Cookies..
Door Scholieren.com te bezoeken ga je akkoord met het gebruik van cookies. Klik hier voor meer info.

Landbouwmechanisatie

Biologie

Sectorwerkstuk

6.3 / 10
4e klas vmbo
  • anoniem
  • NL
  • 4285 woorden
  • 10815 keer
    17 deze maand
  • 10 maart 2006
Inhoud

1. Inleiding

2. Hoofdvraag en deelvragen

3. Deelvraag 1: Wat verstaan we onder landbouwmechanisatie?

4. Deelvraag 2: Hoe was de landbouwmechanisatie in 1960 vergeleken met nu?

5. Deelvraag 3: Hoe zijn de werktuigen ontwikkeld van 1960 tot nu?
3.1: De hydraulische kipwagen
3.2: De wentelploeg
3.3: De stalmeststrooier
3.4: De veldspuit
3.5: De maaier

6. Deelvraag 4: Hoe zijn de trekkers ontwikkeld van 1960 tot nu?
4.1: De veiligheid
4.2: De functie van de trekker
4.3: Het comfort

7. Hoofdvraag: Hoe is de landbouwmechanisatie ontwikkeld van ongeveer 1960 tot nu?

8. Slot

9. Logboek

10. Bronvermelding

Inleiding

Wij doen ons sectorwerkstuk over landbouwmechanisatie omdat het ons alledrie wel interesseert. En omdat mnr. De wolf met het idee kwam. Toen we dat overlegd hadden leek het ons erg leuk om er een werkstuk over te maken. We hadden direct al leuke ideeën zoals een filmpje maken over een trekker en dat bij de presentatie in te doen.

We konden ook heel veel boekjes krijgen over landbouwmechanisatie van de vader van Tsjerk. Aan de hand daarvan hebben we de deelvragen bedacht.
Uit die boekjes hebben bijna alle informatie gehaald en we hebben nog wat boeken van de bibliotheek gehaald.
We wouden ook wel graag informatie van het internet halen, maar helaas stond over dit onderwerp nagenoeg niets op. We hebben alleen de afbeeldingen grotendeels van internet gehaald maar meer niet van het internet.

Hoofdvraag en deelvragen

HOOFDVRAAG:

Hoe is de landbouwmechanisatie ontwikkeld van ongeveer 1960 tot nu?

DEELVRAGEN:

1. Wat verstaan we onder landbouwmechanisatie?

2. Hoe was de landbouwmechanisatie in 1960 vergeleken met nu?

3. Hoe zijn de werktuigen ontwikkeld van ongeveer 1960 tot nu?

4. Hoe zijn de trekkers ontwikkeld van 1960 tot nu?

Wat verstaan we onder Landbouwmechanisatie?

Onder landbouwmechanisatie verstaan we alle werktuigen die op het land worden gebruikt. Om het land te bewerken gebruik je een trekker met allerlei werktuigen. Er worden ook bijvoorbeeld aardappelrooiers en hakselaars e.d. gebruikt, vooral de laatste paar jaar zijn de aardappelrooiers en hakselaars gegroeid als je kijkt naar de capaciteit en de grootte ervan. Omdat we lang niet alle dingen kunnen noemen die te maken hebben met de landbouwmechanisatie noemen en leggen we er een een uit.


Hier leggen we uit hoe het inkuilen in Nederland meestal gedaan wordt.
In Nederland wordt veel geld verdiend in de landbouw vooral vroeger waren veel mensen werkzaam in de landbouw. Dat wordt nu steeds minder, want de trekkers worden steeds groter dus het werk gaat steeds sneller en beter. Heel vroegen deden mensen alles nog met het paard en wagen bijvoorbeeld het gemaaide gras van het land af halen nu gaat alles met trekkers met grote ladewagens. Zoals je hiernaast kunt zien. In zo`n ladewagen gaat een dikke 45 kuub. Is de ladewagen vol dan wordt het gras naar de boer gebracht en vaak aangereden met een shovel. Hierboven een voorbeeld. Van een shovel die maïs aan het vastrijden is.
Maïs wordt ook geoogst door een hakselaar, in de zomer wordt de hakselaar gebruikt in het gras. En in de Herfst wordt hij gebruikt in de maïs, er wordt dan een andere maisbek voor gebouwd en er wordt een andere kooi in gezet. Dit wordt vaak gedaan door een Landbouwmechanisatiebedrijf.

