Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Scholieren.com zoekt: scholieren met fotografietalent  en schrijftalent en 'n afgestudeerde (volwassen) webdeveloper

Lesbrief eenmanszaak deel 1

Management & Organisatie

Samenvatting

Eenmanszaak

 
7.4 / 10
316 stemmen van bezoekers
  • J
  • NL
  • 5150 woorden
  • 47701 keer
    258 deze maand
  • 22 november 2004

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Eenmanszaak deel 1

Hoofdstuk 1

Consumptief krediet =
Krediet dat gebruik wordt voor consumptieve doeleinden bv het kopen van een auto of huis

Rente / interest =
Vergoeding die je vraagt voor het uitlenen van geld
Voor degene die de lening verstrekt is het een vergoeding, en degene die leent zijn het kosten.

Naast de rente moet je ook de lening zelf terug betalen, dit is aflossen van de lening. Door de aflossing neemt je schuld af, niet door rente.


Het oorspronkelijke geleende bedrag – alle aflossingen (=) noem je schuldrest.

Annuïteit =
Periodiek gelijkblijvend bedrag dat je terugbetaald, dit bestaat uit een aflossing- en een rentebestanddeel. De eerste perioden bestaat het meer uit rente dan aflossing, maar dit veranderd geleidelijk. Voordeel is dat je als geldnemer steeds te maken hebt met vaste lasten, wat je niet b ij de hypothecaire lening hebt.

Persoonlijke lening =
Lening aan een consument voor aanschaf van duurzame consumptiegoederen (auto, meubels enz.). Voor deze lening moet je meerderjarig zijn en de omvang van de lening hangt af van de hoogte van je inkomen. Meteen beginnen met aflossen van de lening.

Doorlopend krediet =
Consumptief krediet, waarbij met de bank een bepaald bedrag wordt afgesproken dat maximaal geleend mag worden. Het maximaal te lenen bedrag is het kredietlimiet. Is afhankelijk van netto-inkomen van kredietnemer. Er wordt alleen rente betaald over de opgenomen bedragen. Zakelijke variant is rekening-courantkrediet.

Koop op afbetaling =
Er wordt een goed gekocht, geleverd en nadat er een aanbetaling is gedaan wordt de rest naderhand in termijnen betaald.

Huurkoop =
Wordt een aanbetaling gedaan en wordt de rest betaald in termijnen, maar het goed is pas van jou als je de laatste termijn betaald hebt.

Grote voordeel van alle vormen van krediet voor de geldnemer is dat hij nu iets kan kopen zonder over het geld te beschikken. Nadeel is de vaak hoge rente die betaald moet worden en je soms jarenlang aan het aflossen vast zit.


Voor de geldgever geldt als voordeel de rente en als nadeel dat sommige geldnemers vaak teveel lenen waardoor de geldgever soms naar zijn geld kan fluiten.

Huurkoop en koop op afbetaling hebben als nadeel dat ze vastzitten aan de koop van een bepaald goed. Bij de doorlopend krediet kun je doen en laten wat je wilt zolang je onder kredietlimiet blijft, bij de andere 3 zit je vast aan maandelijkse termijn bestaand uit rente en aflossing.

Hypotheeklening =
Lening die je krijgt op onderpand van onroerend goed.

Hypotheek =
Zakelijke zekerheidsrecht op het onroerend goed van iemand anders.

Ongedekt krediet / blanco krediet =
Lening die een bank verstrekt zonder enige vorm van zekerheid.

Hypotheekgever = eigenaar van het onroerend goed
Hypotheeknemer = de bank

Als je een hypothecaire lening hebt moet er een hypotheekakte worden opgemaakt door de notaris; deze zorgt er ook voor dat de hypotheek wordt ingeschreven in het hypotheekregister.
In de hypotheekakte staat de looptijd van de lening, het rentepercentage enz.

Executiewaarde =
De opbrengst van het onroerend goed op een veiling, deze opbrengst is meestal lager dan de opbrengst bij een vrijwillige verkoop.

Basishypotheek =
De lening die de bank verstrekt dat ongeveer 75 tot 90% van de executiewaarde bedraagt.

Tophypotheek =
Als je een hogere lening wilt hebben dan de basishypotheek.

Lineaire hypotheek =
Bij deze lening los je elk jaar een vast bedrag af en wordt er rente betaald over het nog niet afgeloste deel van de hypotheeklening.

Spaarhypotheek =
Bij deze lening wordt gedurende de looptijd van de lening niets afgelost en wordt er gedurende de looptijd van de lening rente over het totale hypotheekbedrag betaald. Je betaald ook premie, deze bestaat uit spaarpremie en een premie voor een overlijdensrisicoverzekering. Met de maandelijkse spaarpremie wordt een kapitaal gespaard. Hierover wordt een spaarrente vergoedt. Het gespaarde bedrag samen met de bijgeboekte rente is precies voldoende om aan het einde van de looptijd de hypotheek af te lossen.

