Module 1 t/m 5

Informatica

Samenvatting

Fundament Informatica

7.7 / 10
4e klas vwo
  • anoniem
  • NL
  • 6258 woorden
  • 42528 keer
    626 deze maand
  • 4 november 2004
Module I - Informatica Hoofdstuk 1 Gegevens zijn feiten of gebeurtenissen die op een afgesproken wijze zijn vastgelegd, zodat er verwer-king mogelijk is. Gegevens vormen de grondstof van informatie. ICT (informatie- en communicatietechnologie) is het geheel van hardware, software en datacommuni-catiefaciliteiten en de diverse toepassingen daarvan. Primaire processen zijn de kernactiviteiten. Aan primaire processen ontleent de onderneming zijn bestaansrecht. Bijv: • inkoop • productie • verkoop • logistiek Secundaire processen zijn de activiteiten die de primaire processen ondersteunen. Bijv: • personeelszaken • salarisadministratie • kantine • postkamer Binnen een bedrijf speelt informatie een essentiële rol. We onderscheiden informatie in: • informatieverzorging; de wijze waarop binnen een organisatie de afstemming, het beschik-baar stellen, en het verzamelen van informatie geregeld is. De informatieverzorging omvat: * het verzamelen en vastleggen van gegevens * het verwerken van de gegevens tot informatie * het verstrekken van informatie * het opslaan van gegevens die voor langere tijd bewaard moeten worden • informatievoorziening; hiertoe behoren alle middelen die ingezet worden om de informatie te krijgen. De informatievoorziening wordt ook wel informatie-infrastructuur genoemd. Hoofdstuk 2 Een informatiesysteem is een systeem dat gericht is op het leveren van de informatie die nodig is om een bepaald doel te bereiken. Een systeem is een geheel samenhangend, geordend geheel van onderdelen die een gemeenschappe-lijk doel dienen. Voorbeelden van systeemfuncties zijn invoer, verwerking en uitvoer. Als een van deze functies wordt uitgevoerd, spreken we van een proces. Bij het uitvoeren van de processen moet steeds worden bijgestuurd, op basis van sturingssignalen en terugkoppelingen. Het ontwerpen van een nieuw (geautomatiseerd) informatiesysteem heet systeemontwikkeling. De eisen die aan informatie gesteld worden, hebben betrekking op: • volledigheid • relevantie (informatie afgestemd op het te bereiken doel) • actualiteit • juistheid • nauwkeurigheid • controleerbaarheid • overzichtelijkheid • tijdigheid We stellen de volgende eisen aan een informatiesysteem: • betrouwbaarheid; juistheid, volledigheid, tijdigheid • continuïteit; geen groot risico uitval systeem • efficiëntie; goede prijs-kwaliteitverhouding, snelheid van antwoorden, gebruiksvriendelijk • effectiviteit; bijdrage aan het realiseren van bedrijfsdoelstellingen Een informatiesysteem bestaat uit 5 systeemfuncties: • invoer • uitvoer • verwerking • opslag • besturing Een informatiesysteem bestaat uit 5 hulpbronnen: • hardware • software • gegevensbestanden • procedures (regels die nageleefd moeten worden om het systeem goed te laten functioneren) • mensen In bedrijven worden informatiesystemen om de volgenden redenen ingezet: • Ter ondersteuning voor het verkrijgen van strategisch voordeel • Ter ondersteuning bij het nemen van beslissingen door de leiding met betrekking tot verbete-ring van de bedrijfsvoering • Ter ondersteuning bij de uitvoering van het werk Er zijn 2 soorten informatiesystemen: • Managementinformatiesystemen (MIS). Deze wordt gebruikt als ondersteuning bij het ne-men van beslissingen door de leiding ter verbetering van de bedrijfsvoering en voor het ver-krijgen van strategische voordelen. Bijv: * informatierapportagesysteem: produceert rapporten en overzichten. * beslissingsondersteunend systeem: analyseert gevolgen van bepaalde beslissingen * beleidsinformatiesysteem: biedt essentiële informatie om beleid voor met name de langere termijn te kunnen maken • Operationele informatiesystemen. Deze zorgt voor de gegevensverwerking bij het uitvoeren van dagelijkse werkzaamheden. Bijv: * Kantoorautomatiseringssysteem: systeem voor tekstverwerking, e-mail etc. * Transactieverwerkingssysteem: verwerkt zakelijke transacties (bv overschrijven geld) * Procesbesturingssysteem: bestuurt bijv processen in een fabriek Hoofdstuk 3 Aspecten die een rol spelen bij de grootschalige uitwisseling van informatie zijn: • Privacy; moet iedereen alle gegevens over zichzelf beschikbaar stellen? • Juistheid; wie is er verantwoordelijk voor de betrouwbaarheid van informatie? • Toegankelijkheid; wie mag welke informatie ontsluiten? • Eigendom; Wie is de eigenaar van de informatie? Moet hij onder alle omstandigheden worden betaald? ICT heeft invloed op de werkgelegenheid: er zijn veel banen gecreëerd en verdwenen. Voorbeelden van banen die gecreëerd zijn: • Programmeur; ontwerpt computerapplicaties, ontwikkelt en test. • Systeemanalist; analyseert de informatiebehoefte van een bedrijf en gaat na in hoeverre het bestaande informatiesysteem aangepast moet worden, om in die behoeften te voorzien. • Systeemontwikkelaar; ontwikkelt een informatiesysteem op een vooraf vastgestelde methode. • Netwerkbeheerder; is verantwoordelijk voor het goed functioneren van een bedrijfsnetwerk. • Webdesigner; ontwerpt en ontwikkelt websites. • Databaseadministrator; zorgt ervoor dat de gegevens in gegevensbanken up-to-date blijven. • Applicatiebeheerder; kent alle in en outs van een applicatie en houdt zich bezig met toepas-singssoftware. Veel mensen hebben lichamelijke klachten door langdurig computergebruik (hoofdpijn, nekpijn). De nadelen van ICT moeten zoveel mogelijk worden beperkt. Bij het ontwerp van systemen moet worden gelet op het gebruiksgemak en de doelmatigheid. Ook bescherming van de privacy en bevei-liging tegen onbevoegd gebruik moeten bij het ontwerp een rol spelen. Van gebruikers moet verlangd worden dat ze niet opzettelijk misbruik maken van de gegevens waartoe ze toegang hebben. Module II - Hardware Hoofdstuk 1 Verschillende computergeneraties: * Eerste generatie (1940 – 1955). Deze was gebaseerd op radiobuizen als schake-leenheden. Computers waren langzaam en namen een kamer in beslag. * Tweede generatie (1955 - 1964). Radiobuizen werden vervangen