Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Examenbundel Nederlands 2006-2007

Nederlands

Samenvatting

 
7.7 / 10
87 stemmen van bezoekers
5e klas havo
niveau
  • anoniem
  • NL
  • 1526 woorden
  • 35789 keer
    3 deze maand
  • 1 mei 2007

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Samenvatting examenbundel Nederlands 2006-2007

1. Inleiding

Examen Nederlands: Tekst met vragen en samenvattingopdracht. 3 uur.
Vergelijken van:
- Satelliettekst: Kleine tekstjes.
- Hoofdtekst: De belangrijkste tekst.

Let op:
- Informatie elementen
- Inhoud: Is het correct weergegeven?
- Samenhang: Zijn er geen onjuiste verbanden?
- Formulering: Begrijpelijk voor lezer die de tekst niet kent?
- Voor fouten in formuleringen geld maximaal 20% aftrek.
- Voor lengte overschrijding van langer dan 10% geld -2 punten per 5 woorden.
Je cijfer bepaald voor 50% het eindcijfer Nederlands.

2. Signaalwoorden en Signaalzinnen
Signaalwoorden tussen: (delen van) zinnen/alinea’s.
Signaalwoorden = belangrijk hulpmiddel!
Signaalzinnen: Duidelijk maken wat volgt (aankondigend)/wat geweest is (terugblikkend).

Voorbeelden signaalwoorden:
- Opsomming: Ook, bovendien, verder, eveneens, dan, vervolgens, daarnaast, ten eerste… ten tweede, zowel… als.

- Tegenstelling: Maar, echter, toch, daarentegen, in tegenstelling tot, daar staat tegenover dat, enerzijds … anderzijds.
- Oorzaak-gevolg: Daardoor, door, doordat, waardoor, zodat, te danken aan, te wijten aan, het gevolg van, ten gevolge van, de oorzaak hiervan is.
- Reden/verklaring: Want, omdat, daarom , waarom, namelijk, immers, aangezien.
- Doel/middel: Door middel van, met de bedoeling om, met behulp van, om te, daartoe, opdat.
- Toelichting: Denk hierbij aan, bijvoorbeeld, zo, dat komt voor bij, ter illustratie, dat is het geval bij.
- Vergelijking: Net als, zoals, zo ook, evenals, eveneens, eenzelfde, hetzelfde/dezelfde als, in vergelijking met, vergelijken met, soortgelijke.
- Voorwaarde: Als, indien, mits, (op voorwaarde dat), tenzij (behalve wanneer), stel dat.
- Conclusie: Dan ook, dus, aldus, hieruit volgt, concluderend.
- Samenvatting: Kortom, samenvattend, alles bij elkaar genomen, om kort te gaan.

Voorbeelden Signaal zinnen:
- Aankondigend: Ik zal hier enkele voor- en nadelen van rekeningrijden bespreken. Maar aan het systeem kleven ook enkele bezwaren.

- Terugblikkend: Van de besproken verklaringen lijkt de laatste me het meest aannemelijk.
- Aankondigend en terugblikkend: Welke conclusie kunnen we nu uit bovenstaande onderzoeksresultaten trekken?

3. Tekstsoort, schrijfdoel
Tekstsoorten:
- Uiteenzetting: Uitleggen hoe iets in elkaar zit. Objectief/informatief.
- Betoog: Standpunt + argumenten. Subjectief informatief/overtuigend.
- Beschouwing: Meerdere meningen. Deels object- deels subjectief/alle meningen weergeven.

Schrijfdoelen: Informeren, uiteenzetten, overtuigen, tot actie aanzetten, beschouwen, vermaken. > Combinatie mogelijk!

4. Citeren, eigen woorden
Citeren: Eerste en laatste twee woorden van de/het zin(-sgedeelte) + regelnummers!
- Zinsgedeelte: Twee of meer woorden. (Te lang = punten aftrek(-P)
- Nauwkeurig! Hoofdletter, punt, vraag & uitroepteken. Regelaanduiding.
Eigen woorden: Niet citeren! Wel termen overnemen. Let op maximaal aantal woorden! (-P)
Tip: eerst klad zorgt voor net en correct resultaat.

