Scholieren.com maakt gebruik van cookies

Scholieren.com gebruikt cookies onder andere om de website te analyseren en te verbeteren, voor social media en om er voor te zorgen dat je voor jou relevante advertenties te zien krijgt. Je geeft, door gebruik te blijven maken van deze website of door op 'cookies zijn ok!' te drukken, aan akkoord te zijn met het gebruik van cookies op Scholieren.com. Meer weten over deze cookies, klik dan hier.

Cookie-instellingen wijzigen

Functioneel Noodzakelijk voor het functioneren van de website (vereist)
Statistieken Voor analyse doeleinden om de website te verbeteren (vereist)
Social media Voor het laten functioneren van like buttons
Advertenties Om bij te houden welke advertenties je al hebt gezien en hoe vaak

Economische crisis 1929

Geschiedenis

Profielwerkstuk

Economische crisis, Beurscrash van 1929

 
5.9 / 10
220 stemmen van bezoekers
5e klas havo
niveau
  • anoniem
  • NL
  • 7213 woorden
  • 30586 keer
    108 deze maand
  • 8 maart 2002

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.


Inleiding


Sommige data uit de twintigste eeuw, zijn met een zwart randje omgeven. Donderdag 29 oktober 1929 was zo’n dag. ‘ The Black Thursday’, het begin van de economische crisis van de jaren dertig. Deze crisis heeft niet alleen Amerika in haar greep gehouden maar is als een olievlek verspreidt over heel de wereld.

De opdracht is dat je met z’n tweeën een werkstuk gaat maken met een onderwerp waarbij je genoodzaakt bent om twee vakken uit je eigen profiel te gebruiken. Het is dus wel de bedoeling dat je allebei hetzelfde profiel hebt, anders schiet het niet echt op.


Wij vonden dat wij dit werkstuk wel samen konden doen, omdat de samenwerking tussen ons meestal optimaal verloopt. Dit is gebleken uit eerdere samenwerkingen. Aangezien we allebei het profiel Economie & Maatschappij hebben, was er geen enkel bezwaar voor onze samenwerking. Zonder enige tegenspartelen van een van ons, besloten we de profielvakken economie en geschiedenis te gaan gebruiken. Het onderwerp waarbij we deze vakken erg goed konden gebruiken was de economische crisis, het had iets te maken met de geschiedenis en uiteraard iets met economie. Tijdens de lessen geschiedenis hebben we dit onderwerp meerdere malen herhaald en dus vonden we de economische crisis van 1929 in Amerika niet de moeite waard om te onderzoeken. We kozen uiteindelijk voor de economische crisis van 1929 in Nederland. Hier wisten wij weinig over en vonden een onderzoekje wel de moeite waard, omdat we geen flauw idee hadden hoe Nederland eigenlijk in een crisissituatie is beland in die periode.
Uitgaand van het feit dat een goed antwoord op deze vraag gegeven kan worden door deelvragen, hebben wij een aantal goede deelvragen verzonnen. Een goed begin is immers het halve werk.

1. Wat waren de oorzaken en de eventuele aanleiding voor het ontstaan van de crisis in de VS?
2. Hoe heeft de crisis zich verspreid van de VS tot Nederland?
3. Wat waren de economische en de sociale gevolgen voor de Nederlandse bevolking?
4. Wie waren Ruys en Colijn?
5. Wat heeft de regering gedaan om de crisis terug te dringen? En wat heeft de regering gedaan voor het welzijn van de Nederlandse bevolking?


Door middel van deze deelvragen proberen wij een goed antwoord te vinden op onze hoofdvraag:

Wat waren de gevolgen van de economische crisis voor de Nederlandse bevolking en heeft de regering voldoende ingegrepen?

Wat waren de oorzaken en de eventuele aanleiding voor het ontstaan van de crisis?

Voor Hoover (1928) lag de oorzaak van de crisis bij Europa. De Grote Oorlog, het probleem van de schulden en de herstelbetalingen en de koersschommelingen van de frank en het pond sterling hebben de wereldeconomie in de war gestuurd en in het bijzonder de Amerikaanse. Maar in werkelijkheid lagen de oorzaken toch ergens anders.

Sterke inkomensverdeling
De inkomens van de VS waren zeer ongelijk verdeeld. 5% van de mensen met de hoogste inkomen verwierven ongeveer 1/3 deel van het totale persoonlijke inkomen. Hierdoor was de economie sterk afhankelijk van de bestedingen van welgestelden en kon een schok in het vertrouwen in hun zakelijke toekomst de totale economie beïnvloeden. Omdat Amerika een consumptiemaatschappij was, dit is een samenleving waarin het er vooral om ging de mensen zoveel mogelijk goederen te laten consumeren, moest de ongelijke inkomensverdeling op den duur gevolgen hebben. Een ondergang van de rijke minderheid betekende het einde van

Overproductie
· In de jaren twintig viel de Europese afzetmarkt voor de Amerikaanse boeren weg. Dit kwam doordat Europa na de oorlog weer op eigen benen kon staan en zelf de mogelijkheid had om te kunnen produceren. Amerika die tijdens de oorlog allerlei landbouwgoederen naar Europa exporteerde, moest deze export stopzetten. Dit leidde ertoe dat de Europese afzetmarkt voor de Amerikaanse boeren wegviel.
· Een ander oorzaak is dat door de lage inkomens het grootste deel van de bevolking een te lage koopkracht had. Met het geld dat de mensen hadden, wilden ze zo zuinig mogelijk omgaan. Dit leidde ertoe dat de vraag achter bleef bij het aanbod. Vooral fabrieken die luxe goederen produceerden bleven met producten zitten. De fabrikanten wilden hun productie verminderen wat er toe leidde dat werknemers ontslagen moesten worden, omdat er geen werk meer voor hen was. De eigenaren van fabrieken zagen de winsten dalen.
· In de jaren tijdens de regeringsperiode van Coolidge (die voorstander was van een vrij spel van de Amerikaanse economie) deden de meeste boeren mee aan de modernisatie van landbouw, door het gebruik maken van machines, om meer en goedkoper te produceren. Door massaal te gaan produceren treden er immers schaalvoordelen op. Door de nieuwe machines en door ontginning van steeds meer nieuwe landbouwgronden, was de productie zodanig toegenomen, dat ook in de landbouw een overschot aan producten ontstond. Net als bij de luxe goederen, daalden de prijzen ook bij de landbouwgoederen en gingen de boeren te weinig verdienen om hun bedrijf draaiende te houden.

