Geef dit een cijfer
Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.
De Randstad en de rest
De Randstad heeft een gunstige ligging aan de zee en in het economisch kerngebied van Europa, daarom wordt het ook wel de Deltametropool genoemd. De Randstad bestaat uit meerdere steden; Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht zijn de belangrijkste. Deze steden hebben grootstedelijke functies: activiteiten in bedrijvigheid, openbaar bestuur, kennis en cultuur waarvan de bevolking in de wijde omtrek gebruik maakt.
Aan de forenzenstromen kun je zien dat de Randstad nog geen stedelijk netwerk is, waarbij de steden met elkaar verbonden zijn door infrastructuur en functionele relaties. Dat is wel nodig voor verdere economische ontwikkeling.
Drie delen Randstad
- De Noordvleugel = Amsterdam en Utrecht, economisch het sterkst (schiphol)
- De Zuidvleugel = Leiden tot Rijnmond en Den Haag, economisch minder (wel: haven Rotterdam)
- Het Groene Hart = veenweide tussen grote steden, verspert infrastructuur tussen noord en zuid, agrarische functie
Op 25% van het grondgebied in Nederland woont 50% van de bevolking. Steden breiden uit, omliggende gemeenten horen bij stad en vormen agglomeraties. Nu urban field: stedelijk gebied waarbinnen de bevolking op het verstedelijkte platteland voor werken, winkelen en uitgaan op de stad is gericht en waarbij de ruimte op het platteland in dienst staat van de woon- en recreatiebehoefte van de grote steden (nieuwbouwwijken in plattelandsgemeenten en files naar stad). Uitschuifproces naar bijvoorbeeld Noord-Brabant, bedrijven vestigen zich in de halfwegzone voor goedkopere grond en betere bereikbaarheid, maar toch dicht bij de Randstad.
De Randstad en de ruimte
Ruimtelijke ordening: de overheid bepaalt met wetten en regels op welke manier de ruimte gebruikt mag worden.
Twee soorten beleid
- Sectoraal beleid; geldt voor een sector of onderwerp van de samenleving (ministerie van Landbouw, Natuur en Voedsel).
- Regionaal beleid; geldt voor verschillende gebieden (ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer).
In de jaren 60 en 70 trokken mensen massaal uit de steden naar wijken op het platteland. VROM wees speciaal dorpen en steden aan de buitenrand van de Randstad (groeikernen en groeisteden). Vanaf 1993 opnieuw = Vinex-wijken, aan de rand van bestaande steden. Door ze op deze plek aan te leggen kon gebruik worden gemaakt van de stedelijke voorzieningen, zodat ze hun centrumfunctie konden behouden. Dit wordt gestuurd door de woningbehoefte: het aantal woningen gespecificeerd naar soort en locatie (economisch beter = grotere woningen) dat nodig is om aan de vraag te voldoen. De suburbanisatie veroorzaakt enorme pendelstromen om de wegen. Te veel verkeer kan leiden tot een forse milieubelasting (hogesnelheidslijn, Betuwelijn).
Nederlandse steden: ruimte en bestuur
Naast de grote steden zijn er tientallen middelgrote steden, zowel in het centrum als de periferie van ons land. Ruimtelijke processen leiden tot knelpunten (stedelijke distributie; bevoorrading winkels en horeca). De belangen botsen; transportondernemingen willen producten snel en goedkoop leveren, winkeliers willen vaker bevoorraad worden, winkelend publiek wil dichtbij parkeren en uitrusten op sfeervol meubilair etc.
Middelgrote steden hebben ook vele stedelijke functies waar in een groot gebied gebruik van wordt gemaakt. Deze voorzieningen hebben een bepaalde reikwijdte, de afstand die men maximaal wil afleggen om gebruik te maken van een voorziening. Naarmate een plaats hoogwaardiger voorzieningen heeft, met een grotere reikwijdte, is ook het verzorgingsgebied van die plaats groter.
In binnensteden is de concurrentie om ruimte heel groot, wat leidt tot hoge grondprijzen. Bedrijven met een grote ruimtebehoefte kiezen voor betere bereikbaarheid en lagere grondprijzen in de buurt van een verkeersknooppunt waarbij meerdere wegen bij elkaar komen. Zo’n verkeersknooppunt ligt meestal aan de rand van een bestaande stad. Er wordt hier geïnvesteerd in betere infrastructuur, waar bedrijven van profiteren. Vaak komen er luxueuze appartementencomplexen en concurreert dit nieuwe centrum met het oude stadscentrum. In ontwikkeling van zulke centra wordt gebruikgemaakt van publiek-private samenwerking tussen de overheid en het bedrijfsleven.
Regionale samenwerking - samenwerking tussen de drie bestuurslagen in Nederland. Er zijn 7 netwerksteden met wettelijke bevoegdheden om stedelijke problemen op een hoger niveau dan gemeente op te lossen. Ze beschikken over hoge budgetten en daardoor veel macht. Er bestaan bestuurlijke netwerken, vrijwillige samenwerkingsverbanden tussen gemeenten, provincies en organisaties.
Nederlandse steden: verandering en vernieuwing
Agglomeratievoordelen - bedrijven halen uit elkaars nabijheid allerlei voordelen.
- Lage productiekosten;
- Investeringen door de overheid en andere bedrijven;
- Broedplaatseffect: nieuwe ideeën.
