Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Percent H7

Economie

Samenvatting

Percent

 
5.6 / 10
24 stemmen van bezoekers
4e klas havo
niveau
  • opvroluker
  • NL
  • 7516 woorden
  • 9537 keer
    0 deze maand
  • 10 juni 2004

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Hoofdstuk 7: De financiering van organisaties: vreemd vermogen

7.1 Vreemd vermogen


Vreemd vermogen bestaat uit schulden. De geldlener moet een vergoeding betalen voor het ontvangen van de lening: interest.
>Aflossingen
Dit kan op verschillende manieren:
∑ Aflossing met annuÔteiten: is een gelijkblijvende periodiek te betalen bedrag, hiermee vindt de aflossing van de schuld en de interest plaats.

∑ Aflossing ineens: aan einde van de looptijd wordt de lening in 1 keer afgelost. Los daarvan wordt de interest periodiek betaald.
∑ Lineaire aflossing: tijdens looptijd wordt periodiek een en hetzelfde bedrag afgelost. Ook wordt periodiek de interest betaald over de nog resterende schuld.

7.2 De hypothecaire lening

(geldlening is niet hetzelfde als hypotheek)
∑ Een hypothecaire lening is een geldlening waarbij de geldgever het recht van hypotheek verkrijgt.
∑ Het recht van hypotheek is het recht dat de geldgever heeft om de als zekerheid dienende zaak (bv. Een huis) te verkopen, als de geldnemer in gebreke blijft.
∑ De zaak (het huis) waarop het recht van hypotheek (wat dus verkocht mag worden)gevestigd is, moet een registergoed zijn.
∑ Registergoederen: onroerende zaken zoals grond, huizen, maar ook roerende zaken zoals schepen. De rechten die op deze goederen rusten, zijn aangetekend in een openbaar register.
Gezinnen en organisaties kunnen hypothecaire leningen sluiten. Gezinnen financieren eigen woning. Organisaties gebruiken het als algemeen financieringsmethode.
Door de hypotheekconstructie is er meer zekerheid voor de bank. Als er niet wordt betaald kan de (on)roerende zaak worden verkocht.

Verschillende aflossingen mogelijk bij hypothecaire lening:
Lineaire hypotheek:
Elke periode eenzelfde bedrag afgelost. Periodiek ook de interest afgelost. de te betalen interest wordt steeds kleiner, omdat de schuld steeds afneemt.

Voordeel: erg overzichtelijk.
Nadeel: hoogste lasten zijn in de begin periode. Vooral lastig voor jongeren die een huis kopen.

AnnuÔteitenhypotheek:
∑ Een annuÔteit is een gelijkblijvende periodiek te betalen bedrag dat een interest deel aflossingsdeel bevat.
Het wordt zo berekend dat aan het einde van de looptijd de schuld is afgelost. Door de aflossing wordt de schuld minder en wordt er steeds minder interest betaald. Doordat de annuÔteit hetzelfde blijft, neemt het aflossingsdeel toe.
Voordelen: 1. Elk jaar wordt hetzelfde bedrag betaald. Geeft zekerheid.
2. In begin veel interest betaalt (verhoudingsgewijs). Dit is een voordeel voor beginners op de woningmarkt, want ze kunnen de interest aftrekken bij de belasting.
Nadeel: schuld neemt maar weinig af. Als je hypotheek vroegtijdig wilt beŽindigen is de schuldrest nog groot.

Spaarhypotheek:
Er wordt eigenlijk niets afgelost. De te betalen interest blijft dus elk jaar gelijk. Er wordt ook elk jaar een verzekeringspremie betaald. Dit bestaat uit een spaardeel en een verzekeringsdeel. Via het spaardeel wordt het eindkapitaal opgeleverd om de schuld af te lossen. Het verzekeringsdeel is bedoeld om de nabestaanden te verzekeren. Als de verzekerde plotseling overlijd kunnen ze de schuld in 1 keer aflossen.

7.3Consumptieve kredieten
Consumptieve kredieten zijn niet zonder risicoís. Veel gezinnen komen in de problemen, omdat het gemakkelijk is op te nemen. En dan kunnen ze het niet meer aflossen en komen ze nog meer in de schulden te staan. Ze zijn ook duur, want de rentepercentages zijn 3 tot 5 keer zo hoog als de spaarrentes.

Koop op afbetaling
Is verbonden met de aanschaf van een consumptiegoed. De verkoper verstrekt de lening niet zelf dat doet een financieringsinstituut zoals een bank.
Voor de kredietverstrekker(de bank) is er geen zekerheid. De koper wordt gelijk eigenaar en als hij niet betaald zijn er geen verhaalsrechten voor de verstrekker.
Consument moet volgens vast schema terugbetalen. De afgeloste bedragen kunnen niet opnieuw worden opgenomen en heeft ook niet na de aflossing recht op een nieuwe lening.

Huurkoop
Soort van koop op afbetaling. Krediet verbonden met prijs aankoop. De koper wordt pas eigenaar als alle termijnen zijn betaald. Als deze in gebreke blijft heeft de geldgever het recht om het product terug te nemen.

Persoonlijke lening
Is niet verbonden aan de aankoop. De consument mag zelf weten wat hij/zij ermee gaat doen. Ook hier heeft de geldgever geen verhaalsrecht, daarom wordt er eerst gekeken of de consument kredietwaardig is.

Doorlopend krediet
Geldnemer mag zijn afgeloste schuld opnieuw opnemen. Wel moet er iedere maand een vast bedrag aan interest en aflossing worden betaald.
Het gevaar bij deze lening is is dat je er nooit meer vanaf komt, omdat je blijft lenen.

7.4 Productieve kredieten
Organisaties sluiten leningen af met het doel hun activiteiten en productiemiddelen mee te financieren. Naar looptijd bezien is er lang vreemd vermogen en kort vreemd vermogen.
Lang vreemd vermogen (langer dan 1 Š 2 jaar ter beschikking organisatie):
- hypothecaire lening (7.2)
- onderhandse lening (5.2)
- gewone obligatielening (5.2)
Kort vreemd vermogen (korter dan 1 Š 2 jaar ter beschikking organisatie):
- bankkrediet of rekening-courantkrediet
- leverancierskrediet
- afnemerskrediet
Kredietvorm zowel voor korte als lange termijn: leasing.

Leasing
Vooral ondernemingen en organisaties maken er gebruik van.
∑ Leasing is het huren van een (on)roerende zaak voor een bepaalde periode.
Huurder wordt lessee genoemd en de verhuurder/eigenaar lessor. De onderneming die een zaak least, gebruikt de zaak zonder (vreemd of eigen) vermogen te investeren. De lessee moet vaste leasebedragen betalen.
Operational lease
Het leasecontract kan dan in korte termijn worden opgezegd en er moet periodiek een huurtermijn worden betaald. De lessor blijft economisch en juridisch eigenaar en draait dus op voor alle kosten zoals onderhoud, dit is wel doorberekend in het huurtermijn. De lessor draagt ook het risico van de veroudering van het leaseproduct en als de lessee een nieuw product wil moet de lessor deze leveren. Ook voor deze Ďserviceí wordt betaald.
Financial lease
Bij deze lease is er meestal een lange looptijd, deze is vaak niet opzegbaar. De looptijd komt overeen met de economische levensduur. Bij dit contract is de lessee eigenaar en draait dus voor alle kosten op. De vergoeding is dan afschrijving en de interest.
Na afloop van de leaseperiode heeft de lessee 3 mogelijkheden:
∑ Product teruggeven aan lessor
∑ Leasecontract voortzetten
∑ Product van lessor kopen.

Sale and lease back
Lessee verkoopt een product aan de lessor en least het meteen weer terug. Voordeel van de lessee is dat hij in liquide vorm de beschikking krijgt over het geld dat hij had geÔnvesteerd. Dit kan hij bijvoorbeeld gebruiken om dure leningen vervroegd af te lossen.