Een te groot vertrouwen in de economische ontwikkeling
In 1923 kwam de Republikein Coolidge aan de macht met de stelling “Business of Amerika is business”.Daarmee bedoelde hij, dat de regering van Amerika het bedrijfsleven zoveel mogelijk vrij moest laten. Als het bedrijfsleven geen of weinig belasting hoefde te betalen en niet door beperkende wetten werd gehinderd, dan kon de industrie, volgens hem en de vele Republikeinen, tot bloei komen. Als men de economie aan zakenlieden overliet en hen zoveel mogelijk hielp, dan zou de hele samenleving daarvan kunnen profiteren. Groei van de industrie had meer werk en hogere lonen tot gevolg. En van die hogere lonen zou iedereen profiteren. Zo gezegd, zo gedaan. De VS werd een consumptiemaatschappij, mede mogelijk gemaakt door reclame. Daar niet iedereen alles direct kon betalen werd een afbetalingssysteem ontworpen. De koper hoefde bij aankoop maar een gering beginbedrag te betalen, de rest zou dan in wekelijkse of maandelijkse termijnen betaald worden. De economie van Amerika bleef maar groeien. Om dit te bevorderen, gingen bedrijven over tot massaproductie. Een voorbeeld hiervan is de auto-industrie; in 1917 werden er 5 miljoen auto’s geproduceerd en in 1923 steeg het aantal tot 23 miljoen auto’s
In 1928 wond de Republikeinse partij met haar presidentkandidaat Herbert Hoover de verkiezingen. Hij onderstreepte het vertrouwen in de economie en beloofde iedere Amerikaan een ’kip in de pan en twee auto’ s in de garage’. Hij stelde zich voor als iemand die precies wist die de economische machine van de VS draaiende moest worden gehouden. Door dit optimisme ontmoedigd gingen meer en meer mensen aandelen kopen en speculeerden er op los. De effectenbeurs van Wall Street was in 1929 het hart van de Amerikaanse economie. Handelaars kochten en verkochten er aandelen (een schriftelijk bewijs van een aandeel in het kapitaal van een onderneming) en obligaties ( een schuldbekentenis van een lening van een bedrijf of van de overheid tegen een vaste rente). Dankzij de economische groei ging de handel in aandelen erg goed. Groeiende vraag leidde tot hogere beurskoersen. De voortdurende stijging van de beurskoersen maakte aandelen een aantrekkelijke belegging.
Sommige kochten zoveel aandelen dat ze het niet eens konden betalen. Aanvankelijk gaf dat niets. Ze leenden het geld bij de bank in de veronderstelling dat ze met de winst van hun aandeel de lening snel konden terugbetalen. Ze speculeerden op winst. De banken deden graag aan deze speculatie mee. Bankiers verstrekten leningen met als onderpand de aandelen van de speculanten. Op hun beurt leenden banken van het bedrijfsleven.
Zo werden tienduizend Amerikanen slapend rijk. Het beursnieuws was dagelijks voorpaginanieuws.
Met de economie ging het goed, maar niet iedereen profiteerde hiervan. Ongeveer de helft van de inwoners van Amerika waren boeren. Deze kwamen door de vele landbouwoverschotten zonder werk te zitten. De andere helft van de inwoners werkten in de industrie. Ongeveer 25% werkte in de oude industrie, deze bestond uit de textiel- en kolenindustrie. Ook hier ging het met de economie niet naar wens. Deze industrieën konden niet meer volledig concurreren door te oude machines die afstamden van 1870-1880. Voor nieuwe en betere machines was er geen geld meer. Ook hier kwamen mensen zonder werk te zitten. Je kunt dus zeggen dat alleen de rijke mensen konden profiteren van het goedgaan met de economie en dus niet iedereen.
Begin 1929 stokte de afzet van de auto’s en begon ook de huizenbouw te stagneren. Veel aandeelhouders vermoedden op grond daarvan dat de Amerikaanse economie minder gezond was dan ze hadden verondersteld.
De aandeelhouders die meer wisten van de economie dan de gemiddelde aandeelhouders, kregen in de gaten dat de boom niet tot de hemel door zal groeien, want niet iedereen profiteerde van de nieuwe economie. Deze bestond uit de auto-industrie, de chemische industrie en de elektronindustrie, en voor degenen die er wel van profiteerden zou dit niet eeuwig duren. Wat had je nou aan 3 auto’s in de garage als je er toch maar 1 kon gebruiken? Deze mensen kregen langzamerhand het idee dat de nieuwe industrie goed zou gaan totdat iedereen alles hadden wat ze wilden. Deze kleine groep mensen verloren het vertrouwen n de economie, stopten met verdere investeringen en begonnen tegelijkertijd de aandelen van de hand te doen. De gemiddelde aandeelhouder die het vertrouwen op deze kleine groep hadden gevestigd, raakten in paniek en volgden de ‘leiders’ als een kudde op de voet na en ook zij begonnen hun aandelen van de hand te doen. Dit had tot gevolg dat de koersen dramatisch begonnen te zakken. De verontrusting werd paniek. Op 29 oktober 1929, the black Thursday, gingen er bijna dertien miljoen aandelen voor lager prijzen van de hand omdat het aanbod van aandelen zo groot dat het de vraag naar aandelen overlapte.

Oktober 1929 stort de beurs op Wall Street in. Het is het begin van een jarenlange economische crisis die zich over heel de kapitalistische wereld uitstrekt.

