Scholieren.com maakt gebruikt van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Hoofdstuk 1

Scheikunde

Samenvatting

Chemie overal

 
  • Finte
  • NL
  • 1099 woorden
  • 292 keer
    0 deze maand
  • 16 juni 2012

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Paragraaf 1.1

Scheikundige houden zich vooral bezig met stoffen. Er zijn veel stoffen om je heen. Lucht, water en je eigen lichaam. Je haren bestaan uit eiwitten en je botten uit kalk. Lucht bestaat uit stikstofgas en zuurstofgas. Het verschil tussen vaste stoffen en vloeistoffen is dat je vloeistoffen niet kunt zien, en vaste stoffen wel.

Paragraaf 1.2

Je moet in het practicumlokaal moet je je aan bepaalde veiligheidsregels houden. Dit zijn de 13 belangrijkste veiligheidsregels:


1. Draag altijd een bril
2. Draag altijd een laboratoriumjas en doe deze dicht.
3. Bind lange haren vast
4. Neem zo min mogelijk spullen mee
5. Werk rustig en geconcentreerd
6. Houd je stipt aan de proefvoorschriften
7. Twijfel je ergens aan, raadpleeg je docent
8. Richt een reageerbuis nooit op jezelf of een ander
9. Proef niet van stoffen, tenzij dit nadrukkelijk is toegestaan
10. Raak stoffen niet met je handen aan
11. Als je moet ruiken, ruik dan heel voorzichtig
12. Eet en drink niet in het practicumlokaal
13. Was na afloop goed je handen

Er zijn ook bepaalde veiligheidsvoorschriften waar een school aan moet voldoen. Een practicumlokaal moet een aantal voorwerpen hebben; bijvoorbeeld deuren, nooddeuren, brandblussers, bluszand, branddeken, oogdouche, douche, jassen, brillen enzovoort.

Bij een practicum gebruik je een gasbrander. Een gasbrander heeft verschillende soorten vlammen; de gele vlam, de kleurloze vlam en de ruisende vlam. Een gele vlam gebruik je bijna niet. Deze word daarom ook de pauzevlam genoemd. De kleurloze vlam gebruik je voor kleine hoeveelheden stof opwarmen. Een ruisende vlam gebruik je bij het sterk verhitten van stoffen. Deze kan tot wel 1000 graden worden. Bij het gebruiken van de gasbrander moet je letten op een aantal belangrijke dingen.

1. Bij het aansteken van de brander moet de luchtschijf altijd helemaal dichtgedraaid zijn, en de gasregelknop een klein beetje open.

2. De gele vlam kan niet gebruikt worden om stoffen mee te verhitten.
3. Om een kleurloze vlam te krijgen draai je de luchtschijf een beetje open.
4. Voor een ruisende vlam draai je de gasregelknop en de luchtschijf ver open.
5. Als je niet werkt met de gasbrander zet je hem op de pauzevlam.

Bij een practicum heb je ook meestal een spuitfles nodig. Hier zit geen gewoon water in, maar gedestilleerd water. Maar op de meeste scholen word demiwater gebruikt. Dit is kraanwater waar de kalk is uitgehaald. Het smaakt heel anders dan normaal kraanwater.

Paragraaf 1.3

Als je iets doet bij een practicum, heet dit een handeling. Als je iets ziet, ruikt of proeft heet dit een waarneming. Na het zien van al deze waarnemingen, kun je een conclusie trekken.

Je doet experimenten om bepaalde feiten na te trekken. Ook doe je dit om er handigheid in te krijgen. Als je iets doet onthoud je het beter dan dat je het alleen zou lezen. Je leert ook systematisch nadenken.