Bankkrediet of rekening-courantkrediet
Elke organisatie kent schommelingen(fluctuaties) in de voorraad betalingsmiddelen. Dat komt meestal doordat de verhouding betalingen en ontvangsten niet gelijk (synchroon) met elkaar lopen. Productie en verkoop kennen hun eigen seizoenpatronen, dat weerspiegelt zich in tijdelijke overschotten en tekorten aan betalingsmiddelen. Doordat banken een flexibel krediet verlenen wordt dit opgelost. Ze spreken een bepaald kredietplafond (maximumgrens) af voor omvang krediet. Het rekening-courant krediet is gekoppeld aan de bankrekening van de cliŽnt (organisatie). Hier worden ontvangsten bijgeboekt en de betalingen afgeschreven. Door het ontvangen bankkrediet kan de organisatie zich een redelijke Ďroodstandí permitteren. De bank berekent (hoe kan t ook anders) interest en andere kredietkosten.

Leverancierskrediet
Bij dit krediet voldoet eerst de leverancier aan zijn verplichtingen. De tegenprestatie (betaling) van de afnemer komt pas later. De leverancier moet hierbij vertrouwen tonen. Dit krediet wordt vooral toegepast bij leveringen van bedrijven onderling. De bedrijven kennen elkaar meestal al geruime tijd en kunnen daardoor het betalingsrisico goed inschatten. Als de bedrijven pas voor het eerst gaan samenwerken, kunnen ze dat doen via gespecialiseerde informatiebureauís en dan kunnen ze via heb zicht krijgen op de kredietwaardigheid van het andere bedrijf.
Aan gezinnen wordt dit krediet minder snel aangeboden, want de leverancier heeft hier te weinig zekerheid, de kans op wanbetaling is te groot. Ook de administratie vinden ze teveel werk, het gaat meestal maar om kleine bedragen.
Leveranciers verlenen dit krediet vrijwel nooit gratis, de kosten blijken uit de betalingsvoorwaarden.

Factoring
∑ Factoring is een vorm van financiŽle dienstverlening door factoormaatschappijen (of factoors), die zorgen dat de rekeningen en geld van ondernemingen door hun worden geÔnd zodat de andere onderneming daar niet zelf voor hoeven te zorgen.
Als factoor kan een bank of dochterondernemingen daarvan. Er zijn 2 varianten:
∑ Vergaande variant: factoor betaalt direct na ontstaan van vordering op afnemer al uit aan de leverancier. De inning van de vordering bij de afnemer is nu zorg van de factoor. De afnemer moet wel geaccepteerd zijn door de factoor (vanwege kredietwaardigheid)
∑ Zwakste variant: factoor treedt alleen als incassobureau op, hij zal, zo nodig, met alle mogelijke rechtsmiddelen de vordering innen. Maar de leverancier verleent wel gewoon het krediet aan de afnemer en alle daaraan verbonden risicoís blijft lopen.
De factoor brengt (hoe kan t ook anders) de kosten in rekening bij de leverancier voor de verrichtte dienstverlening.
Voor het incasseren van vorderingen zijn er gespecialiseerde incassobureauís. Door ervaring en werkwijze krijgen ze Ďmoeilijke vorderingení alsnog geÔnd. Als het nodig is roepen ze daar een rechter of deurwaarde voor in.
De rechter kan een leverancier toestaan om beslag te leggen op eigendommen van de afnemer en zo de vordering verkrijgen. Het beslag leggen wordt gedaan door een deurwaarde zonodig met assistentie van politie.

Afnemerskrediet
Afnemer geeft krediet (vertrouwen) aan leverancier. De afnemer betaald eerst en daarna komt de tegenprestatie van de leverancier. Dit krediet wordt vooral gebruikt bij dienstverlening, de verlener kan dienst niet meer terugnemen.
Als een product speciaal op bestelling moet komen wordt er vaak een betaling vooraf gevraagd.
De afnemer draagt in dit geval de risicoís, want als er niet wordt geleverd zit de afnemer in de problemen. Het kan wel opgelost worden via de rechter, maar dit is duur en langdurig.

7.5 De financiering van niet-commerciŽle organisaties

Alle vormen van krediet staan open voor niet-commerciŽle organisaties (vb. ziekenhuizen, uniís). De kredietgever bekijkt ook hier natuurlijk de kredietwaardigheid bekeken. (dit is ook zo bij commerciŽle organisatie). Aangezien niet-commerciŽle organisatie meestal geen BV of NV zijn bezitten ze geen aandelenvermogen.

Hfst. 8 Marketingbeleid.

8.1 Marketing


Hele ondernemen draait om inkomensverwerving.
∑ Marketing omvat alles wat een organisatie doet om haar verkopen te bevorderen, te vergemakkelijken en te bespoedigen.
Bevorderen: meer reclame maken
Vergemakkelijken: openingstijden verruimen
Bespoedigen: meer kassaís open
Zowel commerciŽle als niet-commerciŽle organisaties doen aan marketing. Ze hebben alleen beide een ander doel.
CommerciŽle organisaties: winst maken
Niet commerciŽle organisaties: Ďfund raisingí onder aandacht brengen van situatie enz.
Een niet commerciŽle organisatie heeft leden nodig om haar doelen te realiseren en te bekostigen (via contributie). Hoe meer leden een organisatie heeft hoe meer aanzien ze krijgen in gesprekken met overheid e.a. organisaties.
Deze organisatie moeten:
∑ Zich zo goed mogelijk presenteren
∑ Mensen overtuigen
∑ Boodschap goed onderbouwen

Moderne bedrijven richten zich op behoeftes afnemer. En zo zijn product af te stemmen op zijn doelgroep, maar ook manier van verkopen, hoogte prijs en de reclame (e.a. verkoopbevorderingen) moeten worden afgestemd.
Alle verkoopbevorderingen (instrumenten) worden samen marketingmix genoemd.
∑ De marketingmix is de combi van instrumenten waarmee een bedrijf in de wensen van de afnemer (consument) wil voorzien.
Volgende marketingmix instrumenten (4 pís): - product
- prijs
- plaats
- promotie
Product
∑ Product = alles wat in een behoefte kan voorzien
Om een product aantrekkelijk te maken zijn er eigenschappen nodig.
(in toeristen- en ontspanningssector is belevingswaarde van grote betekenis).

Prijs
Dit kan doorslaggevend zijn voor een koopbeslissing. Hoe lager hoe beter meestal.
Maar een hoge prijs heeft soms ook zijn aantrekkingskracht zoals bij merkkleding, horloges, schilderijen, autoís. De hoge prijs kan exclusiviteit betekenen.

Plaats
Dit kan van een grote betekenis zijn voor het suc6. bedrijven van 1 product zitten vaak bij elkaar, zodat mensen de gelegenheid hebben de producten te vergelijken.

Promotie
Producten kunnen niet zichzelf verkopen. Product moet onder aandacht worden gebracht, via (bijvoorbeeld) reclame. Door naamsbekendheid denkt men vaak dat het product goed is.
Marketingmix
Instrumenten hebben altijd onderlinge samenhang. Niet alle instrumenten hoeven gebruikt te worden, soms nadruk op 1.

8.2 Omgevingsfactoren

∑ Omgevingsfactoren zijn de externe omstandigheden waarmee een organisatie bij het toepassen van de marketingmix rekening moet houden.

Niet beÔnvloedbare omgevingsfactoren
Het bedrijf heeft geen invloed op de factoren, maar deze factoren hebben wel invloed op het bedrijf.
Wetten
Denk aan sociale wetten, belastingwetten, arbeidswetten etc. Maar ook gedragsregels, deze hebben geleid tot een geschillencommissie.
Als er zelfregulering is dan heeft de branche zelf eigen wetten opgelegd.
Macro-economische ontwikkeling
Betreft situatie van een land. Heeft grote invloed op koopkracht en verwachtingen van de consument (denk aan: inflatie, rente, valutakoers, werkgelegenheid etc.). Kortom Ďde conjuncturele ontwikkelingí.
De conjunctuur beschrijft eco situatie op korte termijn (5-7jaar).
Opgaande conjunctuur: totale vraag naar goederen neemt toe. Omzet bedrijven stijgt.
Neergaande conjunctuur: totale vraag daalt en omzet neemt af.
De economische structuur beÔnvloed eco situatie op lange termijn. Elementen: gemiddelde scholingsniveau v.d beroepsbevolking, transportmogelijkheden, infrastructuur, beschikbare hoeveelheid kapitaalgoederen.
Demografische ontwikkeling
Door verandering in leeftijdsopbouw en samenstelling van een land moet een producent zijn producten aanpassen.
Veel ouderen hebben veel tijd en geld, deze combi leidt tot een grotere vraag naar kwalitief hoogwaardige producten. Ook speelt een producent in op de kleine huishoudens,
Sociaal en cultureel milieu
Bij marketingbeleid rekening houden met cultuurverschillen. Ook beÔnvloeden de marketingmixen de samenleving.
Technologische ontwikkeling
Dit vindt plaats binnen bedrijven, maar ze hebben het niet helemaal in de hand.