Enkelvoudige interest =
Interest wordt steeds berekend over de hoofdsom; de interest wordt dus nooit berekend over de hoofdsom plus de interest uit eerdere jaren.

Samengestelde interest =
Interest wordt berekend over de hoofdsom plus de bijgeschreven interest uit eerdere jaren, ook wel rente over rente.
Het aflossen van een lening kan op 3 manieren 3:
1. de aflossing ineens op het einde van de looptijd
2. elke periode een gelijk bedrag
3. in het begin van de looptijd weinig aflossen en op het eind van de looptijd veel

Eindwaarde =
Het eindbedrag (beginkapitaal plus alle gevormde interest)
vb. 10000 x (1,08)² De formule van de eindwaarde is:

Contante waarde =
Wat is een vast bedrag in de toekomst op dit moment waard
vb. X = 20000/(1,07)²º

Hoofdstuk 2

Als je een eigen zaak begint moet je de volgende dingen afhandelen:
1. de vestigingsvergunning
Je hebt de juiste diploma’s nodig, je moet weten hoe je moet administreren en je moet kennis hebben van het product dat je gaat verkopen. Een vestigingsvergunning krijg je bij de Kamer van Koophandel
2. Toestemming voor de vestigingsplaats
Je kunt niet zomaar een bedrijf in een pand beginnen. Sommige buurten in een gemeente zijn alleen woongebied en andere voor industriegebied. Het vestigen moet passen binnen het plan van de gemeente. Ook de toestemming in een bepaald pand verkrijg je bij de Kamer van Koophandel.
3. Speciale vergunningen
Bij de gemeente moet je informeren over de Warenwet, de Milieuwetten en de Hinderwet. Ook moet je voor brandveiligheidsvoorschriften naar de gemeente.
4. Inschrijven in het Handelsregister
De naam van elk bedrijf wordt bij de Kamer van Koophandel ingeschreven in het Handelsregister. Bij inschrijving wordt gekeken of de naam niet misleidend is of al bestaat.
5. De administratie
Volgens het Wetboek van Koophandel is ieder bedrijf verplicht op een zodanige wijze administratie te voeren, dat daaruit altijd alle rechten en verplichtingen blijken. Elk jaar moet een bedrijf een balans opmaken en alle papieren moet zij tien jaar bewaren.
6. De vestigingsplaats
Je moet kijken wat het pand kost en of je een hypotheeklening kan regelen. Je kan een staatsgarantie krijgen, dat betekent dat de staat voor alles opdraait als zij hun hypotheekverplichtingen niet meer na kunnen komen. In zo’n geval is de bank bereid om een hogere hypotheeklening te verstrekken.
7. De investeringsbegroting
Hierop staan alle zaken die je moet aanschaffen om een bedrijf te beginnen. Hiermee kun je ongeveer zien hoeveel geld je nodig hebt om een bedrijf te beginnen. Zo’n begroting is een raming van de financieringsbehoefte.
8. De resultatenbegroting
Hierin staat hoe hoog je opbrengsten en kosten zullen zijn in een toekomstige periode. De winst die resteert nadat je de kosten hebt afgetrokken van de opbrengsten kun je gebruiken om zelf van te leven. Zo’n raming is nodig om te bepalen of je je hoofd boven water kunt houden.
9. De liquiditeitsbegroting
Hierop komen alle betalingen en ontvangsten te staan die je in een toekomstige periode moet doen. Geeft aan of je genoeg liquide middelen hebt in kas en op de bank.
10. De rechtsvorm
Elk bedrijf moet een bepaalde rechtsvorm hebben. Dit is de juridische vorm waarin een bedrijf gedreven wordt en is bepalend voor hoe je belasting moet betalen en hoe de aansprakelijkheid is geregeld en wie er overeenkomsten mag sluiten.
De belangrijkste kenmerk van een eenmanszaak is dat er juridisch geen scheiding is tussen het privé- en het zakelijk vermogen. De ondernemer is hoofdelijk aansprakelijk, dit houdt in dat als je failliet gaat dan je niet alleen je onderneming kwijt bent maar ook heel je privé-vermogen. De eigenaar van een eenmanszaak is ook de directeur, hij neemt beslissingen en sluit overeenkomsten af met leveranciers en klanten. Je kunt zelf snel besluiten nemen. Nadeel is dat banken niet snel geld uitlenen omdat slechts één persoon geld in de zaak gestoken heeft, de zaak is afhankelijk van één persoon. Bij ziekte komt de continuïteit in gevaar en bij overlijden houdt de zaak op met bestaan.
Vermogen =
alle bezittingen minus de schulden van iemand op een bepaald tijdstip
11. De verzekeringen
Verzekeren op risico verlies te maken kan niet. Andere risico’s kun je wel verzekeren:
a. een Wettelijke Aansprakelijkheidsverzekering is een verzekering tegen schade die
de verzekerde toebrengt aan derden
b. een opstalverzekering voor het geval er brand uitbreekt, er waterschade optreedt enz
c. de inventaris (= de inboedel van een bedrijf en bestaat uit de vloerbedekking,
gordijnen, verlichting, archiefkasten, bureau, computer enz.) en de voorraden voor
het geval er schade optreedt door bv brand, storm of diefstal
d. een overlijdensrisicoverzekering voor het geval de eigenaar zou komen te overlijden
e. een bedrijfsschadeverzekering vergoedt de schade als gevolg van het niet kunnen
doordraaien van een bedrijf omdat er bv brand of storm is geweest
12. De financiering
Waar je geld dat je nodig hebt vandaan moet halen en hoeveel geld je in je bedrijf steekt.
13. Diversen
Het openen van een girorekening bij de Postbank en een bankrekening. Het zoeken van leveranciers van meubels, verlichting, vloerbedekking, gordijnen, enzovoort.