Onvoldoende controle op de activiteiten van de banken.
De bankiers hadden, vertrouwend op de gunstige economische ontwikkelingen aan zeer veel klanten geld geleend en belegden ook zelf het geld in aandelen. Voor de banken kwam dit goed uit omdat de klanten immers rente moesten betalen over het geleende bedrag en door speculeren, kregen zij nog eens een deel van de winst in handen. Hier is op zich niets verkeerds mee. Dit doet de banken in het jaar 2001 nog steeds. Het verschil is dat de banken toen niet gecontroleerd werden door een centrale bank. Deze bestond toen wel, namelijk de Federale Bank, maar deze had nauwelijks bevoegdheden, ook hierbij werd het idee voortgezet dat het bedrijfsleven zo veel mogelijk met rust gehouden moest worden. De regering vond dat de economie zichzelf moest besturen.
Tegenwoordig mogen de banken niet meer dan een bepaald percentage van de dekkingsmiddelen, kasgeld en tegoed bij De Nederlandsche Bank, uitgeven aan de gezinnen en instellingen die geld komen lenen bij de banken.
De formule van het liquiditeitspercentage / dekkingspercentage luidt:

Liquiditeitspercentage / dekkingspercentage =
Kas + tegoed bij DNB
Rekening-courantverplichtingen

Uit ervaring weet de bank dat zij kan volstaan met een dekkingspercentage van 50%. Problemen bij de banken ontstonden in die tijd doordat de dekkingspercentage veel te laag was, er was toch niemand die de banken tegen kon houden. Zolang de koersen bleven stijgen, zou dit geen problemen opleveren.
Grootste deel van het geleende geld werd belegd in aandelen door de gezinnen en de andere helft werd gebruikt voor het deelnemen aan de consumptiemaatschappij. Doordat mensen een te groot vertrouwen hadden in de economie, leenden ze met weinig moeite heel grote bedragen. Deze mensen die met het geleende geld speculeerden, hadden er blijkbaar niet over nagedacht dat er ook een mogelijkheid bestaat dat de koersen zouden kunnen dalen. Door de krach van de Wall Street kwamen deze kwalen aan het licht. Speculanten konden hunschulden niet betalen. Doordat de koersen van de aandelen waren gezakt daalde ook de prijs van de aandelen en werden deze voor een spotprijsje verkocht wat niet genoeg was om het geleende geld te dekken.
Tussen 1930 en 1933 gingen in totaal 9000 banken failliet en miljoenen Amerikanen verloren hun spaargeld.
De belangrijke mensen in het bankwezen deden net alsof er niets aan de hand was, terwijl er van de winst van de afgelopen twaalf maanden in één dag niets meer over is. Ze gingen juist aandelen kopen zodat er weer vertrouwen kwam in de economie. Op de korte termijn heeft dit even geholpen. De koersen trokken even wat bij, maar dit duurde niet lang.

De foto laat zien dat het geld op werd gehaald door de man van het oud papier. Het was toch niets meer waard.

Wat waren de economische en de sociale gevolgen voor de Nederlandse bevolking?

Om deze crisis zo ver mogelijk terug te dringen in eigen land door de binnenlandse economie te beschermen, werd de invoer van buitenlandse producten in Amerika bemoeilijkt door hogere importheffingen (protectionisme).
Voor de VS was dit een voordeel omdat buitenlandse producten door de hoge importheffingen te duur werden. De binnenlandse producten werden in verhouding goedkoper en dus steeg de binnenlandse vraag en daalde de vraag naar buitenlandse goederen. Veel Europese landen die ook gericht waren op de verbetering van binnenlandse economie, volgden dit voorbeeld om dezelfde reden. Voor Nederland was dit een catastrofe, want Nederland moest het vooral van haar export hebben. De sterke afname van de afzetmogelijkheden dreigde een radicale prijsafbraak te veroorzaken, iedere ondernemer probeerde nog zoveel mogelijk van zijn producten kwijt te raken tegen verlaagde prijzen.
Boeren waren de grootste slachtoffers. Door te weinig vraag bij gelijkblijvend aanbod daalden de prijzen van de landbouwproducten ongeveer tot de helft. Om voldoende inkomsten te hebben, gingen de boeren meer verbouwen. Dit was een goede oplossing voor een korte termijn. Maar op langere termijn daalden de prijzen alleen maar nog erger; de vraag was te laag terwijl het aanbod bleef stijgen. In Nederland werd bijna niets meer aan handel verdiend.
Door deze gebeurtenis ontstond er een driehoek die ongeveer kan uitleggen wat er in die tijd gebeurde.

Doordat er te weinig vraag is naar producten, daalt de afzet van de afzet van bedrijven. De vraag naar goederen kon worden bijgehouden met minder arbeidskrachten en dus worden er werknemers ontslagen. Deze ontslagen hebben als gevolg dat deze mensen niet of bijna geen inkomsten meer hadden. De koopkracht van deze mensen daalden. Zij Gingen minder consumeren. Het geld was nog net genoeg voor hoog noodzakelijke goederen. Door te weinig inkomsten daalde de vraag naar de meeste goederen à afzet van bedrijven daalde en dus zagen bedrijven hun winsten ook dalen à bedrijven hoeven steeds minder te produceren à steeds meer mensen worden ontslagen

Dat de omvang van werkloosheid een nationale ramp ging vormen blijkt uit de cijfers. In 1931 bedraagt het aantal werklozen per maand gemiddeld 138.000, in 1933 en ’34 is dit aantal al gestegen tot meer dan 300.000, terwijl het sinds 1935 voortdurend blijft liggen boven de 350.000. Het hoogste aantal geregistreerde werklozen wordt bereikt in januari 1936: 475.000, een getal dat volgens de particuliere schatting niet volledig de werkloosheid weergeeft; deze bedraagt in de winter 1935/36 volgens de particuliere schattingen 630.000.
Men heeft ook vroeger wel perioden van werkloosheid gekend. Deze waren echter van veel minder ernstige aard. Terwijl toen een werkloosheidspercentage van 10% in de jaren van diepste depressie een uitzondering was, bedraagt dit sinds 1932 in meer dan één land 30%.