door transis-tors. De transistor is kleiner en vraagt minder energie. * Derde generatie (1964 – 1971). Computers konden kleiner worden, doordat er IC’s (Integrated Circuits) konden worden toegepast -> chip. * Vierde generatie (1971 – nu). Door de komst van de microprocessorchip, kon de computer nog kleiner worden gemaakt. Er zijn verschillende soorten computers: * Supercomputer: Snelste computers die gemaakt worden. Ze worden gebruikt voor gecompliceerde berekeningen, bijvoorbeeld ruimtevaartprojecten. Super-computers maken gebruik van parallelle verwerking: er vinden tegelijkertijd verschillende bewerkingen naast elkaar plaats, die allemaal een enorme reken-capaciteit vergen. * Mainframe: Zeer krachtige en snelle computers. Verschillende programma’s kunnen tegelijkertijd worden uitgevoerd. Er is sprake van time sharing: de processor verdeelt zijn tijd over een groot aantal gebruikers en programma’s. Er wordt korte tijd aandacht aan een programma besteed, waarna een volgend programma aan de beurt is. Gegevens moeten snel worden verwerkt. * Midrangecomputer / minicomputer: Kleinere en minder krachtige computers. Er kunnen ongeveer enkele tientallen mensen tegelijkertijd op zo’n computer werken, bijvoorbeeld bij procesbesturing in fabrieken. * Microcomputer / pc: Wordt gebruikt voor tekstverwerking, boekhoudpro-gramma’s, surfen op Internet etc. Dit kan een multimediacomputer zijn: een gewone pc die geluid en video kan weergeven. Er zijn ook kleinere computers: * Handheld computer / palmtop: Een computer ter grootte van een mobiele tele-foon. De computer werkt onder een speciale versie van Windows. Deze wordt gebruikt voor tekstverwerking. * PDA (Personal Digital Assistent): Dit is een zakcomputer, zo groot als een agenda. Deze computer wordt gebruikt voor tekstverwerking en boekhouding Hoofdstuk 2 Randapparatuur: De verzamelnaam voor alle onderdelen die iets met invoer, uit-voer en de opslag van gegevens te maken hebben. Extern geheugen: Media waarop verwerkte gegevens kunnen worden vastgelegd. Er zijn de volgende soorten invoerapparatuur: * Toetsenbord. Er zijn twee soorten toetsenborden, namelijk het QWERTY-toetsenbord en het AZERTY-toetsenbord. We onderscheiden in een toetsenbord: * Het alfanumerieke deel met letters, cijfers, leestekens en andere tekens. * Het numerieke deel met cijfers en tekens voor berekeningen. * Het functietoetsengedeelte die bepaalde functies kunnen uitvoeren. * Het gedeelte met de cursorbesturingstoetsen. Ook is er een ergonomisch toetsenbord -> toetsen worden iets geknikt. * Muis. * TrackBall. Het lijkt op een muis die op z’n kop ligt; het balletje ligt bovenop. Door met je vinger dit te bewegen krijg je hetzelfde effect als met een muis. * Joystick. Wordt gebruikt voor spelletjes. * Touch screen / aanraakscherm. De computer reageert als je het beeldscherm aanraakt. * Scanner. Er zijn twee verschillende soorten scanners, namelijk flatbedscanners (paginascanners) en handscanners. Ook wordt de leespen gebruikt. * Digitale camera. Het beeld wordt in de camera geprojecteerd, met een scanner afgetast en opgeslagen. * Webcam. Deze wordt op de pc aangesloten en vertoont de opgenomen beel-den op de monitor. * Microfoon. Je kunt via de computer een gesproken commando geven en spraakherkenning is mogelijk. * Sensoren. Dit is een soort elektronische ‘voelspriet’. Hierdoor peilt de compu-ter wat er in de omgeving gebeurt. * Plastic card. Er zijn twee soorten: de magneetkaart (magneetstrip) en een IC-kaart (chip). Kaarten met dergelijke mogelijkheden heten smart cards. Plastic cards kunnen worden gelezen door terminals, zoals pinautomaat. Er zijn de volgende soorten uitvoerapparatuur: * Beeldscherm. De verschillen worden bepaald door: * Kleur of monochroom. * Afmetingen. Eerst: 14 en 15 inch; nu: 17 en 21 inch. * CRT of LCD. CRT wordt gebruikt bij de meest pc’s. LCD wordt ge-bruikt bij notebooks, PDA’s etc. Ze verbruiken weinig stroom en ze zijn dun en vlak. De leesbaarheid is afhankelijk van de lichtinval. Een verbe-terde uitvoering hiervan is het TFT-scherm. Je bent niet afhankelijk van de lichtinval. Alleen is een TFT-scherm duurder. * Resolutie. De monitor is opgebouwd uit pixels. Hoe meer pixels, hoe hoger de resolutie, hoe scherper het beeld. * Vernieuwingsfrequentie / refresh rate. Een zichtbaar beeld op de moni-tor wordt steeds opnieuw gebouwd. Hoe sneller dit gebeurt, hoe rusti-ger het beeld is. Dit is de vernieuwingsfrequentie van het beeldscherm en deze wordt uitgedrukt in Herz. 75 Herz betekent dat het beeld 75 keer per seconde opnieuw wordt opgebouwd. * Printer. Er zijn de volgende soorten: * Matrixprinter. In de printkop zitten een aantal pinnetjes. Deze worden uit de kop geschoven en drukken tegen een inktlint, waardoor er een putje op het papier verschijnt. Sommige printers hebben een condens-functie: de regels worden in twee of meer keren geprint. Hierdoor wordt de kwaliteit groter, die aangeduid wordt met Near Letter Quali-ty. Ze maken een enorm lawaai en zijn wel goedkoop. Oudere matrix-printers werken nog met kettingpapier. * Inkjetprinter. In de printkop van de inkjetprinter zit een inktpatroon en van daaruit wordt inkt op het papier gespoten. De inkt vlekt gemakke-lijk en doorslagen zijn niet mogelijk. * Laserprinter. Een laserprinter bouwt eerst een hele pagina in zijn ge-heugen op en daarna drukt hij het af. Ze werken met een toner in plaats van inkt. Door gebruik van statische elektriciteit, zorgt de laserprinter ervoor dat de toner op het papier wordt vastgelegd. Een nadeel van de laserprinter is dat er ozon vrij komt. * Plotter. Terwijl een printer puntjes op papier zet, trekt een plotter lijnen met behulp van een pen. Dit is handig bij het maken van schema’s. * Speakers. * LCD-projecor / beamer. Een schermbeeld van een computer kan op een projec-tiescherm worden geprojecteerd. * Productierobots. Opslagcapaciteit: Dit geeft aan hoeveel gegevens de gegevensdrager op kan slaan. Zoektijd: De gemiddelde tijd die nodig is om gegevens op te zoeken. Toegangstijd: Zoektijd. Doorvoersnelheid: De snelheid waarmee de gegevens naar de