13 gedichten

Nederlands

Gedichtbespreking

Poëzie

6.8 / 10
6e klas vwo
  • kawee
  • NL
  • 13651 woorden
  • 16678 keer
    271 deze maand
  • 8 december 2010

Nederlands leesverslag 10 Gedichten
gemaakt door: Kawee Wu
Klas: V6A
Schooljaar: 2010/2011


Inhoud:
1. Fantasy door P.C. Hooft
2. Code door Achterberg
3. Mijn duiveglans door Lucebert
4. Ik tracht op poëtische wijze door Lucebert
5. Ik ben een god in ’t diepst van mijn gedachten door Willem Kloos
6. Changement de décor door Ellen Warmond
7. Het veer door Martinus Nijhoff
8. Egidiuslied door Wim kleissen
9. Stadgenoot door Elburg
10. Wanneer de vorst des lichts door P.C. Hooft
11. Awater door Martinus Nijhoff
12. Bommen door Paul Rodenko
13. De Dapperstraat door J.C Bloem



Gedicht 1: Fantasy door P.C. Hooft.
1. Indien men poocht mijn hart van mijn liefs hart te scheijden,
2. ik ducht het niet t'sal zijn dan schadeleijke moeyt:
3. Want scheuren soumen eer de harten van ons beyden,
4. als scheijden op de plaets daer zy zijn tseam ghegroeyt.

5. Mijn brandt trock uyt haer hart om't miyne te verzachten,
6. soete goedwillichheyt een verfrischende douw;
7. Waermee mijn hart bedouwt is vruchtbaer van ghedachten,
8. die niet dan knielen steach voor't outer van mijn Vrouw.

9. Ghedachten die my steach haer deuchden comt vermanen,
10. maer boven al haer jonst, die zy my waerdich maeckt;
11. Waerom laet, in de vreucht mijns siels, het lichaem tranen,
12. soudt voorspoock zijn van ramp dat hel of lichaem naeckt?

13. Soudt wel zijn dat ghy vreest, dat mijn Godinne
14. haer gotvertieren jonst afwennen mocht van dijn?
15. Verslaet u niet soo seer, want bonden Liefd en Minne
16. mijn hart soo valt aen't haer, zy bonden't haer aent't mijn.

17. Heylighe Liefd en Min, wiens aenghename boeyen
18. waerder als vrijheyt waert wy achten bey gheleijck;
19. Gheeft dat ons harten soo valt in malkander groeyen,
20. dat haer gheen teecken van verscheydenheyt en blijck.


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw : Strofen, 5 strofen met elk 4 regels.

2. Rijm: Gekruist rijm.

3. Metrum: Jambe, er zit ook elisie hierin ;
Strofe 1, regel 4; t’saem.
Strofe 2, regel 5; om ’t mijne

4. Beeldspraak :
- Vergelijking zonder als.
* Regel 6: Soete goedwillichheit en verfrissende douw
- Personificatie.
* Regel 8: gedachten die knielen voor zijn vrouw )

5. Stijlfiguren :
- Paradox.
* Regel 11: Schijnbare tegenstelling ; Waerom laet, in de vreucht mijns siels, het lichaem tranen,
* Regel 17: aangename boeien
- Woordspeling:
* Regel 2: Schadelijke moeite


B. De inhoud van het gedicht
1. Verklaar het gedicht woordelijk:
Fantasy betekent sombere overpeinzing
Dit is oud- Nederlands, daarom vertaal ik hem even in normaal Nederlands.
Bij andere gedichten in modern Nederlands, doe ik dit niet.

Strofe 1:
Indien men poocht mijn hart van mijn liefs hart te scheijden,
 wanneer iemand de hart van mij en mijn geliefde probeert te scheiden.
ik ducht het niet t'sal zijn dan schadeleijke moeyt:
 het is tevergeefs moeite die geen zin heeft.
Want scheuren soumen eer de harten van ons beyden,
 je kunt het hooguit scheuren, maar breken zal niet lukken
als scheijden op de plaets daer zy zijn tseam ghegroeyt.
 Onze harten zijn samen 1 hart.

Iemand probeert 2 geliefden uit elkaar te halen  kapotmaken.
Alss iemand probeert mijn hart met mijn geliefde te scheiden, ik vrees dat het alleen vergeefse moeite is.
 Regel 2: Schadelijke moeite  moeite die geen zin heeft schade toegebrachte moeite is onzin  de harten breken.
Hooguit kun je ze alleen scheuren, want breken zal je niet lukken. 2 harten is 1 hart geworden  Dat is liefde. 2 mensen die een eenheid is geworden  Hoofts ideaal.

Strofe 2:
Mijn brandt trock uyt haer hart om't miyne te verzachten,
 Mijn liefdesvuur trok uit haar hart om mijn pijn te verzachten.
soete goedwillichheyt een verfrischende douw;
 Zoete goedwilligheid en verfrissende douw
Waermee mijn hart bedouwt is vruchtbaer van gedachten,
 waarmee mijn hart verfrist is met plezierige gedachten
die niet dan knielen steach voor't outer van mijn vrouw
 die staat te knielen voor het altaar van mijn vrouw

Mijn liefdesvuur ( Brandt ) trok uit haar hart om de mijne (pijn) te verzachten  haar vuur doet hem pijn  Die aardige gedachte van haar over hem  doet hem denken aan verfrissende douw  blust de pijn.

Zij geeft hem die douw en vermindert de vuur  de pijn, er komen allemaal plezierige / aangename gedachten wanneer de douw komt, aan zijn geliefde die gedachten knielen voor het altaar van zijn vrouw  enorme eerbied / verering voor die vrouw.

Strofe 3:
Ghedachten die my steach haer deuchden comt vermanen,
 Gedachten die mij steeds doen denken aan haar voortreffende eigenschappen
maer boven al haer jonst, die zy my waerdich maeckt;
 maar vooraal aan de liefde die zij aan hem geeft, die hem het waard is
Waerom laet, in de vreucht mijns siels, het lichaem tranen,
 Waarom ben ik innerlijk zo blij en aan de buitenkant ben ik aan het huilen?
soudt voorspoock zijn van ramp dat hel of lichaem naeckt?
 zou het een slecht voorteken zijn van een ramp?

Gedachten die mij steeds doen denken aan haar voortreffende eigenschappen, maar vooraal aan de liefde die zij aan hem geeft. Hij is het waard om de liefde te ontvangen van zijn geliefde.

“Waerom laet, in de vreucht mijns siels, het lichaem tranen” betekent: “Waarom ben ik innerlijk zo blij en aan de buitenkant ben ik aan het huilen?” zou het een slecht voorteken zijn van een ramp? Van een naderend onheil?

zou er een verschrikkelijke gebeurtenis voorkomen?

Strofe 4:
Soudt wel zijn dat ghy vreest, dat mijn Godinne
 zou het wel zijn dat ik vrees, dat mijn geliefde
haer gotvertieren jonst afwennen mocht van dijn?
 het uit zal maken met mij?
Verslaet u niet soo seer, want bonden Liefd en Minne
 Wees niet zo somber, want er is een bond van geestelijke en lichamelijk liefde
mijn hart soo valt aen't haer, zy bonden't haer aent't mijn.
 mijn hart is van haar en haar hart gebonden aan de mijne.

Regel 13: Hij vreest dat hij haar kwijtraakt, zou de grote geliefde geen liefde meer aan hem geven? Zou het uitgaan tussen hun?

Regel 15: Terneergeslagen, wees niet zo somber. Mijne zo vast aan het hare. Liefde en minne.  Liefde is geestelijke liefde en Minne is lichamelijke liefde.

Als mijne zo stevig aan haar is gebonden , is haar hart ook zo grote liefde als die van hem.

Strofe 5:
Heylighe Liefd en Min, wiens aenghename boeyen
 Heilige liefde en Minne, die zo aangenaam is
waerder als vrijheyt waert wy achten bey gheleijck;
 waardevoller dan vrijheid
Gheeft dat ons harten soo valt in malkander groeyen,
 geeft dat ons harten aan elkaar groeien
dat haer gheen teecken van verscheydenheyt en blijck.
Dat er geen verschil is tussen onze harten

Geestelijke en lichamelijke liefde = aangenaam. Waardevoller dan vrijheid.

Liefde en Minne = geboeid in de liefde. Boeien = normaal niet leuk, maar nu vindt hij het aangenaam. Liefdee en Minne worden samen beschouwd als evenwaardig, ze zijn allebei even belangrijk.

Zorg ervoor dat onze harten zo innig in elkaar groeien dat er geen verschil is in onze harten = 1 hart.

2. Dit gedicht gaat over de ideale liefde tussen hem zijn grote liefde, hij houd verschrikkelijk veel van haar en vice versa. De harten van de twee geliefden zijn met elkaar verbonden, en ze gaan nooit meer uit elkaar, niets of niemand zal dat lukken.

3. Thema
Ideale liefde tussen hem en zijn grote liefde.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht ontroerend, omdat dit gedicht om echte liefde gaat, deze twee houden zoveel van elkaar dat het de ideale en ware liefde is.

2. Ik vind het gedicht lief, omdat de twee geliefden zoveel om elkaar geven. Het gedicht zegt zoveel over de liefde van die twee, maar ook over liefde in het algemeen.

3. Ik vind het gedicht onherkenbaar, omdat ik zelf niet zoiets heb gevoeld voor iemand, ik ben natuurlijk wel veel te jong om dit allemaal te begrijpen, maar ik kan me wel een beetje erin inleven. Toch blijft het voor mij nogal onherkenbaar

4. Ik vind het gedicht indrukwekkend, omdat dit gedicht mij zal nablijven. Het gaat over de ideale en ware liefde en ik zal later ook wel met die ideale liefde te maken hebben.

5. Ik vind het gedicht goed doorlopend, omdat het niet van de hak op de tak gaat, het verhaal gaat gewoon over wat diegene voelt en wat hij over wilt brengen.



Gedicht 2: Code door Gerrit Achterberg uit: Alle gedichten deel I, Verzamelde gedichten ( 1947 )
1. De levenskracht die gij eenmaal bezat
2. verdeelt zich nu over het abc.
3. Ik combineer er sleutelwoorden mee
4. en open naar uw dood het zware slot.

5. Het is, in ’t vers, de figuratie: God,
6. te vinden in de letters g, o, d,
7. in deze volgorde, maar niet per se,
8. ook ander formaties kunnen dat.

9. Iedere serie, elke schakeling,
10. uit welke taal genomen, is geschikt,
11. zolang ze in de juiste spanning staat.

12. De dichter, onder ’t schrijven, weegt en wikt,
13. op dood en leven een schermutseling,
14. totdat de deur eindelijk open gaat.


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw: Sonet
4 strofen met 4,4,3,3.

