Immunologie

Biologie

Profielwerkstuk

7.2 / 10
5e klas havo
  • Ronald
  • NL
  • 6300 woorden
  • 10235 keer
    0 deze maand
  • 26 februari 2003
Hoofdstuk 1 Inleiding §1.1 Hoe werkt ons immuunsysteem? Binnen het lichaam zit een verbazingwekkend beschermingsmechanisme hetgeen we het immuunsysteem noemen. Het is 'ontworpen' om ons te verdedigen tegen miljarden bacteriën, virussen, gifstoffen en parasieten, die er naar snakken je lichaam in bezit te nemen. Om te begrijpen hoe krachtig ons immuunsysteem is, hoef men alleen maar voor te stellen wat er gebeurt als we sterven. Dat klinkt grof, maar het toont wel iets heel belangrijks aan over ons immuunsysteem. Als iets of iemand dood gaat dan stopt, samen met andere zaken, het immuunsysteem. Werkelijk in enkele uren wordt het lichaam binnengedrongen door allerlei bacteriesoorten, micro-organismen, parasieten ... Niets van genoemde elementen kan binnendringen als het immuunsysteem functioneert, echter op het moment dat het immuunsysteem faalt, staat de deur wagenwijd open. Als men eenmaal dood is kost het deze organismen maar enkele weken om het lichaam geheel te ontmantelen en het te laten verdwijnen tot alleen nog een skelet over is. Klaarblijkelijk is het immuunsysteem tot dit verbazingwekkende in staat zodat die ontmanteling tijdens het leven niet optreedt. Het immuunsysteem is complex, ingewikkeld en interessant. Enerzijds is het omdat het gewoonweg fascinerend is te weten waar dingen als koorts, ontstekingen etc. vandaan komen als zij zich in het lichaam voordoen. Anderzijds hoort men ook veel over het immuunsysteem in het nieuws als er weer nieuwe aspecten van doorgrond worden en er nieuwe medicijnen op de markt komen – dit profielwerkstuk biedt kennis over het immuunsysteem om deze nieuwe vindingen begrijpelijk te maken. §1.2 Letten op het immuunsysteem. Het immuunsysteem werkt 24 uur per dag en op duizenden van elkaar verschillende manieren, toch doet het zijn werk grotendeels onopgemerkt. Eën ding dat ons werkelijk het immuunsysteem doet ervaren is dan wanneer het om een of andere reden in zijn werking faalt. We worden dat ook gewaar als het een neveneffect veroorzaakt dat we kunnen zien of voelen. Hier volgen verschillende voorbeelden: • Als men zich snijdt dan komen allerhande bacteriën en virussen het lichaam binnen door de wond in de huid. Als men in een splinter grijpt, dan heeft men ook nog een vreemd object in het lichaam. Het immuunsysteem reageert en elimineert de binnendringers, onderwijl heelt de huid en de wond sluit zich. In enkele gevallen mist het immuunsysteem zijn uitwerking en de snijwond raakt geïnfecteerd. De wond gaat ontsteken en vult zich met pus. Ontsteking en pus zijn beide neveneffecten in de werking van het immuunsysteem. • Als men door een mug wordt gestoken, dan krijgt men een rode en jeukende bult. Ook dat is een zichtbaar teken dat het immuunsysteem zijn werk doet. • Elke dag ademt men duizenden in de lucht zwevende ziektekiemen (bacteriën en virussen) in. Het immuunsysteem rekent er probleemloos mee af. Zo af en toe dringt er een kiem door die immuunbarrière en dan heeft men een kou gevat of, nog erger, heb je griep gekregen. Een verkoudheid of griep is een zichtbaar teken dat het immuunsysteem even heeft gefaald een ziektekiem tegen te houden. Het feit dat men geneest van die verkoudheid of griep is een zichtbaar kenmerk van het feit dat het immuunsysteem in staat is geweest de binnendringer te verslaan door er iets over gewaar te worden. Als het immuunsysteem niets zou doen dan zou men nooit van een verkoudheid of wat dan ook afraken. • Elke dag eet men ook wel honderden ziektekiemen op en hiervan zullen de meeste gedood worden door de werking van het speeksel of van het maagzuur. Af en toe slipt er toch eentje door en dan heeft men last van voedselvergiftiging. Normaliter zijn er een serie heel duidelijk symptomen als deze immuunbarrière wordt doorbroken: braken en diarree zijn hiervan de meest algemene verschijnselen. • Er zijn ook allerhande kwalen bij mensen aan te wijzen waarbij het immuunsysteem op een onverwachte manier of op een onjuiste wijze werkt en er problemen van komen. Sommige mensen hebben last van allergie. Allergieën zijn eigenlijk het gevolg van het feit dat het immuunsysteem te sterk reageert op zaken waarop in het algemeen juist niet gereageerd had mogen worden. • Sommige mensen hebben last van suikerziekte doordat het immuunsysteem onnodig cellen in de alvleesklier aanvalt en deze vernietigt. Andere mensen hebben reumatoïde artritis en dan werkt het immuunsysteem afwijkend in de gewrichten. Bij verscheidene ziektes is de oorzaak simpelweg een fout in de werking van het immuunsysteem. • Tenslotte merken we dat het immuunsysteem ons weerhoudt dingen te doen die normaliter heilzaam voor het lichaam zouden zijn. Orgaantransplantaties zijn veel moeilijker dan ze zouden moeten zijn doordat het immuunsysteem het getransplanteerde orgaan afstoot. Hoofdstuk 2 Basis §2.1 Basiskennis over het immuunsysteem. Laten we bij het begin beginnen. Wat betekent het als iemand zegt: "Ik voel me ziek vandaag?" Wat is een ziekte? Door te begrijpen welke soorten ziektes er zijn, is het mogelijk te zien bij welke soorten ziektes het immuunsysteem de helpende hand biedt. Als je 'ziek' wordt, dan is het lichaam niet in