processor worden doorgestuurd. Overdrachtssnelheid: Doorvoersnelheid. Gegevens kunnen op de volgende manieren worden vastgelegd: * Magnetische gegevensdragers: * Harde schijf. Deze is ingedeeld in sporen en sectoren. Dit is gebeurd tij-dens het formatteren van de schijf. Als je iets van de harde schijf wilt le-zen, beweegt een lees / schrijfknop heel snel vlak boven het oppervlak van de schijf. Deze gaat naar de juiste sporen en sectoren om gegevens in te lezen, of naar vrij sporen en sectoren om gegevens weg te schrij-ven.Welke sporen en sectoren zijn ingenomen door welke gegevens, wordt bijgehouden in een File Allocation Table (FAT-tabel). Ook bevin-den zich er cilinders: boven elkaar gelegen sporen van alle schijfkanten gezamenlijk. * Diskette. Het magnetische schijfje van de diskette kan door de lees / schrijfknop aan beide zijden gelezen en beschreven worden. * Zip-disk. Deze wordt geplaatst in een zip-drive. Het schijfje draait bijna tien keer zo snel rond als dat van een diskette. De opslagcapaciteit is ongeveer 100 keer zo groot als die van een diskette. * Jaz-disk. Deze hebben een opslagcapaciteit van 1 of 2 GB en het appa-raat kan 8 MB/s overdragen. Ze zijn er zowel extern als intern. Er kun-nen snel grote bestanden op worden geslagen. * Tape. Werkt ongeveer op de zelfde manier als een cassettebandje. Ze worden veel gebruikt als back-ups. Er kunnen enkele GB aan gegevens op worden geslagen. De tape is erg traag. * Optische gegevensdragers (m.b.v. laserstraal). * Cd-rom. * Cd-rw en cd-r. * Dvd. Opslagcapaciteit is 4,7 GB. Het is mogelijk om beide kanten te be-schrijven. Virtual reality houdt in dat de simulatie op de computer van een echte of een fanta-siewereld die door de gebruiker ervaren kan worden als of hij zich er middenin be-vindt. Dit kan worden gepresenteerd in een ruimte of in een driedimensionale kamer Dit kan worden gebruikt voor CAD, ontwerpen met behulp van een computer, vluchtsimulaties, wetenschappelijke experimenten, maar ook voor amusement. Hoofdstuk 3 Voor het verwerken van invoer is het volgende nodig: * Een programma, met opdrachten die de computer moet uitvoeren. * Een processor, om de opdrachten uit te voeren. * Geheugen, om het programma en de gegevens tijdens de verwerking tijdelijk op te slaan. Aan een byte wordt een pariteitsbit toegevoegd, zodat er wordt gecontroleerd of een byte wel goed is overgekomen. Er zijn twee vormen van pariteit: even pariteit en oneven pariteit. Er is sprake van even pariteit als het aantal enen van de byte plus de pariteitsbit een even getal is. Het interne (meestal 128 MB) bestaat uit de volgende geheugenchips: * ROM: Een gedeelte van het interne geheugen waarin gegevens staan die alleen gelezen kunnen worden en je dus niet kan wijzigen. De gegevens in het ROM-geheugen worden niet gewist. ROM wordt steeds vaker vervangen door EEPROM: Erasable and Programmable ROM. Bij deze chips kunnen wel wij-zigingen worden aangebracht. De belangrijkste EEPROM’s zijn BIOS (gege-vens die de computers nodig heeft om met de belangrijkste onderdelen te kunnen werken) en CMOS (hierin worden BIOS-gegevens opgeslagen). In het ROM-geheugen zijn de volgende programmaatjes opgeslagen: * POST: Wanneer de computer opstart, worden de processor, het geheu-gen, en wat andere zaken getest. De tests heten samen POST. * SETUP: Een programma dat allerlei menu’s op het scherm weergeeft. * RAM / werkgeheugen: Dit is het gedeelte van het interne geheugen waarin tijdelijk gegevens en instructies worden opgeslagen. De gegevens worden voortdurend gewijzigd. De gegevens in het RAM gaan verloren als de pc wordt uitgezet. De pc’s worden in twee uitvoeringen geleverd, namelijk het desktopmodel en het towermodel. Bij een towermodel staat het moederbord rechtop, waardoor hij minder in de weg staat. Alle onderdelen waarvan de computer gebruik maakt, moeten op het moederbord zijn aangesloten. De centrale verwerkingseenheid bestuurt het hele computersysteem. de CVE is de enige processor in de pc. De processor zorgt voor de besturing van de computer en voor het uitvoeren van berekeningen. Je kunt de CKE splitsen in een besturingsor-gaan en een rekenorgaan. Hoe sneller de processor is, hoe hoger de verwerkings-snelheid of rekensnelheid (de snelheid waarmee de processor de gegevens verwerkt). Hoeveel instructies een computer in één seconde kan verwerken, wordt uitgedrukt in mips. Bij de computer is er ook sprake van een kloksnelheid, die wordt bepaald door een klokchip. De klokchip geeft een vast aantal malen per seconde een puls aan de pro-cessor. Het aantal pulsen per seconde wordt uitgedrukt in Hertz. Twee mogelijkheden om een systeem sneller te maken: * Instructies en gegevens op slaan in extra werkgeheugen, dat de processor rechtstreeks kan gebruiken (cachegeheugen). De prestaties van de computer worden sterk vergroot. * Gebruik maken van parallelle processors. Er worden een aantal instructiepro-cessors gebruikt om verschillende programma-instructies tegelijkertijd te kun-nen uitvoeren (parallelle verwerking). Een bus is een verbinding waarlangs gegevens worden vervoerd. Voor de snelheid van de verbinding zijn de lengte en de breedte van de bus van belang. De meeste computers hebben de volgende bussen: * Databus / processorbus: de gegevens worden verstuurd tussen de processor, het geheugen en de andere apparaten. Voorbeelden zijn ISA-bus en PCI-bus. * Controlbus: alle apparaten krijgen op hetzelfde moment een signaal dat er ge-gevens verwerkt mogen worden. Een snelle computer geeft het signaal vaker. * Adresbus: het adres van de geheugenplaats wordt meegestuurd naar de plaats waar de gegevens naar toe moeten. De processor verwerkt twee soorten opdrachten: * Rekenopdrachten, niet alleen rekenkundige vergelijkingen, maar ook logische bewerkingen. * In- en uitvoeropdrachten, zoals opslaan van een bestand op de harde schijf. De CVE bestaat uit twee hoofdonderdelen, namelijk het rekenorgaan en het bestu-ringsorgaan. De CVE bevat speciale schakelingen, waaronder snelle registers voor tijdelijke opslag de belangrijkste zijn: * Opdrachtregister, waarin de