2. Rijm: Gebroken rijm, je verwacht a,b,b,a  maar het is a,b,b,c

3. Metrum: Jambe, maar er is wel een afwijking van het metrum ( antimetrie ) in de eerste zin.

4. Beeldspraak:
- Alliteratie
* Regel 12: weegt en wikt
* Regel 10: genomen en geschikt
* Regel 9: serie en schakeling

5. Stijlfiguren:
- Tautologie
* weegt en wikt


B. De inhoud van het gedicht
1. Verklaar het gedicht woordelijk

Strofe 1:
De levenskracht die gij eenmaal bezat
verdeelt zich nu over het abc.
Ik combineer er sleutelwoorden mee
en open naar uw dood het zware slot.

 de levenskracht verspreid over het abc  letters van het alfabet. Gij is het alfabet.
Met de letters van het alfabet gaat hij sleutelwoorden mee maken.  sleutelwoorden met de code en het slot.
Als hij de sleutelwoorden heeft gevonden, heeft hij de code en kan hij dat slot naar de dood openmaken. Regel ; zware  hij heeft het er maar moeilijk mee om de code te vinden. Hij kan de deur openmaken, dus dan kan hij ook bij die “gij” komen. In al die letters zit levenskracht. Zo komt dat levenskracht weer terug en kan hij die “gij” weer tot leven wekken.

Strofe 2:
Het is, in ’t vers, de figuratie: God,
te vinden in de letters g, o, d,
in deze volgorde, maar niet per se,
ook ander formaties kunnen dat.

 Het = code = sleutelwoord. God is de bron van de zin van het leven, misschien is god dan wel het levenswoord. De figuratie  volgorde, in de letters G.O.D. Elk ander volgorde kan het zijn, elk ander woord kan het zijn en iedere serie/ schakeling van letters is in principe goed.

Strofe 3:
Iedere serie, elke schakeling,
uit welke taal genomen, is geschikt,
zolang ze in de juiste spanning staat.

 Iedere serie/ schakeling van letters is in principe goed., de taal doet er niet toe. Ze moeten alleen in de juiste volgorde staan. Als ze de juiste spanning hebben ontstaat er een levenskracht

Strofe 4:
De dichter, onder ’t schrijven, weegt en wikt,
op dood en leven een schermutseling,
totdat de deur eindelijk open gaat.

 Hij zoekt de juiste combinatie van woorden, schermutseling is gevecgt. Een gevecht van leven of dood. Als het lukt, onstaat het leven, anders blijft het dood.

totdat de deur opengaat  Het is dus nog niet open!

De dichter wacht tot de deur opengaat, maar het lukt hem niet!

“Gij” in het gedicht is een dode. Gij kan een persoon zijn geweest, een vrouw misschien want Achterberg werkte in een hospitaal en hij schoot per ongeluk een vrouw dood. Misschien wilt hij haar levend maken.

2. De dichter is op zoek naar een code om het “Gij” tot leven te wekken, maar het lukt hem niet.

3. Thema: Het schrijven van het ideale gedicht.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht langdradig, omdat het uiteindelijk toch alleen maar gaat over het maken van een perfecte gedicht.

2. Ik vind het gedicht goed doordacht, omdat je er zelf niet op zou kunnen komen, over de codes van g,o,d en dergelijke.

3. Ik vind het gedicht mooi, omdat het gaat om het maken van een mooi gedicht. Je ziet gewoon dat de dichter er moeite heeft gedaan met bijvoorbeeld de alliteratie e.d. dit alles maakt het een mooi gedicht.

4. Ik vind het gedicht niet origineel, omdat zo’n dergelijk gedicht ook al door Lucebert is gemaakt. Het thema is allebei hetzelfde; het maken van het perfecte gedicht.

5. Ik vind het gedicht interessant, omdat je eigenlijk niet zomaar bedenkt om een gedicht te schrijven over het schrijven van een gedicht, meestal gaat het gewoon over onderwerpen als de liefde, of vriendschap e.d.




Gedicht 3: Mijn duiveglans door Lucebert
Beeldspraak : Aliteratie
* glanzende adder
Stijlfiguur: apokoinou constructie
* denkt hij  op de voorafgaande woorden/ zinsdeel

Strofe 1:
Mijn duiveglans mijn glansende adder van glas
Mijn viervoetige narennen mijn kneedbaar
Smeltpunt op de pupillen ruworige
Heester onder mijn handpalm deze
Deze stem is van stamelen een lichaam
Een vochtig voortvluchtig lichaam

Mijn duiveglans mijn glansende adder van glas Mijn duiveglans is een positieve benadering.
Mijn glanzende adder van glas  glanzend is positief maar adder is negatief.
Mijn viervoetige narennen  Hij rent viervoetig iets na, hij doet al zijn moeite iets na te rennen.
Mijn kneedbaar smeltpunt op de pupillen  hij kijkt graag naar hem/haar. Als hij ziet smelt hij helemaal weg.
ruworige heester onder mijn handpalm  Hij kan haar niet bereiken, de stekels ( van de heester ) houden hem tegen.
Deze deze stem is van stamelen een lichaam  hier staat 2 keer “deze” in; hij is aan t stamelen, hij informeert gebrekkig over wat hij tot nu toe heeft. Alles wat hij tot nu toe heeft gezegd is alleen maar gestamel en hij is aan het zoeken naar de juiste omschrijving voor ”haar”.
een vochtig voortvluchtig lichaam  hij krijgt er geen grip op. Je kan het niet vastpakken. Het lukt hem niet de juiste woorden te vinden.

Strofe 2:
Zeg-hoor je niet dat ik dood ben
Ik turner van de de warwinkel
Een zaal een tombe een toren ben je
En met kettingen doorspekt
Denkt de rechtvaardige zingende de slechte
zingende denkt hij

 zeg – hoor je niet dat ik dood ben  Hij is dood, als dichter, hij kan de juiste woorden niet vinden. Het lukt hem gewoonweg niet.
Ik turner van de warwinkel  Het is een chaos in zijn woorden. Het zijn onjuiste benaderingen/ woorden. Hij zit als turner te zoeken naar de juiste woorden.
Een zaal een tombe een toren ben je  Het is moeilijk om deze woorden te vinden, een zaal een tombe en een toren zijn moeilijk bereikbaar. Zij is een tombe  zij is moeilijk bereikbaar.
En met kettingen doorspekt  Kettingen houden hem tegen om haar te bereiken.
Denkt de rechtvaardige zingende de slechte zingende denkt hij Hij kan zijn woorden niet vinden. Hij meent wat hij zingt, dat is rechtvaardig. Hij doet 1 ding zeker wel; hij doet de moeite, hij doet zijn best.

Strofe 3:
Dat hij het tientallen vloeistoffijne meisjeslijf
In een gipsen snaar gevangen heeft
Ja dat denkt hij
Hij denkt dat

 Dat hij het tientallen vloeistoffijne meisjeslijf  Hij heeft het over een meisje; tientallen vloeistoffijne geeft een mate aan, dit is zeer vloeistoffijn. Vloeistoffijn heeft betrekking op vochtig en voorluchtig.
In een gipsen snaar gevangen heeft  Hij denkt dat hij dat meisje in een gipsen snaar gevangen heeft; dat kan niet. Een wezen van een snaar is dat een snaar trilt, maar dat kn gips helemaal niet. Hij denkt dat hij het onmogelijke gepresteerd heeft.
“Je” in het gedicht, duiveglans kan zijn; het meisje, wie hij graag zou willen hebben, de onbereikbare liefde of hij zoekt naar de juiste woorden, hij wil het juiste gedicht schrijven, het ideale gedicht.

2. De dichter probeert de juiste benaming te vinden van zijn geliefde of van zijn ideale gedicht. Alleen lukt het hem dat telkens maar niet.

3. Thema
Het proberen schrijven van het ideale gedicht.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht niet origineel, omdat Achterberg ook zo’n dergelijk gedicht heeft gemaakt. Het gaat hier allebei om het schrijven van het perfecte gedicht.

2. Ik vind het gedicht begrijpelijk , omdat iedereen op zoek is naar perfectie, dus waarom niet een perfect gedicht?

3. Ik vind het gedicht onherkenbaar, omdat het mij in ieder geval meer lijkt op een uiting van liefde voor een vrouw, niet om een gedicht. Dus bij mij is het niet helemaal overtuigd.

4. Ik vind het gedicht niet leerzaam, omdat dit gedicht mij niets bijzonders heeft geleerd. Ik ben er niet iets meer over geweten gekomen of iets dergelijks.

5. Ik vind het gedicht vlot verteld, omdat mij dus steeds niet duidelijk is, wat precies het thema is. Als er iets meer informatie erover zou zijn, zou het denk ik duidelijker geweest zijn.



Gedicht 4: Ik tracht op poëtische wijze van Lucebert uit Apocrief. De Bezige Bij, Amsterdam
1. ik tracht op poëtische wijze
2. dat wil zeggen
3. eenvouds verlichte waters
4. de ruimte van het volledig leven
5. tot uitdrukking te brengen

6. ware ik geen mens geweest
7. gelijk aan menigte mensen
8. maar ware ik die ik was
9. de stenen of vloeibare engel
10. geboorte en ontbinding hadden mij niet aangeraakt
11. de weg van verlatenheid naar gemeenschap
12. de stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg
13. zou niet zo bevuild zijn
14. als dat nu te zien is aan mijn gedichten
15. die momentopnamen zijn van die weg

16. in deze tijd heeft wat men altijd noemde
17. schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
18. zij troost niet meer de mensen
19. zij troost de larven de reptielen de ratten
20. maar de mens verschrikt zij
21. en treft hem met het besef
22. een broodkruimel te zijn op de rok van het universum

23. niet meer alleen het kwade
24. de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig
25. maar ook het goede
26. de omarming laat ons wanhopig aan de ruimte
27. morrelen

28. ik heb daarom de taal
29. in haar schoonheid opgezocht
30. hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
31. dan de spraakgebreken van de schaduw
32. dan die van het oorverdovend zonlicht


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw : 5 strofen van ongelijke omvang. Lengte van de regels is niet hetzelfde.

2. Rijm: Er zit in dit gedicht geen rijm.

3. Metrum: Er zit in dit gedicht geen metrum, [ Lucebert behoort tot de groep van de 50’ers. Dit is de experimentele periode. Zij willen juist breken met de regels van het metrum, strofe en rijm. Ze gaan tegen de principes in van een gedicht.]

4. Beeldspraak :
- Aliteratie
* Regel 17: Schoonheid Schoonheid

5. Stijlfiguren :
- climax
* Regel 11: de weg van verlatenheid naar gemeenschap
- opsomming en herhaling
* Regel 12: De stenen stenen dieren dieren vogels vogels
-opsomming en metafoor
* regel 19: Zij troost de larven de reptielen de ratten  de mensen die dat ideaal geweldig vinden.
-herhaling
* regel 17: Schoonheid schoonheid
- Synesthesie
* Regel 31 en 32: Combinatie van 2 zintuiglijke uitdrukkingen; Dan de spraakgebreken van de schaduw, Dan die van het oorverdovend zonlicht.
-tegenstelling
* Regel 24: Opstandig of deemoedig ( onderdanig )


B. De inhoud van het gedicht
1. Verklaar het gedicht woordelijk
Strofe 1:
k tracht op poëtische wijze
dat wil zeggen
eenvouds verlichte waters
de ruimte van het volledig leven
tot uitdrukking te brengen

 De dichter wilt het volledige leven beschrijven, Hij beperkt zich niet tot kunst. Hij wil dit leven beschrijven op poëtische wijze. Op een zeer heldere, doorzichtige, transparante, simpele, eenvoudige wijze. Dit is Arspoëtica  de zijne, zijn poëzie.

