Wordt er op jouw school gepest? Moet pesten harder aangepakt worden? Doe mee aan 't onderzoek van EenVandaag en Scholieren.com! 

Kinderarbeid

Nederlands

Spreekbeurt

Kinderarbeid

6.4 / 10
1e klas vwo
  • Annet
  • NL
  • 1841 woorden
  • 11225 keer
    48 deze maand
  • 6 april 2004
Vorig jaar ben je vast weer verwend door sinterklaas en heb je een verlanglijstje voor de kerstman gemaakt. Maar in sommige landen is het voor kinderen nooit feest. Zo’n 250 miljoen kinderen moeten elke dag keihard werken voor een klein beetje geld. Elke dag komen er weer 80.000 arbeidskinderen bij. Deze kinderen hebben nog nooit een school van binnen gezien. Dat kunnen wij ons niet voorstellen.Wij zeggen vaak dat we liever niet naar school gaan. Maar dan mogen wij toch nog heel erg blij zijn met een school.


Winter 1860. Koud is de december nacht. De torenklok van Leiden slaat 6 keer: het is 6 uur in de morgen. In een van de huisjes naast de toren steekt een vrouw een gaslamp aan. Dan loopt ze naar een bedstee waar drie kinderen slapen. ‘Toe kinders, eruit!’ roept ze, terwijl ze een vies deken wegtrekt. Evert en Saartje stappen op de koude vloer. Maar de kleine Sander blijft liggen. ‘Slapen, ik wil slapen.’ ‘Niks ervan! Kleed je gauw aan, dan krijg je eten.’
Met een gekookte aardappel in de hand zijn de kinderen even later op weg naar de fabriek. Evert trekt zijn broertje mee. Voorop loopt Saartje. Haar hoofd bonst van de koorts en ze rilt van de kou. Gauw doorlopen maar. Ginds in de fabriek is het warmer.
Het snort en gonst in de fabriek. Je kunt elkaar haast niet verstaan. Evert moet balen wol uit elkaar trekken. De plukken wol stopt hij in een machine die er rolletjes van draait. 13 Uur per dag moet hij woltrekken. Zijn handen zijn geen kinderhanden meer. Zijn duim bloedt, een nagel is gescheurd. Maar wie let daarop? Vooruit! De machine draait door.
Saartje grijpt een rolletje wol en maakt dat vast aan het vorige. Dat moet ze snel doen, want de machine draait door. Ze heeft koorts. Maar wie let daarop?
Haar handen grijpen en grijpen. 9.000 keer op een dag. Elke dag 13 lange uren.

Fabriekskinderen, een bede, maar niet om geld. Zo heet het boek waar ik net een stukje uit heb gelezen. Het gaat over Sander, Saartje en Evert, kinderen van 10, 11 en 12 jaar. Dit verhaal schreef meneer Cremer in 1863. Hij protesteerde ermee tegen de kinderarbeid in ons land. Het boek was bedoeld om mee te smeken om snel iets te doen aan het lot van de fabriekskinderen.


Halverwege de 19e eeuw was de tijd van de Industriële Revolutie. Toen werden de 1e fabrieken in ons land gebouwd. Dat kwam door de uitvinding van de stoommachine. Die kon weer andere machines laten draaien, zoals spinmachines in een textielfabriek. Rond 1860 werkten een half miljoen Nederlandse kinderen in fabrieken. Het werk was gevaarlijk en ongezond. En er was geen tijd om naar school te gaan. Toch stuurden veel ouders hun kinderen naar de fabriek. Ze moesten wel, ze waren arm. En dan is elke stuiver meegenomen.

Fabriekskinderen moesten wel 13 of 14 uur per dag werken. Ze kregen slecht te eten en met de hygiëne ging het ook heel erg slecht. Veel kinderen waren ziek. De kindersterfte was enorm hoog: meer dan 50 procent.
Steeds meer mensen vonden dat fabriekswerk voor kinderen verboden moest worden. Dat vond ook 2e kamerlid Van Houten. In 1874 maakte hij een wet: het Kinderwetje. Die wet verbood werken in de industrie onder de 12 jaar. Werken in de huishouding of op het platteland mocht wel. Sommige fabrikanten volgden de wet niet op.
Maar met de Arbeidsinspectie die in 1882 was opgezet werd dat moeilijk. Wie toch jonge kinderen in dienst nam, kreeg een hoge boete.