BeÔnvloedbare omgevingsfactoren
Inkoop
Bedrijven opereren op verschillende inkoopmarkten. Kennis van deze markten is onmisbaar. De invloed van een bedrijf hangt af van de grote van t bedrijf en de concurrentie. Bij veel concurrentie kan 1 bedrijf niet veel tot weinig invloed uitoefenen.
Verkoop
Bedrijven moeten hun producten afzetten. Tussenhandel is hierbij van groot belang.
Tussenhandel verzorgt in de distributie functies die het productiebedrijf niet kon uitvoeren.
Concurrentie
Op beide bovenstaande markten is concurrentie. Bij inkoop treden ze als vragers op om eigen product veilig te stellen, en bij verkoopzeker stellen inkomensstroom.
Van belang weten waarom afnemer de voorkeur geeft aan een product. Ook weten waar concurrentie is en wat hun plannen zijn.
Publieke en politieke druk
Deze hebben invloed op handelen van bedrijven en instellingen. Denk aan zorg voor milieu, bedrijven bieden milieuvriendelijke producten aan.

8.3 Marketingdoelstellingen
Marketinginstrumenten dragen bij aan realisatie ven een doel. Meeste proberen doel te bereiken door op behoeften van afnemers in te spelen.

Doelen van niet commerciŽle organisaties
Veel soorten organisaties: belangengroeperingen, culturele instellingen, religieuze organisaties, sportverenigingen etc.
Karakteristieke punten die voor elke organisatie gelden:
∑ Een ideaal onder de aandacht brengen
∑ Met boodschap zoveel mogelijk mensen bereiken.
∑ Inkomsten verwerven om activiteiten te bekostigen
∑ Gedrag mensen beÔnvloeden
Ook overheid is bezig met marketingactiviteiten, denk aan Postbus 51. Dit is gericht op demarketing (gericht op gebruik bepaalde voorzieningen terug te dringen)
De drijfveren hiervoor:
1. tegengaan negatieve externe effecten.
2. bevorderen volksgezondheid.
Overeenkomst: hoge maatschappelijke kosten matigen.

Sociale marketing
Bewerkstelligen van gedragsverandering bij mensen. Marketinginstrumenten gebruikt met het doel sociale verandering teweeg te brengen. Toepassingsgebied zeer groot. Niet altijd worden de verwachte effecten bereikt.

Marktaandeel
Marketingdoelstelling commerciŽle organisaties: groter afzet, meer winst of groter marktaandeel. Maar ook wel verbeteren imago.
∑ Het marktaandeel van een bedrijf is de afzet of omzet van dat bedrijf omgezet in procenten van de afzet of de omzet van de gehele bedrijfstak.
∑ Marktleider: is het bedrijf dat voorbeeld geeft aan andere bedrijven van zijn bedrijfstak. (doorvoeren prijswijzigingen, verkoopformule wijzigen etc.)

8.4 Marketingsegmentatie
Producent moet duidelijk maken waarom de consument specifiek zijn product moet aanschaffen. Dit is positioneren product voor bepaalde doelgroep. Product heeft zichtbare eigenschappen nodig.
Producent richt zich vooral op 1 of een beperkt aantal doelgroepen.
∑ Een marktsegment (of doelgroep) is een groep mensen met gelijke kenmerken, die op een bepaalde wijze reageert op de marketingmix.
Marktsegment selecteren op: geslacht, opleiding, inkomen, leeftijd etc. Deze kenmerken bepalen grotendeels het koopgedrag.
Door het product op een marktsegment af te stemmen kan een bedrijf meer verkopen en dus winst maken.

8.5 Marketingstrategie
∑ Marketingstrategie is de wijze waarop een producent met de elementen van marketingmix inspeelt op de eigenschappen van zijn doelgroep.

Ongedifferentieerde marketing
Hierbij worden geen marktsegmenten onderscheiden, iedereen is hun doelgroep. Het voordeel is dat een product grootschalig kan worden geproduceerd en dat levert kostenvoordelen op.

Gedifferentieerde marketing
Voor elk marktsegment een eigen marktstrategie. Meest realistische marktbenadering, elke consument anders. Risico is dat de productie te kleinschalig wordt en te duur wordt.

Geconcentreerde marketing
Hierbij richt de producent zich op 1 of enkele marktsegmenten. Het gaat bij deze marketing vooral om de exclusiviteit en wil deze eigenschap ook behouden.

8.6 Marktonderzoek
Wil een bedrijf steeds marketingbeleid voeren, dan moet hij op de hoogte blijven van veranderingen van de wensen, koopkracht en samenstelling doelgroep. Dit kan via een marktonderzoek.
∑ Marktonderzoek verzamelen vastleggen en analyseren van gegevens die betrekking hebben op de markt voor een bepaald product en op de effectiviteit van de marketinginstrumenten op die markt.
Stappen marktonderzoek: eerst doel formuleren van onderzoek. Onderzoek is het vergaren
van kennis.
Zijn de gegevens uit interne bronnen dan kan de administratie ze leveren. Externe bronnen zijn CBS, KVK etc.
Raadplegen van deze bestaande bronnen heet desk research. Hebben ze meer specifiekere bronnen nodig kunnen ze overgaan op field research (3 vormen).

Experimenten
Op klein gebied een instrument in praktijk testen. De invloed kan zo worden getest.
Proefpanels worden ook gebruikt mensen kunnen hun mening geven over het nieuwe product.

Steekproeven
Gebruikt als het te duur, tijdroven en onnodig is om de hele bevolking te ondervragen.
∑ Een steekproef is een deel van een verzameling (of populatie) dat info geeft over de hele verzameling.
Een steekproef moet representatief zijn en aselect ( de gekozen persoon moet via toeval gekozen zijn).

Vergelijkend warenonderzoek
Onder meer uitgevoerd door de Consumentenbond. Deze onderzoeken beoordelen consumptie goederen op verschillende gebruikaspecten.

Hoofdstuk 9. Marketingmix

9.1 Productiebeleid

∑ Alles wat in een behoefte kan voorzien, noemen we een product.
Producten zijn zowel voorwerpen als diensten.
Goed/dienst bevat technische en niet-technische eigenschappen, hierdoor voordelen voor gebruiker. Niet alle voordelen voor iedereen het zelfde.
De verkoper wil vooral de voordelen benadrukken.

De productmix
De diverse eigenschappen van een product bepalen samen het gebruikersnut.
∑ De productmix is de combi van eigenschappen die een product bezit.
Onderdelen van de product mix: kwaliteit, merk, verpakking, service.
Kwaliteit
Technische kwaliteit: bepaald door gebruikte grondstoffen en de toegepaste constructie. Dit is objectief vast te stellen.
In marketing mening consument doorslaggevend, zij nemen de koopbeslissing.
Factoren als merk, garantie, het imago en de wijze van verkoop wordt ook wel consumentkwaliteit genoemd, deze is subjectief, iedereen ervaart dat anders.
Garantie
∑ Garantie is het vrijwaren van de koper voor onverwachte kwaliteitsvermindering.
Garantie is een onderdeel van kwalieit.
Merk
∑ Een merk is een naam, beeld, symbool waarmee een product wordt aangeduid.
Maakt een product herkenbaar. Het maakt een onderscheid met andere merken/ concurrenten.
Merknamen op verschillende manieren gebruikt. Indeling hieronder.
Merknamen
_________|________________
Fabrikantenmerk Winkelmerk
__________|__________ ______________|_________________
| | | | | | |
A-merk B-merk Paraplumerk C-merk Eigenmerk Huismerk Witmerk