Strofe 2:
ware ik geen mens geweest
gelijk aan menigte mensen
maar ware ik die ik was
de stenen of vloeibare engel
geboorte en ontbinding hadden mij niet aangeraakt
de weg van verlatenheid naar gemeenschap
de stenen stenen dieren dieren vogels vogels weg
zou niet zo bevuild zijn
als dat nu te zien is aan mijn gedichten
die momentopnamen zijn van die weg

 Zijn probleem is; hij probeert het wel, maar hij is ook maar en mens met beperkingen. Een engel is van een hoger niveau, als hij dat was, had hij zelf geen last gehad met geboorte en ontbinding.  [redenering: Dit zou zijn levensweg wel kunnen zijn]  Er zit in de opsomming een steeds hogere ontwikkeling in. Hij beschrijft zijn eigen ontwikkeling hier als dichter. Het is negatief.

Strofe 3:
In deze tijd heeft wat men altijd noemde
schoonheid schoonheid haar gezicht verbrand
zij troost niet meer de mensen
zij troost de larven de reptielen de ratten
maar de mens verschrikt zij
en treft hem met het besef
een broodkruimel te zijn op de rok van het universum

 De schoonheid heeft afgedaan, dit is tegen de schoonheid van de 80’ers. Die schoonheid heeft geen zin meer, deze troost slechts de mensen met een lager niveau [ larven, reptielen, ratten ]. Dit zijn de 80’er en hun aanhang. Wij zij niet god, we zijn slechts mensen. Een klein stipje op de wereld, een broodkruimel van het universum.

Strofe 4:
niet meer alleen het kwade
de doodsteek maakt ons opstandig of deemoedig
maar ook het goede
de omarming laat ons wanhopig aan de ruimte
morrelen

 We waren niet geholpen, er is totale wanhoop. Er is nu geen verschil meer tussen goed en kwaad. Het stelt allemaal niet zoveel meer voor. Er is wanhoop in de ruimte, niks lukt meer.

Strofe 5:
ik heb daarom de taal
in haar schoonheid opgezocht
hoorde daar dat zij niet meer menselijks had
dan de spraakgebreken van de schaduw
dan die van het oorverdovend zonlicht

 de 80’ers hadden het over de schoonheid. Hij heeft de schoonheid opgezocht in de taal. De schoonheid stelt nu niks meer voor. Het heeft niks menselijk meer.

2. De dichter vertelt over de traditionele manier van het schrijven van een gedicht. Alles is eraan veranderd. Van metrum tot rijm. De schoonheid van een gedicht is er niet meer door alle regels van de 80’ers. De dichter zet zich hier tegenop.

3. Thema
Het traditionele schoonheid heeft afgedaan.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht indrukwekkend, omdat de dichter dit gedicht durft uit te geven. Hij durft voor zijn mening op te komen, en daar gaat het om!

2. Ik vind het gedicht duidelijk, omdat zelfs zonder dat de docent het gedicht het uitlegde, ik wel snapte waar het over ging.

3. Ik vind het gedicht niet origineel, omdat dit alweer gaat over een gedicht. Het gaat dan wel om een andere periode, maar het gaat uiteindelijk toch weer over het schrijven van het gedicht.

4. Ik vind het gedicht vol sfeer, omdat je je helemaal kunt inleven in het gedicht, waarom de dichter zich wil afwenden van de traditionele wijze van het maken van een gedicht

5. Ik vind het gedicht onwerkeljk, omdat ik niet begrijp waarom iemand bezwaar zou moeten hebben met de traditionele wijze. Ik heb er niks op tegen, maar ik zou er zelf niet zo’n groot probleem ervan maken. 



Gedicht 5: Ik ben een Godin ’t diepst van mijn gedachten door Willem kloos
1.Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
2.En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
3.Over mij zelf en 't al, naar rijksgeboôn
4.Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

5.En als een heir van donkerwilde machten
6.Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
7.Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon:
8.Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

9.En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
10.Úw overdierb're leên den arm te slaan,
11.En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

12.En trots en kalme glorie te vergaan
13.Op úwe lippen in een wilden vloed
14.Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw : Dit is een sonet, In een sonet zit een ommekeer. Deze zit na de tweede strofe. 4,4,3,3

2. Rijm: Omarmend rijm

3. Metrum: Jambe. Er zit hier ook Elisie in en enjambement
- Elisie
* Regel 1, 2, 3, 7, 8 ; in/voor/en ’t
* Regel 2; binnenst
* Regel 3; rijksgeboôn
* Regel 6; gevloôn
* Regel 7; heldre
* Regel 9; eindloos
* Regel 10; overdierbre leên
-Enjambement
* van regel 9 naar 10
* van regel 2 naar 3

4. Beeldspraak :
-vergelijking zonder als
* Regel 1; ik en God.

5. Stijlfiguren :
-herhaling
* Regel 8 van 1; Ik ben een God in ’t diepst van mijn gedachten
-metafoor
* Regel 5; Heir is massa.


B. De inhoud van het gedicht.
1. Verklaar het gedicht verwoordelijk
Strofe 1:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten,
En zit in 't binnenst van mijn ziel ten troon
Over mij zelf en 't al, naar rijksgeboôn
Van eigen strijd en zege, uit eigen krachten.

 Hij beschrijft zichzelf als een machtig man, een machtige god. Hij heeft niemand nodig, hij is onafhankelijk en ontastbaar. In de strijd met eigen krachten.

Strofe 2:
En als een heir van donkerwilde machten
Joelt aan mij op en valt terug, gevloôn
Voor 't heffen van mijn hand en heldere kroon:
Ik ben een God in 't diepst van mijn gedachten.

 Hij heeft veel machten zoveel als de massa/ de leger. Niemand kan hem raken, want die zal slechts terugvallen of vluchten. Alleen het heffen van zijn hand is al genoeg. Hij heeft zoveel macht. Zoveel macht als een god

Strofe 3:
En tóch, zo eindloos smacht ik soms om rond
Úw overdierb're leên den arm te slaan,
En, luid uitsnikkende, met al mijn gloed

 Hier is de ommekeer, de dichter praat hier over beperkte, zelfstandige man. Ook al denkt hij dat hij een God is in ’t diepst van zijn gedachten, hij smacht toch soms rond als een beperkte mens.

Strofe 4:
En trots en kalme glorie te vergaan
Op úwe lippen in een wilden vloed
Van kussen, waar 'k niet langer woorden vond.

 Hij beschrijft hier 2 kanten van zichzelf. Hij kon niet langer de woorden vinden.
De “u” in dit gedicht is zijn geliefde. Kunst is het maken van mooie dingen. Het kan U zijn als in geliefde, maar ook als schoonheid te omarmen.

2. De dichter wil het verschil tussen de onbeperkte god en de beperkte mens op aarde benadrukken en zijn mening erover uiten.

3. Thema: De tegenstelling tussen de ontastbare machtige God en de zelfstandige beperkte man.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht saai, omdat ik vind dat dit gedicht eigenlijk nergens om gaat. Hij zit zichzelf te vergelijken met god. Hoe kan je dat vergelijken?!

2. Ik vind het gedicht niet leerzaam, omdat ik er niks over heb geleerd, het heeft niet eens een indruk op mij achtergelaten.

3. Ik vind het gedicht ongeloofwaardig, omdat ik het me niet kan voorstellen dat iemand serieus nadenkt om een mens met een god te vergelijken. Ik kan gewoonweg niet geloven dat iemand zich een god voel binnenin.

4. Ik vind het gedicht samenhangend, omdat dit gedicht toch eerst te maken heeft met zijn gevoel als god en dan zijn gevoel als mens. Hier kan niks aan veranderd worden.

5. Ik vind het gedicht sfeerloos, omdat het gedicht een indruk hoort achter te laten, maar bij mij is er niks nagelaten.



Gedicht 6: Changement de decor door Ellen Warmond, uit gedichtenalbum de Proeftuin 1953
1. Zodra de dag als een dreigbrief
2. in mijn kamer wordt geschoven,
3. worden de rode zegels van de droom
4. door snelle messen zonlicht gebroken.

5. Huizen slaan traag hun bittere ogen op
6. en sterren vallen doodsbleek uit hun banen.

7. Terwijl de zwijgende schildwachten,
8. nachtdroom en dagdroom, haastig
9. elkaar hun plaatsen afstaan,
10. legt het vuurpeloton van de twaalf
11. nieuwe uren bedaard op mij aan.


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw: 3 strofen met
de eerste strofe een kwatrijn,
de tweede strofe een distichon,
de derde strofe een kwintet.

2. Rijm: Er is sprake van gebroken rijm, door het hele gedicht heen.

3. Metrum: Jambe.

4. Beeldspraak :
- Antithese
* Regel 8: nachtdroom en dagdroom
- Enjambement en Eufemisme
* Regel 1o: Legt het vuurpeloton van de twaalf nieuwe uren bedaard op mij aan.
- Alliteratie
Regel 1: Dag – Dreigbrief

5. Stijlfiguren :
- Vergelijking
* Regel 1: Zodra de dag als een dreigbrief
- Metafoor
* Regel 3: De rode zegels van de droom
* Regel 4: Door snelle messen zonlicht
* Regel 10: het vuurpeloton van de twaalf nieuwe uren
-Personificatie
* Regel 5: Huizen slaan traag hun bittere ogen op
* Regel 6: Doodsbleek
- Vergelijking zonder als
* Regel 7 en 8: De zwijgende schildwachten, nachtdroom en dagdroom’
- Synesthesie
* Regel 5: bittere ogen


B. De Inhoud van het gedicht
De zinnen hier hebben overeenkomsten.
1. Zodra de dag als een dreigbrief
2. in mijn kamer wordt geschoven,

10. legt het vuurpeloton van de twaalf
11. nieuwe uren bedaard op mij aan.

 Zinnen 1 en 2 met zinnen 10 en 11 :
- Dreigbrief en Vuurpeloton zijn beide bedreigingen.
- De dag en de twaalf nieuwe uren
- in mijn kamer en op mij aan
- bedaard en geschoven

3. worden de rode zegels van de droom
4. door snelle messen zonlicht gebroken.

7. Terwijl de zwijgende schildwachten,
8. nachtdroom en dagdroom, haastig
9. elkaar hun plaatsen afstaan,

 Zinnen 3 en 4 met zinnen 7,8 en 9 :
- rode zegels en zwijgende
- snelle ( messen & haastig
- astaan en losgebroken
- rode zegels en schildwacht.  ( “ze beschermen beide iets” )
- droom en nacht – dag en droom

5. Huizen slaan traag hun bittere ogen op
6. en sterren vallen doodsbleek uit hun banen.

 zin 5 en 6 :
“het hart ” van het gedicht. Beschrijft het overgaan van nacht naar dag. Komt overeen met de titel.  changement de decor.
Zin 1 en 2  nieuwe dag.
zin 8: nachtdroom en dagdroom; haastig afstaan want degene die dit schrijft wil niet met de buitenwereld in contact staan.