staat correct te functioneren of niet in staat zich vol in te zetten. Er zijn verscheidene manieren om ziek te worden - hier zijn er enkele. • Mechanische schade. Als men een been breekt of een pees scheurt, dan is men 'ziek' (het lichaam is niet in staat voluit te presteren). De oorzaak is makkelijk te onderkennen en ook heel goed zichtbaar. • Tekort aan vitamines en/of mineralen. Als men onvoldoende vitamine D binnenkrijgt kan het lichaam calcium (kalk) niet goed verwerken en men krijgt een ziekte die bekend staat als Engelse ziekte (rachitis). Mensen met rachitis hebben zwakke botten (ze breken gemakkelijk) die bovendien vervormen omdat ze niet goed groeien. Als men onvoldoende vitamine C krijgt dan krijgt men scheurbuik, waardoor gezwollen en bloedend tandvlees ontstaat, gezwollen gewrichten en blauwe plekken. Als men niet genoeg ijzer binnenkrijgt dan gaat men aan anemie lijden, enz. • Orgaandegeneratie. In sommige gevallen is een orgaan beschadigd of verzwakt. Een vorm van hartfalen wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door verstopping van bloedvaten die naar de hartspier leiden, zodat deze spier niet voldoende bloed krijgt. Een bepaalde vorm van leverziekte die bekend staat als cirrose, wordt veroorzaakt door schade aan de levercellen (overmatig alcoholgebruik is zo'n oorzaak). • Erfelijke ziekte. Een erfelijke ziekte wordt veroorzaakt door een foute code in het DNA. De foutcode veroorzaakt te grote of te kleine aanmaak van bepaalde eiwitten, hetgeen problemen geeft op het celniveau. Albinisme wordt bijvoorbeeld veroorzaakt door een tekort aan het enzym tyrosinase. Het ontbrekende enzym is er de oorzaak van dat het lichaam geen melanine kan maken, het natuurlijk pigment dat zorgt voor haarkleur, oogkleur en het bruin worden. Door dat gebrek aan melanine zijn mensen met dit erfelijke probleem extreem gevoelig voor UV-straling in het zonlicht. • Kanker. Af en toe kan een cel zodanig veranderen dat deze zich oncontroleerbaar gaat delen. Cellen in de huid, melanocyten bijvoorbeeld, kunnen door UV zodanig beschadigd raken dat ze kankercellen worden.De zichtbare vorm van kanker, de tumor die dan ontstaat, wordt melanoom genoemd. • Infectie door virussen of bacteriën. Als een virus of een bacterie (soms ook algemeen met de term ziektekiem aangeduid) het lichaam binnendringt en zich daar vermenigvuldigt, levert dat normaliter problemen. In het algemeen produceren die ziektekiemen nevenproducten die ons ziek maken. De rijtjesbacterie (Streptococcus) maakt bijvoorbeeld een gifstof (toxine) vrij die de ontsteking in je keel veroorzaakt. Het polio-virus geeft gifstoffen af die zenuwcellen vernietigen, hetgeen vaak leidt tot verlamming. Enkele soorten bacteriën zijn goedaardig of heilzaam (wij hebben bijvoorbeeld miljarden bacteriën in ons darmkanaal en die helpen ons voedsel te verteren), maar heel veel soorten zijn schadelijk als ze in onze bloedsomloop terechtkomen. Virale en bacteriële infecties vormen veruit de meest algemene aanleidingen tot ziekte bij de mens. Ze veroorzaken dingen als verkoudheid, griep, mazelen, bof, malaria, AIDS enz. De taak van het immuunsysteem is om te beschermen tegen dit soort infecties. §2.2 Het immuunsysteem beschermt ons op drie verschillende manieren • Het vormt een barrière die voorkomt dat bacteriën en virussen het lichaam binnendringen. • Als een virus of een bacterie toch het lichaam is binnengedrongen, dan tracht het immuunsysteem die kiem te detecteren en te elimineren aleer deze zich kan innestelen en voortplanten. • Als het virus of de bacterie in staat is zich te vermenigvuldigen en problemen veroorzaakt, is het immuunsysteem verantwoordelijk voor het verwijderen ervan. Het immuunsysteem heeft ook een reeks andere belangrijke taken. Het immuunsysteem kan bijvoorbeeld kanker in een vroeg stadium ontdekken en deze kanker dan ook in veel gevallen uitschakelen. §2.3 Bacterieen en virussen Wij zijn een veelcellig organisme dat wel uit 100 biljoen (1014) cellen bestaat. Bedenk vervolgens dat elke cel een behoorlijk gecompliceerd geheel is. Elke cel heeft een kern, een energievoorziening (mitochondriën), etc. Bacteriën zijn eencellige organismen die veel simpeler zijn. Ze hebben bijvoorbeeld geen kern. Ze zijn misschien maar 1/100 van de grootte van een menselijke cel en hebben afmetingen die liggen in de buurt van 1 mm. Bacteriën zijn helemaal zelfstandige organismen die geweldig kunnen eten en vermenigvuldigen dat lukt hen ook in die met vloeistof gevulde zak, die we ons lichaam noemen. Onder ideale omstandigheden kunnen ze zich heel snel voortplanten. Ze kunnen zich elke 20 à 30 minuten in tweeën delen. Met dat tempo kan één bacterie in luttele uren wel miljoenen nakomelingen produceren, nl. in het geval van 20 minuten wordt dat 23 per bacterie/uur ofwel 23n per bacterie/n uur. Na 10 uur (230) is dat meer dan 1 miljard. Een virus is van een totaal ander slag. Een virus leeft niet echt en daarom rekenen we virussen ook niet tot de organismen. Een virus is niks anders dan een stukje DNA met een beschermend manteltje. Als het virus in contact komt met een cel dan hecht ze zich daar aan vast en spuit zijn DNA (en misschien enkele enzymen) in de cel. Het DNA gebruikt dan de mechanismen binnen die levende cel om nieuwe virus-deeltjes te maken. Eventueel gaat de