Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Hoofdstuk 5

Scheikunde

Samenvatting

Curie

 
  • Marleen
  • NL
  • 996 woorden
  • 13190 keer
    30 deze maand
  • 13 juli 2003

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.

Scheikunde Hoofdstuk 5

Instap
1.)
Oplossing: Moleculen van verschillende stoffen zijn gemengd en zitten op willekeurige plaatsen in de oplossing. Elk molecuul is omgeven door moleculen van de andere stof.
Emulsie: Mengsel van 2 niet mengbare stoffen. Druppeltjes van de ene stof zweven in de andere stof.
Suspensie: Mengsel van een vloeistof en een niet-oplosbare vaste stof. Brokjes/klompjes van de vaste stof zweven in de vloeistof.


2.)
Metaalbinding: Binding tussen positieve metaalionen en de daartussen vrijbewegende valentie-electronen.
Ionbinding: Binding tussen positieve en negatieve ionen. Door de elektrische aantrekkingskracht is deze binding sterk.

3.) Opbouw metaalrooster: Metaalatomen zijn regelmatig gerangschikt.
Eigenschappen van metaal: -Stevigheid door de metaalbinding
-Gemakkelijk te vervormen doordat de metaalbinding niet wordt verbroken als lagen metaalatomen over elkaar schuiven.
-Legeringen zijn moeilijk buigbaar door verschillende grootten van deeltjes

Opbouw ionrooster: Rooster waarbij de Positieve en negatieve ionen om en om zitten gerangschikt.
Eigenschappen zouten: -Niet vervormbaar door buigen, want als lagen schuiven, komen positieve tegenover positieve ladingen en negatieve tegenover negatieve ladingen te liggen. Ze stoten elkaar af en het kristal breekt.

4.) Molecuulformule: geeft aan uit welke atomen een molecuul is opgebouwd en uit hoeveel atomen per atoomsoort. (Letters en cijfers)
Verhoudingsformule: geeft aan in welke verhouding ionen voorkomen. (Letters en cijfers)

5.) Structuurformule: geeft aan hoe de atomen in een molecuul met atoombindingen aan elkaar zijn verbonden. (Letters en streepjes)
Een streepje geeft 1 gemeenschappelijk elektronenpaar aan.

6.) Covalentie: Rechts in tabel 39 Binas

5.1 Moleculaire stoffen

Een vanderwaalsbinding of molecuulbinding is de binding die ontstaat door de aantrekkingskracht tussen moleculen.

1.) Moleculaire stoffen geleiden in vaste, gesmolten of opgeloste toestand geen stroom, metalen en zouten wel.
Moleculaire stoffen bestaan uit ongeladen moleculen, zouten uit ionen en metalen uit ionen met valentie-electronen.

2.) Zouten en metalen zijn 2 andere stoffen.

4.) De sterkste van de vanderwaalsbinding hangt af van de molecuulmassa.

5.) Als een molecuul smelt of kookt gaan de moleculen harder trillen, waardoor ze langs elkaar gaan bewegen (smelten) of los van elkaar komen (koken). Als ze los van elkaar komen wordt de vanderwaalsbinding verbroken.

6.) De bindingen in moleculen zijn atoombindingen.
De bindingen tussen moleculen zijn vanderwaalsbindingen.

7.) Molecuulrooster: moleculaire stoffen in vaste toestand in een regelmatige rangschikking.

8.)
Type stof Rooster
Zouten Ionrooster
Metalen Metaalrooster
Moleculaire stof Molecuulrooster

9.) Ionrooster
a. Smelt- en kookpunt ligt hoog, omdat de binding sterk is.
b. Het is hard en bros. Als lagen schuiven, komen positieve tegenover positieve ladingen en negatieve tegenover negatieve ladingen te liggen. Ze stoten elkaar af en het kristal breekt.
c. In vaste vorm geen stroomgeleiding, want dan kunnen de ionen niet bewegen. In vaste of vloeibare toestand wel stroomgeleiding.
Metaalrooster
a. Smelt- en kookpunt ligt hoog, omdat de binding sterk is.
b. Het is hard en buigzaam, want als de lagen schuiven, blijven de valentie-electronen de lagen aantrekken.
c. Geleid altijd elektrische stroom
Molecuulrooster
a. Laag smelt- en kookpunt, want de vanderwaalsbinding is niet erg sterk.
b. Niet hard en niet bros, want er zijn geen ionen die elkaar afstoten.
c. Geen geleiding van elektrische stroom, want de moleculen zijn niet geladen.

5.2 Atoombinding

Een streepje in een structuurformule geeft één gemeenschappelijk elektronenpaar aan.

1.) Een atoombinding ontstaat doordat er een gemeenschappelijk elektronenpaar
(2 elektronen) om beide atoomkernen bewegen. Door hun negatieve lading houden ze de atoomkernen bij elkaar.