Hoe was de landbouwmechanisatie in 1960 vergeleken met nu (2006)

In 1960 was de landbouwmechanisatie vergeleken met nu niet echt ver ontwikkeld. Vroeger was er geen computer. Dus ook niet in de trekker en bij de werktuigen. De trekkers waren in 1960 zonder dak en dat is nu ook niet meer zo. Vroeger waren de trekkers veel kleiner vergeleken met nu. De trekker was ook lang zo sterk niet. In de trekker is het tegenwoordig ook veel luxer. Vroeger zat je op een ijzeren zitplaats. En tegenwoordig op een heel mooie luxe zachte stoel met veringen e.d.

De werktuigen waren vroeger ook veel lichter en waren veel kleiner. Bijvoorbeeld een ploeg had maar één schaar en tegenwoordig veel meer. Zie foto. De werktuigen waren veel kleiner vergeleken met vroeger. Vroeger hij je kleine maaiers maar tegenwoordig wordt er met veel groter combinaties gereden.

De trekker uit 1960 en de trekker van nu

De oude trekker met maaier uit 1960 en die van tegenwoordig. van wel bijna 9 meter

Een oude en een nieuwe kipkar. Tegenwoordig met meer assen en meer inhoud.

Schudder van vroeger met een paard er voor. En de schudder van tegenwoordig met een veel grotere spanwijdte.

De weidesleep is niet zoveel veranderd maar is alleen wat groter geworden.

Kortom: vergeleken met vroeger is de landbouwmechanisatie veel groter geworden. En vooral krachtiger.

Hoe zijn de werktuigen ontwikkeld van 1960 tot nu

Dit hoofdstuk gaat over de ontwikkeling van de werktuigen in de landbouwmechanisatie. Er zijn heel veel werktuigen op dit gebied dus hebben we een paar uitgezocht en daarover verteld hoe het vroeger was en hoe het ontwikkeld is.

3.1 De hydraulische kipwagen

In zowel voor- als najaar moet er grote hoeveelheden product worden verplaatst op het landbouwbedrijf. Na 1945 zorgde de hogere opbrengsten, uitstroom van arbeidskrachten en de komst van grotere machines voor de vraag naar grotere transportcapaciteit. Vanaf 1950 kregen Nederlandse fabrikanten van landbouwwagens door wat de mogelijkheden waren van de hydrauliek bij het transport en begonnen ook met de fabricage van hydraulische kipwagens. 50 jaar later is de hydraulische kipper alleen maar groter en groter geworden, maar principieel niet veranderd.

Kippen bekende techniek
De oudste techniek van kippend lossen, werd in het tijdperk van paardentractie toegepast in de Veen koloniën bij de oogst van fabrieksaardappelen. De manden met aardappelen werden in de wipkar gestort en vervolgens naar de kuil (dobbe) gereden. Een geoefend paardenmenner reed ede wipkar haaks voor de kuil. Daarna trok het paard de wipkar om het vrijwel stilstaande binnenste wiel 90 graden, waarna de menner de bak losmaakte en leeg kipte. Er ontstond een recht een vooral gelijk hoge kuil die weinig nawerk vroeg voor een lange bewaarperiode.
Hoe snel de situatie veranderde, werd o.a. duidelijk in de landbouwmedchanisatie-special van juli 1953 over de Nederlandse landbouwwerktuigenindustrie. Ir. P.W. Bakker Arkema signaleert dat verschillende Nederlandse fabrikanten van landbouwwagen zoals de Baarlose wagenfabriek (BWF)K, Brouwer Oudenbosch (BAV) en Miedema hydraulisch kipwagens gaan produceren. Bij DAF maakt men een dolly die onder de trekboom geplaatst van een tweewielige wagen nog weer een vierwielige maakt. In de beginjaren vijftig hebben zich met de komst van trekkers, luchtbanden en de mogelijkheden met hydrauliek in relatief korte tijd grote veranderingen voorgedaan:
· Trekkers hebben het paard als tractiebron grotendeels verdongen.
· De trekkerhydraulica was sterk genoeg om kipwagens achterover te lossen.
· Trekker en kipwagen vormen gedurende de gehele dag een eenheid.
Daarmee was in slechts enkele jaren de heersende opvatting over transport in de landbouw volledig omver gehaald.
Maar uiteindelijk is het principe van de hydraulische kipwagen nog steeds hetzelfde. Als je ziet hoe de kippers nu zijn en hoe ze vroeger waren, zijn de wagens van nu natuurlijk veel groter geworden dan vroeger. Zoals je hieronder kunt zien.