opdracht staat die in behandeling is. * Opdrachtwijzer, met het geheugenadres van de eerstvolgende opdracht. * Rekenregisters, met getallen die voor de berekeningen nodig zijn. De CKE voert de opdrachten in de volgende stappen uit (instructiecyclus): * De uit te voeren opdracht wordt opgezocht in het interne geheugen en in het opdrachtregister geplaatst. * De opdrachtwijzer wordt verhoogd en wijst de eerstvolgende opdracht aan. * De opdracht uit opdrachtregister wordt geanalyseerd en uitgevoerd. Uitbreidingskaarten of interfacekaarten zijn kaarten met daarop chips en leidingen, die grotendeels in de systeemkast bevinden. Voorbeelden: * Grafische kaart / videokaart; deze zorgt voor de gegevensstroom naar het beeldscherm. De kwaliteit en de snelheid van de opbouw van het beeld zijn hiervan afhankelijk. Tegenwoordig is elke computer uitgerust met een SVGA-kaart. De AGP-bus is een uitbreiding op videokaarten. * Geluidskaart; nodig om geluid af te spelen. * Netwerkkaart; zorgt voor een verbinding tussen pc en netwerk. * Modemkaart; er kan verbinding worden gemaakt met een andere computer. * PCMCIA-kaart / PC-card; speciaal voor laptops. Kan werken als modem of extra geheugen. Met jumpers en dipswitches worden verschillende instellingen van het moederbord geregeld. De chipset is de verzameling chips die op het moederbord aanwezig is. Deze set be-paalt voor een groot deel de prestaties van het moederbord, zoals grootte en snelheid van het cachegeheugen; het type, de maximale grootte en snelheid van het RAM etc. Connectors zijn aansluitingen waarop randapparatuur op aangesloten kan worden. * Printerpoort; 25 gaatjes en 25 pinnetjes. Deze wordt ook wel parallelle poort genoemd. Er kunnen 8 bits tegelijk verstuurd worden. * Communicatiepoort / seriële poort; Soms 9, soms 25 pinnetjes. Voor bijvoor-beeld muizen, scanners, modems etc. De bits gaan één voor één door de poort. * USB-connector * Miniplug-aansluitigen; als de computer deze aansluitingen bevat, zijn het er meestal drie: een voor de luidsprekers, een voor de microfoon en een voor het aansluiten van cassetterecorders of andere audioapparatuur. Een voeding voorziet een pc van stroom. De ventilator vermindert de hitte in de sys-teemkast. Samen zitten ze in een afgesloten kastje, de voedingseenheid. Module III - Software Hoofdstuk 1: Software zijn in te delen in 2 categorieën: • systeemsoftware -> regelt en ondersteunt de werking van een computer (Windows) • applicatiesoftware -> programmatuur die bedoeld is voor de gebruiker (tekstverwerking) Applicatiesoftware wordt ingedeeld in 3 soorten: • standaardpakketten –> voor een grote groep gebruikers die ongeveer dezelfde wensen hebben (Word) • meer specialistische pakketten • programma’s voor specifieke toepassingen -> specifiek voor een bepaalde groep gebruikers (schooladministratie) • maatwerktoepassingen -> grote bedrijven die opdracht geven tot het ontwikkelen van informatiesystemen voor bepaalde activiteiten De gebruikersinterface ‘communiceert’ met de gebruiker, bijvoorbeeld symbooltjes en pictogrammen op het beeldscherm. Een spreadsheetprogramma is een elektronisch rekenvel waarop je in rijen en kolommen gegevens kunt invoeren, veel getallen en formules (bijv. Excel). Dit geeft de mogelijkheid tot ‘wat…als-analyses’. Je kunt bijvoorbeeld vragen wat er met je winstcijfers gebeurt als je je marketingbudget met 3% verhoogt. Met een databaseprogramma kan iedere computergebruiker een database aanleggen en hieruit gegevens sorteren en selecteren (Microsoft Access). Er zijn verschillende soorten games: • actiespelen • adventures • simulaties • wargames • denkspelen Desktop publishing (DTP) zijn professionele programma’s voor het opmaken van een tekst. Er zijn meer lay-outmogelijkheden dan bij gewone tekstverwerking. Ze zijn geschikt voor het maken van folders, boeken etc. (Adobe PageMaker). Er zijn tekenpakketten (CorelDRAW) en beeldbewerking (Adobe Photoshop). Een webbrowser heb je nodig om op Internet te surfen (Internet Explorer). De Personal Information Manager (PIM) wordt gebruikt voor het bijhouden van agenda’s en het opstellen van planningen en taakoverzichten (Outlook) Groupware dient ter ondersteuning van onderlinge samenwerking binnen werkgroepen of teams -> e-mail, database, televergaderingen (Microsoft Exchange) Een office-suite is een bundeling van tekstverwerkings-, speadsheet-, presentatie- en een databaseprogramma. Er zijn 2 soorten afbeeldingen: * Bitmapafbeelding / rasterafbeelding -> opgebouwd uit een groot aantal pixels. Met 4 bits per pixel kunnen 16 kleuren worden vastgelegd, met 8 bits per pixel zijn 256 kleuren mogelijk. Omdat de opslag van een bitmap veel ruimte kost, wordt er gebruik gemaakt van bestandscompressie; een bestand wordt als het ware samengeperst, waardoor het minder ruimte in beslag neemt. * Vectorafbeelding -> hierbij wordt niet het bitpatroon bewaard, maar een reeks getallen die de cirkel beschrijven (straal, lijndikte etc.). Een voordeel is dat wijzigingen makkelijk zijn aan te brengen (geen vergroting). Nog een voordeel is dat de componenten waaruit de afbeelding bestaat, als componenten blijven bestaan. Ook neemt een vectorafbeelding minder schijfruimte in. Als er bij een afbeelding door vergroting een blokvormige rand ontstaat, wordt er gebruik gemaakt van anti-aliasing (door tussentinten worden de randen ‘verzacht’). Compressietechnieken voor MP3-bestanden is MPEG; GIF, JPEG en TIFF worden voor afbeeldingen gebruikt. Hoofdstuk 2: De functies van besturingssystemen kunnen in 3 taakgebieden worden ingedeeld: * Beheer van hulpbronnen -> voornamelijk het beheer en gebruik van hardwareonderdelen, zoals geheugen. * Bestandsbeheer -> het beheer van data- en programmabestanden . * Taakbeheer -> regelt de juiste invoering van de verschillende taken van de computer, zoals het starten van een programma. Tijdens het opstarten van de computer wordt het intern geheugen geladen. Bij Windows 95 werd een uitgeklede versie van MS-DOS geleverd, omdat: * Veel software werkte wel met DOS, maar niet met Windows. * Als Windows niet meer werkte, was DOS