Fabrikantenmerk
Gevoerd door fabrikanten, kunnen kiezen voor individueel of paraplumerk.
Individueel: inspelen op verschillende wensen van consument. Het introduceren van nieuwe producten is duur vanwege de investeringen in de reclamecampagnes.
Bij individueel onderscheid tussen A- en B-merken. A-merk heeft goede naam bij koper en de prijs is redelijk hoog. Het is (bijna) overal verkrijgbaar en er zijn landelijke reclamecampagnes. B-merk minder bekend, is wel goedkoper.
Bij collectief fabrikantmerk of paraplumerk producten voorzien van hetzelfde merk. Nadeel: na 1 misser kan dat negatieve uitwerking hebben op andere producten.
Winkelmerken
Is assortiment fabrikantenmerken maar ook winkelmerk. Dat is een merk dat gevoerd wordt door de handel.
Hier ook paraplumerk maar wordt hier huismerk genoemd. Ook gebruik van eigen merken, private labels, witte merken.
Witte merken: merkloze producten, alleen aanduiding van productsoort. Merkloze product is goedkoper dan merkartikelen.
C-merk: minimale plaatselijke verkrijgbaarheid.
Succes van een merk
Bekendheid belangrijkste maatstaf om te bepalen of een bedrijf erin slaagt zich te onderscheiden van concurrenten.
∑ Actieve merkbekendheid: als je bv merk margarine moet noemen en iedereen noemt spontaan blue band
∑ Passieve merkbekendheid: als je een lijst met margarine merken krijgt en je moet zeggen welke je kent en mensen kruisen blue band aan.
Verpakking
Verschillende functies: bescherming, communicatie, verkoopstimulering, hanteerbaarheid.
Bescherming: bijvoorbeeld bij gevaarlijk of brandbare stoffen/
Communicatie: opvallende verpakking => aandacht trekken
Verkoopstimulering: vorm en kleur doorslaggevend bij aankoop
Hanteerbaarheid: zonder verpakking niet kunnen vervoeren.
Service
Letterlijk: dienstverlening.
Behoefte daaraan kan zijn: voor, tijdens of na de aankoop.
MateriŽle en immateriŽle eigenschappen
Kwaliteit, merk, verpakking zijn de immateriŽle. Dit zijn ontastbare of onstoffelijke eigenschappen die het beeld vormen. MateriŽle zijn meetbaar of tastbaar.
Levenscyclus van een product
∑ de productlevenscyclus is het verloop van de afzet van een product in de loop van de tijd.( ook omzet en winstgevendheid tellen mee, maar staan niet bij definitie).
De fasen: introductie (1), groei (2), rijpheids (3), verzadigings (4), neergang(5)
Introductie
Nieuw product bewijzen dat het in een bepaalde behoefte voorziet. Het is gericht op innovators: consumenten die bij voorkeur nieuw product kopen. Reclame nadruk op acceptatie.
Prijs ligt hoog. Weinig concurrentie. Gering aantal variŽteiten. Geen winst door hoge ontwikkelingskosten.
Bij niet-duurzame producten prijs juist betrekkelijk laag.
Groeifase
Afzet vertoont snelle toename. Prijs wat lager bijgesteld. Meer concurrenten. ProductvariŽteiten kunnen groter worden. In reclame grotere bekendheid bereiken. Winst neemt snel toe.
Rijpheidsfase
Afzetgroei neemt af. Er komt vervangingsvraag: versleten producten door nieuwe vervangen.
Dalende afzetgroei en sterke concurrentie veroorzaken prijsverlaging. Nieuwe variŽteiten nodig om aankoop te stimuleren. Ook gewerkt met premiums: kleine cadeautjes die bij aankoop worden verstrekt.
Verzadigingfase
Afzet groeit niet meer. Voornamelijk vervangingsvraag. Prijzen relatief laag. VariŽteiten kleiner doordat aanbieders de markt verlaten.
Neergangfase
Afzet daalt. Winst zeer laag, kans op verlies. Geen reclame. VariŽteiten nog kleiner.
Lengte en hoogte productlevenscyclus
Bepaald door factoren: modegevoeligheid product, technische ontwikkeling, concurrentie.
Modegevoeligheid
Bv nummer uit de top 40 kort leven beschoren.
Technische ontwikkeling
Onder invloed hiervan soms vrij snel nieuwe producten markt veroveren.
Concurrentie
Suc6volle producten probeert men altijd na te maken. Hierdoor aanbod en diversiteit in korte tijd sterk toenemen.

9.2 Prijsbeleid
Hoogte prijs verkoop stimuleren. Denk aan kortingsacties: prijsverlaging met als doel meer te verkopen.
Functie van de prijs
∑ de prijs v.e. product is het geldbedrag dat de afnemer aan de verkoper betaalt om een product te verkrijgen.
Met de prijszetting verschillende doeleinden bereiken.
1. productie- en verkoopkosten terugverdienen.
2. redelijk rendement behalen.
3. markt veroveren.
4. als concurrentiemiddel gebruiken.
Prijsbepalingsmethode
2 manieren.
KostengeoriŽnteerde prijsbepaling
∑ hierbij worden de productiekosten verhoogd met een (bruto)winstpercentage (brutowinstopslag).
Ook wel sprake van Ďcost plus pricingí of Ďopslagmethodeí. Toegepast door handelsondernemingen met een breed assortiment. In koopprijs vormt de bodem, bij uitzondering mag het dalen. Hoogte (brutowinst) opslag variŽren o.i.v. concurrentie, vraag en productsoort: tevens wordt het dan een vraaggeoriŽnteerde prijsbepalingmethode.
VraaggeoriŽnteerde prijsbepaling
∑ hierbij is de prijs die de consument voor het product wil betalen het uitgangspunt.
Verschillende manieren:
Prijsdiscriminatie
∑ hiervan is sprake wanneer op hetzelfde moment voor hetzelfde product op verschillende marktsegmenten verschillende prijzen worden gevraagd.
Niet verwarren met prijsdifferentiatie: hier prijsverschillen op kostenverschillen.
Psychologische prijzen
Hoge prijs bevestigd Ďkwaliteitsbeeldí van een product. Geeft bepaalde status.
Afroompolitiek
∑ dit houdt in dat de producent voor een nieuw product aanvankelijk een hoge prijs vraagt en vervolgens de prijs geleidelijk verlaagt.
Vaak bij nieuwe producten toegepast. Voorsprong op concurrenten.
Penetratiepolitiek
∑ in dit geval kiest de ondernemer een zo lage prijs dat meteen een groot deel van de markt wordt bediend.
Vooral bij introductie van niet-duurzame consumptiegoederen.
Prijskortingen
Vaak om kennismaking nieuw product te stimuleren.
Prijsbeleid door niet-commerciŽle organisaties
Bij deze organisaties prijs niet vastgesteld door leiding maar door anderen. Afnemer niet met kosten geconfronteerd. Tegenwoordig is dat omgeslagen, dit is vanwege het streven naar kostenvermindering. In het kader hiervan probeert men het profijtbeginsel toe te passen.
∑ Dit houdt in dat de gebruiker van een bepaalde voorziening de kosten daarvan betaalt.

Niet-monetaire prijzen
Dit is tijd die moet worden opgeofferd om het product te verkrijgen. Ook niet-commerciŽle org kunnen hiermee te maken krijgen.
Bereikbaarheid: beperkte openingstijden.
Psychologische drempels: vaak bij medische behandelingen.
Door niet-monetaire prijzen te verminderen kunnen organisaties de totale prijs van hun voorziening zoals de consument die betaalt, verlagen.