3.2 De wentelploeg

De oudste ploegen waren volledig van hout en hadden enkel een poot, waarmee door de grond werd gewoeld. Deze bewerking werd meestal heen en weer naast elkaar uitgevoerd. Na de introductie van de ijzeren ploeg werd stilaan de schaar voorzien van een rister om de grond te keren en zo het onkruid beter te bestijden. Omdat het aantal scharen bij de ze rondgaande paardenploegen veelal beperkt bleef tot twee, moesten de paarden op veel percelen op de kopakker lange afstanden overbruggen zonder te ploegen. Voldoende reden om te zoeken naar mogelijkheden om het perceel van een zijde te bewerken. Daarvoor dienden zich ook voor paardentractie enkele oplossingen aan. De eerste ploegen voor dierlijke tractie werden uitgevoerd als balansploeg. Eigenlijk is dat heel merkwaardig, omdat bij een ploeg zonder steunwiel of –voet de aanspanning aan het gareel van het paarde van grote invloed is op de ploegdiepte. Veel ploegfabrikanten gingen dan ook over op een enkelvoudige in hoogte instelbare voorsteun (wieltje of voet) dan wel op een tweewielige kar met ijzeren wielen van ongelijke grootte om de ploegdiepte onafhankelijk te maken van de aanspanning. Met de komst van twee staarten aan de ploeg kon de menner van de paarden de ploeg bovendien beter rechtop houden en werd de bouwvoor nog beter kerend bewerkt.

Meer precisie, maar principe blijft

Met behulp van hydrauliek zijn veel instellingen vanuit de trekkercabine te realiseren. Dat geldt voor de snijbreedte van de eerste voor, de totale ploegbreedte en voor de vlakstelling. Met elektronica is het zelfs mogelijk om bij lange ploegen met een extra steunwiel het heffen en laten zakken van de laatste scharen vertraagd te laten verlopen om op de wendakker geen gigantisch grote zaagtanden te maken en h;et afwerken van het perceel sneller te laten verlopen. Bij al deze verbeteringen is het basisprincipe van de wentelploeg niet veranderd en daarmee al een eeuw lang een Klassieker.

3.3 De stalmeststrooier.

Een enkele keer zie je het nog: een hobbyist die met uit de (paarden)stal heeft geladen en deze met een mesthaak in hoopjes op het land brengt om deze hoopjes later met de mestvork zo gelijkmatig mogelijk over het perceel te verdelen. IN de professionele landbouw is deze zeer intensieve werkmethode(33manuren/ha) vrij snel na 1945 gemechaniseerd met de komst van de stalmeststrooier. Deze maakte het uitrijden van de droge met een stuk gemakkelijker, aangenamer en vooral sneller. De mest werd in een werkgang over het veld verdeeld. Ook het laden werd gemechaniseerd. Met de voorlader of laadkraan. De benodigde arbeid werd in korte tijd gereduceerd tot 8-10 manuren/ha bij een gift van 25 ton/ha.

De eerste stalmeststrooiers die na de tweede wereldoorlog in ons land op de markt kwamen, waren getrokken machines met een opvallend lage bouw. De smalle laadbak was tussen de beide banden direct op de wielas geplaatst. Een logische constructie want de meeste vaste mest werd nog steeds in hand werk geladen en dan is elke centimeter bakhoogte vaak een te veel. Aan de achterzijde van de laadbak zaten een of twee verdeelhaspels die door de wagen as via de ketting werden aangedreven. Op de vloer van de laadbak lagen twee kettingen met mee nemers. Ook deze werden, weliswaar sterk vertraagd, aangedreven door de wagen as en brachten de mest langzaam naar de verdeelhaspels. Voor deze aandrijving werden twee systemen gebruikt: met een pal en een vaste tegenhouder (schoksgewijs) en met de twee palen (continu aanvoer). De slaglengte en daarmee de dosering was trapsgewijs instelbaar. Hoewel er al vrij grote profielbanden werden gebruikt bij een beperkt totaalgewicht, bleef wielslip onder natte omstandigheden de dosering beïnvloeden. Vrij snel brachten verschillende fabrikanten een uitvoering op de markt met aftakasaandrijving. Uit deze eerste periode stammen o.a. de merken David Brown Albion, Mc Cormick, Salopian en Solus.

