Scholieren.com maakt gebruikt van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Hoofdstuk 3 en 4

ANW

Samenvatting

Solar

  • lynnn
  • NL
  • 1429 woorden
  • 828 keer
    20 deze maand
  • 24 juni 2012

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Hoofstuk 3 Blik op oneindig

Paragraaf 1

Stonehenge: Stenen in een cirkel, bijhouden van seizoenen, een soort kalender.

Kalender: Onze kalender gebaseerd op de beweging van de aarde om de zon, zonnekalender. 365,25 dagen per jaar, dus daardoor schrikkeljaar eens in de 4 jaar. Islamitische kalender → maan. In een maand.

Schijngestalten: Deel van de maan verlicht afhankelijk van het draaien van de zon, aarde en maan.

Keerkring: De breedtegraad waar de zon tijdens het middaguur loodrecht op de aarde staat.

Gravitatiekracht: Isaac Newton, regelmatige beweging van aarde en maan. Aarde in de baan door de zon. En de maan om de aarde. Maan voor getijden op de aarde. Springtij → zon en maan samen, water extra hoog en daalt het extra diep. Doodtij → verschil hoog en laag water klein, werken niet samen.



Lengtegraad: Links naar rechts. Tot 180°.

Breedtegraad: Boven naar beneden. Tot 90°.

Eratosthenes: Ontdekte dat de zon loodrecht kon staan, en de omtrek van de aarde.

Andere sterrenbeelden door draaien van de aarde. Planeten → dachten eerst dat het sterren waren, maar zijn koude bollen van gas of rotsachtige materiaal. Weerkaatsen het zonlicht.

Kometen: klonten stof en ijs, enkele kilometers groot, in een elliptische baan om een ster. Bij de zon verdampt het ijs en er ontstaat gas (staart). Meteoren→ stukjes stof die in de atmosfeer verbranden (Vallende sterren).

Zonnestelsel: planeten en planetoïden → zelfde kant op draaien. Relatief kleine, rotsachtige planeten aan de binnenkant en de grote glasplaneten aan de buitenkant. Theorie basis van oerwolk-theorie. Ontstaan 4,5 miljard jaar geleden uit oerwolk van gas en stof. Draaide steeds sneller door eigen gravitatiekracht. In midden grote gasbol zon → is een ster, binnenste kernreacties, vrijkomende energie (zonnestraling).


Buitenkant → welk trokken ronddraaiende gas en stof samen in een platte schijf. Klonters van rotsachtig materiaal die elkaar aantrokken en planeten vormden. Hitte van de zon bij binnenste planeten gas grotendeels verdreven, grotere planeten wel vasthouden. Laatste fase, talloze brokstukken neer op nieuwe planeten en manen. Dat zijn de kraters.

Paragraaf 2

Harder dan 30000 km/h dan valt de kogel met de aarde mee.

Omloopbaan: Satellieten door gravitatiekracht van de aarde om de aarde, net als maan. Zijn cirkelvormig of elliptisch. Snelheid op 300-600 km hoogte 9 km/s. Atmosfeer relatief dicht, veel luchtwrijving → satellieten afgeremd en in lagere baan, met nog meer wrijving. Slaat te pletter op aarde. Boven 800 km geen probleem.

Geostationaire baan: 36000 km boven aarde. Precies 24 uur over 1 baan, lijkt op aarde stil te staan.

GPS: 32 satellieten en grondstations. Gebruikt signalen van minstens 4 satellieten om plaatst te bepalen.

Paragraaf 3

Christiaan Huygens: Toonde de diepte aan tussen sterren, heelal veel groter dan alleen het zonnestelsel.

Sterren: Enorm grote, gloeiende hete gasbollen die licht geven. Bestaan vooral uit waterstof, door de hoge temperatuur botsen ze met hoge snelheid → kernfusie; samensmelten van atomen tot een groter atoom. Hier twee waterstofatomen vormen 1 heliumatoom. Door de klap veel energie vrij in warmte en licht. Zonne-energie is dus kernenergie. Ook de zon, diameter van miljoen kilometer. Oppervlakte zon 5500 °C, binnenin 15 miljoen °C. Zo heet door de grootte en zwaartekracht groot → extreem hoge druk in het binnenste.

Levensloop: geboren in ijle wolken waterstofgas. Door eigen zwaartekracht trekken ze samen en in centrum neemt druk en temperatuur toe → kernfusie, vrijgekomen energie evenwicht met de tegendruk door de zwaartekracht. (geboorte van de ster) Kan miljarden jaren bestaan, maar de waterstof raakt op. Tegendruk vanuit de kern neemt af en door de eigen zwaartekracht ster weer verder samentrekken → nieuwe kernfusies, maar tussen zwaardere atomen. Ontstaat koolstof, stikstof een zuurstof en later zelfs ijzer. Meer fusies kunnen niet, kost alleen energie. Dood → een implosie onder invloed van eigen zwaartekracht, de buitenste delen van de ster met grote snelheid de ruimte ingeslingerd. Ster 100 miljoen keer zo helder. Normale sterren gaan over in witte dwerg, koelt langzaam af. Grotere sterren storten ineen tot een klomp neutronen, de neutronenster.