De kabinetten Colijn, die tijdens deze economische crisis aan de macht waren, gingen ervan uit dat deze crisis van tijdelijke aard zou zijn en dat de economie weer zijn oude positie zou innemen, na een periode van aanpassing en bezuiniging.
Deze aanpassings- en bezuinigingspolitiek waren ook duidelijk merkbaar in de lonen van de werknemers. Zij werkten voor heel lage lonen dat net genoeg was om er eten mee te kopen. Luxe goederen konden zijn zich niet meer permitteren.
De regering koos voor het handhaven van de harde gulden en stelde het devalueren van de munt zo lang mogelijk uit terwijl de meeste landen hun munt al hadden laten devalueren. De landen die dit al hadden gedaan, zagen dit als een voordeel, omdat de binnenlandse producten van deze landen goedkoper werden voor het buitenland waardoor de vraag naar de producten een stijging ondervonden in het buitenland à export van dat land steeg.
Nederland zag het devalueren van de munt als een teken van economische zwakte en koos er dus voor om de munt niet te laten devalueren; de crisis was toch maar tijdelijk en kon snel bestreden worden door aanpassingen en bezuinigingen.
Het handhaven van de harde munt, hield de inflatie in het land zo laag mogelijk, voor zover dat nog kon en verslechterde de koopkracht van de binnenlandse bevolking niet nog meer.
Een afkeer tegen devaluatie van de munt en het handhaven van de harde munt, bracht echter geen verbetering in de situatie (hierbij ging het vooral ook om de relaties met het buitenland).
Op 27 september 1936 devalueerde Nederland haar gulden uiteindelijk met 20%, als laatste land in Europa. De export nam sinds jaren weer toe;
Devaluatie van een munt betekend dat jouw producten goedkopen worden in het buitenland à concurrentiepositie ten opzichte van het buitenland wordt op een oneerlijke maar toch effectieve manier verbeterd à de vraag naar Nederlandse producten stijgt in het buitenland à export vanuit Nederland stijgt à werkgelegenheid stijgt à koopkracht stijgt à werkgelegenheid stijgt nog meer etc.

De crisis heeft niet alleen tot een economische ondergang geleid maar ook het vertrouwen van de samenleving op een toekomst is in een crisissituatie beland. In deze crisis wist men geen raad met de eis die bij de massa leeft: werk voor de vele lege handen. De arbeiders namen geen vrede met een maatschappij die de werkgelegenheid aan het toeval overlaat. Om dit te verduidelijken, organiseerden arbeiders stakingen. Het aantal wilde stakingen nam toe. Terwijl het percentage wilde stakingen op het totale aantal tussen de jaren 1926 en 1930 schommelden rond 17%, stijgt dit percentage in de jaren vanaf 1932.

JAAR PERCENTAGE WILDE STAKINGEN OP HET TOTAAL
1932 22
1933 24
1934 23
1935 16
1936 26
1937 24

De armoede die er in Nederland heerste was enorm, die mede mogelijk werd gemaakt door loonsverlagingen en steeds stijgende werkloosheid. Alleen het broodnodige kon gekocht worden.
De overheid kon zelf geen verandering in deze situatie brengen, omdat het nog steeds bezig was met bezuinigingen. Dit betekende niet dat de overheid geen verbetering in deze situatie wilde brengen of er zelf de handen uit de mouwen steken. De overheid dacht dat het beleid dat zij voerden de beste oplossing zou zijn. Om de situatie toch iets te verbeteren, moedigde de overheid de liefdadigheid van de, in die crisistijd, zeldzame rijke mensen of instellingen aan. Zij hadden immers het geld. Een belangrijk voorbeeld van een liefdadigheidsinstelling waar de overheid een beroep op kon doen, waren de kerken.

Hier zie je de rij werkelozen. Als je werkeloos was, moest je in de rij staan voor een gratis maaltijd. In een stad waren altijd wel kerken of andere plekken waar je gratis te eten kreeg. Die rij werd iedere dag langer en langer. Veel mensen schaamden zich ervoor, dat ze werkeloos waren. Veel mannen moesten geld verdienen voor hun vrouw en kinderen, maar nu kon dat niet.
Hoe heeft de crisis zich verspreid van de VS tot Nederland?

Na de Eerste Wereldoorlog waren de Verenigde Staten de belangrijkste crediteur van de wereld geworden. De Verenigde Staten had Duitsland geld geleend om de herstelbetalingen, die bij de Vrede van Versailles waren opgelegd, te betalen. Ook hadden de Verenigde Staten geld aan Oostenrijk geleend om het herstel mogelijk te kunnen maken. Door al deze schuldverplichtingen was de wereld overdekt met een zeer onevenwichtig web. Al enige jaren hadden sommige landen de ene schuld met de andere moeten betalen. Het ging goed zolang het lukte nieuwe leningen af te sluiten, maar het was een riskant beleid. Als het debiteurenland weigerde de schuld hoger te laten oplopen kon het hierdoor de invoer van Amerikaanse goederen stopzetten. Dit gebeurde dan ook, Het torenhoge brouwsel van kredieten zakte in elkaar toen het vertrouwen in de toekomst verdween. De Amerikaanse boeren bleven met grote graanoverschotten zitten en konden geen nieuwe bestellingen doen aan de industrie die op haar beurt met de overschotten bleef zitten. De gevolgen van overproductie waren een daling van de investeringen en een 'kapitaalvlucht' in aandelen. De achteruitgang van de Amerikaanse vraag en het wegblijven van Amerikaanse kredieten brachten Duitsland en Oostenrijk onmiddellijk in de problemen. In mei 1931 bezweek een van de grootste Oostenrijkse banken, in juli een van de Duitse. Andere landen als Hongarije, Joegoslavië, Estland, Letland en Nederland werden in de moeilijkheden meegesleept. De problemen in Midden-Europa hadden hun weerslag op het Engelse pond, toen nog de valuta waarin een groot deel van de wereldhandel werd afgewikkeld. De Engelsen konden hun geld niet meer innen en op 21 september moest de Bank van Engeland de goudafgifte staken. Dit houdt in dat de vorderingen op de Bank van Engeland niet langer in goud konden worden omgezet. Binnen enkele dagen zakte de koers van het pond met bijna 20 %.