gekaapte cel doodt en barst open om de nieuwe virusdeeltjes de vrijheid te geven of de virusdeeltjes kunnen zich knopvormig afsnoeren, zodat de cel in leven blijft. In beide gevallen dient de cel als virusfabriek. Hoofdstuk 3 Onderdelen. §3.1 Onderdelen van het immuunsysteem Een van de grappigste dingen van het immuunsysteem is dat het het hele leven binnen in het lichaam werkzaam is en dat men er waarschijnlijk voor geen snars weet van heeft. Het meest duidelijke, zichtbare en ook heel belangrijke deel van ons immuunsysteem is onze huid. Die fungeert als primaire grens tussen ziektekiemen en ons lichaam. Ten dele werkt onze huid net als een plastic folie die we over etenswaren spannen. De huid is taai en doorgaans ondoordringbaar voor virussen en bacteriën. De opperhuid (epidermis) bevat speciale cellen, zogenaamde cellen van Langerhans (ze zitten verspreid tussen de pigmentcellen (melanocyten) in de onderste laag (kiemlaag) van de opperhuid) die een onderdeel vormen van het snelle waarschuwingssysteem bij onze afweer. De huid scheidt ook antibacteriële stoffen af. Die stoffen zorgen er voor dat we 's ochtends niet wakker worden met een laag schimmel op onze huid - de meeste bacteriën en sporen die op onze huid landen gaan snel dood. Onze neus, mond en ogen zijn ook duidelijke invalswegen voor ziektekiemen. Tranen en slijm bevatten een enzym (lysozym) dat de celwanden van veel zijn bekleed met slijm, worden veel kiemen, die niet direct worden gedood, gevangen in het slijm en vervolgens doorgeslikt. In de wand van neus, keel, longen en in de huid zitten mestcellen (mastocyten, een soort witte bloedlichaampjes). Welke bacterie of virus dan ook, hij moet eerst langs deze defensies die bacteriën afbreekt. Speeksel werkt ook antibacterieel. Daar de neusdoorgang en de longen komen. Eenmaal binnen het lichaam, dan krijgt de ziektekiem te maken met het immuunsysteem op veel verschillende niveaus. De hoofdcomponenten van het immuunsysteem zijn: • Thymus • Milt • Lymfesysteem • Beenmerg • Witte bloedcellen • Antistoffen (antilichamen) • Complement systeem • Hormonen Laten we deze componenten eens apart bekijken. §3.2 Het lymfe-systeem Het lymfesysteem(links) is wel het meest bekend bij mensen, omdat dokters en moeders vaak in de halsregio controleren op 'gezwollen lymfeklieren'. Het blijkt dat de lymfeklieren een onderdeel vormen van een vaatsysteem dat door ons hele lichaam zit, vergelijkbaar met ons bloedvaatstelsel. Het grote verschil tussen de bloedstroom in de bloedvaten en de lymfestroom in de lymfevaten is dat het bloed actief door het hart wordt rondgepompt en dat de lymfestroom passief is. Er is geen 'lymfepomp' zoals de 'bloedpomp' (het hart). In plaats daarvan sijpelt vocht in het lymfevaatsysteem en wordt door normale lichaam- en spierbewegingen voortgeduwd in de richting van de lymfeklieren. Het lijkt verdacht veel op de leidingwateraanvoer en de rioolwaterafvoer in onze samenleving. Water wordt onder druk voortgeduwd, de rioolafvoer gaat passief en stroomt dank zij de zwaartekracht (ofschoon dat laatste in onze huidige samenleving niet altijd meer klopt (persdruksysteem), maar misschien daardoor wel nog beter vergelijkbaar met ons lymfesysteem). Lymfe is een tamelijk heldere vloeistof die de cellen omspoelt met water met daarin voedingsstoffen. Lymfe is bloedplasma - grofweg bloedvloeistof minus de rode en witte bloedcellen. Denk er eens over na - elke cel heeft niet zijn eigen bloedvoorziening en toch, om te overleven, moet ze voedsel, water en zuurstof krijgen. Bloed draagt deze stoffen via de wand van de haarvaten over aan de lymfe en de lymfe brengt deze stoffen naar de cel. De cel produceert eiwitten (o.a. hormonen) en afvalproducten die door de lymfe worden opgenomen en weggevoerd. Elke willekeurige bacterie die het lichaam binnenkomt, vindt ook zijn weg naar die vloeistof tussen de cellen, de intercellulaire vloeistof (NB. Er zijn maar graduele verschillen tussen bloedplasma, intercellulaire vloeistof en lymfe). Een taak van het lymfesysteem is de bacteriën uit deze vloeistof te filteren. Kleine lymfvaten verzamelen de (intercellulaire) vloeistof en brengen die via de grotere vaten naar de lymfeknopen of -klieren waar deze wordt 'bewerkt' Lymfeknopen zijn in het bezit van filtreerweefsel en een groot aantal lymfecellen. Als bepaalde infectiebacteriën bevochten worden, dan zwellen de lymfeklieren op zowel door de bacteriën en als door de cellen die de bacteriën bevechten en daardoor kun je ze ook echt voelen omdat ze dik zijn geworden.Gezwollen lymfeklieren zijn een goede indicatie dat men een of andere infectie heeft opgelopen. Als de lymfe is gefilterd in de lymfeknopen, dan komt ze terug in de bloedstroom. §3.3 Thymus De thymus ligt in onze borstkas tussen het borstbeen en het hart. Zij is verantwoordelijk voor de productie van T-cellen en is speciaal van belang in netgeboren baby's - zonder thymus stort het immuunsysteem van de baby in elkaar, het zal sterven. De thymus blijkt veel minder belangrijk te zijn bij volwassenen - je kunt hem dan verwijderen en de volwassene zal gewoon verder kunnen omdat andere delen van het immuunsysteem de taak overnemen. Toch is de thymus belangrijk en wel specifiek voor de rijping van T-cellen (een soort witte bloedlichaampjes waarover we hierna meer zullen