9.3 Plaatsbeleid
Kanaalkeuze
∑ Het plaatsbeleid of distributiebeleid betreft alle handelingen die erop gericht zijn de goederen op de plaats te krijgen waar de afnemer deze goederen verwacht.
Schematisch bezien kan een product via de distributiekanalen van hieronder de consument bereiken.
Indirecte distributie directe distributie
Producent Producent Producent
| | |
grossier | |
| | |
detaillist detaillist |
| | |
consument consument consument

Klassieke keten
Ook wel lange keten. Hierin vervult grossier belangrijke rol. Van veel producenten en importeurs goederen kopen en dus detaillist groot assortiment aanbieden. Dit heet de collecterende functie. Nu hoeft detaillist niet zelf bij honderden langs te gaan voor een uitgebreid assortiment.
Detaillist levert consument .Detailhandel=kleinhandel. Groothandel levert alleen aan handelaren.
Meestal word deze keten bij consumptiegoederen toegepast.
Voor de grossier wordt betaald, dit heet groothandelsmarge.
Rabat
Bij levering door fabrikanten van merkartikelen wordt een adviesprijs gegeven. Detaillist kan afwijken. Detaillist betaalt adviesprijs als inkoopprijs, maar verstrekt korting: rabat. Fungeert als (bruto)winstmarge.
Distributie vooral bij dagelijkse levensbehoeften. Fabrikant afhankelijk van bestaande detailhandelketens. Fabrikant wil tussenhandel weg hebben, maar dat kost nog meer.
Directe distributie
Veel toegepast bij levering aan bedrijven. Hangt onder meer samen met kennis van de Ďtechniekí om betreffende producten te verkopen. Alleen producent heeft die. Aantal verkopers gering in business-to-business-markten, hierdoor opzetten eigen verkoopapparaat niet onoverkomelijk duur.
Push- en pull strategie
Keuze distributekanaal deels afhankelijk van macht verschillende marktpartijen.
- pushstrategie:fabrikant product door distributiekanaal duwen. Bieden hoge marges, leveren op krediet manieren om product in assorti te laten opnemen
- pullstrategie: bij de consument vraag naar product creŽren. Via reclame (vooral A-merken)

Kosten van het distributiekanaal
Elke geleding verleent diensten aan de voortstuwing van de producten op weg naar de consument. Betaald in vorm van brutowinstmarge.
∑ Dit is het verschil tussen de verkoop- en inkoopprijs van een product.
Brutowinstmarge uitgedrukt in percentage verkoopprijs. Brutowinst ook uitgedrukt in percentage inkoopprijs, maar dan sprake van brutowinstopslag.
Door brutowinstmarge te nemen van de omzet (in 1 jaar) kan je behaalde brutowinst vinden. Hiervan bedrijfskosten betalen. Na aftrek resterende bedrag = nettowinst.
In iedere distributiefase inkoopprijs verhoogd met een brutowinstmarge.

9.4 Promotiebeleid
Promotie of communicatie opvallende marketinginstrument. Via media uitingen van het promotiebeleid. Werking heet AIDA-formule:
A = attention: aandacht trekken van koper, via advertentie e.d.
I = interest: koper belangstelling voor product.
D = desire: koper wenst artikel te kopen, overtuigd dat het product in behoefte kan voorzien.
A = action: koper gaat over tot aankoop.
Instrumenten promotiebeleid: persoonlijke verkoop, reclame, pr.
Persoonlijke verkoop
∑ Hierbij rechtstreeks contact tussen verkoper en afnemer.
Toegepast bij demonstratie, als service moet worden verleend, product aangepast moet worden aan persoonlijke wensen. Vb. verkoop in speciaalzaken en via vertegenwoordigers.

Belangrijkste taak in koopovereenkomst sluiten.
∑ Dit is een overeenkomst waarbij verkoper zich verbindt bepaalde zaak te leveren en koper zich bindt overeengekomen prijs te betalen.
Rechten + verplichtingen verkoper:
- verkoper recht op overeengekomen koopsom
- verkoper leverings- en vrijwaringplicht. Leveringsplicht: koper wel degelijk beschikking krijgen over artikel. Vrijwaringplicht: verkoper instaan voor verborgen gebreken (=>wanneer koper bij uiterlijke inspectie geen mankementen kon zien)
Rechten + plichten koper:
- plicht om overeengekomen koopsom te betalen.
- Rechten al het tegenovergestelde plichten van verkoper.
Reclame
∑ dit is elke vorm van niet-persoonlijke presentatie en promotie van ideeŽn, goederen en diensten.
Belangrijkste doel is informeren. Hierdoor grotere actieve en passieve merkbekendheid behalen.
Moderne reclame-uitingen op verschillende manieren in te delen, dit kan op de boodschap of op gebruikte medium berusten.
Boodschap:
Individuele reclame:
Reclamemaker is 1 bepaalde organisatie, werkt alleen als de aanbieder een volstrekt eigen product aanbied, te onderscheiden van andere producten.
Collectieve:
Door branche-organisatie voor een bepaald product. Alle ondernemers profiteren ervan. Vooral interessant als er geen verschillen in product zit.
IdeŽle:
Doel veranderen gedragingen of opvattingen van mensen. Ook wel sociale marketing
Als het gericht is op (tijdelijke) vernietiging is er sprake van demarketing. Gedrag zo beÔnvloed dat gebruik afneemt. In praktijk tegenvallende resultaten.
Actie:
Meestal kortetermijnacties om nieuw product te promoten. Bv. huis-aan-huis verspreiding.
Thema:
Langetermijneffect. Onderhouden naambekendheid.
Free publicity
Hierbij product of bedrijf in media genoemd zonder ervoor te betalen.
Medium
Televisiereclame: vooral gebruikt bij breed publiek. Indringend vanwege Ďbeeldendí vermogen.
Radioreclame: verhogen naambekendheid. Door herhaaldelijk horen blijft reclame hangen.
Dagbladreclame: eigen categorie lezers. Lezers van hetzelfde dagblad veel met elkaar gemeen. Onderscheid tussen landelijke en regionale. Streekgerichte reclame alleen in regionale dagbladen.
Reclame in vrouwen-, familie-, en radio- en tv-bladen: doelgroep zij die in het gezin belangrijke beslissingen nemen.
Reclame in vakbladen en hobby-tijdschriften: de leze, vakman, hobbyist = doelgroep.
Negatieve kanten van het consumeren
MateriŽle welvaart gaat ten koste van milieu, grondstoffenuitputting, uitbuitingontwikkelingslanden enz. overheid en niet-com org wijzen bevolking hierop.
Consumentisme
Wordt vormgegeven door organisaties die de belangen behartigen van Ďde consumentí. Ontstaan als reactie op zwakke positie consument t.o.v. machtige aanbieders.
Consumentenorganisaties trekken het lot van consument aan. Ze lichten de consument in, door namens consument leveranciers aan te spreken op ondeugdelijke producten en door juridische bijstand te verlenen.
In Nederland reclame-uitingen aan aantal eisen voldoen, branch heeft die zelf opgesteld. Gedrukte pers eisen vastgelegd in Reclamecode. Deze richtlijnen om misleiding te voorkomen en de goede smaak in de verschillende reclames te bevorderen. Reclame Code Commissie behandelt klachten. Reclame Raad beoordeelt reclame. Toch nog steeds kritiek, vanwege onwaarheden, verleidende werking van reclame en omdat het kostenverhogend is (reclamekosten doorberekend in consumentenprijs).
Public relations
∑ Pr is het stelselmatig bevorderen van wederzijds begrip tussen een organisatie en groepen van het publiek die voor de organisatie van belang zijn.
Belangrijk onderdeel: verstrekken van info over de bedrijfsactiviteiten.
Tot doel heeft dit:
- wegnemen vooroordelen
- voorkomen van ongunstige overheidsbeslissingen
- onder aandacht brengen van nieuw product of productieprocessen
Kosten van promotie
Promotionele activiteiten kosten geld. Deze kosten in prijs doorberekend.
De activiteiten worden vooral ondernomen om naambekendheid te vergroten of te onderhouden. Ook gericht op vergroten van afzet => kosten van een bepaalde promotionele activiteit steeds moeten vergelijken met de opbrengsten hiervan.
Voorbeeld in boek, sorry geen zin meer om dat over te typen.

Samenvatting hoofdstuk 10: Interne organisatie en management

ß 10.1 Het belang van een goede taakverdeling:


Overal waar mensen dezelfde doelen nastreven is een verdeling van taken noodzakelijk. Dit kan betrekking hebben op:

- Kleinschalige projecten
- Leiden en draaiend houden van een bedrijf
Zonder taakverdeling zou er in veel gevallen veel chaos zijn.

Voorbeeld: voetbalclub:
Doelen: winnen
Keeper: bal tegenhouden
Spits: scoren

Waarmee wordt rekening gehouden:
1. hoe komen we aan geld?
2. wie moet er spelen?
3. hoe zorgen we voor mensen in het stadion?
Hierin is het belangrijk dat iemand de leiding heeft, andere kunnen wel ideeŽn hebben maar iemand heeft de uiteindelijke beslissing.

Bij elke organisatie worden verschillende functionarissen in dienst genomen zodat iedereen weet wat zijn taak is. En welke problemen zij op moeten lossen.