5. Hoofdgedachte, hoofdvraag
Hoofdgedachte: een zin die het belangrijkste van het tekst gedeelte weergeeft. Citeer/eigenwoorden.
- Informatie: voor/achteraan in (groep) alinea(s).
- Eén zin (-P)
- Maximaal aantal woorden > Tellen! (-P)
Meerkeuzevraag: Onderstreep kernzin en signaalwoorden schrijf het belangrijkste van de tekst op.
- Let op titel, inleiding en slot.
- Zoek de goede en let op volledigheid.
Hoofdvraag: Citeren/formuleren let op vraagvorm!

6. Functie van tekstgedeelte
- Lees
- Onderstreep kernzinnen, signaalwoorden/-zinnen eventueel notities/alinea.
- Kies functiewoord dat past (functiewoorden worden gegeven).
- Aanbeveling: De schrijver komt, meestal op het eind van zijn artikel, tot een goede raad of advies.
- Aanleiding: Omstandigheid die de schrijver ertoe brengt zijn tekst te schrijven.
- Afweging: De schrijver weegt voor- en nadelen of mogelijke oplossingen tegen elkaar af en maakt zo een keuze.
- Argument: De schrijver geeft aan waarom hij iets vindt.
- Beantwoording: De schrijver geeft antwoord op een eerder gestelde vraag.
- Begripsomschrijving: De schrijver geeft een nauwkeurige definitie van een bepaalde term (zie ook ‘definitie’).
- Beoordeling: De schrijver geeft een positief of negatief oordeel over een onderwerp.
- Bewering: De schrijver verkondigt zijn mening (die hij met argumenten onderbouwt, zie ook ‘stelling’).
- Bewijs(voering): De schrijver probeert de juistheid van een stelling of theorie aan te tonen met feiten (uit onderzoek).
- Conclusie: De schrijver komt, op grond van het voorafgaande, tot een gevolgtrekking.
- Constatering: De schrijver stelt iets vast, merkt iets op.
- Definitie: De schrijver geeft een nauwkeurig omschrijving van een bepaalde term (zie ook ‘begripsomschrijving’).
- Doelstelling: De schrijver geeft aan wat hij wil bereiken.
- Gevolgen: De schrijver beschrijft de gevolgen die door een verschijnsel veroorzaakt zijn.
- Hypothese: De schrijver veronderstelt iets dat hij nog moet bewijzen.
- Karakterisering: De schrijver geeft de voornaamste kenmerken van een verschijnsel.
- Ontkenning: De schrijver ontkent de juistheid van een bewering.
- Oorzaak: De schrijver geeft aan waardoor iets is geworden zoals het is.
- Oplossing: De schrijver geeft een oplossing voor een bepaald probleem.
- Opsomming: De schrijver geeft een reeks van argumenten, voorbeelden, verklaringen enz.
- Probleemstelling: De schrijver brengt het probleem onder woorden dat hij gaat bespreken.
- Samenvatting: De schrijver geeft, op het eind van een tekst of tekstgedeelte, in het kort het belangrijkste weer.
- Stelling: De schrijver verkondigt zijn mening (die hij met argumenten onderbouwt, zie ook ‘bewering’).
- Tegenstelling: De schrijver geeft aan dat het feit of bewering tegenover een ander feit of een andere bewering staat.
- Tegenwerping: De schrijver maakt bezwaar tegen een eerdere bewering of argumentatie (van een ander).
- Theorie: De schrijver geeft wetenschappelijke opvattingen die los staan van de praktijk.
- Toelichting: De schrijver geeft voorbeelden of nadere uitleg om zijn opvattingen te verduidelijken.
- Toepassing: De schrijver beschrijft hoe een bepaalde theorie in de praktijk wordt toegepast.
- Uitwerking: De schrijver werkt een algemene stelling of theorie meer in detail uit (geeft nadere uitleg, voorbeelden).
- Verklaring: De schrijver legt uit hoe een bepaald verschijnsel is ontstaan.
- Verslag van onderzoek: De schrijver geeft de resultaten van een onderzoek.
- Voorbeelden: De schrijver verduidelijkt een bewering of verschijnsel met concrete voorbeelden.
- Voorwaarde: De schrijver stelt vooraf een eis waaraan voldaan moet worden, voordat iets kan plaatsvinden.
- Vraagstelling: De schrijver stelt, meestal in de inleiding, de hoofdvraag die hij in de rest van zijn artikel wil beantwoorden.
- Weerlegging: De schrijver toont aan dat een bewering of argumentatie niet juist is.