leren).. §3.4 Milt De milt filtert het bloed op zoek naar vreemde cellen (dat betekent dat de milt ook kijkt naar oude rode bloedcellen die moeten worden vervangen). Iemand zonder milt wordt dan ook veel vaker ziek dan iemand met een milt. §3.5 “Rode” Beenmerg Beenmerg produceert nieuwe bloedcellen, zowel rode, witte als bloedplaatjes. Wat betreft de rode bloedcellen, deze cellen worden volledig gevormd in het beenmerg en ze komen dan van daar in de bloedstroom. Sommige witte bloedcellen komen op een andere plek tot rijping. Het merg produceert alle bloedcellen vanuit stamcellen. Ze worden 'stamcellen' genoemd vanwege het feit dat ze zich kunnen aftakken en tot veel verschillende cellen uitgroeien - ze zijn voorlopers van verschillende celtypen. Stamcellen veranderen in werkelijk in heel specifieke soorten witte bloedcellen. §3.6 Witte bloedcellen Witte bloedcellen zullen we in een volgend hoofdstuk uitvoerig beschrijven §3.7 Antistoffen – antilichamen In Nederland. gebruiken we meer de term antistoffen dan antilichamen. Alle antistoffen zijn eiwitten (gammaglobulinen), die 'immunoglobulinen' worden genoemd. Ze worden geproduceerd door witte bloedcellen. Het zijn Y-vormige eiwitmoleculen die kunnen reageren met een specifiek antigeen (bacterie, virus of gifstof). Elk antilichaam heeft (aan de punt van de beide vorken van de Y) een speciaal gebied dat gevoelig is voor een specifiek antigeen en daar dan op een of andere manier mee bindt. Dit zijn de zgn. Fab = fragment antigen-binding sites; de onderkant van de Y is het Fc deel - fragment crystallizable site - dat niet mee helpt aan de herkenning, maar met het koppelen aan o.a. fagocyten en mestcellen. Als een antilichaam bindt aan een gifstof (toxine) dan noemen we het antilichaam een antitoxine. In het algemeen maakt die verbinding de werking van het toxine ongedaan. Als een antistof bindt aan de buitenkant van een virus of aan de celwand van een bacterie dan kan de antistof daarmee verhinderen dat ze door een celmembraan dringen. Als een heleboel antistoffen zich aan een indringer binden dan kunnen ze dienen als een signaal voor het complementsysteem dat de indringer verwijderd moet worden. Antistoffen komen voor in vijf klassen: • Immunoglobuline A (IgA) • Immunoglobuline D (IgD) • Immunoglobuline E (IgE) • Immunoglobuline G (IgG) • Immunoglobuline M (IgM) §3.8 Complementsysteem Het complementsysteem bestaat net als de antistoffen uit een rijtje eiwitten. Er zijn miljoenen verschillende antistoffen in onze bloedsomloop die elk gevoelig zijn voor een specifiek antigeen. Er zijn slechts een handvol eiwitten van het complementsysteem die vrijelijk in je bloed ronddrijven. De complement-eiwitten worden gemaakt in de lever en ze worden geactiveerd door het samen werken met (vandaar de naam complement) de antistoffen. Ze veroorzaken lysis (= het openbarsten) van cellen en geven een signaal aan de fagocyten dat deze cellen opgeruimd moeten worden. §3.8 Hormonen Er worden veel verschillende hormonen voortgebracht door het immuunsysteem. Deze hormonen staan algemeen bekend als de lymfokines. Het is ook bekend dat bepaalde hormonen in het lichaam het immuunsysteem onderdrukken. Steroïden en corticoïden (componenten van adrenaline) onderdrukken het immuunsysteem. Tymosine (een hormoon dat gedacht wordt door de thymus te zijn geproduceerd) is een hormoon dat de lymfocytenproductie aanzet. Een lymfocyt is een bepaald soort witte bloedcel. Interleukinen, een bepaalde groep van de lymfokinen, vormen een ander type hormoon dat wordt geproduceerd door de witte bloedlichampjes. Interleukine-1 (IL-1) bijvoorbeeld wordt geproduceerd door macrofagen nadat ze vreemde cellen hebben gegeten. IL-1 heeft een interessant bij-effect - als het de hypothalamus (een van de diep gelegen hersenkernen. Het is een regelstation voor het autonoom zenuwstelsel en voor de hormonale functies. In de hypothalamus bevinden zich de regelcentra voor de lichaamstemperatuur, voor de seksuele behoefte en voor het gedrag bij woede en angst. Ook het honger- en dorstcentrum bevinden zich hier. Vanuit deze centra worden de zenuwvezels van het autonome zenuwstelsel naar het lichaam gestuurd. Voor de hormonale functies is de hypothalamus verbonden met de hypofyse, waar hij de productie van verschillende hormonen stimuleert. Zo worden onder andere de groei en seksuele rijping, waterhuishouding en waakzaamheid geregeld.) bereikt dan veroorzaakt het koorts en vermoeidheid. De verhoogde temperatuur bij koorts staat hierom bekend dat het sommige bacteriën kan doden. Tumor Necrose Factor. De Tumor Necrose Factor (TNF) wordt ook geproduceerd door macrofagen. TNF is in staat tumorcellen te doden en kan een aanzet geven tot het vormen van nieuwe bloedvaten en is daardoor belangrijk bij genezing. Interferon. Interferon interfereert met virussen (vandaar de naam) en wordt vrijwel door alle cellen in ons lichaam geproduceerd. Interferonen zijn eiwitten net als antistoffen en complementfactoren. Hun taak is dat cellen signalen aan elkaar kunnen geven. Als een cel interferon van een andere cel bespeurt gaat de cel eiwitten maken die de replicatie van virussen in de cel voorkomen. Hoofdstuk 4 Leukocyten §4.1 Witte bloedcellen. De witte bloedcellen vormen waarschijnlijk het belangrijkste deel van je afweersysteem. Het blijkt dat