Groter worden zet door (zoals je ook kunt zien op dit plaatje van een mestverspreider van tegenwoordig)

De tendens naar meer capaciteit zet zich door. Zware trekkers en grote strooiers met brede banden kwamen op de markt. Een probleem daarbij was nog steeds de beperkte strooibreedte. Werd met de eerste machine een breedte van 2,0 – 2,5 m aanhouden vaak met een goede verdeling, bij de stalmeststrooiers werd al een breedte van 4,5 tot 5,0 m bereikt. Pas in de jaren zeventig kwam Ernst Weichel met het systeem van strooischijven onder de verdeelhaspels. Met dit systeem was een veel grotere strooibreedte met een redelijke verdeling te krijgen. Ook op het plaatje kun je zien dat het mooi strooit wat ook komt door de strooischijven.

3.4 De veldspuit

Historie

Een machine die niet meer weg te denken is uit de bedrijfsvoering in de land- en tuinbouw is de spuitmachine voor de bestrijding van de onkruiden en de bescherming van de gewassen tegen ziekten en plagen. Rond 1900 werd de druiventeelt zwaar aangetast door schimmels. De beroemde Bordeause pap, een mengsel van o.a. kalk en koper, bleek uitkomst te bieden, maar deze moest wel goed worden verdeeld. Het middel bleek ook effectief te zijn tegen de aardappelziekte. Nog voor 1900 werden er getrokken veldspuiten op de markt gebracht en verkocht. Waren er in 1893 nog maar 62, eind 1904 waren dat er al 604 stuks. Eind jaren dertig was de chemische gewasbescherming in de fruitteelt al een ingeburgerde activiteit, terwijl bij de open teelten tot die geen grote ontwikkelingen te zien waren. Dat veranderde na 1945. Een van de redenen was de noodzaak de Coloradokever te bestrijden. In de jaren vijftig werd de landbouw bovendien geconfronteerd met de uittocht van de arbeidskrachten, waardoor ook voor de onkruidbestrijding nieuwe wegen werden gezocht en gevonden met nieuwe middelen.

Van eenvoudig naar geavanceerde precisie met behoud van principe

Vanaf de jaren vijftig hebben de ontwerpers van spuitmachines steeds maar weer gezocht naar de betere spuitresultaten door: de spuitleiding in secties te verdelen, snel wisselsysteem (draaiophouders) aan te brengen, het balanceringssysteem te verbeteren en meer capaciteit, bredere spuitbomen te ontwerpen en meer vloeistof mee te nemen. Bij de aanbouwtanks was de limiet van de inhoud bereikt en zijn de ontwerpers overgestapt op de getrokken en zelfrijdende spuitmachines. Dat ook de elektronica de precisie heeft bevorderd, leidt geen twijfel. En toch vormen pomp, drukregelaar en spuitboom nog steeds de kern van elke spuitmachine. Kenmerk van een echte klassieker.

3.4 De maaier

Bij de oogst van maaibare gewassen heeft de maaibalk vanaf 1830 tot aan het begin van de jaren zestig een dominante plaats ingenomen. Vanaf 1960 begint de klepelmaaier aan die monopoliepositie te knagen. In 1964 voltrekt zich op het gebied van het maaien een complete revolutie. Zweegers en Zn. In Geldrop lanceert in dat jaar de PZ-cyclomaaier: een werktuig met vier trommels met elk twee mesjes die met hoge snelheid het gewas maaien zonder het gemaaide te versnipperen het idee sloeg aan. In drie jaar tijd werden 3.000 PZ-cyclomaaiers verkocht. Uiteraard zijn er vele onderdelen geperfectioneerd,, maar het principe uit 1964 is nog zo duidelijk te herkennen dat we hier te maken hebben met een echte klassieker.
Homo zijn kun je leren! Van bear tot buttplug. Van rimmen tot Hepatitis B. Regisseur Sanne Vogel maakte drie pikante interviewfilms met jonge homo’s. Lees meer...


In 1963 verhoogde Piet Zweegers het toerental van een hooischudder om daarmee gras op te nemen. Hij had daarvoor onder de trommels kettinkjes bevestigd. Tijdens het proefdraaien ontdekte hij, dat de kettinkjes het gewas afmaaiden en tegelijkertijd naar achteren transporteerden. Op dat moment is de PZ-cyclomaaier geboren. Piet Zweegers verving de kettinkjes door messen en liet deze sneller draaien. Het resultaat was verbluffend: met 15 km p/u werd het gras perfect gemaaid, zonder het te versnipperen.
Met deze maaicombinatie kun je tegenwoordig al met 19 km p/u maaien. En is 9 meter breed.