Ook moet je een logboek bijhouden. Hierin schrijf je met wie, op welke datum en welke tijd je werkt. Ook schrijf je wat je doet, wat je gebruikt en wat je conclusies zijn. Met dit logboek kun je later een verslag schrijven. Een paar dingen moeten hier in:
- Probleem
- Onderzoeksvraag
- Hypothese
- Werkplan
- Experiment uitvoeren [waarnemingen]
- Conclusie

Paragraaf 1.4

In scheikunde is een zuivere stof één stof. Er is niks gemengd. Een mengsel is bijvoorbeeld sinaasappelsap. Stoffen bestaan uit hele kleine deeltjes; moleculen. Water bestaat alleen uit watermoleculen. Het woord sinaasappelmoleculen bestaat niet, omdat sinaasappel geen zuivere stof is. Je kunt van een molecuul een molecuultekening maken


Moleculen bestaan uit atomen. Twee of meer atomen zijn samen een molecuul. Voor elke stof zijn de atomen verschillend. Met al deze atomen kun je meer dan honderden combinaties maken. Maar sommige vallen meteen uit elkaar. Elke atoom heeft een naam en een symbool. Om al deze symbolen een beetje overzichtelijk te maken heeft men een periodiek systeem gemaakt.

Paragraaf 1.5

Een stof kan in drie fasen voorkomen; vast, vloeibaar en gas. Bij water is dit ijs, water en waterdamp. Een stof is vast bij een temperatuur die lager is dan het smeltpunt. Een stof is vloeibaar bij een temperatuur die in het midden van het smelt en kookpunt ligt. Een stof is gasvormig als deze boven het kookpunt zit. Als een stof vast is, zet je er (s) (=solid) achter. Bij vloeibaar, zet je er (l) (=liquid) en bij gas zet je er (g) (=gas) achter. Dit noemen we toestandsaanduidingen. In elke fase zijn de moleculen hetzelfde.

Voor temperatuur gebruiken we niet alleen Celcius, maar ook kelvin.

20 graden = 20 + 273 = 273 Kelvin.
300 K = 300 – 273 = 27 Graden

Elke faseverandering heeft een eigen naam. Dit heeft de fasedriehoek. Het is belangrijk dat je deze faseovergangen kent.

De scheikunde kent zes fasenovergangen:
Vast > Gas = Sublimeren
Gas > Vloeibaar = Condenseren
Vloeibaar > Vast = stollen
Vast > vloeibaar = smelten
Vloeibaar > gas = verdampen
Gas > vast = rijpen

Paragraaf 1.6

Een stofeigenschap is een eigenschap die bij een stof hoort. Er zijn maar twee stoffen bekend met dezelfde stof eigenschappen. Stofeigenschappen zijn bijvoorbeeld kleur, smaak, oplosbaarheid. Naast stofeigenschappen heeft elke stof ook een stofconstante.

Elke stof heeft een eigen unieke combinatie van stofeigenschappen. Smaak, kleur, brandbaarheid, oplosbaarheid zijn allemaal dat soort eigenschappen. Er zijn maar twee stoffen bekend met dezelfde stofeigenschappen.

Naast de stofeigenschappen, heeft elke stof ook een stofconstante. Een stofconstante is een stofeigenschap die je met een getal kunt aangeven, gevolgd door een eenheid. Een stofconstante is bijvoorbeeld het kookpunt van water.


We hebben ook speciale waarschuwingsregels voor stoffen. Deze tekens geven aan of een stof gevaarlijk is. (1.23)

Je hebt bepaalde R-zinnen en S-zinnen. R staat voor Risc en S voor safety. Deze zinnen zijn eigenlijk codes voor bepaalde stofeigenschappen die eraan vast zitten.

Paragraaf 1.7

Op het product staan altijd alle stoffen die erin zitten. Dit is een samenstelling. Je kunt ook een proef doen om erachter te komen wat erin zit. Iedere stof heeft een smelt- en kookpunt. Bij deze punten verandert de stof in gas of een vaste stof.

Grote kans dat je het afgelopen jaar veel gebruik hebt gemaakt van Scholieren.com. Dit is het moment om iets terug te doen! Ga op zoek naar oude verslagen en upload ze hier. Toekomstige generaties scholieren zullen je dankbaar zijn.


 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

 

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

Jouw naam*
E-mail (niet publiek)*
Geheime code*
4045
 

reacties

 
 
vloeistoffen kun je niet zien? moet dat geen gas zijn ?
door lisanne op 14 oktober 2012 om 16:41
 
de eerste berekening van graden celcius naar Kelvin klopt niet. het is 20+273=293 &niet 273!
door Piet op 30 september 2012 om 14:48