de witte bloedcellen uit een hele collectie verschillende cellen bestaan die samen in staat zijn bacteriën en virussen te vernietigen. Hier volgen in willekeurige volgorde de verschillende types, namen en klassen van de witte bloedlichaampjes die, ook nu, in je lichaam werkzaam zijn: • leukocyten • lymfocyten • monocyten • granulocyten • B-cellen • plasmacellen • T-cellen • T-helpercellen • T-killercellen • T-suppressorcellen • natuurlijke killercellen • neutrofielen • eosinofielen • basofielen • fagocyten • macrofagen. Nu dan een vlotte samenvatting om te helpen de verschillende types in de grijze massa op een rijtje te krijgen. Alle witte bloedcellen staan wetenschappelijk te boek als leukocyten. Witte bloedcellen gedragen zich niet als normale cellen in het lichaam, het zijn eigenlijk onafhankelijk levende eencellige organismen die zich kunnen voortbewegen en zelfstandig dingen kunnen vangen. Witte bloedcellen gedragen zich wat voortbewegen en omvloeiing van andere cellen en bacteriën, heel sterk als amoeben. Weliswaar kunnen de witte bloedcellen zich niet delen en vermenigvuldigen, maar hebben in plaats daarvan een productieplaats in het lichaam. Die productieplaats is het beenmerg. §4.2 Leukocyten: • Granulocyten 50 tot 60 % van alle leukocyten. Binnen de granulocyten komen ook weer drie klassen voor, namelijk: Neutrofielen, eosinofielen en basofielen. Granulocyten danken hun naam aan het feit dat ze granulen (korreltjes) bevatten. De korreltjes zijn in werkelijkheid blaasjes (vesiculae) met, afhankelijk van het type cel, verschillende soorten chemicaliën. • Lymfocyten - 30 tot 40 % van alle leukocyten. Lymfocyten vallen uiteen in twee groepen: B-cellen welke in het beenmerg rijpen en T-cellen welke in de thymus uitrijpen. • Monocyten - iets in de buurt van 7 % van alle leukocyten. Monocyten ontwikkelen zich tot macrofagen. Ieder type witte bloedcel heeft zijn specifieke rol in het immuunsysteem en een heleboel zijn in staat zich heel verschillend om te vormen. §4.3 Doel • Neutrofielen granulocyten. Neutrofielen zijn veruit de meest algemene witte bloedlichaampjes die je in het bloed hebt zitten. Je beenmerg produceert er dagelijks talloos veel en laat ze in de bloedstroom vrij, maar hun levensverwachting is kort - i.h.a. minder dan een dag. Eenmaal in de bloedstroom aangekomen kunnen de neutrofielen door de capillairwand heen in het weefsel komen. Neutrofielen worden aangetrokken door vreemd materiaal, ontstekingen en bacteriën. Bij een splinter of een snee zullen neutrofielen aangetrokken worden door een proces dat chemotaxis wordt genoemd. Veel eencelligen passen ook deze methode toe - chemotaxis doet cellen die zich kunnen bewegen gaan in de richting van een hoger wordende concentratie van stoffen. Als een neutrofiel eenmaal een vreemd deeltje of een bacterie heeft gevonden dan zal die neutrofiel dat deeltje omvloeien (ofwel door fagocytose (zie foto onder) opnemen)). Daarbij worden enzymen, waterstofperoxide en andere stoffen vanuit de 'korreltjes' (de vesiculae) in het fagocytoseblaasje (fagosoom) vrij gelaten om zo de bacterie te doden. Op een plek waar massa's bacteriën de kans hebben gezien zich te vermeerderen, zal zich pus (etter) gaan vormen. Pus is niks anders dan en verzameling dode neutrofielen en ander celafval. • Eosinofielen (zie figuur E) en basofielen zijn veel minder algemeen dan neutrofielen (zie figuur N). Eosinofielen schijnen gefocussed te zijn op parasieten in huid en longen, terwijl basofielen histamine in hun vesiculae hebben en daardoor (samen met de mestcellen) in hoge mate verantwoordelijk zijn voor de oorzaak van een ontsteking. Vanuit het immuunsysteem bezien is ontsteking een goed iets. Er wordt meer bloed aangevoerd en het verwijdt de haarvaten zodat meer immuuncellen op de plaats van de infectie kunnen komen. • Van alle bloedcellen zijn de macrofagen het grootst. Monocyten worden door het beenmerg afgegeven, komen in de bloedstroom en gaan de weefsels binnen, alwaar ze in macrofagen veranderen. De meeste grensweefsels hebben hun eigen specifieke macrofagen. Alveolaire macrofagen bijvoorbeeld zitten in de longen en houden deze schoon (zij vreten vreemde deeltjes zoals rook en stof op). Macrofagen worden cellen van Langerhans genoemd als ze in de huid zitten. Macrofagen zwemmen of kruipen vrij rond. Een van hun taken is het opruimen van dode neutrofielen - macrofagen ruimen ook pus op tijdens het genezingsproces. De lymfocyten (figuur hiernaast L) werken met de meeste bacteriële en virale infecties, die we binnen krijgen, af. Lymfocyten starten in het beenmerg. Degene die voorbestemd zijn om B-cellen te worden, ontwikkelen zich in het beenmerg alvorens in de bloedstroom te komen. T-cellen beginnen ook in het beenmerg maar migreren met de bloedstroom naar de thymus (zwezerik) en rijpen daar uit. T-cellen en B-cellen kom je vaak tegen in de bloedsomloop maar komen toch meer geconcentreerd voor in lymfatisch weefsel zoals de lymfeklieren, de thymus en de milt. Er zit nog heel wat lymfklierweefsel in ons verteringskanaal (plaques van Peyer). B- cellen en T-cellen hebben verschillende taken. • Als B-cellen daartoe geprikkeld worden, dan rijpen ze uit tot plasmacellen - dit zijn de productiecellen van de antistoffen. Een specifieke B-cel is afgestemd op een specifieke ziektekiem