Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Hoofdstuk 7

Geschiedenis

Samenvatting

Werkplaats

 
6.9 / 10
28 stemmen van bezoekers
5e klas havo
niveau
  • smurf4
  • NL
  • 3116 woorden
  • 5432 keer
    23 deze maand
  • 12 juni 2009

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.


7. De tijd van pruiken en revoluties


• Rationeel optimisme en ‘verlicht denken’ dat werd toegepast op alle terreinen van de samenleving: godsdienst, politiek, economie en sociale verhoudingen.
• Voortbestaan van het ancien regime met pogingen om het vorstelijke bestuur op eigentijdse verlichte wijze vorm te geven (verlicht absolutisme).
• Uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van heet abolitionisme.

• De democratische revolutie in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.

Abolitionisme
Beweging voor de afschaffing van slavenhandel en slavernij.

Ancien régime
De oude orde in samenlevingen, voorafgaand aan democratische revoluties.

Democratische revolutie
Ingrijpende politieke verandering, waarbij een democratische grondwet wordt ingevoerd.

Grondrechten
Basisrechten voor alle burgers die zijn vastgelegd in de grondwet.

Grondwet (constitutie)
Wet waarin staat hoe een land geregeerd moet worden en wat de rechten en plichten van de burgers zijn.

Plantages
Grote landbouwbedrijven in de tropen, waar gewassen werden geproduceerd voor de Europese markt. Vanuit Europa werden deze handelskapitalistische ondernemingen vanaf de 16e eeuw opgezet in Amerika en vanaf de 19e eeuw in Afrika en Azië.

Rationalisme
Toepassing van redelijkheid, gebruik van gezond verstand. Ook wel: het boven alles stellen van verstand. Het rationalisme was hoofdkenmerk van de verlichting.

Sociale verhoudingen
Verschillen, overeenkomsten en onderlinge betrekkingen van groepen in een samenleving, zoals met betrekking tot de rechten en plichten van de standen in het ancien régime.

Staatsburger
Persoon met de politieke rechten van een burger in een staat, zoals het recht om een vertegenwoordiger in een parlement te kiezen of om gekozen te worden.


Trans-Atlantische slavenhandel
Handel in zwarte Afrikaanse slaven tussen Afrika en Amerika. Tussen 1500 en 1850 werden elf miljoen afrikanen onvrijwillig naar Amerika gebracht.

Verlicht absolutisme
Systeem waarbij een verlichte vorst de absolute macht heeft en verlichte hervormingen van bovenaf probeert in te voeren. Een voorbeeld is de Pruisische koning Frederik de Grote (1740-1786).

Verlicht denken
Volgens de ideeën van de verlichting.

Verlichting
Beweging die meende dat met de rede alles kan worden verklaard en dat een op de rede gebaseerde samenleving opgebouwd moet worden. Met rationalisme, vrijheid. Gelijke rechten voor alle mensen en verdraagzaamheid zou er meer licht komen in het leven.

Driemachtenleer
In 1748 door Montesquieu gepubliceerde theorie dat de vrijheid van het volk het best is gewaarborgd met een staatsvorm met drie gescheiden machten (trias politica): de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht.

Eenheidsstaat
Staat met één hoogste gezag, waaraan lagere organen ondergeschikt zijn. Nederland werd in de tijd van de democratische revoluties een eenheidsstaat. De VS zijn een federale staat, omdat de deelstaten een grote mate van zelfstandigheid hebben.

Rechtsstaat
Staat waarin de rechten en plichten van burgers en overheid zijn vastgelegd in wetten. Alle burgers, ook de overheid, zijn hieraan gebonden.

Tijdlijn
1700 – 1800 - Tijd van pruiken en revoluties
1707 - Engeland en Schotland vormden Groot-Brittannië
1740 - 1786 - Koning Frederik de Grote
1747 - Stadhouderschap in Republiek wordt erfelijk
1748 - Over de geest van wetten (Montesquieu)
1751 – 1776 - Verschijning van Encyclopedie
1776 - De rijkdom van volkeren (Smith)
1786 - Machtsgreep van patriotten
1787 - Amerikaanse grondwet
1789 - Franse revolutie
1795 - Bataafse revolutie
1798 - Eerste Nederlandse grondwet
1799 - Staatsgreep van Napoleon

7.1 De verlichting
In 1751 begon in Parijs een megaproject: de publicatie van alle nuttige kennis van de mensheid. In 1765 telde de encyclopedie al 16.288 pagina’s, verspreid over 17 delen. De grootste deskundigen hadden eraan meegewerkt. Het was dan ook voor een hoog doel: een basis leggen voor de verdere vooruitgang van de mensheid.