BTW =
Belasting op de Toegevoegde Waarde en wordt ook wel omzetbelasting genoemd.
Over alle goederen en diensten die een onderneming verkoopt moet BTW berekend worden. Deze belasting wordt door de bedrijven betaald aan de overheid. Bedrijven berekenen deze belasting door in hun verkoopprijs waardoor uiteindelijk de consument deze belasting betaald. De BTW maakt goederen en diensten voor de consument duurder. Het is daarom een zogenaamde prijsverhogende belasting.
De heffing van de BTW werkt als volgt. Iedere ondernemer moet BTW in rekening brengen over alle goederen en diensten die hij verkoopt. Als hij goederen verkoopt, ontvangt hij van de afnemer BTW. Dit moet hij afdragen aan de fiscus (belastingdienst). Wanneer een ondernemer zelf afnemer is, dus goederen inkoopt, dan moet hij BTW aan zijn leverancier betalen. Deze betaalde BTW krijgt hij terug van de fiscus. Het verschil tussen wat hij moet betalen aan de fiscus omdat hij goederen verkocht heeft en wat hij mag terugvorderen van de fiscus omdat hij goederen heeft ingekocht, moet hij afdragen aan de belastingdienst. De BTW wordt altijd berekend over de verkoopprijs excl. BTW.
BTW hoort niet tot kosten van een onderneming en heeft geen invloed op winst of verlies.

Toegevoegde waarde =
De waarde die de ondernemer toevoegt aan de ingekocht goederen. Als je een bank voor €2200 excl BTW inkoopt en verkoopt voor €4000 excl BTW, dan is de toegev. waarde €1800.

De voorraad is het belangrijkste wat je moet aanschaffen als je een onderneming gaat beginnen. Met behulp van een plattegrond kun je inplannen hoeveel je moet inkopen en waar je dat dus allemaal neer gaat zetten. Aan de hand van de plattegrond maak je een inkooplijst.
Er dient een investeringsbegroting te worden gemaakt om vast te stellen hoe groot de financieringsbehoefte is. De investeringen kunnen worden ingedeeld in drie posten:
- Vaste Activa
Alle goederen die langer dan één jaar worden vastgelegd. Wordt ook wel vast kapitaal genoemd. Met kapitaal worden de goederen bedoeld die je nodig hebt om te kunnen produceren. Deze producten zijn aan slijtage onderhevig. Het rekening houden met de waardevermindering van de vaste activa door slijtage noemen we afschrijven. Elk jaar moet er een gedeelte van de aanschaffingsprijs van de vaste activa worden ‘gereserveerd’ zodat na een aantal jaren met het ‘gereserveerde’ geld nieuwe vast activa kunnen kopen ter vervanging van de versleten vaste activa. Het bedrag van de waardevermindering noemen we de afschrijvingskosten. Bij het berekenen van de verkoopprijs van goederen moet je rekening houden met deze afschrijvingskosten.
- Vlottende Activa
Alle goederen die niet langer dan één jaar worden vastgelegd. Binnen één jaar komt al het geïnvesteerde geld weer vrij. Ook wel vlottend kapitaal. Paar voorbeelden:
A. Voorraden
Deze kom je ook wel tegen onder de naam (handels)goederen. Deze heb je om op korte termijn te verkopen, het geld dat ligt opgesloten in de voorraden komt daarom in de regel binnen een jaar vrij.
B. Debiteuren
Debiteuren zijn de afnemers/klanten van wie een bedrijf nog geld tegoed heeft. De afnemers hebben wel iets gekocht, maar nog niet betaald. De onderneming treedt als leverancier op en verstrekt krediet aan zijn klanten, daarom val ‘debiteuren’ tot verstrekt leverancierskrediet.
C. Nog te ontvangen bedragen
Als een ondernemer nog geld moet krijgen van anderen dan klanten. Deze vorderingen noem je ‘nog te ontvangen bedragen’. Bv de huur die nog ontvangen moet worden.
D. Vooruitbetaalde bedragen
Als je een bestelwagen gaat huren en de huur voor een jaar vooruit betaald. Als je de huur na 1 maand opzegt krijg je de huur van 11 maanden terug. Na elke maand huur neemt de vordering op de verhuurder af totdat op het eind van het jaar vordering 0 is.
E. Te vorderen BTW
De BTW wordt meestal een keer per kwartaal verrekend met de fiscus. De BTW die de ondernemer mag terugvorderen behoort tot de vlottende activa en moet men ‘te vorderen BTW’, het gaat immers om een bezitting.
- Liquide Activa
Dat zijn de geldmiddelen die je nodig hebt om je dagelijkse betalingen te doen. Ook wel liquide middelen of liquide kapitaal genoemd. Dit bestaat ui het geld dat je in kas hebt en het geld dat op je giro- en bankrekening staat.