er nog wel. Om met het besturingssysteem te communiceren, is er Windows Verkenner. In samenhang met besturingssystemen speelt niet alleen multiasking een grote rol, maar ook: * Multi-user -> 2 of meer gebruikers kunnen tegelijkertijd de computer gebruiken * Multiprocessing -> één programma kan op hetzelfde moment op meer dan één processor draaien (parallelle werking) * Multithreading -> verschillende onderdelen kunnen tegelijkertijd actief zijn UNIX is een multi-user, multitasking besturingssysteem. Het besturingssysteem is lange tijd in de vorm van een broncode gedistribueerd, waardoor iedereen een kopie ervan kon krijgen en kon aanpassen aan eigen behoeftes. Er ontstonden veel verschillende soorten UNIX, waaronder de Linux. Linux werd een betrouwbaar besturingssysteem voor pc’s en kleine netwerken. Novell NetWare biedt de mogelijkheid om een netwerk eenvoudig te beheren d.m.v. de techniek NDS (Novell Directory Services). Een netwerkbeheerder kan op eenvoudige wijze gebruikers toevoegen, hun rechten veranderen en de gemeenschappelijke resources beheren. Windows 2000 is een multitasking en multi-user besturingssysteem, speciaal bedoeld voor LAN’s. MVS (Multiple Virtual Storage) is een besturingssysteem voor oudere mainframes van IBM, en VAX VMS (Virtual Memory System, nu OpenVMS) is een multi-user en multitasking besturingssysteem dat draait op minicomputers uit de VAX- en Alphaserie en op werkstations van DEC. DataBaseManagementSysteem (DBMS) bewaakt de juistheid en volledigheid van de gegevens en zorgt ervoor dat slechts één gebruiker tegelijkertijd gegevens kan wijzigen. Ook zorgt het DBMS ervoor dat verschillende gebruikersapplicaties toegang kunnen krijgen tot de database. Voorbeelden van DBMS zijn Oracle en DB2. Hulpprogramma’s / utilities zijn bedoeld voor het uitvoeren van specifieke taken met betrekking tot de werking en het beheer van de computer, zoals een programma voor viruscontrole. Systeemontwikkelingsprogramma’s worden gebruikt bij de ontwikkeling van applicatiesoftware. Voorbeelden zijn programmeertalen en CASE-tools. Module IV – Datacommunicatie en netwerken Hoofdstuk 1 Computers worden met elkaar verbonden, omdat: - Er worden steeds meer computers gebruikt, in netwerk is voordeliger - Gegevensverzamelingen zijn gemakkelijker consistent te houden. - Hardware en software kunnen gemeenschappelijk worden gebruikt. - Als één computer uitvalt, kan je op een andere computer verder werken. Datacommunicatie: het overbrengen van gegevens van de ene naar de andere plaats De term telematica wordt gebruikt om de verzameling van openbare informatiediensten aan te duiden. Voorbeelden zijn: - Gegevensuitwisseling tussen verschillende vestigingen in een bedrijf. - Elektronisch plaatsen van orders bij een groothandel of postorderbedrijf. - Een privé-persoon die een internetverbinding heeft en e-mail en data binnenhaalt. - Een patiënt die informatie zoekt over zijn ziekte. Bij een netwerk kunnen bestanden op één bepaalde plek worden beheerd, terwijl ze vanaf verschillende plaatsen geraadpleegd kunnen worden. Het verlenen van toegang van bepaalde bestanden wordt autorisatie genoemd. Belangrijkste toepassingsmogelijkheden van Internet: - Informatie opvragen met WWW. Je kan eenvoudig met een webbrowser door gegevens bladeren (dankzij hyperlinks). Toegang met browserprogramma’s, zoals Microsoft Internet Explorer, Netscape Navigator. Je moet geabboneerd zijn bij een provider: een organisatie die toegang geeft tot het internet. - E-mail. De mail wordt opgeslagen op de harde schijf van de provider. Kan attachement (bijlage) bevatten. Programma’s: Netscape Communicator, Microsoft Outlook. - Nieuwsgroepen, duizenden computers op Internet die nieuws aan elkaar doorspelen. Eigenlijk een soort elektronische krant waar gebruikers ingezonden stukken in kunnen plaatsen. Voorbeeld van een nieuwsgroepenservice is USENET. Als je een discussie wil posten, wordt het geplaatst op een nieuwsserver, waarbij het verspreid wordt over USENET-servers. Je hebt een programma nodig, zoals Outlook Express. - Bestanden uitwisselen met FTP (File Transer Protocol). Hiermee kunnen bestanden worden verstuurd tussen verschillende systemen op het Internet of op lokale netwerken, zowel downloaden als uploaden. Sommige bestanden die je hebt gedownload zijn erg groot, ze moeten worden gedecomprimeerd met bijvoorbeeld WinZip. - Chatten. Met IRC (Internet Relay Chat) kun je met meerdere personen tegelijk kletsen. Bestaat uit een groot aantal babbelboxen, IRC-channels. Een intranet is eigenlijk het soort Internet op een bedrijfnetwerk. Voorbeelden zijn telefoonlijsten, prijslijsten, handleidingen, nieuwtjes etc. Voordelen: - Gestructureerde manier van beschikbaar stellen van informatie voor iedereen. - Communicatie binnen het bedrijf wordt verbeterd. - Mogelijkheid om medewerkers online cursussen aan te bieden. - Papierstroom wordt verminderd, scheelt in de kosten. Een extranet is een uitgebreid intranet. Het is een ondernemingsnetwerk waarvan bepaalde delen ook gebruikt mogen worden door een selecte groep derden, zoals klanten, leveranciers etc. Voorbeelden van teleleren: - Cursusmateriaal en informatie opvragen - (Inter)actief omgaan met cursusmateriaal - Contact hebben met docenten en mede-cursisten - Gemaakte opdrachten naar de docent toezenden Voordelen van teleleren: - Meer flexibiliteit voor cursisten - Meer invloed op verloop van het leerproces - Gebruik van verschillende media - Geen reiskosten en reistijd Nadelen van teleleren: - Kosten van apparatuur en inbelkosten - Zelfdiscipline vereist - Minder direct contact met docenten en medecursisten - Docenten zijn niet altijd beschikbaar Dezelfde voor- en nadelen gelden bij telewerken. Via de GSM (Global System for Mobile) kan er ook gesurft worden op Internet. Dit worst WAP genoemd (Wireless Application Protocol). Ook is er GPRS (General Packet Radio Service), een aanvulling op de GSM, dit is echt bedoeld voor gegevensoverdracht. UMTS (Universal Mobile Telecommunications Service) is een standaard voor mobiele (data)communicatie, waardoor de GPRS binnenkort