2.) Per atoombinding 1 streepje in een structuurformule.

4.) enkele binding: 1 elektronenpaar
dubbele binding: 2 elektronenparen

5.3 Polaire binding

Een polaire atoombinding of polaire binding is een atoombinding tussen 2 atomen met verschillende elektronegativiteit.

1.) Elektronegativiteit is de mate waarin een atoom een elektronenpaar aantrekt.

3.) Een polaire atoombinding of polaire binding is een atoombinding tussen 2 atomen met verschillende elektronegativiteit.

4.) d+ Positieve lading (de elektronegativiteit is klein)
d- Negatieve lading (de elektronegativiteit is groot)
Met een pijltje geef je de richting van de elektronenverschuiving weer.

5.4 Dipoolmoleculen

-Een dipool is een deeltje met aan de ene kant een positieve lading en aan de andere kant een negatieve lading. Als gevolg van een polaire binding.
-Een dipool-dipoolbinding is de binding tussen dipoolmoleculen waarbij de positieve kant van een molecuul de negatieve kant van een ander molecuul aantrekt. Het is een extra binding naast de vanderwaalsbinding.
-Een polaire stof is een moleculaire stof waarvan de moleculen wel dipolen zijn.
-Een apolaire stof is een moleculaire stof waarvan de moleculen geen dipolen zijn. Dit zijn hydrofobe stoffen.

1.) Een dipool is een deeltje met aan de ene kant een positieve lading en aan de andere kant een negatieve lading. Als gevolg van een polaire binding.

2.) Voorbeelden van dipoolmoleculen: water H2O
ammoniak NH3
HCl
!CO2 is geen dipoolmolecuul!

3.) Als de geladen atomen niet op een rechte lijn liggen is het molecuul een dipool.
Als de molecuul een lineaire structuur heeft, is het geen dipool.

5.5 Waterstofbruggen

Polaire stoffen met OH groepen en NH2 groepen vormen waterstofbruggen. Hierdoor kunnen ze goed met water mengen. Ze worden hydrofiel genoemd.

-Hydrofiele stoffen mengen goed met elkaar.
-Hydrofobe stoffen mengen goed met elkaar.
-Hydrofiele en Hydrofobe stoffen mengen slecht met elkaar.

1.) De moleculen zijn dipolen: aan de ene kant hebben ze een positieve en aan de andere kant een negatieve lading als gevolg van de polaire binding en de opbouw. Doordat de negatieve kant van de ene molecuul de positieve kant van de andere molecuul aantrekt, ontstaat er een dipool-dipoolbinding.

2.) Polaire stof: moleculaire stof waarvan de moleculen wel dipolen zijn.
Apolaire stof: moleculaire stof waarvan de moleculen geen dipolen zijn.

3.) Als de geladen atomen niet op een rechte lijn liggen is het molecuul een dipool.
Als de molecuul een lineaire structuur heeft, is het geen dipool.

4.) -Hydrofiele stoffen mengen goed met elkaar.
-Hydrofobe stoffen mengen onderling goed.
-Hydrofiele en Hydrofobe stoffen mengen slecht met elkaar

Een waterstofbrug of H brug is de binding tussen moleculen waarbij zich een H atoom bevindt tussen 2 O of 2 N atomen, of tussen een O en een N atoom.


1.) De Hd+ van de ene molecuul trekt de Od- of Nd- van de andere molecuul aan. Het waterstofatoom vormt zo een brug van het ene naar het andere atoom.

2.) Voorwaarden voor moleculen voor H bruggen: -aanwezigheid van een OH of NH groep
-molecuul moet klein zijn

3.) a. Door H bruggen heeft de stof hogere smelt- en kookpunten.
b. Zo’n stof lost alleen goed op in hydrofiele stoffen.

4.) De aanwezigheid van H bruggen geef je aan met een stippellijntje.

5.6 Hydrofiele en hydrofobe stoffen

Hoe groter een alkylgroep of alkaanamine wordt, hoe slechter deze mengbaar is met water. Het hydrofobe karakter gaat dan overheersen.
Ook oliën en vetten hebben grote hydrofobe groepen in hun molecuul. Daarom zijn deze niet mengbaar met water.

 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

Reactie (quote)
Jouw naam*
E-mail (niet publiek)*
Geheime code*
4759
 

reacties

 
 
bedankt voor je werkstuk is zeker nuttig mishcien handig zet het nieuveau erbij of de titel van he hoofdstuk groten Rickbert
door Rickbert (reageren) op 11 april 2005 om 14:28

Bekijk nu onze
Zeker Weten Goed
pagina

Al onze beste boekverslagen op een rijtje

Naar de pagina