Vermogensbehoefte =
Vermogensbehoefte van een onderneming wordt bepaald door alle kapitaalgoederen die een onderneming nodig heeft of bezit

Eigen vermogen =
Eigen geld, de bedoeling van eigen vermogen is dat het voor altijd ter beschikking van de onderneming staat. Dit is dus geschikt voor de financiering van vaste activa.

Vreemd vermogen =
Geleend geld

Lang vreemd vermogen / lang krediet / langdurig tijdelijk vermogen =
Leningen die een looptijd hebben van langer dan één jaar. Vaste activa kun je hiermee financieren.

Kort vreemd vermogen / kort krediet / kortstondig tijdelijk vermogen =
Leningen die een looptijd hebben van korter dan één jaar. Liquide activa kun je hiermee financieren.

Lang vreemd vermogen
A. De hypotheeklening of hypothecaire lening
Lening die je krijgt op onderpand van onroerend goed. Als je je niet houd aan de aflossings- en renteverplichtingen wordt het onroerend goed openbaar verkocht. Dit heet ook wel executeren.
B. De onderhandse lening
Bij deze lening bestaat er persoonlijk contact tussen de geldgever, degene die geld uitleent, en de geldnemer, degene die geld leent. Bij dit contact wordt er onderhandeld over de voorwaarden van de lening.

Vaak kom je bij leningen de toevoeging o/g tegen dat betekent opgenomen geld. Onderneming heeft dan geld geleend van geldgever en is er sprake van een schuld.
Soms kom je ook de toevoeging u/g tegen. U/g betekent uitgeleend geld, in zo’n geval heeft de onderneming geld uitgeleend aan iemand anders en is er sprake van een bezitting.

Kort vreemd vermogen
A. Het rekening-courantkrediet
Dat is een krediet waarbij de onderneming tot een bepaald maximum bedrag geld mag opnemen bij de bank. Alleen over de opgenomen bedragen wordt rente gerekend.
B. Het ontvangen leverancierskrediet
Dat is krediet dat je krijgt van leveranciers. Wanneer de leverancier goederen aan een onderneming levert en deze onderneming de goederen pas over een maand hoeft te betalen dan leent de leverancier in feite geld uit aan deze onderneming. De schuld die de onderneming aan de leverancier heeft, heet (ontvangen) leverancierskrediet. Ook wel crediteuren.
C. Het ontvangen afnemerskrediet
Dat is krediet dat je ontvangt van een afnemer. De klant betaalt vooruit en krijgt hij de goederen pas later geleverd. Soms wordt een deel vooruitbetaald, dit is aanbetaling.
D. Vooruit ontvangen bedragen
Als je een woning verhuurt en je krijgt de huurt voor een heel jaar vooruit betaald.
E. Nog te betalen bedragen
Bedragen die de ondernemer nog moet betalen. Hieronder valt o.a. energienota, huur
F. Te betalen BTW
De BTW wordt meestal een keer per kwartaal afgerekend met de fiscus. Dit noemt men ‘te betalen BTW’ of ‘te betalen omzetbelasting’. Omdat hij de BTW één keer in het kwartaal wordt afgerekend, ontstaat er een schuld aan de fiscus.

Een balans is een overzicht op een bepaald tijdstip, dat enerzijds laat zien hoe een bedrijf aan zijn vermogen is gekomen en anderzijds hoe het vermogen is aangewend in het bedrijf.
Aan de creditzijde (de rechterkant) van de balans staat het eigen en vreemd vermogen. Ook wel passivakant. Aan de debetzijde (de linkerkant) van de balans staan de bezittingen. Ook wel activakant. Omdat de balans altijd in evenwicht is geldt:
Bezittingen = eigen vermogen + vreemd vermogen

Vermogensaanwending =
De linkerkant (debetkant) van de balans

Vermogensverkrijging =
De rechterkant (creditkant) van de balans

Hoofdstuk 3

Bruto verkoopresultaat =
Verschil tussen de verkoopopbrengst van de verkochte goederen en de inkoopwaarde van die goederen. In het geval van positief resultaat spreken we van brutowinst. Als je bedrijfskosten in mindering brengt op het bruto resultaat vind je het nettoresultaat. In het geval van een positief resultaat spreken we van nettowinst.

Nettoloon =
Brutoloon na aftrek van de loonbelasting en sociale premies.

