomen door publieke werken en herbewapening en door herstel van de industrie. De Duitse economie werd van die van de rest van de wereld geïsoleerd. Export van Duits geld en en het gebruik van buitenlandse valuta werd sterk gecontroleerd. Synthetische middelen werden ontwikkeld om grondstoffen die anders gekocht moesten worden in het buitenland te vervangen. De economie werd zelfvoorzienend gemaakt om hem onafhankelijk te maken van die van de rest van de wereld en het land voor te bereiden op oorlog. Maar niet alle beloften werden gehouden. Er gingen meer vrouwen werken en kleine bedrijfjes hadden veel concurrentie van grote bedrijven. Maar door de propaganda en het economisch herstel wilden velen dit wel door de vingers zien. Een onderdeel van zijn programma werd echter fanatiek uitgevoerd, “het oplossen van het Joodse probleem”. Joodse winkels en bedrijfjes werden geboycot. Joden mochten niet meer studeren. Joodse dokters, advocaten, leraren, acteurs en muzikanten werden uit hun beroep gestoten. In '35 werden de Nurembergse wetten ingesteld. Deze verboden huwelijken tussen Joden en niet Joden op straffe van gevangenisstraf en later de dood. Vele Joden vluchtten, maar het werd ze moeilijk gemaakt om geld en bezittingen mee te nemen. Hierdoor kwamen velen berooid aan in de rest van de wereld. De rest van de wereld zag het niet zitten om deze stroom vluchtelingen op te vangen in een tijd van werkloosheid en onzekerheid.
De Nazi's controleerden het hele Duitse leven door de Gestapo (de geheime politie). Ook hadden zij het onderwijs volledig in handen en beïnvloedden de jeugd via de Hitlerjugend. Op 10 mei '33 werden de verboden boeken op een groot vuur verbrand. Veel boeken werden verboden en veel andere kunst ook. Deze werd vervangen door het naturalisme.
De hele staat was opgebouwd rond het fuhrerprinzip. Hitler had in alle gevallen het laatste woord. Veel functies overlapten elkaar en dit zorgde voor veel concurrentie, iedereen wilde zo hoog mogelijk in de hiërarchie komen om zoveel mogelijk macht te hebben. Dit zorgde voor veel inefficiëntie.
Achter alles zat de angst voor het concentratiekamp, waar tegenstanders naartoe gestuurd werden. Dit maakte oppositie heel erg moeilijk. Facisme en nationaal socialisme hadden de overeenkomst dat ze beiden een negatieve ideologie hadden. Ze waren tegen de roden, tegen buitenlanders, tegen intellectuelen en tegen Joden (in Italie was dit pas laat, onder druk van en als reactie op het antisemitisme in Duitsland.) Bij beide was de persoonlijkheid van de leider heel belangrijk, en was zijn wil wet. In '36 sloten de leiders een pact, het pakt van staal, als aanvulling op het bondgenootschap van de as Berlijn- Rome. In veel landen werd Mussolini vanaf de jaren '20 nagevolgd. Maar veel van deze partijen kwamen pas aan de macht na de bezetting door Duitsland.
In Spanje kwam een militaire dictator aan de macht; Miguel Primo de Rivera. In '30 werd hij verdreven en moest ook de koning het land verlaten en werd de republiek uitgeroepen. Jose Antonio zijn zoon richtte de Falange op, een facistische beweging. Deze werd later opgenomen in de beweging van generaal Franco. In Frankrijk werd de regering van Daladier vervangen door een rechtse centrum regering. Op 6 februari braken er rellen uit. Als gevolg hiervan werd links populairder en kwamen de socialisten en communisten nader tot elkaar. Stalin was namelijk overtuigd dat de Nazi's voorlopig nog aan de macht zouden blijven en wilde de socialisten, communisten en liberalen verenigen om het verspreiden van het fascisme te voorkomen. De internationale communistische beweging lanceerde dit idee onder de naam van populair front. Door sit-in stakingen werden de lonen van de arbeiders mei '36 in Frankrijk verhoogd en het recht op cao-onderhandelingen verkregen. Maar in begin '37 werden deze hervormingen stopgezet en moest Blum de leider van deze coalitie aftreden. De populair-frontregering in de problemen met haar buitenlandse politiek door de uitbraak van een burgeroorlog in Spanje in Juli `36. Door een militaire opstand onder generaal Franco was daar een burgeroorlog uitgebroken. Blum moest een non-inteventie verdrag tekenen vanwege druk vanuit zijn regering en druk van GB, terwijl hij eigenlijk het populair front in Spanje had willen steunen. Hij moest dit verdrag tekenen om een regeringscrisis te voorkomen. De Spaanse regering dacht dat zij Franco wel kon verslaan als hij geen hulp van buitenaf zou krijgen. Maar hij kreeg echter wel hulp van Duitsland en Italie. Rusland steunde de republikeinen. In Spanje kwam het tot de eerste confrontatie tussen de fascisten en de communisten, het werd wereldwijd geloofd dat dit de eerste ronde was van dit gevecht. In november tekenden de Duitsers een verdrag met Japan tegen de communisten. In september traden de Russen toe tot de volkerenbond. Hun afgevaardigde pleitte daar voor een politiek van collectieve veiligheid om de verbreiding van het fascisme tegen te gaan. Frankrijk en GB werden geleid door mannen die wo1 hadden meegemaakt. Zij wilden een oorlog graag voorkomen en wilden daardoor liever geen beleid aannemen dat hiertoe zou kunnen leiden. Zij waren voor ontwapening en ondanks het feit dat ze het fascisme wilden stoppen, waren ze aarzelend met plannen voor herbewapening.