Kinderarbeid komt in ons land nu haast niet meer voor. Maar in ontwikkelingslanden is het een groot probleem. In die landen moeten zo’n 250 miljoen kinderen werken. Dat is 100 keer zoveel als alle Nederlandse jonge mensen die nog naar school gaan.
In Afrika werkt 1 op de 3 kinderen onder de 14 jaar. In Zuid-Amerika is dat 1 op de 5. Ook in India en Pakistan is veel kinderarbeid.
Het aantal werkende kinderen groeit elke dag. Dat komt door de armoede, die in veel ontwikkelingslanden steeds groter wordt. Meer en meer kinderen moeten werken om een klein beetje eten te kunnen kopen.

Kinderen zijn goedkoop. Ze krijgen hooguit 1/4e deel van wat volwassen mensen verdienen. Meisjes krijgen nog veel minder. Kinderen durven ook niet zo gauw te protesteren als ze slecht behandeld worden. Daarom nemen veel fabrikanten kinderen in dienst.

In de luciferfabrieken in Sivakasi in India werken 45 duizend kinderen. Ze zijn tussen de 3 en 15 jaar. Ze komen uit de omgeving van de stad. ’s Nachts om 4 uur worden de eersten opgehaald met een busje. Na een dag hard werken zijn ze om 8 uur ’s avonds weer thuis. Zo gaat het bijna in elke fabriek.

In India en Pakistan werken 2 miljoen kinderen zonder er voor betaald te worden. Ze doen slavenwerk om de schuld van hun ouders af te lossen. Berucht zijn de steenfabriekjes in Pakistan. Jonge kinderen moeten honderden stenen per dag maken. Ook zijn er hele gezinnen aan het werk.
Voor 7 gulden bakken ze dagelijks zo’n duizend stenen. Dat is te weinig om van te leven.
‘Geen probleem,’ zegt de eigenaar van de fabriek. ‘Je kunt geld van mij lenen.’
Van terugbetalen komt niets, want de baas vraagt een woekerrente. Dat is een rente die veel te hoog is, soms wel 100 procent. De schuld loopt dus alleen maar op. De kinderen komen nooit meer vrij. Ook niet als hun ouders overlijden. Dit systeem van dwangarbeid heet peshgi.
Meer en meer kinderen worden door straatarme ouders als slaaf verkocht. Meisjes worden soms aan seksbazen verhandeld. Zogenaamd om als serveerster te gaan werken. In werkelijkheid komen ze in de prostitutie terecht.

Kinderarbeid heeft voor de meeste kinderen nare gevolgen. Ze maken lange werkdagen van wel 13 uur of langer. Vrije dagen hebben ze niet. Veel slapen ’s nachts in de werkplaats. Ze werken soms in een stoffige ruimte of met gevaarlijke stoffen. Denk maar aan verf-, vuurwerk- en chemische fabrieken.


Heel wat Indiase kinderen zijn dagelijks bezig met het verwerken van lege batterijen. Met een hamer slaan ze de batterijen kapot en scheiden de stoffen die eruit komen: papier, karton, aluminium, koolstof. Hun baas verkoopt deze spullen weer. ‘NIET OPENEN’ staat er op batterijen, want er zitten gevaarlijke stoffen in. Deze kinderen werken gewoon met die gevaarlijke stoffen. De kinderen zien er helemaal zwart uit van de koolstof aan het eind van de dag. ’s Avonds krijgen ze 5 roepia (een kwartje) als loon, net genoeg voor een maaltijd.

De meeste gereedschappen zijn te groot voor kinderhanden. Er gebeuren veel ongelukken mee. Van werken in stoffige ruimten kunnen ze stoflongen krijgen. Dat begint met hoesten. Na een poosje krijg je bijna geen lucht meer. Veel werkende kinderen hebben een huidziekte. Ze moeten lange tijd in dezelfde houding zitten. Een kromme rug, vergroeiingen aan armen en benen komen ook veel voor.
Het ergste is misschien wel dat ze geestelijke worden verwaarloosd. Alle kinderen hebben liefde en aandacht nodig. In de fabriek krijgen ze dat nauwelijks. De sfeer is er vaak erg hard.