Resultatenbegroting is geen tijdstipgrootheid maar een periodegrootheid en geeft een overzicht van de oorzaken waardoor het eigen vermogen in een bepaalde periode veranderd.

Als de opbrengsten groter zijn dan de kosten is er sprake van een positief resultaat (winst) waardoor het eigen vermogen groter wordt. Daarnaast kan het eigen vermogen veranderen doordat de eigenaar geld stort in de eigen onderneming of geld uit de onderneming haal voor privé-doeleinden.

Verandering EV = nettowinst + privé-stortingen – privé-opnamen

Kosten =
De geldwaarde van een noodzakelijk geofferde productiemiddelen ten behoeve van de productie van goederen en diensten.
Om een goed en/of dienst te produceren heeft een ondernemer productiemiddelen nodig. Deze kun je indelen in twee hoofdgroepen, arbeid en kapitaal.

Arbeid =
Elke geestelijke of lichamelijke inspanning van de mens gericht op productie.

Kapitaal =
Alle geproduceerde productiemiddelen, het kapitaal van een onderneming vind je terug aan de debetzijde van de balans.

Produceren bestaat nu uit het combineren van de productiemiddelen, arbeid en kapitaal, op een zodanige manier dat er goederen en diensten worden voortgebracht tegen een zo hoog mogelijke winst.

De berekening van de kosten heeft drie functies:
1. Berekening van de kostprijs
Kostprijs kun je omschrijven als de kosten per eenheid product. Die berekent men vaak om de verkoopprijs van een product te bepalen. Bovenop de kostprijs komt een winstopslag en zo vind je de gewenste verkoopprijs.
De berekening is ook nodig voor de planning en de beheersing van het productieproces. De kosten worden van te voren berekend en daarom spreekt men ook wel van een voorcalculatie van kosten. Bij de bepaling van de werkelijke kosten en de toegestane kosten gaat het om een nacalculatie. Met de voor- en nacalculatie kun je vaststellen wat de oorzaken zijn van het kostenverschil.
2. Hulpmiddel bij de balanswaardering en de bepaling van het resultaat
Je moet zowel de opbrengsten als de kosten berekenen om het resultaat over een periode te kunnen vaststellen. Omzet – kosten = resultaat (winst)
3. Hulpmiddel bij het nemen van beslissingen
Kostenberekening wordt o.a. gebruikt als hulpmiddel bij het nemen van investeringsbeslissingen.

Kosten kunnen op drie manieren worden ingedeeld:
a. naar soort
b. naar de functie die ze hebben in het productieproces
c. al naar gelang ze contant of variabel zijn

Als je een overeenkomst sluit bij een aankoop van een goed of dienst, dan zijn er altijd twee partijen betrokken. De verkoper is verplicht tot het leveren van een goed of dienst en de koper is verplicht aan de betaling. Als de koper zijn betalingsverplichting niet inlost, krijgt hij een schuld aan de verkoper. Een betaling is altijd aan een bepaald tijdstip gebonden, je noemt een betaling daarom ook wel een tijdstipgrootheid.
Kosten zijn niet gebonden aan een tijdstip maar aan een periode, periodegrootheid.

Het opnemen in een resultatenoverzicht van de kosten en opbrengsten die daadwerkelijk toebehoren aan de periode waarover het resultatenoverzicht verslag doet heet permanentie. Meestal passen ondernemers de permanentie met de maandelijkse resultatenbepaling toe, maar het komt ook voor dat men per kwartaal of jaar het resultaat bepaalt. Door toepassing van de permanentie krijg je op de balans te maken met zogenaamde overlopende posten. Hieronder valt o.a. ‘nog te betalen huur’, omdat er sprake is van een schuld op korte termijn en valt daarom onder overlopende passiva. In de maanden voor de betaling van de huur houd je al rekening met de kosten. Je loopt vooruit, anticipeert op de betaling op een laster tijdstip en daarom heet het anticipatiepost.
De ‘vooruitbetaalde huur’ behoort ook tot overlopende posten maar hier is sprake van een bezitting en hoort daarom bij het overlopende activa. Het rekening houden met de kosten wordt uitgesteld, daarom heet het ook wel uitstelpost.

Categoriale kostenindeling =
Men kijkt naar de categorie (soort) productiemiddelen die de kosten veroorzaakt.