2. De ik figuur wordt wakker door het zonlicht in zijn/ haar kamer.
Iedereen en alles komt weer tot leven. Er komt een nieuwe dag aan.
Er is weer een afwisseling van nacht naar dag, er komen 12 uren met daglicht aan

3. Thema; De persoon in het gedicht leidt aan levensmoeheid, hij/ zij is depressief en ziet op tegen elke nieuwe dag.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht ontroerend, omdat ik het echt zonde vind, als iemand depressief is. Dit is een serieuze ziekte.

2. Ik vind het gedicht gevoelig, omdat depressiviteit toch een gevoelig onderwerp is. Iemand die levensmoe is, wil dit niet openlijk vertellen natuurlijk.

3. Ik vind het gedicht onherkenbaar, omdat ik zelf niet depressief ben. Ik weet niet hoe het voelt om zo tegen de wereld aan te kijken.

4. Ik vind het gedicht waardevol , omdat dit gedicht iets vertelt over het leven van een persoon die heel anders aankijkt tegen het leven als “normale” mensen. Zij kunnen niet normaal leven zoals de meesten.

5. Ik vind het gedicht origineel, omdat niet iedereen zo’n onderwerp verzint.



Gedicht 7: Het Veer door Martinus Nijhoff
1. Toen de avond viel, maakte Sebastiaan
2. Het koord dat zijn twee polsen om den boom
3. Geboeid hield langzaam los, rukte één voor één
4. De pijlen uit zijn dij, zijn borst, en wierp
5. Hen achter zich in 't gras; ontbindend voorts
6. Den witten lendedoek, wiesch hij zijn wonden
7. Bij een naburig vijvertje en bevrijdde
8. Zijn lichaam van bezoedeling en bloed.

9. Rondziend in 't wijde land, de duinen links,
10. Met westerlicht arbeidend boven zee,
11. De verre stad ter rechter zij, met torens,
12. Rood vuur en viaducten langs de kim,
13. Koos hij het klimmend pad dat langs een dijk
14. De vaart bereikte, en bij dit blanke water,
15. Breed bed van vrede, uit dieperliggend land
16. Opgekneld als een zware scheur, vol gloed,
17. Vol spiegeling, met riet bezoomd, verwijlde
18. Een uur of wat, geleund tegen den muur
19. Van een klein boerenhuis, Sebastiaan.

20. Er voer een veerpont heen en weer. De geest,
21. In 't klimop schuilend, kon, over de haag
22. Van 't morsig erfje waar hij stond, het volk
23. Bij de aanlegplaats zien wachten, wijl het vaartuig
24. Bepakt met passagiers, vee, wagens, fietsen,
25. Een auto soms, dof ronkend, met geknars
26. Van klos en ketting, aangeschoven kwam
27. Uit de gekleurde rust der watervlakte.
28. Dan dreunden paardenhoeven op 't plankier,
29. Op 't grindpad kraakten wielen, de auto, ver reeds,
30. Zoemde in den mist den polder in, er werd
31. Een bel geluid, de brug ging op, en weer,
32. Met de ingescheepten, schoof 't verdubbeld beeld
33. Over den telkens in den waterweerschijn
34. Donkerder avondhemel naar een doel,
35. Een overzijde, reeds door dauw uit zicht.
36. Halfweg tot water hing de damp, en weldra
37. Zag, talmende, Sebastiaan niet meer
38. Dan keer op keer een kleine lamp verdwijnen
39. En weer opdoemen uit de duisternis.

40. Zoo werd het nacht, en de gestorvene
41. Was om de stilte zeer bevreemd. Een hond
42. Die hem niet aangeblaft had, bleef, den kop
43. Op de voorpoten neergestrekt, hem waaksch
44. En met een blik van op den eersten wenk
45. Terstond te volgen, gadeslaan; geen vogel
46. Zwierde meer om den dakrand heen; de kippen,
47. Gehurkt in 't donker hok, hadden sinds kort
48. Hun opgeslokt getok gestaakt. Toen, eensklaps,
49. Viel lamplicht door een raam en in 't vertrek
50. Waarin Sebastiaan naar binnen keek,
51. Zat een man bij de tafel, in blauw hemd,
52.De mouwen opgestroopt, en in zijn vuist
53. Een krant, gekreukt, ongeopend; en een vrouw,
54. Wier blik naar 't venster was gekeerd, lag slap
55. Diep in het witgekalkt vertrek te bed
56. Te zien naar dingen die zij hoorde of zag
57. Maar niet bevatten kon, een trek van pijn
58. Om den vermoeiden mond en van bevreemding.

59. Die stilte was de stilte niet des doods,
60. Het hemelsch licht niet, dat Sebastiaan
61. Toen pijlen hem doorboorden had aanschouwd,
62. De rust niet, het steeds stijgend helderder
63. Gezang niet, welks verbreede eentonigheid
65. Weer stilte wordt, gelijk een zee, gelijk
66. Een korf vol bijen of een bosch bij wind;
67. Die stilte daar was aardsch en warm, was zwanger,
68. Hoop, aanvang, was een ademhaling, even
69. Inhoudend bij de diepste teug, geluk
70. Dat zich een hand voor oogen legt en zwijgt
71. En peinzend zich bezint, een oponthoud
72. Waarin, als in een slaap, het vrije bloed
73. Den dag verzoent en onbelemmerd droomt
74. Van nieuwe dagen dezen dag gelijk;
75. Stilte als een eerste dag, en daarin stond
76. Sebastiaan, de schaduw, zeer bevreemd
77. Dat hij, toen hij nog sterflijk was, zijn hoop
78. Stelde op een heil verhevener dan dit
79. Thuiskomen in een slapend vruchtbegin,
80. Dat hij begeerde naar Gods geest terwijl
81. Gods wonderbaarlijk lichaam in den tijd
82. Hem gansch bewoonde, en dat wie stierf eerst zag
83. Hoe dieper 't bloed is dan de hemel hoog;
84. Dat hij geen zoon had, kwelde hem, dat hij
85. Verzuimd had, vóór hij opsteeg, van zijn jeugd
86. Iets hier te laten, wakend; dat hij thans
87. Uit een onvruchtbaar graf den barren tocht
88. Naar de overzijde aanvaard had, als een blinde,
89.Zon voelend op zijn hand, op goed geluk.

90. Men troost ons, zeggend: Gods barmhartigheid
91. Reikt verder dan zijn wet. Dan kan niet zijn,
92.Dat, toen Sebastiaan's lichaam werd vermist,
93. Een vogel is gezien, rechtstandig, wit,
94. Dien tuin ontstegen, met gestrekten hals
95. Heendrijvend, westwaarts, over duin en zee.
96. Dan hecht ik eer geloof aan het verhaal
97. Dat er dien nacht in 't huis nabij het veer
98. Een kind geboren werd, zoo stralend schoon,
99. Zoo wetend, warm van blik, dat men, hem ziend,
100. Aan blauwe lucht moest denken, melk en vruchten,
101. Aan een zoet landschap waar men baadt en waar
102. Men na het bad naakt inslaapt in het gras


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw: episch gedicht ( een verhaaltje )

2. Rijm:
- Enjambement
Omdat het een episch gedicht is, is in het hele gedicht eigenlijk wel sprake van enjambement. Dit is met een rede gedaan en wel om het laatste woord te beklemtonen. Bijvoorbeeld:
* Regel 1: maakte Sebastiaan … het koord.
* Regel 22: het volk … bij de aanlegplaats zien wachten.
- Klinkerrijm
* Regel 4: de pijlen uit zijn dij

3. Metrum
- Elisie
* Regel 9: in ’t
* Regel 28: op ‘t
* Regel 46: in ‘t

4. Beeldspraak
- Vergelijking zonder als
* Regel 14-15: bij dit blanke water, breed bed van vrede
* Regel 61-62: gelijk een zee, gelijk een korf vol bijen of een bos vol wind
* Regel 84: aanvaarden moest, een blinde
- Vergelijking
* Regel 15-16: land opgekneld als een zware scheur
- Personificatie
* Regel 65-67: geluk dat zich een hand voor ogen legt en zwijgt en peinzend zich bezint
- Alliteratie
* Regel 3: hield langzaam los
* Regel 8: bezoedeling en bloed
* Regel 28: paardenhoeven op t’ plankier

5. Stijlfiguren
- Opsomming
* Regel 24: passagiers, vee, wagens, fietsen,
* Regel 63-64: stilte daar was aards en warm, was zwanger, hoop, aanvang, was een ademhaling


B. De inhoud van het gedicht
1. Verklaar het gedicht woordelijk
Regel 1: Sebastiaan = Romeinse legerofficier, historisch figuur vermoord door geloof. Hij ontwaakt uit zijn dood.
Regel 6: wies = waste.
Regel 6-8: Wast zich schoon.
Regel 8: bezoedeling = vervuilt.
Regel 9-10: Grensgebied, zee, land.
Regel 11-12: Ver Hollands landschap.
Regel 9-12: links en rechts, hij moet een keuze maken.
Regel 12: Kim = de horizon.
Regel 17: verwijlde = verblijven.
Regel 20: veerpont = grens tussen leven en dood.
Regel 20: Geest, Sebastiaan is dus dood.
Regel 32: verdubbeld beeld = weerspiegeling en veerpont.
Regel 40: de gestorvene = Sebastiaan.
Regel 41: bevreemd = Hij ervaart de stilte heel vreemd  zwanger.
Regel 41-42: Een hond die hem niet afblaft = stiltemotief  zwanger.
Regel 43-45: de kippen, bijeengehurkt, hadden hun loos alarm gestaakt = dieren doen raar.|
Regel 48-50: en in zijn vuist een krant, gekreukt, ongeopend = emotie.
Regel 53-55: die zij hoorde en zag maar niet bevatten kon = de vrouw snapt de situatie niet.
Regel 54-55: pijn om de vermoeide mond = zwanger.
Regel 55: bevreemding = de vrouw snapt de situatie niet.
Regel 56: Hij verwachte een hemelse stilte.
Regel 72: de schaduw = de geest
Regel 79: hoe dieper ’t bloed is dan de hemel hoog = dat het leven op aarde veel belangrijker is dan het hemelse leven.  Hij is dood, alles van hem is weg. Hij had leven moeten nalaten.
Regel 82-84: dat hij thans uit een onvruchtbaar graf de barre tocht = geen navolging / Hij heeft het helemaal verkeerd gedaan. Op goed geluk naar de dodenzijde.
Regel 86-87: Men troost ons, zeggend: Gods barmhartigheid reikt verder dan zijn wet = dood is dood  Barmhartigheid van God.
Regel 89-90: vogel werd gezien, rechtstandig, wit, heendrijvend met gestrekte hals naar zee = de geest van Sebastiaan naar het dodenrijk.