Op het terrein van de internationale economische betrekkingen dragen de VS een zware verantwoordelijkheid. Zij vertikten het om hun rol te spelen van grote mogendheid en hebben er de voorkeur aan gegeven alleen hun eigen nationale belangen te verdedigen, bijvoorbeeld door te weigeren samen te werken met de andere landen en door de toch al te hoge tolmuren nog verder omhoog te duwen.
Doordat de Verenigde Staten een belangrijke rol speelden op de internationale markt, breidde de crisis zich als een olievlek uit over heel de wereld. Alleen de Sovjet-Unie had er geen last van doordat deze eigenlijk los stond van de westerse economie.

Wie waren Ruys en Colijn?

RUYS

Charles Ruys de Beerenbrouck (1873-1936) was tussen 1918 en 1933 driemaal minister-president. Hij leidde kabinetten van RK, ARP en CHU.

Ruys begon zijn loopbaan als advocaat en werd daarna ambtenaar van het Openbaar Ministerie in Maastricht. In 1905 werd hij tot Tweede-Kamerlid gekozen en in mei 1918 volgde hij zijn vader op als Commissaris van de Koningin in Limburg.
Kort daarna, in september 1918, werd hij minister-president en minister van Binnenlandse Zaken van het door de katholieke staatsman Nolens geformeerde kabinet.

Zijn eerste kabinet kreeg te maken met de nasleep van de Eerste Wereldoorlog en op 16 juni 1921 diende het kabinet zijn ontslag in. Na de crisis die 24 dagen duurde, keerde het kabinet in vernieuwde vorm terug.
Het tweede Kabinet-Ruys de Beerenbrouck trad op 18 september 1922 aan. Het bestond uit drie ministers van RK, twee van de ARP en twee van de CHU. Op 4 augustus 1925 trad het kabinet af.
Tijdens zijn derde kabinet brak de economische crisis uit. Het derde kabinet-Ruys de Beerenbrouck trad af op 26 mei 1933.
Tussen zijn ministerschappen door was Ruys Tweede-Kamer voorzitter.

COLIJN

Hendrik Colijn werd 22 juni 1869 geboren in een eenvoudig gereformeerd boerengezin in Burgerveen in de Haarlemmermeer. Op 16-jarige leeftijd melde hij zich voor een officierenopleiding in Kampen. Na afloop, in 1892 werd hij aangesteld als tweede luitenant in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL). Hij nam deel aan een expeditie naar Lombok in 1894, hierbij bracht zijn strijdvaardigheid de Militaire Willemsorde op. In 1895 werd hij ingezet in de Atjehoorlog, en had evenveel succes. In 1901 bracht hij het tot de rang van kapitein en werd hij benoemt tot adjudant van de onderwerper van Atjeh, generaal J.B. van Heutsz. Toen deze in 1904 gouverneur-generaal van Indië was geworden, werd zijn adjudant, Colijn dus, met gewichtige bestuurszaken belast.

Inmiddels had Colijn ook de aandacht getrokken van leidende figuren in de Antirevolutionaire Partij, zoals de minister van Koloniën A.W.F. Idenburg. Dat was het begin van Colijns politieke loopbaan.
Colijn maakte ook kennis met het grootkapitaal zoals het Shell-concern. Dit bepaalde Colijns gedachten over het economische en politieke bestuur van de Indische koloniën. Hij was voor begunstiging van de grote ondernemingen, vrijhandel en krachtige handhaving van het gezag. Ook pleitte hij in het parlement onophoudelijk voor versterking van leger en vloot in Indië. Toen hij van 1911 tot 1913 minister van Oorlog werd, kreeg hij de kans dit plan te realiseren.

Na 1913 trok Colijn zich gedeeltelijk terug uit de actieve politiek. Wel werd hij directeur van de Bataafse Petroleum Maatschappij. Hoewel hij in Londen woonde bleef hij tot 1920 lid van de Eerste Kamer. Van 1923 tot 1925 was Colijn minister van Financien in het tweede kabinet Ruys de Beerenbrouck. Door bezuinigingen op salarissen en subsidies en geholpen door algemene economische opleving wist hij de begroting sluitend te krijgen. Na de val van het kabinet en de daarop volgende verkiezingen werd Colijn tot formateur aangewezen. In 1925 kwam het eerste kabinet Colijn aan de leiding. In dit kabinet behield hij zelf de financiën om zijn bezuinigingspolitiek verder door te zetten. Maar veel kans kreeg hij hier niet voor, want in maart 1926 kwam het kabinet ten val ten gevolge van een kamervotum tegen het gezantschap bij de H. Stoel. Van 1926 tot 1933 was hij weer lid van de Eerste Kamer. In deze periode was hij vooral op internationale terreinen werkzaam. In 1927 werd hij afgevaardigde naar de Economische Wereldconferentie in Geneve. In 1933 trad hij bij de Economische Wereldconferentie in Londen op de voorgrond als pleiter voor de vrije handel.

In 1929 was hij ook voorzitter van de Zuiderzeeraad en eredoctor in de rechten van de Vrije Universiteit in Amsterdam. In 1933, midden in de economische crisis, kwam hij aan de leiding met het tweede kabinet Colijn. Hierin kreeg een nieuwe kans, want niemand begreep de oorzaken van de crisis. De crisis leek onoplosbaar, maar Colijn kwam als sterke man naar voren. Hij kwam met een simpele, maar wel effectieve oplossing: bezuinigen. In 1935 kwam het derde kabinet Colijn tot stand, op dezelfde basis.