De stedelijke economie lijkt steeds meer op een kenniseconomie: het draait om innovatie (vernieuwing), producten en diensten moeten steeds vernieuwd en verbeterd worden. Daarvoor heb je mensen nodig met kennis en nieuwe ideeën. Het is zakelijke dienstverlening, die gericht is op overheid en bedrijven. Kunst, media en entertainment spelen een grote rol in het broedplaatseffect. Stadsbesturen stimuleren daarom graag de creatieve stad, een stad met een hoog aandeel werkenden in creatieve beroepen.
Dit gebeurt door:
- Luxe kantoorlocaties ontwikkelen met moderne digitale en infrastructurele verbindingen, zoals de High Tech Campus in Eindhoven
- Experimentele bedrijfsruimten op onwaarschijnlijke locaties, zoals in een voormalige kerk.
Duale arbeidsmarkt - tweedeling in banen voor hoog- en laagopgeleiden. In de stad zie je als gevolg hiervan ruimtelijke polarisatie ontstaan: wijken met goedkope huurhuizen en weinig voorzieningen tegenover wijken met dure appartementen boven mooie winkels. Wanneer de tegenstellingen tussen de bevolkingsgroepen steeds sterker worden en leiden tot spanning en onenigheid spreek je van sociale polarisatie. Vanaf 1980 zijn er miljarden besteed aan stadsvernieuwing: het verbeteren van de kwaliteit van woningen door middel van renovatie of sloop. De bouw was gericht op bewoners in de stad, dus er kwam een tekort aan duurdere woningen. Daarom is het beleid nu gericht op herstructurering: hierbij sloopt men de slechtste huurwoningen en bouwt men duurdere koopwoningen. Het gevolg is gentrificatie: de oude arbeiderswijken raken bevolkt door bewoners uit de middenklasse en hogere sociale klasse. Er komt meer koopkracht in de wijk, waardoor het voorzieningenniveau weer kan stijgen.
Buurtprofiel
Een stad kun je verdelen in woonwijken, die weer verdeeld kunnen worden in buurten. Een buurt is een gebied in een wijk waar vooral dezelfde huizen staan. Op basis van een buurtprofiel kunnen stadsbestuurders kijken of het nodig is om de buurt op bepaalde punten te verbeteren. In het buurtprofiel staat een selectie van duizenden gegevens die verzameld zijn door politie, scholen, welzijnswerk, GGD en woningbouwcorporaties. De belangrijkste informatie zijn de kenmerken van de woningen en de kenmerken van de bewoners. Woningen weerspiegelen de behoefte van de tijd waarin ze gebouwd werden. In de 19e eeuw vooral arbeiderswoningen, slechte leefomstandigheden. Er kwam een woningwet waarin eisen stonden waaraan nieuwe woningen moesten voldoen. In deze tijd kwamen er woningcorporaties, die huurwoningen zonder winst bouwden. Na de Tweede Wereldoorlog heerste er een woningnood. Vele arbeiderswijken en later portiekflats werden gebouwd. In de jaren 70 kwam er meer behoefte aan privacy en werden wijken met ruimere galerijflats gebouwd. De wijkvoorzieningen waren dichtbij en er was veel groen. Na 1980 begin de stadsvernieuwing en werden oude huizen gerenoveerd of afgebroken. Na 1985 werden van oude wijken dure appartementen en huizen gemaakt. Vanaf 1995 worden Vinex-wijken gebouwd.
Van elke woning kun je de volgende woningkenmerken onderscheiden:
- Ouderdom (bouwjaar)
- Eigendom (koop, huur, particulier of corporatie)
- Woningtype (vrijstaand, rijtjeshuis, portiekflat, galerijflat, etc.)
- Staat van onderhoud (gerenoveerd?)
Bij bewonerskenmerken kijk je naar:
- Grootte van huishoudens
- Etniciteit (allochtoon of autochtoon, westers of niet-westers)
- Inkomen
- Gezinsfase
De woonomgeving
Sociale onveiligheid komt van binnenuit de samenleving. Daarin wordt objectieve sociale onveiligheid (criminele feiten geteld door politie) onderscheiden van subjectieve sociale onveiligheid (gevoel van onveiligheid van mensen in de buurt). Subjectief betekent hier dat het gevoel per persoon verschilt. Om een wijk leefbaar te maken moet er behalve stadsvernieuwing en herstructurering actie worden ondernomen: op het fysieke en sociale vlak.
Leefbaarheid komt vooral door sociale cohesie, de bereidheid van burgers om een actieve rol te spelen in de buurt, elkaar te informeren en te helpen. Dit kan bevorderd worden door in een wijk ontmoetingsmogelijkheden te creëren in vorm van buurt- of wijkvoorzieningen. Vervolgens kunnen er sociale netwerken ontstaan. Als de sociale cohesie goed is en er sociale netwerken zijn, hoeft het objectief niet nog veiliger te worden. Maar doordat je meer mensen kent en meer gezamenlijk onderneemt, is de subjectieve veiligheid wel groter.
Openbare ruimten zijn voor iedereen, maar soms lijken ze van niemand te zijn. Sommige mensen voelen zich onveilig in fietstunnels of parkeergarages.
De toegankelijkheid van openbare ruimtes kan verbeterd worden door:
- Goed onderhoud – kapotte dingen geven aanleiding tot verdere vernieling
- Overzichtelijkheid – goede inrichting en indeling zorgen voor intieme sfeer
- Toezicht – zonder formeel toezicht lijkt het alsof alles mag en kan
Let op
De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.
Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.