Bevrijding van de mens
In 1765 verscheen de Encyclopedie, waar alle technische informatie in stond. Ook stonden er kritische stukken over de kerk, politiek en maatschappij in. Het moest allemaal bijdragen aan de strijd tegen bijgeloof en onwetendheid. De Encyclopedie was een typisch product van de verlichting: een beweging die meende dat met de rede alles kan worden verklaard, en dat zo rationeel denken ook moet worden toegepast op de gehele maatschappij. Het verlicht denken is denken volgens de ideeën van de verlichting, wat een einde zou maken in de samenleving van domheid, intolerantie, geloofsfanatisme en onredelijke verschillen tussen mensen. Het rationalisme is het stellen van het verstand boven alles, gebruik van gezond verstand. De Duitse filosoof Immanuël Kant noemde de verlichting ‘de bevrijding van de mens uit de onmondigheid waaraan hij zelf schuldig is’. De mensen moesten niet meer zomaar alles geloven, ze moesten niet zomaar gehoorzamen, maar zelf over alles nadenken.

Horlogemaker van het heelal
Verlichte denkers hadden een afkeer van godsdienstig fanatisme en intolerantie. De bekendste bestrijder daarvan was de Fransman Voltaire. Hij was zoals alle aanhangers van de verlichting een voorstander van godsdienstige vrijheid en tolerantie. Volgens hem had een Opperwezen het heelal gemaakt, maar had hij dat gedaan zoals een horlogemaker een horloge maakt. Sinds de godheid klaar was, verliep alles volgens vaste wetten. Mensen weten uit hun verstand wat goed en slecht was, daarom was een God of Bijbel overbodig. Hij was voor een absolute vorst die vrijheid van denken garandeerde, en de kerk in bedwang hield.

Algemene wil
Andere verlichte denkers gruwden juist van het absolutisme.
Ideeën van de Engelse Filosoof John Locke:

• Regeringen moesten de natuurlijke rechten van de burgers garanderen, zoals het recht op bezit, en het recht op vrijheid. (grondwet)
• De regeringen moesten gebaseerd zijn op een contract met hun burgers. Als de regeringen zich daar niet aan hielden mochten de burgers in opstand komen.
Ideeën van de Fransman Montesquieu:
• De wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht moest van elkaar gescheiden zijn.
• Het parlement moest wetten vaststellen (wetgevende), de regering de wetten uitvoeren (uitvoerende) en de ONAFHANKELIJKE rechters moesten de naleving van de wetten controleren (rechterlijke macht).
• Driemachtenleer is een staatsvorm met drie gescheiden machten (trias politica).
Ideeën van de Fransman Jean-Jacques Rousseau:
• Regeringen moesten ‘de algemene wil’ uitvoeren, wat het volk zou willen.
• Een samenleving waarin iedereen gelijk was (dus een soort democratie).
Ideeën van Schot Adam Smith:
• In de economie moeten de natuurlijke krachten de ruimte krijgen. Als iedereen verstandig zijn eigen belangen kon nastreven, zou dat tot algemene welvaart leiden.

7.2 Het anciem régime
In 1789 verscheen in Frankrijk een pamflet met een tekening van een edelman en een geestelijke die op de rug van een boer zaten, terwijl de konijnen en vogels zich voedden met de oogst. Het vatte treffend de situatie samen tijden het anciem régime, de oude orde voor de Franse revolutie.

Adellijk parasitisme
Na de dood van de Zonnekoning zetten in Frankrijk Lodewijk XV (1715-1774) en Lodewijk XVI (1774-1793) het absolutisme voort. De adel kon zijn privileges herstellen, zoals het alleenrecht op hogere rangen in het bestuur of in het leger. Adel en geestelijkheid betaalden vrijwel geen belasting. Daar draaide de rest van de bevolking voor op, via hoge accijnzen. Dat maakte voedsel en andere levensbehoeften duur. Het gewone volk in de steden verarmde en had soms honger. Boeren leden bovendien onder allerlei heerlijke rechten. Ze waren bijvoorbeeld verplicht tegen betaling de molen van hun heer te gebruiken en moesten een deel van hun opbrengsten aan hem afstaan of een aantal dagen onbetaald voor hem werken. In de landbouwstedelijke samenleving groeide de handel en nijverheid onder de gegoede burgerij, maar dat was alleen ten goede van de kooplieden, bankiers en andere rijke burgers. Doordat de regering oorlog voerde met geleend geld, werd de staatsschuld torenhoog.