7. Standpunten en argumenten
Argument: Om standpunt/mening te onderbouwen. Terug vinden/zelf formuleren.
Typen standpunten en argumenten:
- Controleerbare feiten
- Voorbeeld
- Vergelijking
- Ervaring (empirisch (=op ondervinding gegrond en daaruit voortvloeiend) argument)
- Gezag of autoriteit
- Gevolg
- Nut of gewenste gevolgen
- Gevoel of emotie
- Algemene normen en waarden

8. Redeneringen
Schrijver betoog: Wil lezer redenering laten overnemen.
Schrijver beschouwing: Wil lezer laten nadenken.
Typen redeneringen:
- Oorzaak en gevolg: De schrijver beschrijft het gevolg/de gevolgen die door een verschijnsel veroorzaakt zijn.

o Signaalwoorden: Daardoor, door, doordat, waardoor, zodat, te danken aan, te wijten aan, het gevolg van, ten gevolge van, de oorzaak hiervan is…
- Voor- en nadelen: De schrijver beschrijft een verschijnsel met positieve en negatieve kanten.
o Signaalwoorden: Voordeel … nadeel, positief … negatief, vooruitgang … ongunstige ontwikkeling, waarderen … tegenvallen, gunstig beeld … kwalijke kanten/problemen…
- Overeenkomst: De schrijver vergelijkt twee (of meer) verschijnselen met elkaar en signaleert overeenkomsten.
o Signaalwoorden: Net als, zoals, zo ook, evenals, eveneens, eenzelfde, hetzelfde/dezelfde als, in vergelijking met, vergeleken met, soortgelijke.
- Stelling-argumenten: De schrijver geeft zijn mening en onder bouwt deze met argumenten.
o Signaalwoorden: Want, omdat, daarom, namelijk, immers aangezien.

9. Drogredenen
Drogredenen: Foutieve argumenten
Typen drogredenen:
- Onjuiste oorzaak-gevolg relatie
- Valse vergelijking
- Verkeerde autoriteit
- Overhaaste generalisatie
- Cirkelredenering
- Op-de-manspelen of persoonlijke aanval
- Ontduiken bewijslast
- Vertekenen van een standpunt

10. Beoordelingsvragen
Vragen naar: Bron, verstrekte gegevens, gevolgde redenering.
A. De bron (schrijver en/of het medium)
Punten die bijdragen aan de aanvaardbaarheid
Punten die afbreuk doen aan de aanvaardbaarheid
1. Deskundigheid van de schrijver
De schrijver staat bekend als deskundig t.a.v. het onderwerp.
De schrijver staat niet bekend als deskundig t.a.v. het onderwerp.
2. Partijdigheid van de schrijver
De schrijver heeft er geen belang bij de gegevens te presenteren (is onpartijdig).
De schrijver heeft er belang bij de gegevens in zijn voordeel te presenteren (is partijdig).
3. Betrouwbaarheid van het medium
Wetenschappelijke publicaties, populair-wetenschappelijke tijdschriften, kwaliteitskranten en –bladen.
Populaire kranten en tijdschriften, reclame, propagandamateriaal.