De communisten leken het best in staat weerstand te bieden tegen de fascisten en velen werden lid van een communistische partij. In '36 en '37 was Stalin bezig met een meedogenloze `zuivering' van zijn partij en het vormen van een terreurstaat. Hij liet 8 miljoen mensen naar concentratiekampen deporteren en liet 1 miljoen mensen ter dood veroordelen. De moord op Kirov in '34, leider van het politburo en het hoofd van de partij in Leningrad was een gelegenheid om potentiële oppositie te verwijderen. In deze `zuivering' werd het halve officierscorps, met daarbij 90 % van de generaals weggewerkt werd. Deze gebeurtenissen zorgden voor een versterkt wantrouwen van rechts tegenover de communisten en vraagtekens bij het nut van de hulp van de sovjetunie tegen Duitsland.
In '31 viel Japan de Chinese provincie Mansoerije binnen. Japan nam de westerse techniek over en moest door het westen geaccepteerd worden als een gelijke. De overwinning van Japan op Rusland in 1905 had grote gevolgen, het was de eerste keer dat een Aziatisch land een westers land had verslagen en dit was in Azië niet vergeten. Japan was toegetreden tot de volkerenbond. De schok van deze invasie was groot. China deed een oproep aan de volkerenbond, maar zij faalde en deed niets. Dit was de eerste serieuze uitdaging voor de bond en het zorgde voor een periode van desillusie. Daaraan droeg de invasie in Ethiopië door Italië bij. De rest van de Europese landen had geen belangen in Ethiopië, maar Ethiopië was lid van de volkerenbond. En Mussolini wilde meer dan het verkrijgen van economische rechten of invloed, hij wilde een militaire overwinning. En de keizer van Ethiopië deed een oproep aan de volkerenbond en bracht deze zo in verlegenheid.
Ondertussen was het duidelijk dat Hitler het verdrag van Versailles verwierp en in oktober '33 was Duitsland al uit de volkerenbond gestapt. In April '35 hadden Italië, GB en Frankrijk verklaard tegen het eenzijdig verwerpen van verdragen te zijn die de vrede in gevaar konden brengen. Maar Frankrijk vond de overeenkomst tussen Duitsland en GB verdacht waarin afgesproken werd dat Duitsland niet meer dan een bepaald aantal schepen zou bouwen. Maar dat aantal wilde Hitler toch al bouwen. Scheepvaart had niet zo'n hoge prioriteit, maar het stelde de Engelsen die bang waren voor meer concurrentie op zee gerust. Door de voorvallen in Ethiopië en Manchoerije verloor men het vertrouwen in de volkerenbond. Hierdoor kon de volkerenbond zijn functies; het afschrikken van agressie en garantie van bestaande grenzen niet goed meer uitoefenen. Hierna verwierpen de Duitsers het systeem van Locarno, ze trokken de gedemilitariseerde zone van de westoever van de Rijn binnen. Frankrijk deed niets. Tegen Italië werden economische sancties ingesteld. Er werd een handelsembargo ingesteld, maar olie, het belangrijkste handelsartikel viel daar niet onder.
Hitler sprak over vrede in de buitenlandse politiek, hij tekende een non-agressiepact met Polen en januari '34 en na elke breuk met Versailles en Locarno deed hij een aanbod voor een algemenere en vagere internationale regeling. De Fransen en Engelsen grepen ondanks bezorgdheid niet in. Ze waren van plan te wachten tot Hitler zich zou uitputten bij aanvallen op de Magotlinie. In Frankrijk was het moeilijk voor de regering een mobilisatie zonder directe aanval op Franse grond voor te stellen zonder veel populariteit te verliezen. België nam zijn toevlucht tot een beleid van strikte neutraliteit. Hierdoor kon de verdediging van de Belgisch-Franse grens niet besproken worden. De productie van Franse vliegtuigen ging niet zo snel als gehoopt. Dit kwam doordat de industrie kleinschalig en niet gestandaardiseerd was. Hierdoor verliep de herbewapening van Frankrijk slecht.