Verlicht absolutisme
Terwijl in Frankrijk moderniseringen uitbleven, gebruikten vorsten in andere landen hun macht om hervormingen door te drukken. Een van hen, de Pruisische koning Frederik de Grote.
- Hij wou de domheid bestrijden in dit land.
- Hij zorgde voor vrijheid van meningsuiting, godsdienstvrijheid en onafhankelijke rechter.
- De adel werd nog wel bevoorrecht, omdat Fredrik de adel te hard nodig had voor zijn leger.

Frederik was een absoluut vorst, maar ook een aanhanger van de verlichting. Hij wilde moderniseringen ‘van bovenaf’ doorvoeren. In Rusland en Oostenrijk deden tsarina Catharina de Grote en keizer Jozef II min of meer hetzelfde. Hun manier van regeren wordt verlicht absolutisme genoemd. Hun motto was: ‘Alles voor het volk, niets door het volk’.

Regentenpolitiek
In de Nederlandse Republiek was er geen koning, maar toch werden de regenten bevoorrecht. De regenten kregen in de 18de eeuw de macht over de meeste gewesten, waardoor de economie achteruitliep, omdat de regenten alleen maar aan zichzelf dachten, dus er groeide onvrede. In 1747 braken er relletjes uit, waardoor de prins van Oranje met hulp van het volk zichzelf als stadhouder van alle gewesten kon benoemen. Maar doordat de stadhouder de baas was over alle gewesten, werd het stadhouderschap ook erfelijk. De stadhouder deed net zo weinig als de regenten, dus liep de staatsschuld in 1750 van de Republiek op, wat de regenten niet erg vonden, omdat ze door de rente slapend rijk werden.

7.3 De democratische revoluties
Op 21 januari 1793 zag een zwijgende menigte in Parijs hoe ‘burger Louis Capet’ naar de guillotine werd geleid. De afgezette koning was vier dagen eerder door de volksvertegenwoordiging ter dood veroordeeld. Voor de bijl viel, probeerde hij nog iets tegen de massa te zeggen: ‘Fransen! Ik sterf onschuldig…’ Maar zijn laatste woorden werden overstemd door tromgeroffel.

Amerika
De onthoofding van Lodewijk XVI was een climax in de Franse revolutie die in 1789 was begonnen. En die revolutie was onderdeel van een reeks democratische revoluties (politieke veranderingen, waarbij een grondwet wordt ingevoerd) die was begonnen aan de andere kant van de Atlantische oceaan. Waar de Amerikanen vechten voor hun vrijheid. De Amerikanen wilden geen belasting betalen zolang ze niet waren vertegenwoordigd in het Britse parlement. Om hun verzet te bundelen, vormden de 13 koloniën in 1774 een gezamenlijk Congres, die de gehoorzaamheid aan Groot-Brittannië opzegde. Hierdoor brak in 1775 de Amerikaanse vrijheidsoorlog uit.
In Julie 1776 riep het congres de onafhankelijkheid uit van de Verenigde Staten van Amerika. De onafhankelijkheidsverklaring was geïnspireerd door denkers als Locke en Montesquieu.
In het stuk stonden de ‘vanzelfsprekende warheden’ waarop de nieuwe staat was gebaseerd:
• Alle mensen zijn gelijk geschapen: ‘All men ar created equal’.
• Iedereen heeft recht op leven, vrijheid en het nastreven van geluk die de overheid verzekerd.
• Het gezag van de overheid beruste op de wil van de burgers, die de overheid mochten corrigeren.
• Een grondwet waarin de machtenscheiding stond van de wetgevende, uitvoerende en rechterlijke macht, in de grondrechten stonden, zoals gelijkheid voor de wet en godsdienstvrijheid.


De Franse crisis
Amerika maakte diepe indruk in Europa, omdat ze lieten zien dat de verlichte ideeën werkten. Vooral in Frankrijk, omdat de onvrede over de absolute monarchie vergrootten doordat het belastingsgeld werd uitgegeven aan de rente van de schulden van de overheid. Hierdoor haalt hij de Staten-Generaal bij elkaar: 300 adel, 300 geestelijken, 600 boeren / burgerij.

Opstand
Oorzaken begin van de Franse Revolutie:
• In de Staten-Generaal wou de adel per stand stemmen, in plaats van één stem per persoon.
• Adelen en geestelijken hadden veel privileges, en de burgers niet, zij moesten veel belasting betalen.
• Het slechte bestuur van Lodewijk XVI en het absolutisme.