ß 10.2 Organisatieschemaís

Taakverdeling gebeurt overal. Binnen alle soorten organisaties, maar ook binnen het gezin. Veel bedrijven maken voor taakverdelingen meestal een schematische weergave.

Organisatieschema: vereenvoudigde weergave van de verhoudingen binnen het bedrijf.
Voorbeelden van organisatieschemaís zijn:
- De lijnorganisatie
- De lijn- staforganisatie
- De functionele organisatie
- De projectorganisatie

Lijnorganisatie:
De meest eenvoudige en meest bekende vorm van de schemaís. …ťn iemand heeft de leiding en daaronder werken andere mensen. Denk aan een school: directeur daaronder rector etc.

Voordeel: elke medewerker heeft duidelijkheid dwz iedereen weet tot wie hij zich moet wenden bij een probleem.
Nadeel: verschillende afdelingen staan vaak op zichzelf, dwz dat de gewone mensen bijna geen contact hebben met andere afdelingen.

De lijnorganisatie komt meestal voor bij kleine bedrijven.

De lijn- staforganisatie:

Veel gebruikt als er met filialen wordt gewerkt, ieder filiaal op zich kent een lijn, er is een filiaalchef en die heeft assistenten. Boven alle filialen staat alleen nog de directeur.
Voordeel: Ze hebben gespecialiseerde stafdiensten (administratie, personeelszaken)
Nadeel: Persoonlijk ontmoet de directeur zijn mensen nooit.

Kleinere bedrijven kunnen vaak zonder gespecialiseerde diensten, de eigenaar kan dan alles zelf doen.

In de lijn Ė staforganisaties staan alle gespecialiseerde stafdiensten horizontaal van de lijn.

De functionele organisatie:

We komen dit in de praktijk bij relatief kleine industriŽle ondernemingen tegen. Hierbij hebben ze het totale pakket aan activiteiten opgesplitst naar functies: inkoop, productie en verkoop. Ook bij een functionele organisatie kunnen staf- of hulpdiensten zijn toegevoegd.

De projectorganisatie:

Hierbij staan projecten centraal!
Projecten: zijn opgebouwd uit diverse activiteiten, die uitgevoerd worden door verschillende afdelingen of specialisten die uiteindelijk moeten leiden tot een duidelijk omschreven resultaat.
Een voorbeeld is: sportdag.

Kenmerken van een projectorganisaties:
o Het is een geheel van bij elkaar horende activiteiten, waarbij diverse personen met deskundigen betrokken zijn
o Het totaal aan activiteiten moet een concreet omschreven einddoel hebben, dwz dat het duidelijk is wanneer het project af is.
o De totale looptijd van het project is in de tijd begrenst.

ß 10.3 managementtaken

Als manager moet je deze taken verrichten:
1. plannen
2. organiseren
3. leidinggeven
4. controleren

Het maakt niet uit of de manager in een profit of een non-profit organisatie werkt, de taken blijven hetzelfde.
Organiseren: omvat het zo goed mogelijk regelen en verdelen van taken, bevoegdheden en middelen onder de leden van de organisatie met het oog op gestelde doelen.

Hoe hoger iemand staat in het organisatieschema, hoe meer hij te maken heeft met organiseren. Iedereen die ondergeschikte heeft, geeft leiding.

Leidinggeven: het sturen, beÔnvloeden en motiveren van de medewerkers.
Gemotiveerde werknemers leveren beter werk af dan niet- gemotiveerde mensen. Motiveren doen ze door materiele prikkels zoals: salaris/auto van de zaak en immateriŽle aspecten zoals: sfeer, saamhorigheid, waardering en cultuur moet de manager in het oog houden.

ß 10.4 Controle

De economie is altijd in beweging. Bij sportverenigingen kan dat leiden dat het ledental afneemt omdat mensen het drukker krijgen, waardoor ze minder tijd krijgen om te sporten. Het uitoefenen van controle is het logische sluitstuk van alle managementtaken:
1. je hebt een doel als leidinggevende
2. je maakt een plan om het doel te bereiken
3. je organiseert mensen en middelen om het plan uit te voeren
4. ten slotte controleer je of de uitvoering van het plan tot het gewenste doel heeft geleid.

Functiescheiding: het verdelen van bepaalde functies over verschillende personen om daarmee controle te vergemakkelijken en fraudegevoeligheid te verkleinen.

Goederenstroom: onderdelen bestellen, opslaan, ontvangen, uitleveren en verkopen Ť niet handig als 1 persoon dat doet want dan is fraude plegen makkelijk.

Administratie: vastleggen van wat je doet/ gedaan hebt Ť belangrijk om te kunnen kijken of er fraude gepleegd wordt.

Je hebt een soort bon waarop je uren worden gezet, je kan dan gemakkelijk controleren of er mee geknoeid is. Wat betreft onderdelen is er een rekensom:
beginvoorraad+ontvangsten Ė afgiften = eindvoorraad

Je kan deze formule op alles toepassen om het te controleren.

Bij grote bedrijven is dit veel ingewikkelder. Wel kan men veel verder gaan met functiescheiding. In kleine bedrijven hebben mensen vaak meerdere taken maar in grote bedrijven ligt dat anders. In het ideale geval zijn de volgende functies gescheiden en verdeeld over verschillende personen:

o beschikken of beslissen (bijv. bevoegdheid om goederen te bestellen/verkopen): grote organisaties hebben een gespecialiseerde inkoopafdeling. De medewerkers van die afdeling hebben de benodigde kennis van de in te kopen artikelen en kennen de markt.
o Bewaren: (bijv. magazijnmeester): veel goederen vragen om bijzondere bewaarcondities zodat ook hiervoor specialisten zijn aangetrokken. Onderdeel van de taak van de magazijnmeester is het bijhouden van een voorraadadministratie
o Uitvoeren(bijv. materialen of onderdelen verbruiken in productie): de productiechef zal in de regel bevoegd zijn zaken aan het magazijn te onttrekken. Hij registreert dat op werkbonnen.
o Registreren: (bijv. administratief vastleggen van de gebeurtenissen): deze registrerende taak wordt meestal uitgevoerd door een financiŽle administratie of boekhouding.
o Controleren(bijv. uitvoeren van streekproef controles): kijken of de eerste vier taken goed zijn uitgevoerd, gebeurd meestal door de leiding.

Controle is nodig om de handhaving van de spelregels te bewaken. Overtreding van regels kan immers zeer voordelig zijn voor de overtreder, maar gaat wel ten nadele van een ander. Er zijn verschillende soorten controles mogelijk en noodzakelijk.
interne controle: elke vorm van controle die wordt uitgevoerd door of namens de leiding van de organisatie.

Ook kan de eigenaar zelf controle uitvoren dmv oogcontrole(kijken wat je ziet).
Sociale controle: medewerkers die elkaar controleren op fouten

Grote ondernemingen kennen zeer veel belanghebbenden: werknemers, eigenaren, schuldeisen, afnemers, banken enz. Om de belangen van deze direct betrokkenen te waarborgen is wettelijk bepaald dat dit soort grote organisaties jaarlijks een accountcontrole doen. In het financiŽle rapport moet een goedkeurende accountverkla-ring erbij zitten, deze moet van iemand van buiten de organisatie zijn.

Een belangrijke contolerende instantie is de belastingdienst. Zo kun je geen foute fiscus afgeven, dat controleren ze door die controles. Organisaties zijn bij wet verplicht alle aan medewerkers te geven bij deze controles.

Externe controles: controle die wordt uitgevoerd door of namens een andere instantie dan het management.

ß10.5 Managementinformatie

In ß 10.4 hebben we 2 soorten controles uitgelegd. Controle op fraude en procesbewaking. Aan het eind van een bepaalde periode, bijv. een jaar, worden doelstellingen geformuleerd en in de loop van het jaar moet gecontro-leerd worden of de organisatie op de goede weg is, of men op schema ligt om de gestelde doelen te halen. Om dit te controleren moet het management informatie ontvangen van de organisatie en de omgeving waarin de organisatie werkt. Voorbeelden: kostengegevens, personele gegevens en verkoopcijfers.
Deze managementinfo komt niet uit de lucht vallen, in iedere organisatie moet geregeld zijn:
1. hoe gegevens worden verzameld en vastgelegd
2. hoe die gegevens worden bewerkt tot managementinfo.