Melkwegstelsel: grote platte sterrenschijf met een bult in het midden en omvat meer dan 100 miljard sterren. Zon een van die sterren.

Edwin Hubble: richtte zich op M31, hij realiseerde dat het patroon ook voorkwam bij sterren in de Melkweg, waarvan hij de afstand kende. Als het dezelfde soort sterren waren kon hij uit het verschil in helderheid tussen de M31 sterren en de vergelijkbare sterren in het melkwegstelsel de afstand tot de M31 bepalen. Licht van een ster vier keer zo zwak wordt als hij twee keer zo ver staat. Merkte op afstand groter, de snelheid ook groter werd.

Last-minute leren


Stel je hebt morgen een belangrijke toets, hoe ga je daar mee om?

Tot in de kleine uurtjes leren.
Tot in de kleine uurtjes leren EN supervroeg opstaan om nog meer te leren.
Supervroeg opstaan om te leren.
Lekker (uit)slapen, het heeft toch geen zin meer.


Hoofstuk 4 Evolutie en DNA

Paragraaf 1

Creationistische visie: God de wereld in 7 dagen geschapen.

Dag 1: Maakte licht, dag en nacht.

Dag 2: Maakte lucht en een dampkring.

Dag 3: Scheiding tussen land en zee, planten en bomen.

Dag 4: zon, maan en sterren.

Dag 5: zeedieren en vogels.

Dag 6: landdieren en ook mens.

Dag 7: rust uit van al zijn werk.

Fossielen: Overblijfselen van planten en dieren die tijden de zondvloed gestorven waren. Soorten gevonden die niet op de ark zaten → te laat bij de ark.

George Cuvier: Geloofde niet dat alle soorten nog ergens op aarde liepen. Dacht eerst dat het fossielen van dieren die in de loop van de tijd ontwikkeld waren tot levende vormen. Daarna dat sommige soorten gewoon gestorven waren.

Charles Darwin: Vond uit dat het zelfde diersoort toch verschillen toonde als ze ergens anders leefden. Werden meer jongen geboren dan ouders, te weinig voedsel → struggle for life (Strijd om te bestaan) degene die zich het best aan de omgeving aanpast blijft leven → survival of the fittest. (Natuurlijke selectie). Soorten veranderden → evolutie.

De 3 geconstateerde feiten:

1. Binnen soorten vertonen individuen verschillen (natuurlijke variaties)

2. Meer nakomelingen geboren dan voor vervanging van ouders.

3. De populatie blijft doorgaan constant.

De 2 principes op de constateringen:

1. Struggle for life: er is een strijd om het bestaan.

2. Survival of the fittest: het aan de heersende omgevingsfactoren best aangepaste type organisme overleeft en krijgt de meeste nakomelingen.

Missing links: bezwaren tegen Darwins theorie, weinig fossielen gevonden van groepen die de overgang vormden van de gewervelde dieren. Stephen Jay Gloud: relatief korte periode dat dieren evalueren waardoor er weinig fossielen zijn → punctuated equilibrium.

Paragraaf 2

Gregor Mendel: Onderscheid tussen dominante en recessieve eigenschappen.

Chromosomen: staafjes die in de kern van een cel zitten, erfelijke eigenschappen doorgegeven. Opgebouwd uit DNA.

DNA: James Watson en Francis Crick. Dubbele helix met twee gedraaide spiralen. En als ‘traptreden’ basen A, T, C, G. Elke celdeling hetzelfde DNA. Dachten dat de bases met codes konden dienen voor de eiwitten.

Genetische code: gekraakt door Francis Crick en Sydney Brenner. 3 basen zorgden voor een bepaalde aminozuur. ATG startcode en TAG als eindcode. Gegevens ertussen voor de bouw van het eiwit. → Gen.

Mutaties: Voor de celdeling kopieert de cel zich. Kan fout gaan, doordat verkeerde bouwstenen ingebouwd worden of er teveel of te weinig wordt ingebouwd. In het gen → verkeerde eiwitten of geen eiwit maken. Zit dat ook in de geslachtscel → erfelijke fout.


Paragraaf 3

DNA-profiel: net zo uniek als een vingerafdruk. Voor heel veel dingen te gebruiken. Verdachten en aantonen van verwantschap tussen diersoorten.

DNA-diagnostiek: Onderzoeken of iemand drager is van bepaalde genen.

Genetische modificatie: Bij de ouder modificatie in de cellen aangebracht waardoor de nakomeling dat ook krijgt. Vooral voor geneesmiddelen nu.

Paragraaf 4

Ethische discussie: Wat wel en niet mag. Aangepakt door ethici door vijf stappenplan.

1. probleem beschrijven

- probleem weergeven als vraag

- waarden en normen spelen rol

- wie is het een probleem

- andere belanghebbenden

2. probleem analyseren

3. argumenteren en afwegen

4. probleem afpakken

Gentherapie: In een virus een extra gen geplakt en in het lichaam ingebracht. Moeilijk om alle cellen een gezond gen te hebben.


 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

 

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

Jouw naam*
E-mail (niet publiek)*
Geheime code*
8119