Strofe 5: Sebastiaan ervaart het echte leven. De stilte zit helemaal vol met leven en geluk. Het leven = Godsdienst, religie – hemel niet gericht op de aarde. Hij had geen oog voor het leven (hij had zich met het leven hier en nu moeten bemoeien).

2. Sebastiaan, een Romeinse legerofficier, vermoord door zijn geloof is dood gegaan zonder enig nageslacht achter te laten. Verder in het verhaal moet Sebastiaan, als geest, een keuze maken. Hij komt ergens aan en ervaart daar het echte leven; binnenkort wordt er een kindje geboren. Hij weet nu dat hij zijn eigen leven helemaal verkeer heeft geleefd en gaat op goed geluk naar de dodenzijde. Later die nacht zal blijken dat zijn wens uitkomt, er wordt een kindje geboren en wel Sebastiaan.

3. Thema: Het leven op aarde is belangrijker dan het geestelijke leven.


C. Beoordeling van het gedicht
1. Ik vind het gedicht moeilijk, omdat sommige woorden het toch wel mij moeilijk maken om het te begrijpen

2. Ik vind het gedicht gevoelig, omdat je je dan gaat inleven in Sebastiaan, hierdoor voel je zo’n beetje wat hij voelt. En denk je er over na

3. Ik vind het gedicht spannend, omdat wanneer je er eenmaal achter bent wat de essentie van het verhaal is, je door wilt lezen en weten wat er verder gebeurd.

4. Ik vind het gedicht leerzaam , omdat je nu weet dat het leven op aarde belangrijker is dan het geestelijke leven

5. Ik vind het gedicht origineel, omdat niet iedereen zo’n onderwerp verzint.



Gedicht 8: Egidiuslied
1. Egidius waer bestu bleven
2. Mi lanct na di gheselle mijn
3. Du coors die doot du liets mi tleven
4. Dat was gheselscap goet ende fijn
5. Het sceen teen moeste ghestorven sijn

6. Nu bestu in den troon verheven
7. Claerre dan der zonnen scijn
8. Alle vruecht es di ghegheven

9. Egidius waer bestu bleven
10. Mi lanct na di gheselle mijn
11. Du coors die doot du liets mi tleven

12. Nu bidt vor mi ic moet noch sneven
13. Ende in de weerelt liden pijn
14. Verware mijn stede di beneven
15. Ic moet noch zinghen een liedekijn
16. Nochtan moet emmer ghestorven sijn

17. Egidius waer bestu bleven
18. Mi lanct na di gheselle mijn
19. Du coors die doot du liets mi tleven
20. Dat was gheselscap goet ende fijn
21 Het sceen teen moeste ghestorven sijn


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw: Elegie ( een klaaglied ) met 5 strofen.

2. Rijm:
-gebroken rijm
* A,B,A  A,A,B,A,B  A,B,A  A,B,A,B,B  A,B,A

3. Metrum:
Geen metrum.

4. Beeldspraak
- Metafoor
* Regel 13: troon is van de hemel

5.Stijlfiguren
- Herhaling
* Regel 1 t/m 3 met 9 t/m 10 en 17 t/m 19: Egidius, waer bestu bleven? Mi lanct na di, gheselle mijn, Du coors die door, di liets mi tleven.
- tautologie
* Regel 4 : Goed en fijn



B. De inhoud van het gedicht
1. Verklaar het gedicht woordelijk:
Egidiuslied is een klachtlied over een gestorven vriend
Dit is oud- Nederlands, daarom vertaal ik hem even in normaal Nederlands.
Bij andere gedichten in modern Nederlands, doe ik dit niet.

Strofe 1:
Egidius waer bestu bleven
 Egidius, waar ben je gebleven?
Mi lanct na di gheselle mijn
Ik mis je zo, mijn kameraad.
Du coors die doot du liets mi tleven
Jij koos de dood, liet mij het leven.

Egidius vraagt zich af waar zijn vriend/ kameraad naartoe is gegaan. Zijn kameraad is doodgegaan, en hij blijft leven.

Strofe 2:
Dat was gheselscap goet ende fijn
Je vriendschap was er vroeg en laat,
Het sceen teen moeste ghestorven sijn
maar 't moest zo zijn, een van ons gaat.
Nu bestu in den troon verheven
 Nu ben je in 't hemelrijk verheven,
Claerre dan der zonnen scijn
 helderder dan de zonneschijn,
Alle vruecht es di ghegheven
 alle vreugd is jou gegeven.

Nu is zijn kameraad in de hemel, met alle perfectie om zich heen. Hij heeft alle vreugd en geluk. Het moest zo zijn, het was gepland door god dat hij dood moest gaan.

Strofe 3:
herhaling van Strofe 1.

Strofe 4:
Nu bidt vor mi ic moet noch sneven
 Bid nu voor mij, ik ben verweven.
Ende in de weerelt liden pijn
 met deze wereld en zijn kwaad.
Verware mijn stede di beneven
 Bewaar mijn plaats naast jou nog even,
Ic moet noch zinghen een liedekijn
 ik moet nog zingen, in de maat,
Nochtan moet emmer ghestorven sijn
 tot de dood, die elk te wachten staat.

Hij vraagt zijn kameraad om een plekje te bewaren voor hem in de hemel. Hij blijft dan wel op aarde leven, maar de dood zal hem toch wel vinden. Hij zal moeilijkheden krijgen en de kameraad niet. Hij zal toch zijn best doen, tot de dood.

Strofe 5:
Herhaling van Strofe 1 en 3.

2. Egidius is een elegie / klaaglied en een kunstlied (vanwege een bekende auteur) met emoties als onmacht, gemis, pijn en verlangen. Hij benijdt Egidius om zijn dood en klaagt over het leven dat hem nog rest. Hij vraagt Egidius een plaatsje vrij te houden in de hemel.

3. Thema: Klaag over de dood van zijn kameraad.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht ontroerend, omdat dit gedicht om echte vriendschap gaat, de dichter is ontroerd door de dood van zijn kameraad.

2. Ik vind het gedicht lief, omdat de vriend echt pijn heeft van de dood, en zich ook hierbij uit.

3. Ik vind het gedicht onherkenbaar, omdat ik zelf niet zoiets heb meegemaakt. Niet een van me beste vrienden of familieleden is in mijn leven doodgegaan.

4. Ik vind het gedicht indrukwekkend, omdat dit gedicht mij zal nablijven. Het gaat hier om de beste vriendschappen van de wereld. Een betere vriendschap kan je niet meer wensen.

5. Ik vind het gedicht verassend , omdat ik niet heb verwacht, dat een vriendschap zo sterk kon zijn.



Gedicht 9: Stadgenoot door Jan Elburg uit gedichtenbundel ”De vlag van de werkelijkheid”
1. Hij is het licht vergeten
2. en het gras vergeten
3. en al die kleine levende kevertjes
4. en de smaak van water en het waaien

5. hij is de geur vergeten
6. van het hooi de grijze vacht van de schapen
7. de varens de omgelegde aardkluiten

8. zijn binnen is geen nest zijn buiten
9. geen buiten zijn tuin een vaas

10. hij is ook
11. de bliksem vergeten de rauwe
12. hagel op zijn voorhoofd

13. hij zegt niet: graan meel brood
14. hij ziet de vogels niet weggaan
15. en de sneeuw niet komen

16. hij zal bang en verongelijkt doodgaan


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw: 5 Strofen.

2. Rijm: Gemengd rijm.
Zinnen 1 en 2 zijn rijkrijm,
Zinnen 7 en 8 zijn volrijm
Zinnen 10, 12 en 13 zijn halfrijm
Zinnen 14 en 15 zijn rijkrijm.

3. Metrum: Jambe

4. Beeldspraak
- Vergelijking
* Regel 9: Zijn tuin is als een vaas
- Enjambement
* Regel 5 en 6: Hij is de geur vergeten van het hooi de grijze vacht van de schapen
* Regel 8 en 9: Zijn binnen is geen nest zijn buiten geen buiten zijn tuin een vaas
* Regel 10 en 11: Ook de bliksem
* Regel 11 en 12: Rauwe hagel
*Regel 14 en 15: Hij ziet de vogels niet weggaan en de sneeuw niet komen

5. Stijlfiguren
- Opsomming
* heel strofe 1
* heel strofe 2
* strofe 4
-Alliteratie
* Regel 3: Kleine kevertjes en water waaien
* Regel 6 en 7: vacht en varens
* Regel 8: Binnen en Buiten
- Pleonasme
* Regel 3: kleine kevertjes
-Tegenstelling
* Regel 8: binnen en buiten
* Regel 14 en 15: weggaan en komen
-Assonatie
* Regel 8: binnen en buiten


B. De inhoud van het gedicht
1. Verklaar het gedicht woordelijk:
Strofe 1:
Hij is het licht vergeten
en het gras vergeten
en al die kleine levende kevertjes
en de smaak van water en het waaien

 Hij is de natuur vergeten, omdat hij in de stad is gaan wonen

Strofe 2:
hij is de geur vergeten
van het hooi de grijze vacht van de schapen
de varens de omgelegde aardkluiten

 hij is het platteland ook al vergeten

Strofe 3:
zijn binnen is geen nest zijn buiten
geen buiten zijn tuin een vaas

 Dit is de kern van het gedicht, Eerst 7 regels en dan 2 regels ( kern ) dan weer 7 regels.
Het nest is een soort “thuis”. Hij heeft ook geen “binnen” meer. Hij heeft geen buiten, geen tuin. Zijn vaas = zijn tuin.

Strofe 4:
hij is ook
de bliksem vergeten de rauwe
hagel op zijn voorhoofd

Hij vraagt zijn kameraad om een plekje te bewaren voor hem in de hemel. Hij blijft dan wel op aarde leven, maar de dood zal hem toch wel vinden. Hij zal moeilijkheden krijgen en de kameraad niet. Hij zal toch zijn best doen, tot de dood.

Strofe 5:
hij zegt niet: graan meel brood
hij ziet de vogels niet weggaan
en de sneeuw niet komen

 Hij kent de herkomst van brood niet meer, hij koopt brood gewoon om de winkel.
Hij ziet de wisseling van seizoenen niet meer.

Zin 6:
Hij zal bang en verongelukt doodgaan

 Doodgaan hoort bij de natuur, het is een natuurlijk verschijnsel, hij is bang voor de dood. Verongelijkt  hij is het er niet mee eens, dat hij ooit dood moet.

2. De stadsmens is vervreemd van de natuur, hij weet niet meer hoe helder en verblindend het licht in het open veld kan zijn, hoe het gras ruikt, vooral als het gemaaid is, hoe de regen op je lippen smaakt (in de stad kun je altijd schuilen of je neemt de auto bij regen), hoe het is om tegen de wind in te worstelen. Hij weet niet hoe hooi ruikt, en de vacht van de geschoren schapen, hoe varens ruiken, hoe de omgeploegde grond een speciale geur verspreidt. Wie na een tocht door de open lucht door regen en wind thuiskomt, kan genieten dat hij weer binnen is. Dit mist de stadsmens: hij is nooit echt buiten. Zijn tuin is zo klein dat hij moet kiezen tussen een boom en een zithoek, of hij heeft helemaal geen tuin en moet het doen met een vaas. In de stad hoef je 's nachts niet op te staan bij onweer, de bliksem is niet bedreigend in de stad. Als het hagelt, blijf je binnen.