Uitleg 1+2:
1) het verzamelen en vastleggen is een taak voor de administratie. Computer is hierbij onmisbaar, dit kan namelijk veel gegevens vasthouden, bewerken, uitprinten etc. Ook in een hoog tempo en dat is handig

2)elke verkoop wordt aangeslagen op een kassa, dan aan het einde van de avond over naar computer, die het dan weer weergeeft.
Voordeel: de leiding krijgt elke avond netjes alles van 1 avond per filiaal of bedrijf.
In het boek op pagina 125 figuur 10.5/10.6 bekijken!

Hoofdstuk 11: Verschillende soorten organisaties

ß 11.1 handelsondernemingen

De handelsondernemingen verkrijgt hun inkomen uit het in- en verkopen van goederen. Het gaat hierbij niet om diensten maar om fysieke, tastbare goederen. Ze maken er niks nieuws van!

Handelsonderneming: een bedrijf dat producten verkoopt en inkoopt zonder er een verdere bewerking aan te geven.

Collecterende functie: inkoopactiviteiten via groothandels.

Een bedrijf zijn functie is om op het juiste moment in het bijzijn van klanten hun product zo goed mogelijk aan te prijzen. Dit is distribuerende functie.

Het verschil tussen een kleinhandelsbedrijf en een groothandelsbedrijf is dat de kleinhandel uitsluitend levert aan de consument en de groothandel ook aan bedrijven. De groothandel vervult ook een distribuerende functie.

ß 11.2 CommerciŽle en niet- commerciŽle organisaties.

Kenmerken CommerciŽle:

willen winst maken
verkopen hun producten op de markt
afnemers betalen marktprijs
marktprijs dekt de kosten plus winstopslag
grotendeels particuliere organisaties, maar ook wel overheidsorganisaties
gericht op het verwerven van inkomen
rechtsvormen: eenmanszaak, VOF, BV, NV

voorbeelden
particuliere organisatie: Philips
overheidsorganisatie: waterleidingbedrijf

Kenmerken niet- CommerciŽle:
Willen geen winst maken
verkopen hun producten niet op de markt
afnemers betalen geen marktprijs
kosten bestrijden uit: subsidie, giften, contributie
zowel particuliere organisaties als overheidsorganisaties
gericht op het uitgeven van inkomen
rechtsvormen: vereniging / stichting

voorbeelden
particuliere organisatie: Amnesty international, sportvereniging, kerkgenootschap, scholen
overheidsorganisatie: staat, provincie, gemeenten, sociale verzekeringsorganen

Wel willen niet- commerciŽle organisaties kostendekkend zijn. Een organisatie die structureel de kosten niet kan dekken is uiteindelijk ten dode opgeschreven!

Hoofdstuk 12: opbrengsten en kosten binnen een handelsonderneming(ho)

12.1 Voorraden

Voor een bedrijf is het noodzakelijk een voorraad te hebben, dat is wel afhankelijk van de aard van het product. Dit is om klanten direct te kunnen bedienen.
Aan de voorraad zijn kosten en risicoís gebonden. De kosten zijn nodig om de voorraad te verkrijgen en in stand te houden. De voorraadkosten bestaan uit 2 dingen:
1. Bestelkosten: dit zijn alle kosten die verband houden met de inkoop. En ook dus de loonkosten inkopers, kosten voor gebruikte materialen, telefoonkosten e.d.
2. Opslagkosten: houden verband met het in voorraad houden van goederen. En ook loonkosten magazijnpersoneel, kosten voor opslagruimte, rentekosten, interest e.d.
Risicoís van het voorraad houden
Bij voorraad risico van waardevermindering door:
∑ Bederf: hierdoor ongeschikt voor handel. We spreken dan van kwaliteitsrisico.
∑ Diefstal, brand e.d.: hierdoor neemt de grootte af of vermindert de kwaliteit. Dit vormt kwantiteitsrisico. Ze kunnen zich verzekeren, maar dan nemen de voorraadkosten toe.
∑ Veroudering: dit kan door technische of smaak veranderingen gebeuren. Veroudering van de voorraad vormt een commercieel risico.
∑ Prijsfluctuaties: als de marktprijs van ingekochte voorraad daalt, vindt de productie plaats met te duur ingekochte grondstoffen. Hierdoor moet het bedrijf de kostprijs op de nieuwe inkoopprijs afstellen vanwege de concurrentie. Dit vormt een economisch risico.
HOís streven ernaar hun voorraad zo klein mogelijk te laten zijn zodat de kosten en risicoís zo klein mogelijk zijn. We spreken dan van een optimale voorraad.
Technische en economische voorraad
Bij een bedrijf kan een deel van de voorraad wel verkocht zijn maar nog niet geleverd, dit zijn de voorverkopen. Het bedrijf heeft dan GEEN prijsrisico, die ligt nu bij de koper. Zoiets is er ook bij de inkoopzijde. Dan zijn er al goederen besteld maar nog niet ontvangen, dit zijn de voorinkopen. Het bedrijf heeft dan WEL prijsrisico. Door deze 2 zijn er 2 voorraadbegrippen ontstaan:
∑ De technische voorraad is de werkelijke aanwezige voorraad.
∑ De economische voorraad is de voorraad waarover een onderneming prijsrisico loopt.

12.2 Ontvangsten en uitgaven
In de loop van een jaar doet een ho veel uitgaven en hebben ze ook veel ontvangsten. De ontvangsten komen meestal uit de verkoop van producten. De goederen die een onderneming contant verkoopt ontvangt ze gelijk het geld. Bij verkoop op rekening, ontvangt ze de prijs pas later.
Ontvangen van geld kan ook doordat de eigenaar het eigen vermogen uitbreidt (met contant geld) of door het opnemen van een lening.
Gelduitgaven moeten worden voldaan uit de geldontvangsten of uit de voorraad liquide middelen. De uitgaven betreffen onder meer:
∑ Betaling v.d. ingekochte prod.: bij contant ingekochte prod moet meteen bij inkoop worden betaald, als t op rekening is ingekocht pas later betalen.
∑ Betaling v.d inkoopkosten: soms bedrijf zelf betalen voor vervoers- en verzekeringskosten. Deze verhogen de inkoopwaarde v.d. ingekochte prod.
∑ De loonkosten v.h. personeel:maandelijks loon personeel uitbetaald. Loonheffing afgedragen aan belastingdienst en sociale premies aan uitvoeringsorg. v.d. soc. verz.
∑ Interestbetalingen: opgenomen leningen leiden tot interestbetalingen.
∑ Overige betalingen: b.v betalingen aan openbarenutsbedrijven(water, gas e.d), gemeentelijke heffingen , administratieve uitgaven, reclamekosten, aflossingen.
Ontvangsten en opbrengsten
Als een bedrijf geld ontvangt spreken we van ontvangsten. Als deze voortvloeien uit de levering van g of d noemen we ze opbrengsten. (je kan ff op blz. 133 kijken voor voorbeeld).
Uitgaven en kosten
Uitgaven zijn betalingen. We spreken van kosten als een onderneming g of d aanschaft t.b.v de productie. Voorbeelden: loonkosten, interestkosten, energiekosten en algemene kosten.
Ook waardedaling die leiden tot afschrijvingskosten zijn kosten. Deze kosten gaan niet gepaard met gelduitgaven aangezien de uitgave al in het verleden heeft plaatsgevonden.
Aflossing behoort echter niet tot de kosten, het is nl een terugbetaling. Interest wordt wel tot de kosten gerekend.


12.3 Brutowinst
Een ho koopt goederen in met het doel ze met een hogere prijs te verkopen. Het verschil tussen verkoopprijs en inkoopprijs noemen we de brutowinst. De totale geldopbrengst van verkochte goederen is de omzet van een bedrijf.
Afzet en omzet
∑ De afzet is de hoeveelheid goederen die in een bepaalde periode is verkocht.
∑ De omzet is de som v.h aantal verkochte goederen x de verkoopprijs van ieder goed.
Dus: omzet = afzet x verkoopprijs (van de omzet)
Brutowinstmarge
Uit de totale brutowinst moeten alle overige kosten worden gedekt. B.v de lonen van personeel, interest, verbouwkosten, afschrijvingen en dan nog gedeelte voor eigenaar.
De inkoopprijs wordt verhoogd met een percentage om de gewenste verkoopprijs te behalen. Dit % is de brutowinstopslag bij ondernemers die zelf de verkoopprijs vaststellen.
Als de brutowinst wordt uitgedrukt in % van verkoopprijs = brutowinstmarge. Dit is vooral als een ondernemer niet de verkoopprijs mag bepalen.
Dus: gewenste verkoopprijs = inkoopprijs + opslag brutowinst
opslag brutowinst = opslag % brutowinst X inkoopprijs
vb zie boek!