De VN (Verenigde Naties) en de ILO (ook een internationale arbeidsorganisatie) komen op voor de rechten van het kind. Veel landen hebben ondertekend dat kinderen ook rechten hebben. Ze mogen geen gevaarlijk werk doen en ze hebben recht op school. Maar veel van die landen houden zich daar niet aan, omdat ze daar geen geld voor hebben. Toch zou leerplicht de beste manier zijn om kinderarbeid aan te pakken. In Nigeria en Burkina Faso, 2 landen in Afrika, gaat maar 30 procent van de kinderen naar school. De rest van de kinderen werken.
Ook moet de school gratis zijn, want de meeste gezinnen kunnen geen schoolgeld betalen. Armoede is de belangrijkste oorzaak van kinderarbeid. Arme gezinnen hebben het geld dat kinderen verdienen hard nodig.
‘Wie kinderarbeid verbiedt, laat de armen sterven,’ zeggen sommige mensen. ‘Kinderarbeid verbieden is dus voorlopig niet haalbaar. Eerst zal het in de ontwikkelingslanden beter moeten gaan.’

Als verbieden niet lukt, dan werkt misschien een boycot wel. Bij een boycot koop je uit protest geen producten die door kinderen zijn gemaakt. Steeds meer winkeliers in ons land doen mee aan de ‘Schone Kleren Campagne’. Ze verkopen geen kleding die door kinderen zijn gemaakt.
Voor tapijten is in 1995 het Rugmark ingevoerd. Heeft een tapijt dit merk op de achterkant, dan weet je dat het niet door kinderen is geweven. 1 Procent van de prijs van zo’n tapijt gaan naar UNICEF. Unicef is een fonds van de Verenigde Naties om kinderen in ontwikkelingslanden te helpen.

Een boycot kan nadelig uitpakken. Veel kinderen moeten werken om aan eten te komen. Als zij hun werk verliezen, zijn ze misschien nog slechter af.
Vaak helpt een boycot wel. Dan nemen de fabrikanten de werkloze vader of moeder van het kind in dienst. Zo zou het eigenlijk moeten. Alle werkloze aan het werk en hun kinderen naar school! Maar in de praktijk is het vaak andersom. In India bijvoorbeeld zijn 55 miljoen werklozen, terwijl er 50 miljoen kinderen werken.

Op tv en in kranten klinken steeds meer protesten tegen kinderarbeid. Dat is goed. Want regeringen vinden het niet leuk als er negatieve dingen over hun land worden gezegd. Een boycot van producten vinden ze al helemaal niet leuk. Daarom proberen ze wat aan het probleem te doen.

In sommige ontwikkelingslanden worden protestmarsen tegen kinderarbeid gehouden. Of actiegroepen trekken langs werkplaatsen en bevrijden kinderen. Ze maken foto’s van uitgebuite kinderen en zetten die in de krant.

Ook Unicef is actief in de strijd tegen kinderarbeid. Bij fabrieken waar veel kinderen werken, bouwt deze organisatie schooltjes. Daar krijgen de kinderen ’s middags gratis les. ’s Morgens blijven ze werken.
Zo verdienen ze geld voor eten en leren ze voor een betere toekomst.
Dwangarbeid door kinderen en kinderprostitutie moeten meteen verboden worden, vindt Unicef. Net als alle arbeid voor kinderen jonger dan 12 jaar.

Kinderarbeid kan alleen maar heel geleidelijk afgeschaft worden. Eerst moet de welvaart in ontwikkelingslanden stijgen. Er moet geld zijn voor het invoeren van de leerplicht voor kinderen tot 14 of 15 jaar. Als de volwassenen meer verdienen, hoeven hun kinderen niet meer te werken. Dat kan tientallen jaren duren voordat het zo ver is.
Met ontwikkelingshulp kunnen rijke landen helpen. Daarmee kunnen arme landen scholen bouwen voor kinderen en banen scheppen voor werkloze ouders.
Een hogere prijs betalen voor producten uit ontwikkelingslanden is ook een goede manier om te helpen. De fabrikanten daar zullen dan eerder duurdere volwassenen in diens nemen.

Jij kunt ook helpen om organisaties als Unicef en Novib te steunen. Wil je iets doneren of meer informatie, dan kun je naar www.unicef.nl of www.novib.nl surfen. En als je 100 procent zeker wil weten dat je iets koopt wat niet gemaakt is door kinderen, ga dan naar een Fair Trade winkel. De internetsite is www.fairtrade.nl. Deze organisatie doet geen zaken met fabrikanten die kinderarbeid laten verrichten.

Ik denk dat jij nu niet meer wil ruilen met een kind dat elke dag moet werken voor een klein beetje geld. En die niet naar school kan gaan.

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.


Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

6829
 

reacties

 
alleen een beetje onoverzichtelijk
door mij (reageren) op 19 mei 2011 om 18:07