Nadat de standen apart verkiezingen hadden gehouden, kwamen de Staten-Generaal op 5 mei 1789 bijeen. Een maand later riepen de burgervertegenwoordigers zichzelf uit tot enige Nationale Vergadering en zwoeren dat pas uiteen zouden gaan als er een grondwet was. Lodewijk stuurde hier een ingehuurd leger op af, waardoor de spanningen in Parijs toenam. Met de bestorming van de Bastille op 14 juli begon de Franse Revolutie. In veel steden namen revolutionaire comités de macht over. De Nationale Vergadering schafte alle ‘feodale’ rechten van adel en kerk af. Ook nam de vergadering de ‘Verklaring van de Rechten van de Mens en de Burger’ aan. (de mensen waren vrij en gelijk en de staat moest hun onvervreemdbare rechten in stand houden).
De Nationale Vergadering betaalde de staatsschuld van verkochte kerkelijke goederen. De koning kreeg de uitvoerende macht en een gekozen vergadering kreeg de wetgevende macht. Frankrijk werd een constitutionele monarchie waarbij alleen rijkere mensen kiesrecht hadden. (staatsburgerschap: personen hebben politiek rechten als een burger van de staat).

Vrijheid, gelijkheid, broederschap
Voor de constitutionele monarchie kon worden ingevoerd, sloeg de koning op de vlucht. Hij werd voor de grens gearresteerd en teruggevoerd naar Parijs. Daar tekende hij de grondwet alsnog, maar zijn vlucht versterkte de verdenking dat hij met gevluchte edelen en buitenlandse mogendheden een contrarevolutie beraamde. Hierdoor groeide de invloed van de Jacobijnen en andere radicale clubs die het volk meer invloed wilden geven. Op 20 april 1792 begon de oorlog tussen Frankrijk en de Pruisen + Oostenrijk. De oorlog verliep slecht waardoor er onvrede broeide in de bevolking.

Toen Pruisen dreigde iedereen te doden die zich verzette tegen het herstel van het absolutisme, kwam er een opstand op stand. Honderden aristocraten werden vermoord.

Onder druk hiervan deed de volksvertegenwoordiging een aantal dingen:
• Hij zette de koning af, en schreef nieuwe verkiezingen uit, met kiesrecht voor alle mannen.
• Het nieuwe parlement riep de republiek uit, en veroordeelde de koning ter dood.
• Het uitroepen van een nieuwe jaartelling, die de breuk met het verleden zou symboliseren.
• Alle standen werden afgeschaft, iedereen was voortaan ‘citoyen’ (burger).

Leus van de Franse Revolutie: vrijheid, gelijkheid en broederschap.

Terreur
In 1793 drong een menigte het parlement binnen, en verjoeg de gematigde leden, omdat ze een direct democratie wouden. Dat maakte de weg vrij voor de Jacobijn Robespierre, een aanhanger van de democratische denkbeelden van Rousseau. Hij wou de revolutie zuiveren van in zijn ogen onbetrouwbare en corrupte elementen. Daarom gaf hij revolutionaire tribunalen ruime bevoegdheden om ‘verraders’ ter dood te veroordelen. Uiteindelijk werd Robespierre zelf opgepakt en onthoofd. Daarna werd de volksinvloed teruggedrongen, tot Napoleon een dictatuur vestigde. Maar de adel kwam niet terug aan de macht.


De grootste erfenis van de revoluties was dat de democratische idealen overal wortel schoten.

7.4 Kolonialisme en slavernij
Kenmerkend aspect: uitbouw van de Europese overheersing, met name in de vorm van plantagekoloniën en de daarmee verbonden trans-Atlantische slavenhandel, en de opkomst van abolitionisme.

In 1514 keerde de priester Spaanse priester Las Casas terug uit de Spaanse kolonie Hispaniola (Haïti + Dominicaanse Republiek). Daar had hij gezien hoe indianen in grote getale stierven door ziektes, wreedheid en slavenarbeid. Hij was diep onder de indruk. De rest van zijn leven zou hij vechten voor het idee dat indianen en blanken gelijkwaardige schepsels van God waren.
• Hij overtuigde de paus, die verklaarde dat indianen geestelijk gelijkwaardig waren aan Europeanen.
• Hij vond gehoor bij de Spaanse koning Karel V, die wetten afkondigde om de indianen te beschermen.
Gevolg: Mede hierdoor gingen de Spaanse en Portugese kolonisten echter zwarte slaven uit Afrika halen. Zo kwam de trans-Atlantische slavenhandel op gang.
In 1566, kort voor zijn dood kwam Las Casas tot de conclusie dat ook negers, zoals zwarte Afrikanen toen werden genoemd, volkomen gelijkwaardig zijn aan blanken.