weer achterhaald is. GPS (Global Positioning System) is een navigatiesysteem. Voordelen zijn: het systeem is altijd beschikbaar, betrouwbaar en gratis. Software die mensen in staat stelt om met elkaar samen te werken, noemen we groupware. Een voordeel van groupware is dat medewerkers tegelijkertijd en op een willkeurige plaats over dezelfde informatie kunnen beschikken. Groupware is flexibel in te zetten, er is altijd een vorm van elektronische ondresteuning, en het is geschikt voor de kantooromgeving. Er kan ook elektronisch zaken gedaan worden, namelijk met e-business of e-commerce. Dit is het kopen, verkopen en betalen van diensten, producten via het Internet. Als E-commerce zich richt op handel tussen het bedrijf en de klanten, wordt dit business to consumer (B2C) genoemd, tussen bedrijven heet dit business to business (B2B). Problemen van B2C is het betalen. EDI (Electronic Data Interchange) is elektronische uitwisseling van gegevens tussen bedrijven, met als doel om zakelijke transacties af te handelen. Hierbij communiceren de computers van deze bedrijven rechtstreeks met elkaar, zonder menselijke tussenkomst. Van belang is dat er gebruik wordt gemaakt van eenduidige en gestandaardiseerde berichten. Voordelen hiervan zijn: - Nauwkeurigheid; er wordt niets meer overgeschreven - Snelheid; gaat sneller dan de post - Besparing; de kosten voor verzenden, kopiëren en vastleggen van gegevens worden teruggedrongen - Voorraadbeperking; alles wordt elektronisch bijgehouden, dus het is niet nodig om over grote voorraden te beschikken. Alles komt precies op tijd binnen (Just In Time). Hoofdstuk 2 Een LAN (Local Area Networks) is een netwerk met een kort bereik, bijvoorbeeld in een kamer, een WAN (Wide Area Network) is een netwerk dat over grote afstanden kan gaan, zelfs wereldwijd. Stand-alone computers zijn computers die onderling niet gekoppeld zijn. Bij netwerken is er sprake van distributed processing: het programma draait op de microprocessor van de pc, niet op die van de server. Bij een midrangecomputer of een mainframe vindt de verwerking plaats door de CPU (central processing). Topologie is de wijze waarop computers onderling verbonden zijn: Voorbeelden: - Busnetwerk. Computers zijn met één verbinding met elkaar verbonden (backbone). Afgesloten met een terminator. - Ringnetwerk. Er loopt één kabel als een ring langs de knooppunten. Gegevens worden in één richting doorgegeven, ze worden aan het volgende knoopunt doorgegeven. Nadeel: als één knooppunt uitvalt, werkt het netwerk niet meer. - Maasnetwerk. Er is een verbinding tussen alle knooppunten. Voordeel: snelheid, Nadeel: onoverzichtelijk en duur. - Sternetwerk. De computers zijn verbonden met één centraal punt. Als de centrale computer uitvalt, ligt het netwerk plat. Een server is een zwaar computersysteem: een moderne, snelle computer met een groot RAM-geheugen en verschillende netwerkkaarten met een grote capaciteit. De gemeenschappelijke gebruikte apparatuur en bestanden worden door server aan de gebruikers ter beschikking gesteld. Verschillende soorten servers: - Fileserver; dient vooral als opslag voor bestanden - Applicatieserver; dient als platvorm waarop applicaties draaien - Printserver; dient als platform waar printopdrachten worden afgehandeld - Communicatieserver; dient vooral als platform voor de afhandeling van de gebruikers en de binnen- en buitenwereld. Bij de meeste netwerken is een logische toegangsbeveiliging geregeld. Van iedereen die toegelaten wordt tot het netwerk, wordt een profiel aangemaakt. Hierin wordt beschreven welke rechten de gebruiker heeft. De gebruiker moet een gebruikersnaam en wachtwoord in voeren, dan heeft hij de toegangsrechten (hij is geautoriseerd). Bij bijvoorbeeld de politie wordt er een strenge fysieke toegangsbeveiliging toegepast. Medewerkers moeten zich identificeren met een magneetpas, bezoekers krijgen een bezoekerspas. Er kan ook beveiligd worden met een firewall. Dit is een combinatie van een hardwarematige en een softwarematige beveiliging. Het bestaat meestal uit een computer met twee netwerkkaarten en beveiligingssoftware. Eén kaart is verbonden met het bedrijfsnetwerk en één met het telefoonnet. De software bepaalt welke vorm van netwerkverkeer tussen de kaarten is toegelaten. In software kan bijvoorbeeld worden aangegeven dat bepaalde sites en woorden niet toegelaten mogen worden. Er is verschillende bekabeling: - Coax-kabel; bestaat uit een koperen of aluminium kern met daaromheen een tweede geleider, die geïsoleerd in de kern ligt. 10 – 550 Mbps. Nadeel: duur. - Twisted-pair; bestaat uit in elkaar gedraaide koperen aderparen. Twee paren worden gebruikt om één verbinding tot stand te brengen. Er is een verschil tussen UTP (Unshielded Twisted Pair), deze is in 7 categorieën ingedeeld, 2000 Mbps; en STP (Shielded Twisted Pair), een afgeschermde kabel. Voordelen STP: goede afscherming tegen uit- en instraling. - Glasvezel; bestaat uit een kern van lichtgeleidend materiaal en een mantel van materiaal met een andere brekingsindex. Kunstvezel gebruikt. Voordelen: - hoge doorvoersnelheid, va. 100 Mbps. - geen last van elektromagnetische storing - glasvezel is goedkoop. Nadelen: - glas-koper-connectors zijn duur - aanleg glasvezelkabels is relatief duur - kabel mag niet in te scherpe bochten liggen - herstellen van een breuk is alleen mogelijk met speciale apparatuur - Draadloos; kan met infraroodstralen, satellieten Een netwerkinterfacekaart zorgt ervoor dat de signalen vanuit een computersysteem aan de netwerkkabel worden aangeboden of er vanaf worden gehaald. De kaart is afhankelijk van de topologie en het bekabelingstype. Tegenwoordig ook combikaart. Een modem zorgt ervoor dat de digitale gegevens van een computer worden omgezet in analoge signalen, die over de telefoonlijn kunnen worden vervoerd (moduleren). Het omgekeerde proces wordt demoduleren genoemd. Bij ISDN is er sprake van een volledige digitale verbinding -> geen modem nodig. ATM (Asynchronus Transfer Mode) kan de overdrachtssnelheid van bepaalde netwerken sterk vergroten. Sneller door data op een