Hoe zijn de trekkers ontwikkeld van 1960 tot nu

Met ontwikkeling bedoel je natuurlijk alles wat veranderd is aan de trekker, dit allemaal kun je nooit verwerken in een werkstuk, daarom doen wij alleen een aantal belangrijke ontwikkelingen.

4.1 De Veiligheid

Vroeger gebeurden er veel ongelukken met achteroverslaande trekkers. Zo`n 40 jaar geleden onderzocht men hoe dit te voorkomen.

Maatregelen tegen het kantelen en achteroverslaan van trekkers

Bij het werken met paarden gebeurde ook wel eens wat, maar met de komst van de trekker nam het aantal ongevallen in de landbouw sterk toe. Vooral in het voorjaar raakten nogal wat bestuurders bekneld onder een achteroverslaande trekker met vaak fatale gevolgen. Dit was een gevolg van het gebruik van getrokken werktuigen vaak oude paardenwerktuigen achter de trekker. Eggen werden bijvoorbeeld vaak te hoog aangespannen, omdat ze dan beter werkten. Als de eg dan even in de grond hapte, sloeg de trekker achterover voordat de bestuurder gelegenheid had de koppeling in te trappen. Om de gevaren van een hoge aanspanning te laten zien, werd door de Afdeling Landbouwwerktuigkunde van de Landbouwhogeschool een trekker als tuimeltrekker ingericht. De trekker werd voorzien van een afstandsbediening en een beschermingsraam. Een pop speelde voor bestuurder.

Op het plaatje zie je een demonstratie met een tuimeltrekker in 1959 op een landbouwveiligheid dag in Scheemda

De demonstraties met deze trekker maakten diepe indruk op de toeschouwers en verschillende
Constructeurs speelden hierop in door
steigerbegrenzers in de vorm van steunvoeten en –balken aan te bieden. Die boden echter geen bescherming tegen zijdelings kantelen. Het probleem werd pas afdoende opgelost door de komst van kantelbeveiligingen, zoals valbeugels en –ramen, en van de veiligheidscabine.

Goedgekeurde kantelbeveiliging en cabine

Vanaf 1 april 1988 is in Nederland een kantelbeveiliging voor iedereen wettelijk verplicht. Een kantelbeveiliging biedt bescherming tegen verwondingen bij het omvallen van de trekker. De kantelbeveiliging, die officieel goedgekeurd moet zijn, kan bestaan uit een eenvoudige beugel of een frame dat volledig over de bestuurderszitplaats heen gebouwd is, al of niet met een zonnedak. Dit dak kan ook enige bescherming bieden tegen regen. Wanneer we toch een frame hebben, kunnen we door wanden, ramen en deuren aan te brengen een gesloten cabine maken. Bij toepassing van de juiste materialen, technieken en componenten kan de eenvoudige kantelbeveiliging uitgebouwd worden tot een ideale werkplek voor de bestuurder. Het uitzicht mag niet belemmerd worden door stijlen spiegels, ruitenwissers en dergelijke. De pen van de wagentrekhaak en de verstelbare hefstang moeten vanuit de cabine bereikbaar zijn. Waarschuwingstekens en stickers met veiligheidsvoorschriften moeten aanwezig en leesbaar zijn.

Wanden/glas
Over het algemeen zal de fabrikant er naar streven aan de cabine een zo groot mogelijk glasoppervlak ter verkrijgen. Zoals je ook kunt zien op dit plaatje. >

Dit vanwege het zicht op werk en gewas. Voor trekkercabines wordt het zogenaamde veiligheidsglas toegepast. Bij een eventuele aanrijding zal het glas versplinteren en geen gevaar voor ernstige snijwonden opleveren. De meeste achter- en zijramen kunnen worden opengezet in verband met extra ventilatie. Soms ook het voorraam.