Slavernij was in het Romeinse rijk en de islamitische wereld een normaal verschijnsel. Uit West-Europa was de slavernij echter tijdens de middeleeuwen verdwenen. Aanvankelijk was daarvoor de horigheid in de plaats gekomen, maar die was rond 1500 alweer over. Toen Portugezen en Spanjaarden de slavenhandel begon, vond Nederland dat onmenselijk maar toen ze naar ‘West-Indië’ gingen deden ze mee. Hetzelfde geldt voor Engeland en Frankrijk.

Waarom kochten de Europeanen dan toch zwarte slaven?
• Dat had alles te maken met winstbejag. De sterke Afrikanen waren geschikt voor het zware werk (op plantages en in mijnen)
• Bovendien konden de Europeanen aansluiten bij de bestaande slavenhandel in Afrika.
• Veel Europeanen zagen zwarte Afrikanen als minderwaardige wezens.

Gedurende 350 jaar maakte 11 miljoen Afrikanen gedwongen de oversteek. Hiervan kwam 90% terecht in het Caribische gebied en Zuid-Amerika. Vanaf de 17e eeuw deden ook de Nederlanders, Britten en Fransen mee aan de slavenhandel. Nederlandse schepen vervoerden een half miljoen slaven, waarvan 300.000 naar Suriname. De Britten vervoerden er 3 miljoen. Ruim de helft van alle slaven, ruim 6 miljoen werden verscheept in de ´verlichte´ 18e eeuw.

De transatlantische slavenhandel was onderdeel van een driehoekshandel tussen Europa, Afrika en Amerika.
1. Afrikaanse kuststaten verkochte, meestal uit het binnenland afkomstige, slaven, vaak schuldenaars, krijgsgevangen of misdadigers.

2. De Europeanen betaalden met vuurwapens, kruit, messen, textiel, ijzer en brandewijn.
3. Op de Amerikaanse slavenmarkten werden de slaven verkocht voor geld. Daarmee werden plantageproducten gekocht, die naar Europa werden gebracht.
Deze driehoekshandel werd beheerst door handelskapitalistische compagnieën, zoals de WIC.

De meeste slaven werden ingezet op de plantages die voor de Europese markt produceerden. Deze handelskapitalistische ondernemingen werden met Europees kapitaal opgezet en vanuit Europa geleid. Aanvankelijk ging het vooral om suiker en tabak, later ook om indigo, koffie en katoen.

Slaven werden behandeld als beesten (gebrandmerkt, gescheiden van familie, nauwelijks bewegingsvrijheid of medische zorg en moesten onredelijke en wrede straffen ondergaan, slavinnen: verkracht). Slaven moesten Europese namen dragen. Slaven kwamen vaak in opstand maar ze konden niet tegen de (goed)bewapende blanken op. Een aantal vluchten om in het tropisch regenwoud een nieuw bestaan op te bouwen (Surinaamse marrons)

Omstreeks 1700 ontstond blank verzet tegen de slavernij. Tegenstanders van de slavernij werden zowel geïnspireerd door de verlichting als het Jodendom. Verlichte critici vonden de slavernij in strijd met de natuurlijke gelijkheid van de mensen. Ze noemden slavernij achterlijk, immoreel en onmenselijk. Volgens Adam Smith was het economisch ook ongunstig: mensen werden door loon beter geprikkeld om te werken dan door dwang. Vooral in Groot-Brittannië ontstond een sterke aanschaffingsbeweging. In 1772 haalde deze zijn eerste succes, toen Britse opperrechter slavernij in Groot-Brittannië zelf verbood: elke slaaf die Groot-Brittannië bereikte was vrij. In 1787 richten Britse abolitionisten de Society for the Abolition of the Slave Trade op. Ze legden dossiers aan met bewijzen van misstanden, beïnvloeden publieke opinie. Als propagandamiddel gebruikte ze een tekening van een geknielde geketende zwarte man, met de tekst Am I not a man and a brother. Pottenbakker Wedgwood liet zo’n 200.000 medaillons bakken en die werden internationaal verspreid.

• 1807 dit leidde tot een wet die het Britten verbood slavenhandel te bedrijven.
• 1883 en tot afschaffing van de slavernij in alle Brits kolonien. Andere landen volgden daarna snel.
• Alleen Portugal handhaafde in de tweede helft van de 19e eeuw de slavernij.


 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

2286
 

reacties

 
echt super bedankt voor je samenvattingen van hoofdstuk 7 t/m 10!! die gaan heel erg te pas komen bij mijn tentamen ^^
door samantha (reageren) op 22 oktober 2010 om 20:29
dit is echt heel fijn, voor de eindtoets havo 3 moeten we alle tien de tijdvakken uitpluizen en studeren, super bedankt! x
door Esmay (reageren) op 4 juni 2012 om 17:20