Er zijn 7 kostensoorten:
1. De kosten van het vermogen
De vermogensbehoefte van een onderneming wordt bepaald door alle kapitaalgoederen die een onderneming nodig heeft of bezit. Aan de creditzijde staat hoe er aan de vermogensbehoefte is voldaan en in welke vorm (vv, vkv, vlv).
Het aantrekken van vermogen kost geld, daarom heet het vermogenskosten. Hierbij horen interest- of rentekosten.
2. De kosten van de grond
De kosten van de grond bestaan alleen uit de interestkosten van het in de grond geïnvesteerde vermogen. Wanneer een ondernemer de grond gebruikt voor de winning van delfstoffen dan daalt de waarde van de grond in de loop van de tijd. De kosten van de grond bestaan in zo’n geval niet alleen uit interestkosten maar ook uit afschrijvingskosten. Pacht wordt niet gerekend tot kosten van de grond maar tot de kosten van diensten van derden, omdat je het huurt van iemand.
3. De kosten van arbeid
Loonkosten bestaat uit brutoloon plus het werkgeversaandeel in de premies voor de werknemersverzekeringen plus het werkgeversaandeel in de pensioenpremie.
Als je de hoogte van iemands loon wilt vaststellen en je uitsluitend naar de prestaties kijkt die iemand levert, kijk je naar de prestatieloon. Als de prestatie te meten is in stuks dan spreek je van stukloon. Tijdloon is het loon dat afhankelijk is van de tijd dat men werkt.
Sociale verzekeringen zijn verplichte verzekeringen die door de overheid worden opgelegd. Dit is bedoeld om mensen die hun inkomen verliezen of bepaalde hoge kosten hebben te helpen. Het bestaat uit volkverzekeringen en werknemersverzekeringen. Volksverzekeringen gelden voor alle Nederlanders en daarom moet elke Nederlander premie betalen voor deze verzekeringen als hij een inkomen heeft. Werknemersverzekeringen gelden alleen voor werknemers en dat zijn mensen die in dienst zijn van een werkgever. Zij zijn ook degenen die de premies voor deze verzekeringen moeten betalen. Er zijn de volgende sociale verzekeringen:
* De volksverzekeringen
- AOW (algemene ouderdomswet). Iedereen die 65 jaar of ouder is krijgt dit.
- ANW (algemene nabestaanden wet). Iemand waarvan de partner overlijdt.
- AKW (algemene kinderbijslagwet). Voor iedereen die kinderen onder de 18 heeft.
- AWBZ (algemene wet bijzondere ziektekosten). Ziektekosten worden vergoed.
- WAZ (wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen)
* De werknemersverzekeringen
- WW (werkloosheidswet). Werknemers die onvrijwillig werkloos worden krijgen
WW van 70% van laatstverdiende loon.
- WAO (wet op de arbeidsongeschiktheid). Na 1 jaar ziekte krijgt hij deze uitkering
- ZFW (Ziekenfondswet) Als je minder dan €31750 verdient is dit verplicht.
Loonbelasting en premies voor de volksverzekeringen worden via loonheffing geïnd. Werkgever houdt de loonheffing op je loon in en draagt dit aan de belastingdienst af. Ook sociale premies worden van je loon afgehaald. Deze premies gaan naar UWV (Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen). Deze heeft een controlerende functie: is een werkloze werkelijk werkloos etc.

Nettoloon = Brutoloon – loonheffing – sociale premies
Als een ondernemer iemand in dienst neemt wordt er een arbeidsovereenkomst gesloten. De werknemer verplicht zich tot het verrichten van arbeid en de werkgever tot het betalen van loon. Voor de werkgever ontstaat een betalingsverplichting.
Het bedrag aan premies werknemersverzekeringen dat door de werknemer wordt betaal, noemt men ook wel het werknemersaandeel in de sociale premies. Premies voor pensioenregeling worden pensioenlasten genoemd en behoren tot de loonkosten.
4. De kosten van diensten van derden
Er wordt praktisch altijd producten gekocht van mensen buiten de onderneming, die mensen noem je derden. Deze producten kunnen tastbaar zijn. Als ze niet tastbaar zijn spreek je van diensten.
5. De inkoopwaarde van de verkochte producten
Door van spaargeld veel zonnebrillen te kopen maak je geen kosten. Je hebt je geld bezitting verruild in bezitting van zonnebrillen. Pas als je de brillen verkoopt, neemt je voorraad af en die afname van de voorraad wordt beschouwd als kosten. Omdat de voorraad afneemt door de verkoop van de brillen spreek je ook wel van de inkoopwaarde van de verkochte producten of inkoopwaarde van de omzet. Inkoopkosten zijn kosten als telefoon-, fax- en portokosten. Met inkopen wordt bedoeld voor welk bedrag je hebt ingekocht.
Matching-beginsel is dat de kosten altijd dienen te worden toegerekend aan de producten die in een bepaalde periode worden verkocht.
6. De kosten van duurzame productiemiddelen
Duurzame productiemiddelen worden gerekend tot het vaste kapitaal. Het gaat meerdere jaren of meerdere productieprocessen mee. Slijtage veroorzaakt een waardedaling van het duurzaam productiemiddel. Hiermee moet je rekening houden, dit heet afschrijven. Het bedrag waarover mag worden afgeschreven bestaat uit het verschil tussen de aanschaffingsprijs en de restwaarde van het duurzaam productiemiddel. Aanschaffingsprijs van een duurzaam productiemiddel bestaat uit:
1. de aankoopprijs van het productiemiddel en
2. de installatiekosten die vaak voorkomen bij machines. Dit heet soms ook wel het bedrijfsklaar maken van het productiemiddel.
Met de restwaarde van een duurzaam productiemiddel wordt de waarde van het productiemiddel op het eind van de gebruiksduur bedoeld. Sloopkosten, die gemaakt worden wanneer een duurzaam productiemiddel wordt afgedankt, moeten in mindering gebracht worden op de restwaarde.
Technische levensduur is de periode gedurende welke het productiemiddel prestaties levert. De economische levensduur is de periode gedurende welke het duurzaam productiemiddel prestaties levert die waarde hebben voor de onderneming. Een afschrijvingsmethode is afschrijven met een vast % van de aanschaffingsprijs. Het verschil tussen de aanschaffingsprijs en de som van alle gedane afschrijvingen noemt men de boekwaarde. Omdat een duurzaam productiemiddel meerdere jaren meegat wordt de uitgave in een bepaald jaar niet als kosten beschouwd voor dat jaar. De uitgave wordt uitgesmeerd over de jaren dat het duurzaam productiemiddel economische rendabel is voor de onderneming. De afschrijvingsrekening is een soort correctierekening of tegenrekening om de eigenlijke waarde (boekwaarde) van het duurzame productiemiddel vast te stellen. Er zijn twee systemen:

De methode van afschrijven met een vast percentage van de aanschaffingsprijs wordt ook wel lineaire afschrijving genoemd.
7. De kostprijsverhogende belastingen
Dit zijn belastingen die geheven worden op goederen en diensten en die opgenomen worden in de kostprijs. De belastingen worden doorgerekend in de verkoopprijs van zijn producten zodat uiteindelijk de afnemer/consument deze belastingen betaalt. Daarnaast is er belasting op de winst van een onderneming, deze belasting is men alleen verschuldigd indien er winst gemaakt wordt en daarom vormt deze belasting geen bestanddeel van de kostprijs. De belasting op de winst van een eenmanszaak wordt inkomstenbelasting genoemd terwijl de belasting op de winst van een NV of BV vennootschapsbelasting genoemd word.

Volgens het matching-beginsel worden de kosten altijd toegerekend aan de producten die in een bepaalde periode worden verkocht. Voor een ondernemer is de omzet de belangrijkste opbrengst. In de maanden voor de ontvangst van de huur houd je al rekening met de opbrengsten.

Hoofdstuk 4

Liquiditeit =
De mate waarin een onderneming op de korte termijn in staat is zijn kort vreemd vermogen te betalen.

Als de som van het liquide en vlottend kapitaal groter is dan het kort vreemd vermogen is de onderneming theoretisch gezien liquide. Het nadeel hiervan is dat het de liquiditeit op een bepaald tijdstip weergeeft. Een bedrijf kan van de een op de andere dag illiquide worden en daardoor in betalingsproblemen komen.

Om een liquiditeitspositie in de toekomst te beoordelen stelt een onderneming een zogenaamde liquiditeitsbegroting op, dat is een overzicht van alle ontvangsten en betalingen van een onderneming in een toekomstige periode.

Toekomstige ontvangsten worden meestal bepaald door de verkopen, terwijl de toekomstige uitgaven meestal bepaald worden oor de inkopen en de aanschaf van andere activa, de betaling van diensten, lonen, belastingen, heffingen enz.


Bij een liquiditeitsbegroting gaat het om de verwachte ontvangsten en de verwachte betalingen in een toekomstige periode. Bij het maken van zo’n begroting moet je je steeds afvragen of een bepaald financieel feit leidt tot een verandering van de kas, bank of giro, als dit zo is dan wordt het financiële feit opgenomen in de liquiditeitsbegroting.
Kosten hebben altijd betrekking op een periode terwijl betalingen altijd plaats vinden op een bepaald tijdstip.

Opbrengsten hebben altijd betrekking op een periode terwijl ontvangsten plaatsvinden op een bepaald tijdstip.

Als debiteuren gemiddeld 1 maand later betalen spreek je ook wel van een gemiddelde krediettermijn van debiteuren van 1 maand.
Als de gemiddelde krediettermijn van crediteuren 2 maanden is dan wil dat zeggen dat de ondernemer zijn leveranciers 2 maanden nadat de goederen geleverd zijn betaald.

In een liquiditeitsbegroting wordt precies opgeschreven in welke periode welke betalingen gedaan moeten worden en in welke periode welke ontvangsten verkregen zullen worden; op deze wijze is precies vast te stellen of men in een bepaalde periode meer ontvangt dan men betaalt of dat men meer betaalt dan ontvangt.
Voor een startende onderneming geeft een liquiditeitsbegroting aan hoeveel geld de ondernemer moet investeren in zijn liquide middelen (kas, bank, giro). Voor een ondernemer die al een tijdje draait geeft de liquiditeitsbegroting aan of hij teveel of te weinig liquide middelen heeft.

Resultatenbegroting / resultatenraming =
Een overzicht van alle opbrengsten en kosten van een onderneming in een toekomstige periode.

De resultatenbegroting geeft aan of de onderneming in de toekomst winst of verlies zal maken. De resultatenbegroting lijkt heel veel op de liquiditeitsbegroting, alleen gaat het nu niet om ontvangsten en betalingen maar om opbrengsten en kosten.