De Britse premier Chamberlain wilde weten wat Hitler van plan was en stuurde lord Halifax om te onderhandelen en te onderzoeken of sommige eisen van Hitler wellicht ingewilligd konden worden. Dit beleid werd appeasment genoemd.
Hitler had altijd geloofd dat oorlog misschien nodig was om zijn doelen te bereiken. Hij wilde echter deze wel op een gunstig moment laten uitbreken. Hij kwam tot de conclusie dat er te weinig grondstoffen waren voor een lange oorlog en wilde een korte oorlog, Blitzkrieg genaamd. Een korte campagne met snelle overwinning in een paar weken. Hiervoor zou totale mobilisatie niet nodig zijn. In maart '38 vond de Anschluss plaats, de annexatie van Oostenrijk, een van zijn eerste doelstellingen. Hierna vond de Geleichschaltung van Oostenrijk plaats en werd zij een provincie van Duitsland. De Britten protesteerden maar deden niets. Zij waren ervan overtuigd dat Japan een grotere dreiging was en dat zij niet met beide landen tegelijk in oorlog zouden kunnen zijn. Vervolgens bezetten de Duitsers Tjechoslowakije. Frankrijk had een verdrag met dit land, maar had geen plannen gemaakt om het te hulp te komen. Het leek even of ze ondanks dit probleem toch te hulp zouden schieten en er oorlog zou uitbreken. Maar de meeste mensen vonden een ruzie in een onbekend en vergelegen land geen reden tot oorlog, het kon ook vreedzaam opgelost worden. De conferentie van Munchen vond plaats op 29 september met als deelnemers Hitler, Mussolini, Chamberlain en Daladier. De nieuwe grenzen van Tsjecho-Slowakije werden erkend en het land zou in etappes worden ingenomen. Chamberlain tekende met Hitler een overeenkomst waarin stond dat GB en Duitsland van plan waren nooit meer oorlog te voeren met elkaar. De russen en de Tsjechen waren niet blij met deze situatie. Rusland had ook een verdrag met Tsjecho-Slowakije, maar dat werd pas van kracht als Frankrijk als hulp bood aan Tsjechië. Op 15 maart '39 bezette Hitler Praag. Slowakije werd een aparte staat. Hitler toonde hiermee definitief aan dat hij zich aan geen enkel verdrag hield. Het werd nu duidelijk dat Polen het volgende slachtoffer zou worden.
Op 22 mei '39 tekende Mussolini een alliantieverdrag met Hitler.
In GB werd nu gevraagd om een eind aan de appeasement-politiek. Op 31 mei verklaarde Chamberlain dat GB militaire bescherming aan Polen zou bieden. Binnen 2 weken werd die ook aan Griekenland en Roemenië toegezegd. Frankrijk en GB wilden een verdrag met Rusland om samen tegen Duitsland te strijden, maar Stalin wilde een oorlog voorkomen en besloot een verdrag met Duitsland te sluiten. Op 23 augustus werd een non-agressiepact tussen de landen gesloten, met een geheime clausule waarin de invloedssfeer in Oost-Europa onderling verdeeld werd. Op 1 September viel Duitsland Polen binnen. Op 3 September werd Duitsland door GB en Frankrijk de oorlog verklaard. Op 17 september vielen Russische troepen Polen binnen. In november '39 vielen de Russen zonder oorlogsverklaring Finland binnen. De geallieerden wilden Finland te hulp komen, maar het Finse verzet brak en er werd een wapenstilstand getekend voor ze te hulp konden komen. Op 9 april werd Denemarken door Duitsland bezet en vond er een invasie plaats in Noorwegen. Hierna begon het offensief op het westen en moesten de geallieerden Noorwegen verlaten om hier weerstand tegen te bieden. De manier van aanvallen was nieuw, er werden troepen geparachuteerd achter de verdedigingslinies en de aanval kwam ook vanuit een onverwachte richting, vanuit de Ardennen. De Duitsers hadden ook betere vliegtuigen. Op 16 mei was de bezetting van Nederland voltooid en op 28 mei gaven de Belgen zich over. Op 22 juni '40 tekenden de Fransen een wapenstilstand. Fr. Zou voor de helft bezet worden en bijna het gehele leger moest ontwapend en gedemilitariseerd worden. GB was bezorgd over het in Duitse handen vallen van de Franse vloot en nam de schepen in Britse havens in beslag en het grootste gedeelte van de vloot die in Mers-el-Kebir, Algerije lag werd tot zinken gebracht of beschadigd. Hierbij kwamen 1300 Fransen om het leven. Na de overgave van Frankrijk verwachtte Hitler ook dat de Britten met hem zouden gaan onderhandelen. Maar de Britten waren vastbesloten te blijven vechten. Hitler besloot toen de Britten met luchtaanvallen te verslaan; de Battle of Britain. Hij had namelijk superioriteit in de lucht nodig om een invasie te kunnen uitvoeren met Duitse schepen. Het luchtoffensief mislukte en Hitler besloot de aanval op te geven.
