ff n studiebreak

Bij klassieke muziek moet je niet aan je grijze oma denken, maar aan YouTube. 5 tips van Lucas en Arthur Jussen.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

komt van het jantinbergen in roosendaal (2 vmbo/havo)

Datum ingestuurd:

14 maart 2003

Taal:

Woorden:

950

Bekeken:

4268 keer (4 deze maand)

Waardering:

2.4/5 (30 stemmen)

Deel op:

  • Door Rik op 10-05-2005
    thanks man!
Opdr. 3

1. Alles wat je eet of drinkt.
2. De bruikbare bestandsdelen van een voedingsmiddel.
3. Koolhydraten
Eiwitten
Water
Mineralen
Vitamines
4. Brandstof
Bouwstof
Reserve stof
Beschermde stof
5. Daar groeien ze van.
6. Van vetten.
7. Om je botten te verstevigen.
8. 45%.
9. Dan sta je steviger.

Opdr. 4

Eiwitten Bouwstoffen en Brandstoffen
Koolhydraten Brandstoffen, Bouwstoffen en Reserve stoffen
Vetten Brandstoffen, Bouwstoffen en Reserve stoffen
Water Bouwstoffen
Mineralen Bouwstoffen en Beschermende stoffen
Vitaminen Bouwstoffen en Beschermende stoffen

Opdr. 8

1. Joules.
2. Geslacht, Lichaamsgrootte, Leeftijd en Lichamelijke inspanning.
3. De groeispurt duurt bij jongens langer.
4. 1920.
5. 92.
6. 1000+800+2000=3800

Opdr. 13

1. Europa, Australië, Noord-Amerika.
2. Afrika.
3. Zuid-Amerika, Azië.
4. India, Laos.
5. Nee het is een gemiddelde.

Opdr. 14


1. 2500kj.
2. Rijst.
3. Een Indiër.
4. Nee.
5. Ja.
6. Opgezwollen buikjes.
7. 72 gram.
8. Overgewicht.

Opdr. 15

1. Feit.
2. Mening.
3. Feit.
4. Feit.

Opdr. 16

1. Het omzetten van voedingsstoffen in verteringsproducten die wel kunnen worden opgenomen in het bloed.
2. Glucose, Water, Mineralen, Vitamines.
3. Eiwitten, Koolhydraten (vooral zetmeel), Vetten.
4. Het maken van verteringssappen.
5. Speeksel en maagsap.
6. (Lever) Alvleesklier, speekselklieren, maagsapklieren, darmsapklieren.
7. Stoffen die scheikundige processen versnellen.
8. Ze zorgen ervoor dat het verteren sneller verloopt.

Opdr. 17

1. Het afwisselend samentrekken en ontspannen van de kring en lengte spieren in de wand van het gehele darmkanaal.
2. Verplaatsen en kneden van voedselbrei en mengen van de voedselbrei met de verteringssappen.
3. P= Kringspier Q= Lengtespier.
4. Het prikkelt de spieren in de wand van het darmkanaal.
5. Plantaardige producten bevatten juist veel voedingsvezels.

Opdr. 18

1. 3 vlakken geel en 3 vlakken blauw.
2. De 8 kleine blokjes hebben een groter oppervlak.
3. Door te kauwen krijg je een groter oppervlak.
4. Door het groter oppervlak kunnen verteringssappen beter inwerken.

Opdr. 20

1. Bescherming.
2. De tand/kies vasthouden in het kaakbeen.
3. Het afbijten van voedsel.
4. Het fijnmalen/kauwen van het voedsel.

Opdr. 21


1. Snijtanden: 8 Hoektanden: 4 Kiezen: 20.
2. Volledig gebit heeft in totaal 32 tanden/kiezen.
Een melkgebit bestaat uit 20 tanden/kiezen.
3. Snijtanden: 8 Hoektanden: 3 Kiezen: 18.
4. 212 212
212 212
5. Snijtanden: 6 Hoektanden: 0 Kiezen: 24.
6. 413 314
313 313

Opdr. 22

1. Anders duw je de etensresten onder je tandvlees.
2. Bacteriën, speeksel en etensresten.
3. De uitscheiding van bacteriën tasten je tanden aan.
4. Je beschadigd het glazuur.
5. Versterkt het glazuur.
6. Meer tandplak meer kans op gaatjes.
7. Plaatje 42.3.
8. Tandvlees raakt ontstoken.
9. Tand of kies uitvallen.
10.Dat wordt tandsteen.
11.Ja, nee.