4.2 Functie van de trekker

Als je ziet waar de trekker in 1960 allemaal voor gebruikt werd, en waar het tegenwoordig voor gebruikt wordt, zijn er toch een aantal veranderdingen opgetreden, de trekker die je gebruikte om mee te kuilen of te maishakselen is voor een klein deel vervangen door de Hakselaar. De trekker die voor de maaier stond is nu ook al aan het verdwijnen door de zelfrijdende maaiers. De trekker die voor de zodenbemester stond is
ook al voor een klein deel vertrokken door de komst van bijvoorbeeld de Vervaet Hydro Trike (op het plaatje)>.
En zo zijn er nog meer werktuigen die de trekker doen inkorten. Maar toch de trekker zal nooit verdwijnen bij een boer of een loonwerker. Want er blijft genoeg ander werk over.
In het beeld van het moderne agrarische bedrijf is de trekker als krachtbron niet meer weg te denken. Zowel op rundveehouderijbedrijven als op akkerbouw-, tuinbouw- en fruitteeltbedrijven wordt dankbaar gebruik gemaakt van dit veelzijdige hulpmiddel. Ook minder grondgebonden bedrijven, zoals varkens- en pluimveehouderijbedrijven, beschikken vaak over een trekker om allerhande werkzaam heden uit te voeren. Zonder trekkers zou het bestaan van loonwerkers zelfs ondenkbaar zijn. Het werk dat met trekkers wordt gedaan kunnen we in drie groepen verdelen, te weten:
· Landwerk: ploegen, zaaien, maaien, mestverwerking, aardappels rooien enz.
· Transportwerk: vervoer van grond- en hulpstoffen (zaaizaad, pootgoed, kunstmest enz.) van geoogst product, werktuigen, hulpmiddelen en vee enz.
· Werk in en om de gebouwen: verplaatsen van voer, aandrijven van interne transportmiddelen, mengen van mest, laden en of lossen van producten enz.

4.3 Comfort

Werkplek van de bestuurder

Bij de ontwikkeling van de moderne trekkercabines is het menselijke lichaam uitgangspunt geweest. Zo probeert men door de keuze van constructie en materiaal het geluidsniveau beneden 80 Db of lager te brengen. De bedieningsorganen zijn veelal binnen hand- of voetbereik va de bestuurder geplaatst. (zoals je ook op het plaatje kunt zien heb je alles binnen handbereik). Verwarming en ventilatie (eventueel airconditioning) garanderen een aangenaam werkklimaat. De stereo-installatie en de mobilofoon zorgen voor het contact met de buitenwereld en de boordcomputer kan een aantal controle- en bedieningsfuncties van de bestuurder overnemen. De stoel is voorzien van arm- en rugleuning en olie- of luchtgeveerd. Dit allemaal was er vroeger natuurlijk nog niet. Een cabine was er eerst niet eens en nu heb je al cabines met airco radio/CD speler en nog meer mooie functies om het werk op de trekker zo aangenaam mogelijk te maken.

Demping van trillingen en schokken

Tijdens het werk met een trekker ontstaan trillingen en schokken. Hoe beter deze worden gedempt, des te langer de bestuurder kan werken zonder vermoeidheidsverschijnselen. De veerconstructie van de stoel en de wijze van bevestiging van de cabine op de achterbrug bepalen in hoge mate het comfort voor de bestuurder. Ook grote banden met lage spanning kunnen helpen bij het dempen van trillingen en schokken. Om trillingen en geluid zo min mogelijk naar het interieur van de trekkercabine door te geven wordt deze in de meeste gevallen op rubberblokken gezet.

Hoofdvraag

Om deze hoofdvraag te beantwoorden hebben we eerst de deelvragen beantwoord. Aan de hand van de deelvragen en een beetje andere informatie zullen we de hoofdvraag beantwoorden.

Hoe is nou eigenlijk de landbouwmechanisatie ontwikkeld? In het begin ver voor 1960 deden de boeren alles nog met de hand of met de schop. Toen werden er enkele gereedschappen uitgevonden die werden voortgestuwd door dieren. Zoals paarden, stieren, ezels of koeien.