Colijn was, net als de fascisten, een voorstander van een sterk staatsgezag, maar een op onderdrukking gebaseerde, totalitaire staat kan hij nooit gewild hebben. Vast staat dat Colijn juist om datgene voor velen een aanvaardbaar alternatief voor een fascistische leidersfiguur is geweest.

Wie was er aan de leiding in Nederland en wat heeft deze regering gedaan?

Ruys
Aan het begin van de crisis was het derde kabinet-Ruys aan de leiding in Nederland. Dit was van 1929 tot 1933.
De belangrijkste persoon in de economische sector was bewindsman T.J. Verschuur. Hij was minister van Arbeid, Handel en Nijverheid. Vanaf zijn aantreden wilde hij een actievere economische politiek van de overheid voorbereiden. Hij vond dat Nederland een onderhandelingstarief moest invoeren, want als Nederland zelf hoge invoerrechten hief, zou Nederland bij onderhandelingen met andere landen wederzijdse tariefreducties kunnen bedingen. Hij had grote plannen en wilde om te beginnen de economische afdeling van het kabinet uitbreiden. Maar binnen de regering vond hij weinig steun. Toen de crisis zich met volle kracht ging aftekenen miste Verschuur het apparaat om in te grijpen. Toch verwachte men nog steeds dat er verbetering zou komen. Deze verwachting was onterecht, de crisis werd steeds erger en de Nederlandse regering werd ten eerste geconfronteerd met de moeilijkheden in de landbouw.

Landbouw
De prijzen van de landbouwproducten waren voor 1929 al erg slecht, o.a. doordat men steeds vast had gehouden aan de vrijhandel. Ten eerste werd er hulp geboden door de suikerbietenindustrie met premies te steunen. Drie maanden later, op 1 augustus 1930, werd het ‘compenserend’ recht ingevoerd. Dit houdt in dat er een invoerrecht op de import van suiker werd gelegd, maar in feite was er nog steeds sprake van vrijhandel want de heffing bleek een compensatie te zijn voor de suikeraccijns op de binnenlandse producten.
Veel ingrijpender was de Tarwewet van 21 februari 1931. Deze garandeerde de boeren een vaste prijs, terwijl de meelindustrie verplicht werd zoveel inlandse tarwe ter verwerken dat de afzet van de binnenlandse productie gewaarborgd zou zijn. Hiermee was het principe van vrijhandel voorgoed ten einde.
Toen in september 1931 de belangrijke agrarische export naar Engeland bedreigd werd door de val van het pond, voelde de regering zich gedwongen nog meer steun te geven. Soms was dit directe steun, maar meestal waren het heffingen op de binnenlandse consumptie. Hiermee kon ook meteen de steun aan de export gefinancierd worden.

De nadelen van de protectie werden direct zichtbaar. Doordat de prijs van het veevoer werd verhoogd, werd de veeteelt geschaad en waren compenserende regelingen nodig. De binnenlandse consument moest voor zijn voeding meer betalen, terwijl prijsdaling mogelijk was geweest.
Een tweede nadeel was dat er een groot apparaat nodig was om al deze regelingen in de praktijk te brengen. De tarweverbouwers moesten zich bijvoorbeeld aansluiten bij een tarwecentrale en de meelfabrikanten moesten zich ook organiseren.

Industrie
Ook in de industrie waren er moeilijkheden met de export. De werkloosheid groeide doordat het prijspeil en de hoeveelheid daalde. De Nederlandse concurrentiepositie werd veel moeilijker door de val van het pond, want de prijzen van concurrenten in Engeland daalde. Hierdoor moest de Nederlandse regering ook in de industrie ingrijpen, maar het was veel moeilijker om directe hulp te verlenen. Voor een verhoging van de invoerrechten werd niets gevoeld, want dit was in strijd met de traditie. Op 23 december 1931 werd de crisis-invoerwet ingevoerd. Door deze wet kon de regering de invoer van een bepaald product beperken en daarmee de Nederlandse producten beschermen. Ook werd er een crisis-uitvoerwet ingevoerd. Deze was op 24 december 1931 en gaf de mogelijkheid om de (beperkte) uitvoer over de exporteurs te verdelen.

Deze maatregelen had de regering noodgedwongen genomen, want ze begrepen best dat protectionisme voor een exportland als Nederland erg gevaarlijk was en dat het de internationale moeilijkheden alleen maar vergrootte.
Toch bleven de prijzen en lonen dalen in Nederland, o.a. doordat de regering het nodig vond de prijzen aan te passen aan de concurrentie. En doordat de uitgaven van de overheid groter waren dan de inkomsten werd er bezuinigd en belastingverhogingen ingevoerd. Veel bedrijven gingen failliet en mensen raakten werkloos. In december 1930 waren er 136 000 geregistreerde werklozen, in december 1931 waren dat er 246 000 en in december 1932 waren het er 350 000. Ook waren er nog tienduizenden niet-geregistreerde werklozen. De regering zag dat er ingegrepen moest worden. Er werd een steunregeling ingevoerd. Veel mensen vielen buiten de steun, maar langzamerhand werden het er steeds meer die wel binnen de steun vielen. Als een werkloze steun aanvroeg werd er eerst gekeken of hij nog ergens spaargeld had. Als dit het geval was moest hij dit eerst opmaken en dan pas kwam hij in aanmerking. Dan moest er eerst een lang formulier ingevuld worden. Met dit formulier kreeg de werkloze een stempelkaart die hij een of twee keer per dag onder werktijd moest laten stempelen. Zo kon de regering controleren of er mensen waren die werkten én in de steun waren.