Opdr. 23

Goed voor het gebit: Slecht voor het gebit:
Fluoride Chocolade
Goed kauwen Tandplak
Rauwe worteltjes Tandsteen
Radijs Toffee

Opdr. 26

Organen die Organen die Organen die
Geheel in geheel in de in de borstholte
de borstholte Buikholte en in de buikholte
liggen: liggen: liggen:

Hart Alvleesklier Slokdarm
Longen Dikke darm
Luchtpijp Dunne darm
Lever
Maag
Nieren

Opdr. 27


1. Het voedsel in stukjes verdelen en het oppervlak van het voedsel vergroten.
2. Water, slijm en een enzym.
3. Dat vergemakkelijkt het inslikken.
4. Het verteerd zetmeel.
5. Door de huig.
6. Door het strotklepje.
7. Nee.
8. Ja, door de peristaltische bewegingen.
9. Ja, als je moet overgeven.

Opdr. 28

1. Het maagportier laat steeds maar kleine hoeveelheden voedsel door naar je twaalfvingerige darm.
2. De kring en lengte spieren in de maagwand zich afwisselend samentrekken.
3. Zorgt voor dat bacterien die je met je voedsel hebt meegekregen worden gedood.
4. Teveel maagsap wat prikkelt in de slokdarm.
5. Eiwitten.

Opdr. 29

1. Lever en de alvleesklier.
2. Slaat gal tijdelijk op.
3. Het emulgeert vetten.
4. Grote vetdruppels worden verdeelt in kleine vetdruppeltjes.
5. Nee.
6. Eiwitten, koolhydraten en vetten.

Opdr. 30


1. Eiwitten, koolhydraten en vetten.
2. Verteringssappen.
3. Wordt voor het grootste deel in het bloed opgenomen.
4. Ze zijn heel dun dus heeft de dunne darm een groter oppervlak. Daardoor kan de opname van stoffen snel plaatsvinden.
5. Naar de cellen in je hele lichaam.

Opdr. 31

1. De blinde darm blijft zelf gewoon zitten maar het ontstoken aanhangsel wordt weggehaald. (appendix)
2. Worden ontrokken en opgenomen in het bloed in de bloedvaten in de wand van de dikke darm.
3. Door onverteerd voedselresten worden door verzameld en opgeslagen.
4. Sluit de endeldarm af.
5. Samen getrokken.
6. Dan is het meer water wat uit je anus komt.
7. Te sterk.
8. Kan te weinig vocht aan de voedselresten in de darmen worden onttrokken.

Opdr. 33

Speekselklieren Zetmeel Verhoogt de glijbaarheid
van het voedsel
Maagsapklieren Eiwitten Doodt bacterien in het
Voedsel.
De lever Geen Emulgeert vetten
Alvleesklier Eiwitten Emulgeert vetten
Darmsapklieren Koolhydraten

Opdr. 34

Inblikken
Steriliseren
Konfijten
Vacuüm verpakken
Zouten
Invriezen
Drogen
Zuur toevoegen
Pasteuriseren

Opdr. 35


1. Anders komen er bacteriën/schimmels op.
2. Dierlijke voedingsmiddelen.
3. Als er te veel salmonella bacteriën in je voedsel zitten.
4. Ja, nee.
5. De smaak en vitamines gaan verlopen.
6. Om ze steriel te maken.

Opdr. 38

1. Herbivoren: Plante eters.
Carnivoren: Vleeseters.
Omnivoren: Alleseters.
2. Omnivoren.
3. Celwanden van cellutose.
4. Vleeseters hebben een kort darmkanaal.
5. Koe: zijde links
Olifant: Van voor naar achter.
Ligt eraan hoe de ribbels lopen op de kiezen.
6. Hij kan makkelijker vlees afknippen.

Opdr. 39

1. Lang Kort Middellang
2. Plooikiezen Knipkiezen Knobbelkiezen
3. Ontbreken vaak Groot, spits, scherp Zijn altijd aanwezig

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het ons weten door een reactie te geven.