3. Thema: verloren contact met de natuur


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht kinderachtig, omdat dit gedicht om de natuur gaat. Als je bent vergeten hoe het ook alweer was, ga je je deur uit en je ziet het al.

2. Ik vind het gedicht saai, omdat ik me niet interesseer voor de natuur.

3. Ik vind het gedicht onherkenbaar, omdat ik niet de natuur zo erg zou missen dat ik er een gedicht over zou gaan schrijven, het is niet eens moeilijk om in contact te zijn met de natuur.

4. Ik vind het gedicht slaapverwekkend, omdat ik het echt nergens op vind slaan. Ik vind zulke gedichten onbelangrijk.

5. Ik vind het gedicht goed doorlopend, omdat het niet van de hak op de tak gaat, het verhaal gaat gewoon over één onderwerp.



Gedicht 10: Wanneer de Vorst des lichts door P.C.Hooft uit: Hooft. Essays over P.C. Hooft, 1981.
1. Wanneer de Vorst des lichts slaat aan de gulden tómen
2. Zijn hand, en beurt omhoog aanzienlijk uiter zee
3. Zijn uitgespreide pruik van levend goud, waarmee
4. Hij nare angstvalligheid, en vaak, en creple drómen

5. Van 's mensen lichaam strijkt, en berg, en bos, en bómen
6. En steden volkrijk, en velden met het vee
7. In duisternis verdwaald, ons levert op haar stee,
8. Verheugt hij, met de dag, het Aardrijk en de stromen:

9. Maar d'andre sterren als naijvrig van zijn licht,
10. Begraaft hij, met zijn glans, in duisternissen dicht,
11. En van d'ontelbre schaar, mag 't niemand bij hem houwen.

12. Al eveneens, wanneer uw geest de mijne roert,
13. Word ik gewaar dat gij in 't heilig aanschijn voert
14. Voor mij de dag, mijn Zon, de nacht voor d'andere vrouwen.


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw: Het is een Sonnet met 4 strofen, er is een ommekeer na de derde strofe.

2. Rijm: omarmend rijm en eindrijm

3. Metrum: Jambe met elisie.
* Regel 4: Kreup’le
* Regel 5: ‘s mensen
* Regel 9: d’andre
* Regel 9: naijv’rig
* Regel 11: ontelb’re
* Regel 11 en 13: ‘t
* Regel 14: And’re

4. Beeldspraak
- Enjambement
* Regel 1: slaat aan de gulden tomen … zijn hand
* Regel 3: waarmee … hij nare angstvalligheid
* Regel 5: en bomen, … en steden vollekrijk
- Metafoor
* Regel 1: de Vorst des lichts

5. Stijlfiguren
-Alliteratie
* Regel 5: en berg, en bos, en bomen.
* Regel 6: en velden met het vee.
- Opsomming
* Regel 4: nare angstvalligheid, en vaak, en kreup’le dromen.
* Regel 5: Van’s mensen lichaam strijkt, en berg, en bos, en bomen.
* Regel 6: En steden vollekrijk, en velden met het vee.


B. De inhoud van het gedicht
1. Verklaar het gedicht woordelijk:
Strofe 1:
Wanneer de Vorst des lichts slaat aan de gulden tómen
Zijn hand, en beurt omhoog aanzienlijk uiter zee
Zijn uitgespreide pruik van levend goud, waarmee
Hij nare angstvalligheid, en vaak, en creple drómen

 Als de Zonnegod slaat met zijn gulden teugels
Komt zijn hand, schitterend omhoog uit de zee
Zijn uitgespreide haardos van levend goud, waarmee
Hij nare angst, en slaap, en onware dromen
Vorst des lichts - Zonnegod (op een wagen rijdend)
aanzienlijk - schitterend
pruik - haardos
vaak - slaperigheid
creple drómen - dromen die mank gaan

Strofe 2:
Van 's mensen lichaam strijkt, en berg, en bos, en bómen
En steden volkrijk, en velden met het vee
In duisternis verdwaald, ons levert op haar stee,
Verheugt hij, met de dag, het Aardrijk en de stromen:

 Van mensen hun lichaam wegstrijkt, en berg, en bos, en bomen
En steden vol mensen, en velden met het vee
In duisternis verdwaald, op hun plaats terug brengt
Verheugt hij, met de dag, de Aarde en de rivieren
strijkt - wegvaagt
levert op haar stee - op hun oude plek teruggeeft

Strofe 3:
Maar d'andre sterren als naijvrig van zijn licht,
Begraaft hij, met zijn glans, in duisternissen dicht,
En van d'ontelbre schaar, mag 't niemand bij hem houwen.

 Maar de andere sterren die jaloers zijn op zijn licht,
Begraaft hij, met zijn glans, in duisternissen dicht,
En van de ontelbaar grote menigte, kan niemand het bij hem uithouden
als naijvrig van zijn licht - alsof hij geen mededingers duldt voor zijn licht
mag 't niemand bij hem houwen - kan niemand het naast hem uithouden

Strofe 4:
Al eveneens, wanneer uw geest de mijne roert,
Word ik gewaar dat gij in 't heilig aanschijn voert
Voor mij de dag, mijn Zon, de nacht voor d'andere vrouwen.

Maar toch, wanneer uw geest de mijne roert,
Besef ik me dat u het heilige te voorschijn brengt
Voor mij de dag, mijn Zon, de nacht voor de andere vrouwen.

2. De zon komt op uit de zee, waarmee hij mensen wakker maakt en verlost van hun angsten. De zon maakt langzamerhand alles weer zichtbaar. Hij begraaft alle andere sterren. Met andere woorden, niemand kan tippen aan zijn vrouw.

3. Thema: De andere vrouwen vallen in het niets bij zijn vrouw. Alleen al het denken aan haar is denken aan de zon vergeleken met de sterren.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht ontroerend, omdat dit gedicht om echte liefde gaat, deze man denkt alleen maar aan zijn vrouw.

2. Ik vind het gedicht lief, omdat de twee geliefden zoveel om elkaar geven. Het gedicht zegt zoveel over de liefde van die twee, maar ook over liefde in het algemeen.

3. Ik vind het gedicht verassend, omdat ik zelf niet zoiets zou voelen voor iemand. Mijn geliefde dan vergelijken met de zon vergelen met de sterren.

4. Ik vind het gedicht opgewekt, omdat je meteen erover gaat nadenken, en er niet bij leest en er niks aan vindt.

5. Ik vind het gedicht leerzaam, omdat je er over gaat nadenken, en je leert over wat echte liefde nu werkelijk is.



Gedicht 11: Awater door Nijhoff uit gedichtenalbum ”nieuwe gedichten”
Wees hier aanwezig, allereerste geest,
die over wateren van aanvang zweeft.
Uw goede oog moet zich dit werk toe keren,
het is gelijk de wereld woest en leeg.
Het wil niet, als geheel een vorige eeuw,
puinhopen zien en zingen van mooi weer,
want zingen is slechts hartstocht van een zweer
en nimmer is, wat ook, ooit puin geweest.
Een eerste steen ligt nauwelijks terneer.
Elk woord vernieuwt de stilte die het breekt.
Al wat geschiedt geschiedt nog voor het eerst.
Geprezen! Noach bouwt, maar geen ark meer,
En Jonas preekt, maar niet te Ninive.

Ik heb een man gezien. Hij heeft geen naam.
Geef hem ons aller vóórnaam bij elkaar.
Hij is de zoon van een vrouw en een vader.
Zodra de rode zon is opgegaan
gaat hij de stad in. Hij komt langs mijn raam.
De avond blauwt, hij komt er weer vandaan.
Hij werkt op een kantoor, heet daar Awater.
Zie hem. Hij is bekleed met kemelhaar
geregen door een naald. Zijn lijf is mager
gespijsd met wilde honing en sprinkhanen.
Niemand heeft ooit hetgeen hij roept verstaan.
Het is woestijn waar hij gebaren maakt.
Hij heeft iets van een monnik, een soldaat,
maar er wordt niet gebeden, niet geblazen,
wanneer men op kantoor het boek opslaat.
Men zit als in een tempel aan een tafel.
Men schrijft Arabisch schrift met Italiaans.
In cijfers, dwarrelend als as omlaag,
rijzen kolommen van orakeltaal.
Het wordt stil, het wordt warmer in de zaal.
Steeds zilter waait dun ratelend metaal.
De schrijfmachine mijmert gekkepraat.
Lees maar, er staat niet wat er staat. Er staat:
"o moeder, zult gij ooit een bontjas dragen?
gaan nu de rozen naar het hospitaal?"
Awater is clean-shaven van gelaat.
Hoe laat is het? Awater's hoofd voelt zwaar.
De telefoon slaapt op de lessenaar.
De theekopjes worden teruggehaald.
De klok tikt, tikt, slaat, tikt tot half-zes slaat.
De groene lampen worden uitgedraaid.

Vandaag, toen ik voor 't raam de bloemen goot,
is het voornemen in mij opgekomen
Awater te gaan halen van kantoor.
Ik heb sinds mijn broer stierf geen reisgenoot.
Als men een vriend zoekt, is het doodgewoon
dat men eerst ziet of men bij hem kan horen.
Vanavond volg ik dus Awater's spoor,
ik kijk de kat, zo men zegt, uit de boom,
en morgen, gaat het goed, stel ik mij voor.
Zo sta ik bij de hoge stoep. Ik schroom.
Het slaat half-zes. De tijd wordt eindeloos.
De straat wordt door voorbijgangers doorstroomd.
In elke schaduw wordt een licht ontstoken,
makend, al dwalend, omtrekken in rook.
O broeder in den hemel, wees hier ook.
Bescherm mij, dat mijn schim geen licht vertoont.
Bewaar mij ongezien en ongehoord. --
Opeens Awater. Van een overloop
zie ik hem komen, knipperend met 't oog.
Geen sterveling, geen stad, geen avondrood
bestaat voor hem. Hij komt gesneld van boven,
zandstenen trappen af langs slangen koper.
Hij ziet, schijnt het, een horizon, een zoom
waaruit ononderbroken weerlicht gloort.
Het is alsof hij hoort waarvan hij droomt
en de plek ziet waar hij te vinden hoopt,
zo snelt hij langs me, en ik voel mij doorboord.
Hij loopt haastig de vestibule door.
Hij hangt een sleutel op het sleuterboord.
Een droge distel doet zich aan hem voor,
hij grijpt zijn stok, hij wandelt fluitend voort.
Hij dekt zich, ik echter ontbloot het hoofd:
Wees hier, nogmaals, gij die op hoogten woont
zo onbewoonbaar als Calvario.