Tussen Rusland en Duitsland groeide het wantrouwen en op 5 december '40 gaf Hitler orders de aanval op Rusland voor te bereiden.Op 22 juni '42 vielen de Duitsers Rusland binnen. Ondanks grote verliezen in manschappen en territorium bleef het rode leger verzet bieden. Het Russische klimaat droeg bij aan het verlengen van de oorlog. Hier werd geen snelle, makkelijke overwinning door Duitsland behaald. Eind '41 was duidelijk dat in plaats van de geplande kleine snelle oorlogen Duitsland verwikkeld was in een wereldoorlog.
De VS waren nog steeds niet betrokken bij de oorlog, maar door de aanval van Japan op Pearl Harbour op 7 december kwam hier verandering in. Duitsland had met Japan een verdrag, het Tripartite Pact. Als Japan aangevallen zou worden zou Hitler Japan steunen. Maar nu verklaarde Hitler de VS de oorlog, ondanks het feit dat Japan de aanval begonnen was.
De wereld van de 2e helft van de 20e eeuw is onbegrijpelijk als de impact van de depressie tussen de oorlogen niet begrepen wordt. De wereldeconomie werd steeds internationaler. Er vond internationale arbeidsverdeling plaats. De hele wereld was verbonden met dit wereldwijde systeem. Maar tussen de oorlogen verliep de integratie langzamer. De vakbonden hadden meer macht gekregen en hierdoor waren de lonen gestegen en de werkuren van de werknemers afgenomen. Dit leidde tot een stijging van de productiekosten. Na de oorlog bleek het lastig te zijn weer naar de oude economische situatie terug te keren. De inflatie was heel hoog en dit zorgde ervoor dat spaargeldtegoeden verdwenen. Door overproductie van de landbouw daalden de prijzen van landbouwgoederen sterk over de hele wereld. De groei in de jaren '20 werd veroorzaakt door het rondpompen van kapitaal door de wereld, met name in Duitsland dat veel leende op korte termijnleningen. Duitsland leende ongeveer de helft van al het uitgeleende kapitaal in de wereld en dit maakte het land kwetsbaar. Massale werkloosheid, dat was de realiteit in de meeste landen geïndustrialiseerde landen van de wereld. Dit had invloed op het beleid van de regeringen in die landen.
Er waren weinig voorzieningen voor werkloosheid, en zeker voor langdurige werkloosheid. John Maynard Keynes (1883-1946) wilde deze massale werkloosheid uitbannen en hierdoor de economie stimuleren en sociale onrust voorkomen. Hij was ervan overtuigd dat de uitgaven van volledig werkenden de vraag en dus de economie zouden stimuleren.
Als gevolg van de economische crisis werd het moderne sociale welvaartsstelsel opgebouwd. De de sovjetunie leek immuun te zijn voor de crisis.
Er zijn een paar oorzaken voor de economische crisis aangewezen. De herstelbetalingen van Duitsland, die het land zwak hielden zodat het niet kon bijdragen aan de economische stabiliteit in europa en het land dwongen tot grote leningen bij Amerika. Hierdoor was de Europese economie sterk afhankelijk van die van de VS. Toen de VS zijn leningen introk na de ineenstorting van de beurs op Wallstreet, gaf dit daardoor grote problemen in Europa. Er was een grote onbalans in Europa doordat de munten van de Europese landen afhankelijk waren, maar de Amerikanen geen speciaal belang hadden bij een stabiele koers van de Dollar. Daarbij kwam nog het probleem van een te kleine vraag voor de geproduceerde goederen. De productiesystemen verbeterden sterk en hiermee groeide de productie, maar de vraag groeide niet mee. Het gevolg was overproductie en overspeculatie.
In de kolonien werd de recessie ook sterk gevoeld door het dalen van de grondstofprijzen. De moederlanden beschermden hun eigen economie en dit ging ten koste van die van hun kolonies. Dit zorgde voor sociale onrust in Brits West Afrika en de Caraiben.
De keuze tussen 3 levensfilosofieën was nu haast onvermijdelijk. Marxistisch communisme,kapitalisme zonder de overtuiging dat een vrije markteconomie het beste was, dat gematigd sociaal-democratisch was of fascisme waren de opties.
Terwijl fascisme in de wereld rondwaarde werd het duidelijk dat vrede, stabiliteit en economie, maar ook politieke organisaties en intellectuele waarden op de terugweg of op ineenstorten stonden.
-->
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen.
Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten.
Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.