en als zo'n ziektekiem zich in het lichaam bevindt, dan kloont de B-cel zich en de kloon produceert dan massa's antistoffen, speciaal ontworpen om dié ziektekiem te elimineren. • Anderszins storten de T-cellen zich als het ware op (vreemde) cellen en doden die dan. T-cellen die bekend staan als T-killercellen kunnen cellen in je lichaam opsporen die virussen in zich dragen en als ze die eenmaal te pakken hebben worden deze virusdragende cellen gedood. Twee ander typen T-cellen, die bekend staan als T-helpercellen en B-suppressorcellen stellen de gevoeligheid (de ondernemingslust) van de T-killercellen in en oefenen zo controle op de immuunrespons. T-helpercellen zijn werkelijk heel belangrijk en heel interessant. Ze worden geactiveerd door interleukine-1 van de macrofagen. Als de helper-cellen dan geactiveerd zijn dan produceren zij interleukine-2, dan interferon en andere stofjes. Deze stoffen activeren weer de B-cellen zodat zij hun antistoffen gaan produceren. De complexiteit en niveau van wisselwerking tussen neutrofielen, macrofagen, T-cellen en B-cellen is werkelijk zeer opmerkelijk. Omdat witte bloedcellen een zo belangrijke factor zijn in ons immuunsysteem kunnen ze ook dienen als maat voor de gezondheid van het afweersysteem. Als je hoort dat iemand een "sterk afweersysteem" of een "verzwakt systeem" heeft, dan is een manier om daar achter te komen het tellen van zijn verschillende typen witte bloedlichaampjes. Het normale aantal witte bloedcellen ligt tussen 4000 en 11000 cellen per microliter (= kubieke millimeter). Hierin moeten dan normaliter 1,8 á 2,0 helper T-cellen voorkomen per suppressor T-cel. Een normale absolute neutrofielen count (telling) of ANC ligt in de orde van grootte van 1500 tot 8000 cellen per mm3. Een belangrijke vraag om te stellen over witte bloedlichaampjes (en andere delen van het immuunsysteem) is, "Hoe weet een witte bloedcel wat aan te vallen en waarvan af te blijven? Waarom valt een witte bloedcel niet elke cel in het lichaam aan?" Er is een speciaal veiligheidssysteem ingebouwd in alle cellen en dat heet het Major Histocompatibility Complex (MHC), dat ook bekend staat als het Humaan Leukocyten Antigeen (HLA). Dit systeem bestempeld (in molecuulvorm) cellen in je lichaam als "eigen". Alles wat het immuunsysteem vindt dat niet deze molecuulkenmerken draagt (of wijzigingen daarin) wordt zonder pardon als "niet eigen" beschouwd waar vrijelijk jacht op kan worden gemaakt.De Encyclopedia Brittanica zegt het volgende over het MHC: Er zijn twee hoofdklassen van MHC eiwitmoleculen - klasse I en klasse II - die de membraan van bijna alle cellen in een organisme omspannen. Bij de mens liggen de verschillende genen voor het maken van deze eiwitmoleculen geclusterd in eenzelfde gebiedje op chromosoom 6. Elk gen heeft een ongewoon (groot) aantal allelen (dus alternatieve vormen van een gen). Het resultaat daarvan is dat het zelden voorkomt dat twee mensen eenzelfde setje MHC-moleculen zouden hebben, dus eenzelfde 'weefseltypering' zouden hebben, zoals men dat in het algemeen uitdrukt. MHC-moleculen zijn belangrijke componenten in de afweer. Ze stellen cellen, die besmet zijn met vreemde indringers, in staat opgespoord te worden door cellen van het immuunsysteem, zoals T-lymfocyten of T-cellen. De MHC-moleculen doen dit door stukjes eiwit (peptiden) van de indringer te tonen (presenteren) op het oppervlak van de cel. De T-cel herkent dat vreemde peptide op het MHC-molecuul en koppelt daaraan, een actie die de T-cel stimuleert de geïnfecteerde cel te vernietigen dan wel te repareren. In niet geïnfecteerde gezonde cellen presenteren de MHC-moleculen peptiden van zichzelf (eigen peptides), waarop de T-cellen normaliter niet reageren. Als dit MHC-systeem echter niet goed functioneert en T-cellen dus reageren op "eigen peptides", dan doet zich een auto-immuun-ziekte voor. (o.a.: Diabetes, Multiple Sclerosis(MS)) Hoofdstuk 5 Ondersteuning §5.1 Hoe vaccinaties werken Er zijn heel veel ziektes die, als men ze eenmaal heeft gehad, je nooit meer terug zult krijgen. Mazelen en waterpokken zijn daar een goed voorbeeld van. Wat bij deze ziektes gebeurt is het volgende. De verwekker dringt het lichaam binnen en begint zich daar te vermenigvuldigen. Het immuunsysteem schakelt daarbij naar een hogere snelheid om ze te elimineren. Nu zitten er in je lichaam al B-cellen die dat virus kunnen herkennen en er ook antistoffen tegen kunnen maken. Het zijn er echter maar een paar. Als dus die specifieke ziekte wordt onderkend door deze enkele specifieke B-cellen, veranderen deze B-cellen in plasmacelen, ze klonen zich en beginnen antistoffen naar buiten te pompen. Dit proces vergt tijd, maar de ziekte wordt ingehaald en uiteindelijk uit het lichaam gebannen. Bij de uitbanning van deze ziekte(verwekkers) klonen andere B-cellen zich ook, maar geven geen antistoffen af. Deze tweede voorraad B-cellen blijft jaren in je lichaam (geheugen-B-cellen) en als de ziekteverwekker opnieuw in je lichaam komt dan zorgen deze ervoor dat ze al worden verwijderd aleer ze schade aan kunnen richten. Een vaccin is een verzwakte vorm van de ziekte(verwekker). Het is of een gedode vorm van de verwekker of het is een minder virulente stam ervan. Als deze verzwakte vormen of restanten ervan in het lichaam komen wordt dezelfde