De straten zijn met asfalt geplaveid.
Ik merk dat de echo, die mij uitgeleide
deed door de hall met tegels, buiten zwijgt.
De stad verleent de voet geluidloosheid.
Een rij auto's glijdt karavaansgewijs
met zacht gekraak van leer aan ons voorbij.
Awater is mij reeds vooruitgeijld.
Ja, ja, 't schijnt waar te zijn, hij wil op reis.
Hij staat stil voor het modemagazijn.
Ik zie dat hij naar een gezelschap kijkt
van poppen die met plaids en verrekijkers
legeren aan de oever van de Nijl
gelijk uit pyramide en palmboom blijkt.
O Awater, ik weet waarvan gij peinst,
iets verder, bij de plaat der scheepvaartlijn
waarop een Bedouïn in de woestijn
een schip begroet dat over zee verschijnt,
en, weer iets verder, bij het bankpaleis
waar "vreemd geld" genoteerd staat in de lijst.
Zo gaan wij samen langs de winkelschijnsels.
Eensklaps is hij verdwenen in een zijstraat.
Een deurbel klinkt. Daar moet hij binnen zijn.
Er staat geschreven: scheren en haarsnijden.
Het klein vertrek met kasten aan weerszij
lijkt door de sterke geur van allerlei
parfumerie-artikelen nog kleiner.
Awater -- ik moet zeggen, ik ben blij
dat ik hem zie, ik was hem bijna kwijt, --
zit in een mantel van gesteven lijnwaad
voor de wastafel van wit porcelein.
De kapper doet zijn werk, en ik zet mij
als wie zijn beurt wacht, op een stoel terzijde.
Nooit zag ik Awater zo van nabij
als thans, via de spiegel; nooit scheen hij
zo nimmer te bereiken tegelijk.
Tussen de flessen, glinsterend verbrijzeld,
verrijst hij in de spiegel als een ijsberg
waarlangs de gladde schaar zijn snavel strijkt.
Maar het wordt lente, en terwijl wijd en zijd
de damp hangt van een bui die overdrijft
ploegt door het woelend haar de kam de scheiding.
Dan neemt Awater van de kapper afscheid
en ik volg hem op straat, werktuigelijk.

Het toeval neemt een binnenweg naar 't doel.
Moest het, dat Awater belanden moest
in het café waar ik kwam met mijn broer?
Het moest, en hij zit zelfs in onze hoek.
Ik zet mij ergens anders. Plaats genoeg.
De kelner kent me. Hij weet wat ik voel.
Hij heeft mijn tafeltje al tweemaal gepoetst.
Hij blijft, met in zijn hand de witte doek,
geruime tijd staan zwijgen naast mijn stoel.
"De tijden" zegt hij "zijn niet meer als vroeger."
Ik weet dat hij ook aan mijn broer denkt, hoe
met zijn hond aan de ketting en zijn hoed
iets achterover op, hij binnenwoei
en 't heele zaaltje vulde met rumoer.
Hier ligt hetzelfde zand nog op de vloer,
dezelfde duif koert in zijn kooi als toen.
Oei, zei de wind, voort, voort! Zo is het goed.
Wie is dat? zeg ik daar 'k iets zeggen moet.
En hij, wetend terstond op wien ik doel:
"Iemand die voor het eerst de zaak bezoekt."
Dan trekt hij van 't buffet het hekje toe.
In 't water worden glazen omgespoeld. --
Wat is 't dat in zijn zak Awater zoekt?
Het is een boekje van marocco groen.
Het is een schaakspel nu hij 't opendoet.
Awater's ogen kijken koel en stroef.
Zijn hand, op tafel trommelend, schenkt moed
aan het visioen dat door zijn voorhoofd woelt.
Een sneeuwvlok dwarrelt tussen droppen bloed.
Het spel wordt tot een nieuw figuur gevoegd.
Zijn glas, vóór hem, beslaat onaangeroerd.
De cigaret die in de asbak gloeit
maakt een stokroos die langs 't plafond ontbloeit.
Hij zit volstrekt alleen en ongemoeid.
Hij heeft wat een planeet heeft en een bloem,
een innerlijke vaart die diep vervoert.
Nu drinkt hij het glas leeg en sluit het boek.
Hij krijgt, nu hij stil voor zich kijkt, iets droevigs.
Hij kijkt mijn kant uit, zodat ik vermoed
dat hij mij roept als hij de kelner roept.
Maar neen, hij rekent af, ik ook, en spoedig
gaan wij weer samen door het straatgewoel.

Elektrisch licht dat langs de gevel schiet
schrijft ieder ogenblik de naam opnieuw
van 't restaurant, en een dubbele file
mensen gaat in en uit langs de portier
die de toegang van draaiend glas bedient.
Terwijl wij binnentreden klinkt muziek.
Awater blijkt bekendheid te genieten.
Waar hij langs komt wordt naar hem omgezien.
"Wat?" zegt iemand "kent u Awater niet?
Ik meen, hij is accountant of zoo iets.
Ik ken hem, maar ik ken hem niet intiem.
Sommigen zeggen, 's avonds leest hij Grieks,
maar anderen beweren het is Iers." --
Er is intussen iets zeer vreemds geschied.
Een heer die zich op 't podium verhief
zegt dat hij Awater zijn plaats aanbiedt.
"Ik spreek" zegt hij "uit naam van allen hier.
Wij hebben tussen ons een groot artiest."
Awater, met gebaren naar 't servies,
wil zeggen dat hij van de eer afziet
en liever had dat men hem eten liet.
In de biljardzaal staakt men een serie.
Het wordt doodstil. Boven schaart men nieuwsgierig
zich langs de balustrade der verdieping.
Het schroefblad van de ventilator wiekt.
Dan staat Awater op en zingt zijn lied:
-- Steeds troostte ze, steeds heeft zij als ik sliep
mij met haar liefelijke komst bezield,
de aanbedene; thans kwam ze en heeft vernield
de laatste steun die mijn verlies zich schiep.
Zij was, toen 'k haar ontwaren ging, in diep
met schrik vermengd verdriet terneergeknield;
ik hoorde dat zij mij geloof voorhield
maar zonder dat het hoop of vreugde opriep:
"Herinnert ge u dien laatsten avond niet"
sprak ze "toen ik uw tranen heb ontzien
en zonder meer de wereld achterliet?
Ik kon, noch wilde ik, melden u sindsdien
hetgeen ik thans u te verstaan gebied:
niet hopen mij op aarde ooit weer te zien."
Awater zwijgt. Hij verstijft tot graniet.
Men applaudisseert, werpt met serpentines,
Awater, als een pop, als een pop die
te zwaar is voor zijn eigen mechaniek,
waggelt den uitgang toe dwars door 't publiek.
Er wappert nog een smalle strook papier
hem langs de rug. Ik volg hem op de hielen.

Ik zorg -- want het is stil en de straat nauw --
gelijke tred met Awater te houden.
Zo hoort hij niet dat iemand hem bijhoudt.
Mijn bezorgdheden worden menigvoud:
er ligt post thuis, ik heb aan de werkvrouw
nog niet gezegd dat ik op reis gaan zou,
mijn raam staat aan, er brandt vuur in de schouw,
ik heb niets bij me, wat doe ik überhaupt
op reis te gaan. -- De vlieger aan zijn touw
tuimelt en stijgt: telkens slaat mijn benauwdheid
in vaster blijdschap om: wat zou 't, wat zou 't!
Zo voer ik, het hoofd diep gebogen houdend,
met mijzelf het beslissend onderhoud.
De straat wordt breder. Uit bomen druipt dauw.
Recht voor ons uit ligt het stationsgebouw.
Zou men hier middernacht een meeting houden?
't Is stampvol op het plein. Tussen flambouwen
staat op een ruw getimmerte van hout
in haar heils-uniform, een jonge vrouw.
Toeristen met rugzakken op de schouders,
kinderen, vrouwen, arbeiders, hun blauw
werkpak nog aan, staan onder de toeschouwers.
"Wij leven" zegt zij "heel ons leven fout."
Awater, die de pas heeft ingehouden,
kijkt naar mij om als kent hij mij van ouds.
Maar waar? in een tram? in een schouwburgpauze?
zo vraagt de blik waarmee hij mij beschouwt,
terwijl hij -- want het waait -- zijn hoed vasthoudt.
Wind, spelend met haar haar, legt langs de mouw
der heilsoldaat een losse knoop van goud.
"Liefde" zegt zij "wordt nooit vergeefs vertrouwd."
Awater blijft, ik loop door, en zoo gauw
of ik de trein zag die ik halen wou.

De stoker werpt steenkolen op het vuur.
De machinist staat leunend uit te turen.
Buiten de kap, boven de rails-figuren
beginnen de signalen hun prelude.
De klok verspringt van minuut naar minuut.
Weer roept zij, de locomotief; voortdurend
roept zij, roepend dat het te lang reeds duurt.
Haar zuil van zuchten wordt een wolkenkluwen.
Maar denk niet, dat zij zich bekreunt om u,
de Oriënt Express; nog minder deelt ze uw jubel
als gij plaatsnamen ziet in een schriftuur
die de eerste klank is van het avontuur.
Zij kent in haar reisvaardigheid geen rücksicht.
Wat voor hoop gij ook koestert of wegduwt,
nogmaals, het deert haar niet; zelfs voor de illusie
een reisgenoot te hebben is ze immuun.
Dat gij, geheel alleen, u in haar luxe
beklemd voelt, 't raampje neerlaat, en zelfs nu
't perron nog afblikt; of dat gij het puurst
geluk smaakt dat voor het individu
is weggelegd: te weten, 'k werd bestuurd,
't is niet om niet geweest, ik was geen dupe, --
geprezen! -- 't laat haar koud. Zij ziet azuur.
Van schakels is haar klinkende ceintuur.
Zij zingt, zij tilt een knie, door stoom omstuwd.
Zij vertrekt op het voorgeschreven uur.


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw: 8 strofen, elke strofe heeft een verschillend aantal regels. De 1e strofe van het gedicht is de proloog en de 8e strofe is de epiloog. Strofe 2 tot en met 7 wordt het middenstuk genoemd.

2. Rijm: klinkerrijm, alle strofen eindigen met dezelfde klank.

3. Metrum: geen

4. Beeldspraak:
- Personificatie
* Strofe 2: telefoon slaapt
* Strofe 4: stad verleent
- vergelijking
* Strofe 4: verrijst hij in de spiegel als een ijsberg
- Metafoor
* Strofe 4: zijn snavel strijkt

5. Stijlfiguren
- Paradox
* Strofe 4: Nooit zag ik Awater zo van nabij, als thans, via de spiegel; nooit scheen hij zo nimmer te bereiken tegelijk.
De ik-persoon ziet Awater op een paar meter in de spiegel, maar de spiegel is onbereikbaar. Dus hij is dichtbij, maar toch ver weg: spiegelmotief.
-Enjambement
* Strofe 4: lijkt door de sterke geur van allerlei parfumerie-artikelen nog kleiner.
* Strofe 1 en strofe 6: dan wordt het doodstil, dit is een teken dat er iets belangrijks zal gaan gebeuren.