slimme manier in pakketjes te verzenden. ADSL (Asymmetric Digital Subscriber Line). Sneller door speciale onderlinge afstemming. De kabels tussen de modems mogen niet erg lang zijn. Met een kabelmodem moet de snelheid worden verdeeld met andere kabelgebruikers. Transmissiesnelheid is de snelheid dat bepaalde gegevens via de lijn worden verzonden. Het wordt uitgedrukt in bps of in Baud (geeft aan hoe vaak de toestand op een lijn kan wisselen). In een protocol staan de afspraken voor het invoeren van datacommunicatie beschreven. Voorbeelden: - TCP/IP; wordt op Internet gebruikt - Net BEUI; wordt gebruikt door netwerken die onder Windows draaien - IPX / SPX; wordt gebruikt door Novell Netware - HTTP; zorgt op het WWW voor de overdracht van gegevens - FTP; speelt een rol bij het downloaden vanaf Internet - WAP; bedoeld voor opvragen van websites op de GSM - Bij e-mail is er sprake van mailprotocollen: SMTP / POP3 / IMAP4. Het OSI-model is de communicatie tussen de verschillende computersystemen binnen een netwerk. Het OSI-model bestaat uit verschillende lagen. De lagen werken onderling samen via interfaces. Er wordt per laag een protocol gebruikt waarin de afspraken van de communicatie op elk niveau vastliggen. Op iedere laag wordt ten behoeve van het protocol extra informatie toegevoegd, de header. Deze header wordt van laag tot laag doorgestuurd, het pakketje wordt elke laag groter. De informatie wordt niet alleen voor de data geplaatst, maar ook erachter (trailer). Het doel van elke laag is het leveren van diensten aan de laag erboven. 7. Applicatielaag; werkt samen met computerprogramma’s op de pc en verzorgt de toegang tot het netwerk 6. Presentatielaag; maakt bij de ontvangende computer de gegevens geschikt om door de applicatie gebruikt te worden, zoals vertalen, beveiligen, compressie 5. Sessielaag; tot stand brengen van een verbinding tussen 2 applicaties en verzorgt diverse controles op het communicatieproces, zoals welke computer zendt, hoelang gezonden moet worden 4. Transportlaag; datastroom wordt verpakt in afzonderlijke pakketten van een bepaalde maximale lengte, en het versturen van meldingen dat data foutloos zijn aangekomen 3. Netwerklaag; er worden netwerkadressen toegevoegd aan de datapakketten, verantwoordelijk voor de te volgen route van bron naar bestemming 2. Datalinklaag; foutloze overdracht van gegevens. Er wordt opnieuw een header en een trailer toegevoegd. 1. Fysieke laag; het verzenden van enen en nullen van de ene naar de andere computer. Ook wordt de koppeling verzorgd tussen de elektrische eigenschappen van de netwerkkaart en het uiteindelijk plaatsen van de data in deze omgeving, zoals stroomsterkte en voltage. De taak van een hub is het opnieuw op de lijn zetten van het signaal voor meerdere stations, onvervormd en met oorspronkelijke sterkte. Een switch is een hub met een ingebouwde pakketschakelaar. Hierdoor kan elk station op de maximale snelheid communiceren. Er wordt een point-to-point verbinding opgezet, zodat er rechtstreeks met elkaar gecommuniceerd kan worden. Een repeater verbindt twee LAN-segmenten met elkaar en versterkt het signaal. Daarbij moet het wel gaan om segmenten van dezelfde familie. Iedere die binnenkomt opnieuw op de lijn zetten met de oorspronkelijke signaalwaarde. Met een bridge kunnen twee LAN-segmenten gekoppeld worden tot één groot netwerk. Prestaties worden verhoogd, omdat hij niet alle dataverkeer doorlaat, alleen het verkeer dat voor het andere segment bestemd is. Een router kan twee verschillende netwerken op elkaar aansluiten. Ook kun je een netwerk opsplitsen in subnetwerken. Een gateway is een speciaal soort router die in feite de poort tussen het eigen netwerk en de buitenwereld vormy. Twee netwerken met totaal verschillende architecturen kunnen op elkaar aangesloten worden. Er zijn verschillende taken bij het beheren van een computersysteem: - Systeembeheerder, zorgt voor goede bestanden op de server, waaronder de beveiliging van de server. - Applicatiebeheerder, is verantwoordelijk voor het installeren van gebruikersapplicaties. - Netwerkbeheerder, verzorgt de implementatie en het beheer van alle faciliteiten in het netwerk, zoals netwerkkaarten, bekabeling, bridges, routers etc. Zorgt ervoor dat gebruikersnamen worden aangemaakt op het netwerk. Module 5 - Programmeren Programmeertalen kunnen worden ingedeeld in: - Machinecode; een programma wordt in binaire vorm opgeslagen. Elke processor heeft een eigen manier om de code te lezen (instructieset). Het bedieningspaneel bevatte een lange reeks schakelaars. Machinetalen behoren tot de eerste generatie. - Assembleertaal. Er wordt gemakkelijk gebruik gemaakt van gemakkelijker te onthouden lettercodes. Een vertaalprogramma (assembleerprogramma) dient dan ook om de lettercodes om te zetten in machine-instructies. Voordeel: de programmeur hoeft niet langer geheugenplaatsen bij te houden, hij hoeft alleen maar de naam te noemen. Assembleertalen zijn tweedegeneratietalen. Ook is het een machinegeoriënteerde taal. - Hogere programmeertalen (derde generatietalen). Verschillende machinetaalopdrachten kunnen worden gecombineerd in één programmaopdracht. De programmeur hoeft geen kennis te hebben van de eigenschappen van de processor, maar hij schrijft een procedure die de computer moet volgen (procedurele talen). Om de instructies om te zetten naar machinecode, wordt er een compiler gebruikt (van sourcecode naar objectcode). Voorbeelden zijn COBOL, FORTRAN, C, Pascal. - Vierde generatietalen. Programmaopdrachten worden steeds krachtiger. Deze taal is probleemgericht: de programmeur moet aangeven welk doel hij voor ogen heeft en dat de computer daarbij bepaalt welke reeks instructies hiervoor nodig zijn. Nadeel: onhandelbare grote programma´s. Daarom gebruikt men vaker vierde-generatiehulp-middelen (tools) waarmee men snel een toepassing kan genereren, zoals scherm- en rapportgeneratoren. - Object-georiënteerde talen. Dit is de techniek die voortbouwt op de techniek van het werken met procedures. Procedures zijn programmaatjes die ervoor zorgen dat handelingen op