Nog voor 1900 werden de eerste machines al op het land gebruikt, dat begon met stoom trekkers. En daarbij werden dan ploegen en andere gereedschappen gebruikt. Toen de dieselmotor werd uitgevonden werd die ook al gauw bij de trekkers gebruikt. Trekkers hadden in die tijd nog geen luchtbanden dat is ook voor 1960 nog ontwikkeld.
De gereedschappen zijn tot 1960 nog best wel veel veranderd. Je had bijvoorbeeld nog geen cyclomaaier. Er werd gemaaid met een maaibalk met allemaal scharen die over elkaar heen bewegen.
Vroeger werd er ook nog geen mobiele pakjespers gebruikt het hooi werd los op een grote kar verzameld en in een stationaire pers gedaan die het in kleine pakjes perste. Deze kon niet onder het rijden persen.
Vanaf 1965 verschenen er vanuit de VS ook zelfrijdende opraappersen, deze tendens is door de Europese fabrikanten niet direct overgenomen.
De veldspuit was voor 1960 niet echt groot met een kleine spanwijdte maar tegenwoordig zijn de veldspuiten veel groter met hele grote spanwijdtes. Waardoor het spuiten veel sneller gaat en door de landen die ook veel groter zijn geworden is dat ook wel nodig.
Het ploegen gebeurde voor 1960 ook nog met een paard voor één ploegschaar. In 1960 begon het eigenlijk met grotere ploegscharen met meer ploegscharen achter elkaar aan en met natuurlijk de trekker er voor. Maar de trekker werd ook al veel eerder gebruikt.

Vanaf 1960 is de ontwikkeling eigenlijk veel sneller gegaan dan voor die tijd. Er werden tussen 1960 en 1970 allerlei manieren uitgevonden om beter of sneller het land te bewerken, waar het toch om draait met landbouwmechanisatie.

Vanaf 1960 zijn vooral de werktuigen erg goed ontwikkeld er zijn ook nieuwe werktuigen bij gekomen. Dat zijn veel combinaties, zoals een maaicombinatie die het gras o.i.d. maait en daarna direct in de kar van een trekker kan spuiten. Er zijn bijvoorbeeld ook hele grote machines bij gekomen zoals een aardappelrooier. Die haalt de aardappelen uit de grond en zorgt ervoor dat hij alleen aardappelen in de kar van de trekker bezorgt.
De Vervaet Hydro Trike is een belangrijke uitvinding geweest, deze wordt niet alleen gebruikt voor de zodenbemesting maar ook voor het aardappelrooien e.d. Het ideale aan dit soort machines is dat 1 man het werk kan doen en er geen meerdere machines hoeven te werken. De computers zijn ook heel erg ontwikkeld in deze tijd en dat zie je ook terug in de landbouwmechanisatie. Hiernaast zie je een dashboard van een Vervaet Hydro Trike. Hiermee kan 1 man het werk van meerdere overnemen.
De computer is dus ook in de landbouwmechanisatie een heel erg belangrijke ontwikkeling geweest ook is dat pas van de laatste jaren. Door de computer gestuurde machines is het voor de boer en loonwerker niet alleen veel makkelijker geworden om te werken maar ook gaat het veel sneller.

De ontwikkeling van de landbouwmechanisatie is vanaf 1960 heel erg veel veranderd. Vanaf 1970 tot en met 1970 werd er veel ontwikkeld. Toen is er een tijdje met wat minder ontwikkelingen geweest. Maar in de jaren ’90 tot aan nu is er veel veranderdt. Er zijn veel machines bijgekomen die het werk doen van twee of meer machines. Maar vooral vanaf de jaren ’90 is de computer in de trekkers en andere machines gekomen. De trekkers zijn tegenwoordig met van alles uitgerust en dat is niet meer te vergelijken met vroeger. Alleen het verschil dat er nu een dak op een trekker zit is al groot.
Een trekker zit nu dus vol met elektriciteit die er voor zorgt dat er nog maar weinig mis kan gaan. Dat is naast de grote van de trekker en het aantal pk’s een groot verschil.
Het aantal pk’s en de grote is dus ook heel erg veranderd. Maar dat is ook wel nodig doordat er steeds grotere werktuigen zijn. De landen zijn vergeleken met vroeger hele grote uitgestrekte vlaktes. Waar je tegenwoordig met deze grote trekkers van tegenwoordig een dag over doet deed je vroeger dagenlang over.

Kortom de ontwikkeling is heel erg snel gegaan in bepaalde stukken van deze periode maar vooral in de laatste jaren. Maar ook nu veranderd er nog veel in de techniek.

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Homo zijn kun je leren! Van bear tot buttplug. Van rimmen tot Hepatitis B. Regisseur Sanne Vogel maakte drie pikante interviewfilms met jonge homo’s. Lees meer...

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

4383
 

reacties

 
Ik houw een spreekbeurt over een hakselaar
door Jan (reageren) op 24 november 2010 om 17:44