verdedigingsstrategie gehanteerd, maar omdat de verwekker anders of zwakker is, krijg je nauwelijks of geen symptomen van de ziekte. Als nu later de echte ziekteverwekker je lichaam binnenkomt dan is je lichaam onmiddellijk in staat deze te verwijderen. Vaccins zijn er voor allerlei soorten, zowel virale als bacteriële ziekten. Denk maar aan de vaccinaties op het kruisgebouw: DKTP, de cocktail van difterie, kinkhoest, tetanus en polio(myelitis); BMR tegen bof, mazelen en rode hond; Hib tegen Haemophilus influenzae type B, die tegelijk met DKTP wordt gegeven. Veel ziekte kunnen echter niet met vaccins worden voorkomen. De gewone verkoudheid en griep zijn daar twee goede voorbeelden van. De ziekteverwekkers van deze ziekte muteren zo snel of hebben zoveel verschillende stammen in het wild dat het onmogelijk is die allemaal in je lichaam te enten. Elke keer als je griep krijgt heb je met een verschillende stam van dezelfde ziekte te maken. §5.2 Hoe antibiotica werken Soms is je immuunsysteem niet in staat zichzelf rap genoeg te activeren om zo de groei van een ziekteverwekkerkolonie voor te blijven of de bacteriën produceren een gifstof zo snel dat er blijvende schade wordt aangericht eer het immuunsysteem in staat is deze te elimineren. In die gevallen zou het leuk zijn het immuunsysteem een handje te helpen door de kwade bacterie direct te doden. Antibiotica werken tegen bacteriële infecties. Antibiotica zijn stoffen die wel de bacteriecellen doden, maar niet de cellen van je lichaam. Veel antibiotica bijvoorbeeld verstoren de celwandsynthese in het inwendige van de bacteriën. Menselijke cellen hebben niet die stofwisselingsprocessen voor het maken van een celwand, want onze cellen hebben niet zo'n celwand, dus richten die antibiotica bij ons ook geen schade aan. Verschillende antibiotica werken op verschillende delen van de bacteriële stofwisseling, hierdoor zijn antibiotica meer of minder geschikt bij bepaalde typen bacteriën. Je ziet, omdat virussen geen levende wezens zijn, dat antibiotica er geen vat op hebben. Een probleem met die antibiotica is dat ze hun effectiviteit na verloop van tijd verliezen. Neem een antibioticum en dat zal normaliter in de loop van een week alle bacteriën doden. Je zult je veel beter voelen, meestal al na een dag of twee dagen, omdat het antibioticum het gros van de bacteriën dan al te pakken heeft. Maar, heel af en toe zal een nakomeling van een bacterie een mutant zijn die in staat is te overleven, resisten tegen het specifieke antibioticum. Deze bacterie zal zich voortplanten, kortom we hebben een gemuteerde, nieuwe (kolonie) ziekte(verwekkers). Uiteindelijk zal deze nieuwe stam of kolonie iedereen infecteren en het oude antibioticum heeft er geen vat meer op. Deze ontwikkeling wordt heden ten dage steeds meer een nijpend probleem en baart de medische wereld grote zorg Hoofdstuk 6 Fouten §6.1 AIDS (Acquired Immune Deficiency Sydrome), HIV (Human Immunodeficiency Virus) §6.1.1 AIDS/HIV Aids is de afkorting van Acquired Immune Deficiency Syndrome. Letterlijk vertaald staat dit voor 'verworven immuundeficiëntiesyndroom', maar wat betekent dat? Aids is geen erfelijke ziekte, maar een aandoening die je tijdens het leven kan oplopen (verworven). Een baby die met aids geboren wordt, heeft de aandoening in de baarmoeder of tijdens de geboorte opgelopen. Ook besmetting via borstvoeding is mogelijk. Het immuunstelsel is het lichamelijk afweersysteem waarover elke mens beschikt. Het bestrijdt de groei van infecties en tumorcellen die veroorzaakt worden door virussen, bacteriën, schimmels, ... Deficiëntie betekent 'te weinig', 'tekort'. Bij aids werkt het immuunstelsel dus onvoldoende. Je lichaam kan zich dan niet langer verdedigen tegen ziekmakende kiemen die voor een gezonde mens geen probleem vormen. Een syndroom is een geheel van ziektebeelden en symptomen die in combinatie voorkomen. Hoewel aids één oorzaak heeft, kan het op verschillende wijzen tot uiting komen. Je wordt dus niet met aids besmet. Je kan wel een infectie met hiv oplopen, het virus dat aids veroorzaakt. Hiv staat voor Humaan Immuundeficiëntie Virus. Dit betekent: virus dat bij mensen immuundeficiëntie veroorzaakt. Hiv is het virus dat aids veroorzaakt. Hiv komt uitsluitend bij mensen voor, een besmetting door dieren is niet mogelijk. Er bestaan ook dierlijke hiv-virussen, maar die maken geen kans in het menselijk lichaam en omgekeerd. Hiv valt het afweersysteem van het lichaam aan en veroorzaakt daardoor immuundeficiëntie. Dit betekent dat het natuurlijke afweersysteem onvoldoende functioneert. Je lichaam kan zich dan niet langer verdedigen tegen infecties die voor een gezonde mens geen probleem vormen. Sinds de ontdekking van het virus, hebben wetenschappers al twee soorten hiv ontdekt. Hiv-1 kent verschillende subtypes, waarvan hiv-1b koploper is in Europa en Noord- en Zuid-Amerika. Het is goed voor 16% van alle hiv-infecties. Het hiv-2 komt vooral in West-Afrikaanse landen voor en vind je maar zelden in onze streken terug. De levensverwachting ligt bij een hiv-2 infectie een pak hoger dan bij een hiv-1 infectie. Zonder behandeling leeft de helft van de mensen, besmet met hiv-2, waarschijnlijk langer dan 20 jaar. §6.1.2 CD4/Viral Load Viral load is eigenlijk niets anders dan een Engels begrip voor de hoeveelheid