meerdere plaatsen kunnen worden uitgevoerd. Er wordt uitgegaan van de kern; de verschillende verschijningsvormen worden hieraan gekoppeld, ze zijn afhankelijk van het gebruik (proces). De processen worden in gaan gezet naar aanleiding van boodschappen en andere projecten. Zo ontstaat een object, waarin gegevens en bijbehorende instructies zijn samengevoegd. De programmeur hoeft alleen te weten wat de rol van een object binnen een bepaald programma is. Voordelen van OO: - snellere ontwikkelingstijd door hergebruik van programmamodules - minder fouten in programmacode - betere onderhoudbaarheid van programma´s doordat duidelijker is wat elk deel van de software doet - betere uitwisselingsmogelijkheden als gevolg van vastgestelde standaards Nadelen van OO-programma´s: - de praktische onmogelijkheid om procedurele programma´s om te zetten naar OO-programma´s. Dit leidt tot kapitaalvernietiging - de geringe beschikbaarheid van programmeurs met voldoende OO-kennis - het ontbreken van voldoende hulpmiddelen die programmeurs kunnen ondersteunen bij hun werk. er is ook geen geschikte systeemontwikkelingmethodiek voorhanden geweest. Belangrijke begrippen in de OO: - Objecten (objects). Het gebruik van objecten in een programma heeft als voordeel dat het niet nodig is om te weten hoe het object technisch in elkaar zit. Het is alleen van belang hoe het object gebuikt moet worden. Objecten zijn te onderscheiden op basis van eigenschappen (attributen). - Klassen (classes). Klassen en objecten zijn altijd rechtstreeks met elkaar verbonden. In een klasse wordt een lijst beschreven van alle attributen en methoden van het object. - Methoden (methods) worden gebruikt om te communiceren met andere objecten en met de buitenwereld. Ze verzorgen het gedrag van het object. - Inkapseling (encapsulation): het in een object insluiten van alle zaken die het object nodig heeft om te functioneren. Door inkapseling zijn de methoden en de data voor de gebruiker onzichtbaar. - Overerving (inheritance). Objecten kunnen attributen en methoden van andere, vergelijkbare, objecten overnemen. Hierdoor hoeven niet van alle klassen alle eigenschappen steeds opnieuw beschreven te worden. De klasse ´erft´ de eigenschappen van de erboven gelegen klasse. C; derde generatietaal. Wordt veel toegepast voor het ontwikkelen van besturings-systemen en applicatiesoftware. Het is een compacte, efficiënte taal die dicht bij de machinecode staat en is erg snel. Nadelen: foutgevoeligheid en niet gebruiksvriendelijk. C++; OO-taal. Opvolger van C. Het draait om klasse en data-hiding. Data-hiding is dat een object niets weet van afzonderlijke gegevens, maar uitsluitend uitgaat van klassen. Als deze techniek goed wordt toegepast levert dit kortere programma´s op, die eenvoudiger te doorgronden en te onderhouden zijn. Java; OO-taal. Met Java kunnen zelfstandige programma´s worden gemaakt (applets). Java is platformonafhankelijk. De taal bestaat uit drie onderdelen: 1. de programmeertaal Java. Voordelen vergeleken met C++: beter te leren, betrouwbaarder, overzichtelijker en zuiver objectgeoriënteerd. 2. een uitgebreide bibliotheek van programmacomponenten, de JDK, waarmee je leuk programma´s kunt maken. 3. Een vertaler naar een soort machinetaal, de Java-bytecode, en de nauwkeurige specificatie van de ´virtuele machine´ waarop de machinetaal kan draaien. Java compileert naar een vorm die geen machinecode is maar een tussenliggende vorm, de bytecode. Om een programma te laten uitvoeren moet de bytecode worden omgezet naar machinetaal met de Java Virtual Machine. Een belangrijk voordeel van Java is dat de bytecode draait op alle platforms waarvoor een JVM bestaat. Delphi; OO-taal. Is gebaseerd op Pascal. Je werkt in Delphi met de IDE, de Integrated Development Environment. IDE biedt de mogelijkheid om: - tekst op te maken - een programma te compileren - een programma te laten uitvoeren - de fouten uit een programma te halen (debuggen) Voordelen van Delphi: VCL; een bibliotheek met objecten die klaar zijn voor gebruik. Visual Basic; OO-taal. Is gebaseerd op BASIC, maar is makkelijker in gebruik door de grafische gebruikersinterface. Je kan net als bij Java applicaties voor de Windowsomgeving schrijven, zodat je aan programma´s alle voorzieningen kunt toevoegen die karakteristiek zijn voor Windows-applicaties. In Office-pakketten bevat al een vereenvoudigde versie van Visual Basic, waarmee je ook volwaardige programma´s kunt ontwikkelen. Visual Basic kan in drie verschillende toestanden werken: - Design mode – voor het bouwen van een applicatie - Run mode – voor het uitvoeren van een applicatie - Break mode – applicatie wordt gestopt en je kan op zoek naar fouten in programma HTML; eigenlijk geen programmeertaal, maar een opmaaktaal. Geschikt voor het beschrijven van de opmaak van webpagina’s. Met besturingcodes, tags, geef je aan hoe de tekst moet worden afgebeeld op het scherm. De codes staan tussen haken, bijvoorbeeld om een tekst vet te maken. Het is minder noodzakelijk om deze taal te beheersen, omdat er tegenwoordig andere programma’s bestaan, waarmee je makkelijk webpagina’s kan maken. JavaScript; geen volledige programmeertaal, want de opdrachten zijn beperkt tot de objecten van de webbrowser. Het is een opdrachttaal dat een uitbreiding is op HTML. Er kunnen trucjes worden uitgevoerd, zoals een lopende tekst of automatisch de datum laten verschijnen. Algoritme = een aantal stappen in een bepaalde volgorde om een probleem op te lossen. Sequentiële opdrachten Iteraties Selectie Een controle van het PSD (Programma Structuur Diagram) wordt ooggetuigenverslag genoemd.

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.


Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

6698
 

reacties

 
geweldig
door piet van dongen (reageren) op 26 november 2010 om 11:36
geniaal
door Ons ma (reageren) op 2 december 2010 om 23:12
Dit worst WAP genoemd , eeeh worst ik denk dat je wordt bedoeld
door henkie (reageren) op 19 januari 2011 om 15:21
Goed gedaan. Zeer nuttig voor mijn leerlingen.
door Mentor (reageren) op 8 mei 2012 om 17:00