B. De verstrekte gegevens (informatie)
Punten die bijdragen aan de aanvaardbaarheid
Punten die afbreuk doen aan de aanvaarbaarheid
1. Controleerbaarheid van gegevens
De versterkte gegevens zijn te controleren.
De verstrekte gegevens zijn niet te controleren.
2. Relevantie van gegevens
De gegevens zijn van belang met het oog op de conclusie.
De gegevens zijn niet van belang met het oog op de conclusie.
3. Volledigheid van gegevens
Er wordt voldoende informatie verstrekt (om de conclusie te maken).
Er ontbreken gegevens (zodat de conclusie onaannemelijk is).
4. Logische samenhang van gegevens (consistentie)
De gegevens zijn in overeenstemming met elkaar, passen bij elkaar.
De gegevens spreken elkaar tegen.
5. Ouderdom van gegevens
De verstrekte gegevens zijn up-to-date.
De verstrekte gegevens zijn verouderd (gedateerd).

C. De standpunten (meningen) en argumenten
Punten die bijdragen aan de aanvaardbaarheid
Punten die afbreuk doen aan de aanvaardbaarheid.
1. Relevantie van argumenten
De argumenten die de schrijver aandraagt zijn van belang met het oog op de conclusie.
De argumenten zijn niet van belang met het oog op de conclusie.
2. Volledigheid van argumentatie
Het standpunt van de schrijver wordt door onvoldoende argumenten ondersteund.
Het standpunt van de schrijver wordt niet of door te weinig argumenten ondersteund.
3. Helderheid van argumentatie
Het standpunt wordt door duidelijke, goed uitgewerkte argumenten ondersteund.
De argumenten die gebruikt worden ter ondersteuning van het standpunt zijn vaag.
4. Houdbaarheid van elk argument
De argumenten op zichzelf zijn waar op aannemelijk (zie ook soorten argumenten paragraaf 7).
De argumenten op zichzelf zijn onwaar of niet aannemelijk (zie ook drogredenen paragraaf 9).
5. Logische opbouw en samenhang van argumentatie (consistentie)
De argumenten leiden naar het standpunt dat de schrijver inneemt (zie paragraaf 7 en 8)
De argumenten leiden niet (noodzakelijk) naar het standpunt dat de schrijver inneemt.

11. Samenvatten
Lengte tekst = 1200-1500 woorden.
- Maximale omvang = 10% oorspronkelijke tekst.
- Volledige, goed geformuleerde zinnen! Geen taal/gram. Fouten! (-P)
- Logische samenhang & verband! (Signaalwoorden en andere verbinden woorden.)
- Begrijpelijk voor lezer die uitgangstekst niet kent!
Tekstsoort
- Betoog: Stelling + argumenten.
- Beschouwing: Visie, gedachtegang auteur.
- Uiteenzetting: Opzet + uitleg!
Correct formuleren > Fout: Taalgebruik, spelfout, interpunctiefout!
Maximum aantal woorden mag met 10% overschreden woorden. (5 woorden = -2P)
Tips:
1. Bestudeer de opdracht.
2. Hoofdgedachte: Let op titel inleiding slot.
3. Kernzin: Voor/achter 1e/laatste zinnen.
4. Signaalwoorden/-zinnen = info samenhang en opbouw tekst.
5. Controle: Max. woorden, fouten, zinsbouw, spelling en interpunctie.
6. Goede alineaverdeling, vermeld auteur en titel.

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

9969
 

reacties

 
Hartstikke bedankt , dit was echt handig! Groetjess. xx
door Maryam (reageren) op 1 mei 2011 om 17:39
Bedankt
door Kim (reageren) op 17 mei 2011 om 12:42
wolllah dit heeft echt geholpen,dankjewel voor de tips.
door farah (reageren) op 17 mei 2011 om 18:24
thanks, ik heb hier echt veel an
door jeanice (reageren) op 6 september 2011 om 20:40