Als je beschikking hebt over een beginbalans dan is het mogelijk om m.b.v. de resultatenbegroting en de liquiditeitsbegroting een verwachte balans af te leiden. Zo’n balans noem je een geprojecteerde balans of ook wel een voorcalculatorische balans. Het nieuwe eigen vermogen wordt bepaald door:

Het begrote nettoresultaat is het saldo van de resultatenbegroting en de begrote privé-stortingen en privé-opnamen vind je terug in de liquiditeitsbegroting.

De voorraad neemt toe door inkopen en neemt af door de inkoopwaarde van de verkopen.

Inkoopwaarde van de verkopen (kosten verkopen) vind je terug op de resultatenbegroting.

Door betalingen van klanten neemt de post debiteuren af en door verkopen op rekening neemt debiteuren toe.

De ontvangsten van debiteuren staan op de liquiditeitsbegroting. De verkopen op rekening (incl. BTW) kun je niet zonder meer uit de resultatenbegroting halen omdat alle bedragen in deze begroting exclusief BTW zijn. Bovendien is het mogelijk dat in de resultatenbegroting alle verkopen op een hoop zijn gegooid en dan kun je de verkopen op rekening niet splitsen van de contante verkopen zonder extra gegevens.

Voor crediteuren geldt eigenlijk hetzelfde verhaal.

De betalingen aan de crediteuren vind je op de liquiditeitsbegroting. De inkopen op rekening (incl. BTW) kun je meestal niet direct uit de liquiditeitsbegroting halen daarvoor heb je extra gegevens nodig.

De vaste activa nemen af door afschrijvingen die je terug kunt vinden op de resultatenbegroting en kunnen verder veranderen door investeringen in nieuwe vaste activa en door de verkoop van oude vast activa. De investeringen en desinvesteringen vind je terug op de liquiditeitsbegroting denk er wel aan dat je alle excl. BTW bekijkt.

Leningen nemen af door aflossingen en nemen toe door het aangaan van nieuwe leningen, beide mutaties op de liquiditeitsbegroting.

Een ondernemer die een pand huurt waarvan de huur jaarlijks achteraf betaald moet worden, krijgt op de balans te maken met een post ‘te betalen huur’. Deze post ‘te betalen huur’ neemt toe als de ondernemer huurt (huurkosten) en neemt af als de ondernemer huur betaalt.

De huurkosten vind je terug op de resultatenbegroting en de huuruitgaven op de liquiditeitsbegroting.

Indien de huur vooruitbetaald wordt en deze vooruitbetaling niet samenvalt met de datum waarop de balans wordt samengesteld dan heb je te maken met de bezetting ‘vooruitbetaalde huur’. Zodra je de huur vooruitbetaalt wordt de bezitting groter, de post ‘vooruitbetaalde huur’ neemt natuurlijk af door elke maand dat je huurt.

Een ondernemer kan ook een pand verhuren. Als de huur door de huurder jaarlijks achteraf wordt betaald dan krijgt de verhuurder op zijn balans te maken met de bezitting ‘nog te ontvangen huren’. Deze vordering neemt toe door huuropbrengsten en neemt af door huurontvangsten.

Wanneer de huur vooruit ontvangen wordt krijg je:

Dezelfde verbanden krijg je natuurlijk bij interest, energiekosten, abonnementskosten, enz. je moet alleen goed opletten bij kosten en opbrengsten die onder de BTW vallen, want als dat het geval is dan zijn alle genoemde posten hiervoor incl. BTW behalve de posten op de resultatenbegroting die zijn allemaal excl. BTW. Je zult bij de bedragen van de resultatenrekening dan de BTW moeten optellen.

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

5581
 

reacties

 
Serieus een keigoede samenvatting! Ik ga zelf een site maken zoals scholieren en wil vargen of deze samenvatting erop mag komen
door Mark (reageren) op 11 januari 2005 om 18:34
hey, ik wou nog effe vragen of je ook nog samenvattingen van eenmanszaak deel 2 hebt, van de firma en van de naamloze vennootschap. wil je het dan effe mailen. bedankt ciao
door fatma (reageren) op 19 mei 2005 om 17:11
Hoi, ik wou nog vragen of je ook de samenvattingen van de andere lesbrieven van M&O had. Kan je ze me alsteblieft toemailen. ik heb ze nu hard nodig, zo snel mogelijk. Ok bedankt!!!!
door Fatma Tuncer (reageren) op 14 oktober 2005 om 14:44
wat een slechte samenvatting. de helft ontbreekt
door jules verbeek (reageren) op 23 maart 2011 om 16:54
nee hoor grapje maar kan wel iets beter
door Henk (reageren) op 29 maart 2011 om 12:10
Goeie samenvatting, maar grote fout: bank is geldGEVER en eigenaar de geldNEMER!!!! niet andersom dus, xxx
door fatma (reageren) op 24 juni 2013 om 17:41