B. De inhoud van het gedicht
1. Verklaar het gedicht woordelijk:
Strofe 1:
 “zweer”: het werk van de Romantiek is maar oppervlakkig werk.
 “Ninive”: preekplaats

Strofe 2:
 “Hij is bekleed met kemelhaar geregen door een naald”: hij is bekleed met kamelenhaar en loop in de woestijn, dit doet denken aan Johannes de doper; aankondiger van de komst van Jezus. “groene lampen worden uitgedraaid”: de werkdag is voorbij.

Strofe 3:
 “In elke schaduw een licht ontstoken”: er wordt een sigaret opgestoken.
“droge distel”: wandelstok

Strofe 4:
 “een mantel van gesteven lijnwaad”: kappersdoek die Awater omkrijgt.
 “en ik volg hem op straat, werktuigelijk”: ik volg hem op straat, automatisch.

Strofe 5:
 “Awater’s ogen kijken koel en stroef”: Awater is hard na aan het denken.
 “Een sneeuwvlok dwarrelt tussen droppen bloed. Het spel wordt tot een nieuw figuur gevoegd”: hij is aan het schaken en zet een zet
“een innerlijke vaart”: uitstraling.

Strofe 6:
 “Awater verstijft tot graniet, hij is als een pop”: Awater is onder de indruk.

Strofe 8:
 “dat zij zich bekreunt om u”: de trein maakt zich geen zorgen om hem, die vertrekt gewoon op zijn tijd.
 “ceintuur”: band van de balken van de trein.
 “zij tilt een knie”: de trein waarvan de balken omhoog gaan als ze vertrekt.
 “trein ziet azuur”: de trein ziet de horizon van de toekomst.
 “zuil van zuchten wordt een wolkenkluwen”: er komt stoom uit de trein.

2. Iemands zoektocht wordt beschreven die na het overlijden van zijn broer op zoek is naar een reisgenoot. Hij denkt die te vinden in de naamloze man die op zijn werk Awater wordt genoemd. De dichter heeft een gevoel van stadse benauwenis én een verlangen naar verre, exotische streken.

3. Thema: Je moet niet in het verleden blijven hangen, maar je richten op de toekomst.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht langdradig, omdat het gedicht veel te lang duurt voordat je op het punt komt wat het eigenlijk wil vertellen.

2. Ik vind het gedicht gemakkelijk, omdat dit in normaal Nederlands is geschreven en niet in oud nederlands.

3. Ik vind het gedicht leerzaam, omdat de boodschap van de dichter een erg leerzame uitdrukking is.

4. Ik vind het gedicht niet indrukwekkend, omdat wanneer ik aan het einde van het gedicht ben, ik gewoonweg al vergeten ben wat er in de eerste of tweede strofe stond.

5. Ik vind het gedicht oninteressant, omdat je zelf er wel over kan nadenken.



Gedicht 12: Bommen van Paul Rodenko (1920-1976) Domweg gelukkig in de Dapperstraat, Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2000-20
1. De stad is stil.
2. De straten
3. hebben zich verbreed.
4. Kangeroes kijken door de venstergaten.
5. Een vrouw passeert.
6. De echo raapt gehaast
7. haar stappen op.

8. De stad is stil.
9. Een kat rolt stijf van het kozijn.
10. Het licht is als een blok verplaatst.
11. Geruisloos vallen drie vier bommen op het plein
12. en drie vier huizen hijsen traag
13. hun rode vlag.


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw: Dit gedicht heeft 2 Strofen

2. Rijm: Geen rijm. Alleen enkele rijmwoorden als plein; kozijn en straten en venstergaten

3. Metrum: Geen

4. Beeldspraak
- Metafoor:
* Regel 1 en 3: de straten hebben zich verbreed
*Regel 4: kangoeroes kijken door de venstergaten

5. Stijlfiguren
- Eufemisme:
* Regel 9: een kat rolt stijf van het kozijn
* Regel 12 en 13: drie vier huizen hijsen traag hun rode vlag
- Personificatie:
* Regel 6: de echo raapt gehaast haar stappen op
* Regel 12: drie vier huizen hijsen traag hun rode vlag
- Beeldspraak:
* Regel 10: het licht is als een blok verplaatst
* Regel 1 en 3: de straten hebben zich verbreed
- Alliteratie
*Regel 8: stad stil straten,
*Regel 11: drie vier drie vier,
- Assonantie
*Regel 9: stijf kozijn


B. De inhoud van het gedicht
1. Verklaar het gedicht woordelijk:
Het is niet duidelijk wie er aan het woord is en er komen ook niet echt specifiek genoemde personen in voor, alleen de mensen met ‘gasmaskers’ en een vrouw die zo snel mogelijk weg wil van buiten.

Het speelt zich af in een straat in oorlogstijd, de stad wordt gebombardeerd vanuit de lucht.

Het gevoel van angst wordt weergegeven, de impressie dat je midden in de oorlog zit.

Het gedicht wordt opgebouwd: je krijgt eerst een plaatje van een stad in volledige stilte, de straten zijn helemaal leeg, er lopen enkel nog een paar mensen met gasmaskers (althans dat denk ik afgeleid van het woord kangoeroes) een vrouw loopt snel (de echo raapt gehaast haar stappen op) en daarna gaat het snel; een kat valt dood neer (rolt stijf van het kozijn) en het lijkt alsof het licht als een blok is verplaatst en dan vallen er 3 4 bommen (het wordt zo beschreven alsof het lijkt dat degene die dit beschrijft zo in angst is dat het lijkt of alles in totale stilte is en dan gebeurt het in eens: de bommen raken de stad) Dan wordt het gedicht weer vertraagd “drie vier huizen hijsen traag hun rode vlag” er zijn huizen in brand gevlogen en met dit decor wordt het gedicht afgesloten.

2. De stad wordt gebombardeerd en de pijn van de mensen worden weergegeven.

3. Thema: Grote angsten voor bombardementen.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht ontroerend, omdat dit gedicht om echte liefde gaat, deze man denkt alleen maar aan zijn vrouw.

2. Ik vind het gedicht lief, omdat de twee geliefden zoveel om elkaar geven. Het gedicht zegt zoveel over de liefde van die twee, maar ook over liefde in het algemeen.

3. Ik vind het gedicht verassend, omdat ik zelf niet zoiets zou voelen voor iemand. Mijn geliefde dan vergelijken met de zon vergelen met de sterren.

4. Ik vind het gedicht opgewekt, omdat je meteen erover gaat nadenken, en er niet bij leest en er niks aan vindt.

5. Ik vind het gedicht leerzaam, omdat je er over gaat nadenken, en je leert over wat echte liefde nu werkelijk is.




Gedicht 13: De Dapperstraat door JC Bloem
1. Natuur is voor tevredenen of legen.
2. En dan: wat is natuur nog in dit land?
3. Een stukje bos, ter grootte van een krant,
4. Een heuvel met wat villaatjes ertegen.

5. Geef mij de grauwe, stedelijke wegen,
6. De’ in kaden vastgeklonken waterkant,
7. De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
8. Door zolderramen, langs de lucht bewegen.

9. Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
10. Het leven houdt zijn wonderen verborgen
11. Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.

12. Dit heb ik bij mijzelven overdacht,
13. Verregend, op een miezerigen morgen,
14. Domweg gelukkig, in de Dapperstraat.


A. De vorm van het gedicht
1. Opbouw: Het gedicht is een sonnet:

eerst een octaaf uit 2 kwatrijnen, daarna komt de wending, en daarna twee terzinen die samen een sextet vormen

2. Rijm: abba, abba, cde, cde. Dus twee keer omarmd rijm, gevolgd door twee keer een blanke vers.

3. Metrum: Jambe

4. Beeldspraak
- Vergelijking
* Regel 3: bos en krant
- Personificatie
* Regel 10: het leven en zijn wonderen

5. Stijlfiguren
-Inversie
* Regel 7: De wolken, nooit zo schoon dan als ze, omrand
* Regel 11: 11. Tot het ze, opeens, toont in hun hogen staat.
* Regel 13: Verregend, op een miezerigen morgen,
- Litotes
* Regel 9: Alles is veel voor wie niet veel verwacht.  niets


B. De inhoud van het gedicht
1. Verklaar het gedicht woordelijk:
De Dapperstraat is een centrale straat in Amsterdam Oost. Hier vindt (onder andere) iedere week markt plaats. De dichter schrijft over de tegenstelling tussen stad en land. In het eerste deel van het gedicht beschrijft hij de natuur. In het tweede de stad. De eerste twee delen vormen dus al die tegenstelling. Daarna komt de chute (de wending) in het gedicht en beschrijft hij hoe gelukkig hij is in de Dapperstraat.

De natuur vindt hij eigenlijk niks. Het stelt allemaal niet zo veel voor, volgens hem. Hij versterkt dit effect door een asyndetische vergelijking: “Een stukje bos ter grootte van een krant”.

Dit alles in tegenstelling tot de stad, waar alles gecontroleerd is. Je ziet de wolken overwaaien, omringt door een zolderraam. De liefde van Bloem voor het stadse leven komt duidelijk naar voren als hij de typische kenmerken van de stad, die vaak als negatief worden gezien of vanzelfsprekend; heel positief beschrijft.

Als laatste komt heel duidelijk zijn liefde voor de stad, en met name de Dapperstraat naar voren. Zomaar op een miezerige morgen is hij zich bewust van zijn geluk.

2. De tegenstelling tussen stad en land is groot. Hierover zijn favoriet voor de Dapperstraat.

3. Thema: De tegenstelling tussen stad en land.


C. beoordeling van het gedicht.
1. Ik vind het gedicht ontroerend, omdat dit gedicht om echte liefde gaat, deze man denkt alleen maar aan zijn vrouw.

2. Ik vind het gedicht lief, omdat de twee geliefden zoveel om elkaar geven. Het gedicht zegt zoveel over de liefde van die twee, maar ook over liefde in het algemeen.

3. Ik vind het gedicht verassend, omdat ik zelf niet zoiets zou voelen voor iemand. Mijn geliefde dan vergelijken met de zon vergelen met de sterren.

4. Ik vind het gedicht opgewekt, omdat je meteen erover gaat nadenken, en er niet bij leest en er niks aan vindt.

5. Ik vind het gedicht leerzaam, omdat je er over gaat nadenken, en je leert over wat echte liefde nu werkelijk is.

Log in op Scholieren.com

Maak een profiel aan of log in om te stemmen.

Geef dit een cijfer

Omdat je geen profiel hebt kan je stem niet aangepast worden.
Maak hier een profiel aan.


Let op

De verslagen op Scholieren.com zijn gemaakt door middelbare scholieren en bedoeld als naslagwerk. Gebruik je hoofd en plagieer niet: je leraar weet ook dat Scholieren.com bestaat.

Heb je een aanvulling op dit verslag? Laat hem hier achter.

voeg reactie toe

Sneller en makkelijker reageren?
Login of maak een profiel aan

9672
 

reacties

 
klopt bij Stadgenoot, de assonantie wel? binnen - buiten. dat is alliteratie,
door step (reageren) op 20 februari 2014 om 15:43
@step: het is ook alliteratie, maar ook een antithese.
door Cas (reageren) op 30 maart 2014 om 16:17