Bedrijfskosten en nettowinst:
Een handelsonderneming (ho) naast de inkoop van handelsgoederen ook diverse andere kosten zoals: loonkosten magazijnkosten, rentekosten reclamekosten en afschrijvingskosten. Al deze overige kosten noemen we bedrijfskosten. De brutowinst verminderd met de bedrijfskosten noemen we de nettowinst.
Nettowinst: vormt het inkomen van de eigenaar(s) van het bedrijf.

Omzet (in een jaar) = inkoopprijs van de omzet + brutowinst
Brutowinst = totale bedrijfskosten + nettowinst

ß 12.4:
de overheid wil dat vrijwel iedere verkoop de verkoopprijs wordt verhoogd met BTW. Er zijn momenteel twee tarieven (6% en 19%). Slechts enkele goederen zijn er van vrijgesteld. DE afnemer betaald BTW aan de leverancier.

Omzetbelasting= een belastingsheffing op de consumptie van goederen en diensten.

Toegevoegde waarde: is de waardevermeerdering die een product verkrijgt tijdens een productieproces.

Voor een ho is de toegevoegde waarde hetzelfde als brutowinst. Berekening toegevoegde waarde:
waarde eindproduct Ė ingekochte grond/hulpstoffen Ė waarde van diensten van derden.

Omzetbelasting: blz 138: tabel zie boek:
o Doordat bij ieder verkoop 6% BTW aan de afnemer wordt betaald krijgen we het volgende beeld:

o Producent betaald 75000 + 6% = 79500
bakker enzovoorts zie boek!
o Bij iedere productiefase hetzelfde
o Uiteindelijk betaald de koper de totale BTW van het eindproduct. En dat is de bedoeling. Omzetbelasting is immers een belastingsheffing op consumptie.
o Als gevolg van de BTW stijgt de uiteindelijke verkoopprijs met 6%

Verkoopprijs en consumentenprijs:
Door de heffing van BTW wordt het voor de verkoper zinvol onderscheid te maken tussen de verkoopprijs (excl BTW) en de consumentenprijs (incl. BTW). De verkoopprijs is voor hem het interessantste omdat die de inkoopwaarde van de verkochte goederen, de bedrijfskosten en de nettowinst moet opleveren.
Consumentenprijs: verkoopprijs + BTW

Merk op dat de onderneming bij het bepalen van de gewenste verkoopprijs calculeert met prijzen Excl. BTW! Het verschil tussen ontvangen en betaalde BTW moet hij immers afdragen aan de fiscus. BTW die een onderneming ontvangt, behoort dus tot de ontvangsten ( niet opbrengsten!). De BTW die een onderneming betaald aan een leverancier is wel een uitgave maar geen kostenpost! Uitsluitend het verschil tussen de verkoopprijs en de inkoopprijs (beide excl. BTW) is de brutowinst waaruit de kosten worden gedekt.

Samenvatting M&O hoofdstuk 13

ß 13.1 kostprijs verkochte goederen


blz141 krantenbericht:
gewenste verkoopprijs = inkoopprijs + brutowinstopslag
Deze berekening versluierd veel. Met de brutowinstopslag moeten alle kosten worden terug verdiend en ook nog winst gemaakt worden.
Kosten uit het krantenbericht:
o Inkoopkosten ( alle kosten die te maken hebben met de inkoop)
o Algemene kosten (kosten voor huisvesting)
o Verkoopkosten( alle kosten die te maken hebben me de verkoop)

Als een bedrijfsleiding goed wil reageren op veranderende omstandigheden moet het goede info hebben. Bijvoorbeeld:
o inzicht in het verband tussen de kosten en prestaties van de onderneming
o hanteren van 1 opslagpercentage dat ťn alle kosten en de nettowinst omvat
Je kan meer inzicht krijgen door met verschillende opslagpercentages te werken. Volgens deze methode kan de gewenste verkoopprijs (Excl. BTW) worden weergeven zoals dit:
gewenste verkoopprijs= inkoopprijs+opslag inkoopkosten+ opslag overige kosten+opslag gewenste nettowinst

opslag overige kosten bereken je door: opslag algemene kosten + opslag verkoopkosten

Omdat de inkoopkosten rechtstreeks samen hangt met de inkoop wordt de opslag voor inkoopkosten gerelateerd aan de inkoopprijs. Dit is in een schema weer te geven:

De opslagmethode bij een handelsonderneming houdt in dat de totale inkoopkosten in een bepaald jaar wordt uitgedrukt in een percentage van de inkoopprijs (alles wat gekocht is). In het volgende jaar wordt de inkoopprijs met dit opslagpercentage verhoogd.
Vb: In een bloemenzaak wordt de kostprijs als volgt berekend. De inkoopprijs van bloemen wordt verhoogd met een opslag voor inkoopkosten van 10%. Het opslagpercentage voor de overige kosten is 40%. Bereken de kostprijs van een bos bloemen waarvan de inkoopprijs 8euro is.
Inkoopprijs: 8 euro
Opslag inkoopkosten 10% van 8 euro = 0.80 euro
Opslag overige kosten 40a% van 8.80= 3.52 euro
Totaal = 8+0.80+3.52 = 12.32 euro

ß 13.2 kostprijs en nettowinst

door de kostprijs te verhogen met de gewenste nettowinstopslag en door vervolgens rekening te houden met de omzetbelasting vinden we de gewenste verkoopprijs incl. BTW. Schema:

vb: speelgoedzaak in Aídam heeft over 2002 de volgende gegevens:
Totale inkoopwaarde: 3200000
Totale inkoopkosten: 400000
Overige kosten: 1200000
De onderneming wenst een nettowinstpercentage van 20% van de kostprijs. De BTW bedraagt 19%
a) bereken de opslagpercentage voor de inkoopkosten en de overige kosten
b) bereken de kostprijs die in 2003 berekend zal worden voor een partij van 500 poppen met een totale inkoopwaarde van 14000euro
c) bereken de verkoopprijs van een pop uit de bij b) genoemde partij (Incl. BTW)
oplossing:
a) inkoopkosten: 400000 : 3200000 x 100% = 12,5%
overige kosten: 1200000 : (3200000+400000) x 100% = 33 1/3%
b) in 2003 worden de opslagkosten gebruikt van 2002 dus:
inkoopwaarde totale partij: 14000
opslag inkoopkosten (12,5% van 14000) = 1750
opslag overige kosten (33 1/3% van 15750)= 5250
totaal: 21000 euro
c) kostprijs berekend bij b moet nu nog worden verhoogd met nettowinstopslag en BTW dus:
kostprijs per pop (21500:500) = 42,00
opslag nettowinstperc (20% van 42) 8,40
BTW van 19% (19% van 50,40) 9,58
verkoopprijs incl BTW 59,98

ß 13.3 vaste verrekenprijs Wanneer de handelsonderneming producten verkoopt, waarvan de inkoopprijzen betrekkelijk weinig schommelen is de berekening van gewenste verkoopprijs te vereenvoudigen.vaste verrekenprijs (vvp) dus:

een vaste verrekenprijs is gebaseerd op schatting van het verloop van de inkoopprijzen de komende periode. Daaruit volgt een verw8 gem. inkoopprijs die verhoogd wordt met een opslag voor inkoopkosten.

De overige kosten bestaan uit de verkoopkosten + algemene kosten. Door de overige kosten via een opslagpercentage van VVP aan de verkochte producten toe te rekenen, vinden we de kostprijs van de verkochte producten.

Wanneer we het schema bekijken (dit kantje) zien we de kostprijs opgebouwd uit toegestane (of voorgecalculeerde) kosten. Voorafgaand aan een bepaalde periode heeft de leiding een schatting gemaakt van de inkoopprijs van de te verkopen goederen. Op grond van haar ervaring heeft zij vervolgens bepaald met welke bedragen ze de inkoopprijs moet verhogen om de kostprijs van het product te vinden.

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

4208
 

reacties