virus. Normaal gesproken bedoelen we met viral load de hoeveelheid vrij virus in een milliliter bloed. Natuurlijk kan de viral load op andere plaatsen bepaald worden, bijvoorbeeld in het lymfeweefsel, in het vaginaal vocht, in het sperma of in het hersenvocht. Naast de hoeveelheid vrij virus wordt experimenteel soms ook nog de hoeveelheid virus binnen de cellen gemeten (in het bloed, in het lymfeweefsel etc.). De viral load bepaling in het bloed is relatief makkelijk te doen; er zijn geen biopten nodig. Bovendien lijkt de hoeveelheid vrij virus in het bloed een redelijke afspiegeling van wat zich elders in het lichaam afspeelt. Zo lijkt een sterke daling van de viral load in het bloed gepaard te gaan met een sterke daling van de hoeveelheid virus in het lymfeweefsel, de plaats waar de grote strijd tussen het virus en de afweer zich afspeelt. Een lichte daling in het bloed lijkt echter geen effect te hebben op de hoeveelheid virus in het lymfeweefsel. §6.1.3. Ondetecteerbaar Het directe doel van combinatietherapie is het remmen van de aanmaak van hiv, zodat de viral load ondetecteerbaar wordt. Dat wil zeggen dat de viral load zo laag is, dat hij niet meer goed valt te meten. Dat de viral load onmeetbaar laag is geworden wil natuurlijk niet zeggen dat het virus is verdwenen. De hoeveelheid virus is alleen maar lager dan de meetgrens (detectiegrens), maar kan daar bijvoorbeeld wel net onder zitten. Bovendien kan het virus zich ook nog schuilhouden in cellen en/of buiten de bloedbaan aanwezig zijn. De detectiegrens van viral load bepalingen is de laatste jaren lager geworden. Kon de viral load vroeger niet betrouwbaar gemeten worden als deze lager was dan 1000 of 400, tegenwoordig ligt die grens rond de 50. Experimenteel worden soms bepalingen gebruikt die tot 2,5 virusdeeltjes kunnen meten. §6.1.4 Hoogte Hiv-positieven die succesvol combinatietherapie gebruiken hoeven zich bij de viral load uitslag eigenlijk maar met één vraag bezig te houden: blijft de viral load ondetecteerbaar of is deze weer detecteerbaar geworden? Hiv-positieven die (nog) geen combinatietherapie gebruiken of bij wie de viral load met de huidige middelen niet meer ondetecteerbaar gehouden kan worden, zitten met meer vragen over de hoogte van de viral load. Die hoogte kan variëren van onmeetbaar tot meerdere miljoenen. Voor een goede interpretatie van de viral load bepalingen is het belangrijk om je niet blind te staren op de absolute aantallen. De relatieve verandering is veel belangrijker. Een stijging van de viral load met 10.000 is groot voor iemand met een viral load van 1.000 maar erg klein voor iemand met een viral load van 200.000. §6.2 Als het immuunsysteem fouten maakt Soms maakt het imuunsysteem een fout. Eén soort van vergissing wordt autoimmuniteit genoemd. Het immuunsysteem valt, net als bij een ziektekiem, om de een of andere reden het eigen lichaamsmatriaal aan. Twee, vrij algemeen voorkomende, ziektes worden veroorzaakt door deze fouten van het immuunsysteem. Jeugd-diabetes doordat het immuunsysteem de cellen in de alvleesklier doodt die insuline moeten produceren. Reumatoïde artritis wordt veroorzaakt doordat het immuunsysteem het kraakbeenmateriaal in de gewrichten aanvalt. §6.3 Allergieën Allergieën zijn een andere ontsporingsvormvorm van het immuunsysteem. Om de een of andere reden reageert het immuunsysteem bij mensen met allergie veel te sterk op een allergeen, dat normaliter genegeerd had moeten worden. Het allergeen kan een bepaald voedsel zijn of een bepaald type stuifmeel of haartjes van een bepaalde dierenvacht. Als bijv. een persoon allergisch is voor een bepaald stuifmeel dan krijgt hij een loopneus, waterige ogen, niesbuien, etc. Deze reactie wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door mestcellen (mastocyten, ofwel basofielen van de slijmvliezen van neus, darm en huid). Als reactie op het stuifmeel geven de mestcellen histamine en histamine heeft het effect van een beginnende ontsteking, waardoor vocht uit de bloedvaten treedt. Histamine veroorzaakt ook jeuk. Om deze symptomen te onderdrukken heb je natuurlijk anti-histaminica nodig. §6.4 Transplantaties Het laatste voorbeeld van een 'fout' in het immuunsysteem is het effect op getransplanteerd weefsel. Het is geen echte fout, maar het maakt orgaan en weefseltransplantaties toch bijna onmogelijk. Als je een orgaan transplanteert dan zitten er niet de juiste MHC-kenmerken op de cellen. Het immuunsystem valt dus het getransplanteerde materiaal aan. Deze moeilijkheid kan niet worden voorkomen, maar kan aanzienlijk verminderd worden door een goede overeenkomst in de HLA moleculen van donor en ontvanger. Dat lukt natuurlijk nooit geheel maar voor de rest moet je het dan proberen met afweeronderdrukkende (immunosuppresieve) medicamenten. Natuurlijk is het dan zo dat je de deur open zet voor opportunistische infecties. Een heel beroerde situatie doet zich ook voor als donororganen worden over gezet in bestraalde ontvangers. De witte cellen in het donororgaan zijn dan actriever dan die van de ontvanger. We spreken dan van een graft-versus-host ziekte. Een soortgelijk verschijnsel kan zich voordoen bij beenmergtransplantaties.

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.


Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

7197
 

reacties