Veel mensen, ook binnen de RKSP, vonden het beleid van het kabinet-Ruys te passief. Ze wilden een actieve handelspolitiek en binnen de ARP pleitten ze voor een actieve industriepolitiek. De indruk dat het kabinet-Ruys niet tegen de problemen was opgewassen groeide. De regering in de Kamer had al een paar nederlagen geleden, maar toen ze na een conflict over de bezuinigingen weer een nederlaag leed werd besloten de verkiezingen te vervroegen. Op 26 april 1933 werd het kabinet-Colijn (ARP) gekozen.
Colijn beschouwde de crisis als een gevolg van structurele veranderingen. De industrie was, vooral in de Eerste Wereldoorlog, in buiten-Europese landen tot ontwikkeling gekomen. Voor de wereld in het geheel betekende dit een voordeel, maar voor Europa was het zeer nadelig. Europa was namelijk zijn technische voorsprong kwijtgeraakt en dat kon niet ongedaan gemaakt worden.
Volgens Colijn was de algemene welvaart het meest gebaat bij een vrije uitwisseling van goederen. Veel landen probeerden hun problemen op te lossen door protectionistische maatregelen in te voeren. Voor hun eigen land was dit beter maar een land als Nederland werd hierdoor ernstig getroffen. Volgens Colijn ging het niet mis door de vrijhandel, maar juist doordat te veel landen het protectionisme hadden ingevoerd.
Door deze diagnose meende Colijn dat de oude welvaart voorgoed voorbij was. Nederland moest zich aanpassen aan de omstandigheden en een lager welvaartspeil instellen dan voorheen. Volgens Colijn was dit de beste politiek, maar moest er wel in de gaten gehouden worden dat de Nederlandse bedrijven niet te gronde gingen tijdens dit aanpassingsproces. Daarom zette Colijn de steun van de landbouw voort.

In Londen zou een economische wereldconferentie gehouden worden om te proberen het internationale handelsverkeer te redden en het internationale betalingsverkeer te stabiliseren. Deze hele conferentie werd een mislukking doordat Roosevelt twee maanden eerder de dollar had losgemaakt van het goud. De monetaire wanorde werd alleen maar verergerd en Colijn veranderde zijn mening. Alle landen zochten hun toevlucht bij protectie, dus Nederland moest dit ook maar doen om zichzelf te redden. De crisis-invoerwet van 1931 werd gewijzigd, de regering kreeg de bevoegdheid om de invoer grotendeels naar eigen goedvinden over de leveranciers te verdelen. En alleen als een land bepaalde Nederlandse goederen wilde invoeren, kreeg het vergunning om bepaalde andere producten naar Nederland uit te voeren.

Om overproductie te voorkomen was het vaak nodig de binnenlandse markt te ordenen door overeenkomsten te sluiten tussen ondernemers of door overheidsingrijpen. Hierdoor breidden de ingrepen zich uit als een olievlek.

Werkloosheid
Ondanks al deze maatregelen bleef de uitvoer dalen en door de slechte exportmogelijkheden groeide de werkloosheid. In de winter van 1935-1936 waren er zelfs ruim 630 000 werklozen. Dit was 23,5 % van de bevolking. De regering probeerde via grote openbare werken de werkloosheid af te laten nemen, maar dit hielp niet veel.

Colijns benadering van het werkloosheidsprobleem werd niet door
iedereen toegejuicht, zoals blijkt uit deze spotprent van Albert Hahn:
premier Colijn zegt tegen minister van Sociale zaken Slotemaker de Brüne over de werkloze op de operatietafel: “Zit er nog leven in?”, waarop de minister antwoord: “Ja, ja… hij kan deze aderlating nog best hebben.”


In Nederland kon men aan je fiets zien of je werkeloos was. Als je namelijk geen werk had, hoefde je geen fietsbelasting te betalen. Iedere fietser was verplicht dit plaatje aan hun fiets te doen. Maar werkelozen kregen een gaatje in hun fietsplaatje. was, terwijl er van de winst van de afgelopen

De mensen die nog wel werk hadden, hadden het ook niet makkelijk. De winsten van bedrijven daalden, sommige leden zelfs alleen nog maar verlies. Hierdoor daalden de lonen. De overheid greep hier niet direct op in, het paste ook wel in het beleid: de Nederlandse lonen en prijzen moesten aangepast worden aan dat van de concurrenten. Een groot nadeel was wel dat de steun aan werklozen ook werd verlaagd. Volgens de regering moest het steunbedrag namelijk flink onder het loon van de werklozen liggen. Deze percentages waren niet voor iedereen gelijk. Kostwinners kregen maximaal 65 % van het normale loon, kostgangers 55 %, landarbeiders iets meer dan 65 %, want de lonen op het platteland waren al zo laag, dat men op 65 % zou verhongeren.


Sluitende begroting

Bij de aanpassingspolitiek hoorde ook het streven naar een sluitende begroting. De aanpassing van de overheidsuitgaven werd erg moeilijk door de stijgende crisisuitgaven. Ondanks de belastingverhogingen en bezuinigingen dreigde de begroting van 1934 weer een tekort te hebben van 25 %. Nog verdere verhoging van de belastingen en nog meer bezuinigen waren niet voldoende om op korte termijn het evenwicht te bereiken. Een jaar later, voor de begroting van 1935, was de situatie nog niet veranderd. Besloten werd om de bezuinigingen nog verder door te voeren. Verhoging van de belastingen was niet mogelijk omdat er eigenlijk al een te grote druk op de bevolking rustte.

Eigenlijk was de reactie van Colijn op de crisis niet anders dan die van Ruys, maar Colijn zette krachtiger door en de situatie was nog slechter geworden. Want hoe langer de depressie duurde, hoe meer er werd bezuinigd en des te sterker de weerzin tegen de regeringspolitiek.

Gouden standaard
In september 1931 devalueerde het Engelse pond, in april 1933 volgde ook de Amerikaanse dollar. Het aantal voorstanders van een devaluatie van de Nederlandse gulden groeide, want het Nederlandse prijspeil moest aangepast worden aan dat van de concurrenten. Dat kon beter bereikt worden door de gulden los te laten dan door verlaging van de lonen en de prijzen. Toch vonden velen dat alleen vasthouden aan de gouden standaard de zekerheid kon geven die de internationale handel nodig had.

De gouden standaard betekent eigenlijk dat de waarde van de munt gekoppeld is aan de waarde van goud, waardoor het waardevast is. Als er van de gouden standaard afgeweken wordt, hangt de waarde van de gulden af van de economie en dus van vraag en aanbod. Dit vonden vele kamerleden riskant omdat juist de economie steeds slechter werd.

Toch hadden al veel landen de gouden standaard losgelaten en veel mensen vroegen zich af of de politiek van Colijn wel uitzicht bood. Het evenwicht, dat Colijn op de begroting wilde hebben, werd steeds minder. Er moesten veel noodmaatregelen genomen worden en de staat moest steeds dieper ingrijpen. Er werd steeds meer bezuinigd, maar het Nederlandse prijspeil bleef te hoog. Door deze bezuinigingen en de werkloosheid schrompelde de binnenlandse markt steeds verder ineen. Dit had weer tot gevolg dat de werkloosheid groeide. De weerzin tegen Colijn en zijn beleid groeide. Uiteindelijk liet Nederland toch de gouden standaard los op 27 september 1936. In de ogen van menig critici was dit veel te laat.

Nu was het van belang voor de economie om het Nederlandse kostenpeil te drukken. De lonen van bedrijven moesten dalen, maar hierdoor moesten ook de kapitaalslasten voor bedrijven dalen. Voor de bevolking was het van belang dat de prijzen daalden, anders zou de koopkracht dalen. Door de crisispachtwet van 1932 was hiermee al een begin gemaakt, maar dat was niet voldoende. Colijn wilde een consequente politiek. De lasten van hypoheken en de huur moesten worden verlaagd om het bedrijfsleven weer veerkrachtig te maken, maar hoe liet je deze dalen? Eén van de mogelijkheden was een daling van de rente. Hierdoor zou het voor verhuurders goedkoper worden om te verhuren en zou een huurverlaging doorgevoerd kunnen worden. De hypotheeklasten konden verlaagd worden door de bouw van huizen tegen lagere huur tarieven te bevorderen. Dit laatste kon alleen als de gemeente bij verstrekken van de bouwgrond en bouwvakkers bij het bepalen van hun lonen deze wilden laten dalen.

Na het devalueren van de gulden ging het zowel politiek als economisch veel beter met Nederland. De concurrentiepost verbeterde, terwijl de internationale situatie dit ook deed. De uitvoer steeg in een jaar met 408 miljoen, namelijk van 796 miljoen in 1936 naar 1204 miljoen in 1937. De deflationistische druk, als gevolg van de aanpassingspolitiek, viel weg en het aantal werklozen daalde. Het kabinet kon zonder veel problemen doorregeren en werd in 1937 nog een keer herkozen.

Colijns politiek was gebaseerd op een sombere visie op de toekomst. Hij was opgegroeid in soberheid en met weinig luxe, waardoor hij de gestegen welvaart als luxe beschouwde. De landen buiten Europa bouwden stuk voor stuk hun eigen industrie op, waardoor Europa zich met een lagere welvaart tevreden moest stellen. Een hogere welvaart zou wel mogelijk zijn door de stijgende productiviteit, maar dit zag Colijn niet. Hierdoor zag hij ook geen mogelijkheid om in het heden enige verlichting te brengen door vooruit te grijpen op een betere toekomst. Hij heeft hier ook niet de kans voor gekregen omdat drie weken nadat de regering aantrad, de Tweede Wereldoorlog uitbrak.

Conclusie

De gevolgen voor de Nederlandse bevolking waren enorm. Er was grote werkloosheid en armoede. Dit had geen enkele regering kunnen voorkomen. Colijn en Ruys deden wat in hun ogen het beste was voor Nederland. Je weet niet of een ander beleid beter was uitgepakt dan het crisisbeleid dat Colijn en Ruys voerden. Als er een ander beleid was geweest had er misschien minder werkloosheid geweest, maar waren er wel weer andere problemen bij gekomen.

Wel denken wij dat de Gouden Standaard eerder losgelaten had moeten worden. Er werd alleen maar veel bezuinigd, maar het Nederlandse prijspeil bleef te hoog. Als Nederland de Gouden Standaard eerder had verlaten, was het prijspeil gelijk gebleven met dat van de concurrenten en had Nederland ook nog goederen kunnen exporteren. Nu gebeurde dat niet doordat de prijzen in het buitenland goedkoper waren. Nederland kon ook bijna niet importeren, want andere landen hadden protectie toegepast. De prijzen in het buitenland waren dus ook erg hoog.
Doordat er veel werklozen waren, kon er ook niet in de economie worden geïnvesteerd. Deze mensen hadden hun geld, wat grotendeels uit de steun kwam en ook niet veel was, hard nodig om eten te kopen.

Colijn en Ruys hebben wel geprobeerd veel voor de werklozen te doen, wat wij erg positief vinden. De grote projecten hadden toch aardig wat mensen weer aan het werk geholpen.

Ruys heeft een goed begin gemaakt met de wederopbouw van de economie, maar was niet in staat om het af te maken. Colijn heeft het daarna overgenomen en ondank dat sommige mensen veel kritiek hadden op het beleid van Colijn heeft hij zich kunnen bewijzen als sterke man.
Volgens ons had het zonder Colijn een stuk rampzaliger afgelopen, want mede dankzij zijn oplossingen is Nederland weer helemaal opgeknapt en hebben we nu geen last meer van wat er in de jaren ’30 allemaal is gebeurd.

Bronvermelding

Bronnen Auteur/uitgever
Economische integratie, economie Lewo uitgeverij
Een eeuw sociale problematiek H. Hoefnagels
Archief Nederlands Dagblad Willem Bouwman
Encarta Encyclopedie Winkler Prins Editie
Spectrum encyclopedie Het Spectrum Elektronic Publishing B.V.
Het Voorspel Verschillende auteurs
Sprekend Verleden Verschillende auteurs
www.scholieren.com Anoniem
www.pearl.demon.nl/scripties/krach Linda Boogaard
www.pvda.nl W. Peeters
Het oproer van 1934 Wolf Kielich


 

Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

 

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

1105
 

reacties