geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Het mooiste crimiboek van 'onze' agent Don Heins? Die over de ontvoering van Alfred Heineken. Type in-één-ruk-uit.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

Franky (6 vwo)

Datum ingestuurd:

24 oktober 2002

Taal:

Woorden:

1.400

Bekeken:

3363 keer (3 deze maand)

Waardering:

2.8/5 (23 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 

Louis Paul Boon; Zomerdagdroom
1e druk 1973, De Arbeiderspers

Samenvatting:

Een jongen, wiens echte naam in het gehele boek niet genoemd wordt, leeft in de goorste wijk van de stad. Zijn moeder is een verbitterde vrouw en zijn vader een dronkelap. ‘s Nachts sluipt hij door de straten en gluurt bij gebouwen naar binnen waar mannen boven op vrouwen liggen, altijd bang om betrapt te worden. Hij voelt zich niet gelukkig en als hij slaapt droomt hij dan ook van iets onbeschrijflijk moois, iets wat hij liefheeft en begeert. ‘s Ochtends wordt hij wakker met kleverige benen en huilt hij.
Totdat hij op een zekere zomerdag een envelop krijgt met daarin een brief die hem vertelt dat een bouwsel, ergens diep in het bos bij de stad, zijn nieuwe woning zal gaan worden. Hij vertrekt zonder afscheid van zijn ouders te nemen.

In het bouwsel -een onafgewerkte kerk of een ten dele verwoest kasteel?- wordt de jongen, in het boek Prins genaamd, een koosnaampje van zijn moeder, ontvangen door een klein gebocheld mannetje met het uiterlijk van een aapje. Het mannetje geeft zich voor als de dienaar van Prins, hij wordt voor het gemak Bocheltje genoemd. Na een nachtje uitslapen, het was een lange reis geweest naar het bos, en een ontbijtje besluit Prins het terrein rondom het kasteel nader te onderzoeken. Na bij het ontbijt een opmerking gemaakt te hebben over het stof en de viezigheid in het kasteel had Bocheltje bekend dat ene Madam het huis schoonhield als er gasten waren. Prins beval Bocheltje Madam te gaan halen.

Langs een vijver, bloeiende rozenperken en een massieve rododendron, in volle bloei, ontdekt hij een zomerpaleisje. Hij treedt binnen en midden in de eerste kamer ligt een opengeslagen platenboek. Op de bovenliggende bladzij staat een pornografische tekening van een machtig mooie vrouw en terwijl hij de tekening nader bestudeert realiseert hij zich het doel van zijn aanwezigheid in deze wondermooie plek. Hij is voorbestemd zijn dagen te vullen met het op papier brengen van zomernachtdromen. Zich beseffend van taak, het uitbeelden van nooitgeziene, in het geheim bedreven vleselijke daden, begint Prins zich af te trekken. Niet vanwege de tekening, maar vanwege het feit dat hij wondermooie tekeningen zal gaan creëren. Als hij komt schaamt hij zich niet en er komen geen tranen. Maar dan vervaagt alles, de zaal en de tekening, en eventjes, een paar seconden, wordt hij teruggetrokken in de realiteit. Hij huilt en schreeuwt van angst. Alles komt weer terug.

Bocheltje keert terug uit het dorp, met boodschappen, Madam en
haar vijf kinderen, allen meisjes. Voorop, zittend op een gigantische hond, later voorgesteld als Beest, zit het driejarige Mallootje, met een gladgeschoren kaalkopje, geheel naakt. Achter de hond lopen twee stroblonde meisjes met lange gebloemde zigeunerjurken, het vijfjarige Lolletje en het zevenjarige Kadootje. Madam, gekleed gaande als ware ze een zigeunerkoningin, stapt van de bok. In een lange gebloemde jurk, een machtig mooie vrouw met een schitterende boezem en een prachtig figuur. Dan de negenjarige Bedsa, die aan de zijkant van het pad stil blijft staan, de rok tot boven de navel tilt en met gespreide benen begint te zeiken. De optocht wordt besloten door de elfjarige Wonder. In haar volle naaktheid loopt ze naar Prins toe, er loopt een siddering tussen zijn dijen door en hij belooft zichzelf dat hij haar liefdevol zal begeren, maar ook begeertevol zal liefhebben.

De meisjes Bedsa en Wonder zouden ‘s nachts zijn bedpartners zijn. Zijn tweede nacht in het kasteel, weg van de droefheid die hij in zijn jeugd in de smerige stadswijk kende, sliep hij in, tussen de twee wondermooie meisjes.
Het tekenen deed hij in een met zon overgoten kamer in het kasteel. Als uitbeelder van de ultieme schoonheid wist hij dat Wonder zijn voorbeeld moest zijn. Een tekening zo wonderschoon, bij zichzelf wetende dat hij potlood in zijn hand alleen maar een verlengstuk was van zijn roede. Hij sidderde toen hij de vagina van Wonder op papier zette en het zaad ontsprong zijner roede en als een hulpeloze baby werd hij weer, heel even maar, teruggezogen naar de werkelijkheid. Maar hij wist het, deze tekening was een meesterwerk. En Wonder zou zijn bruid worden.

Hij tekende dagen, zelfs weken achtereen. Prins besloot dat hij toch zijn tekenkamer maar eens moest verlaten. Hij dwaalt door de tuin, langs de bloemenperken, de rododendron, appelaars om uiteindelijk bij de stallen aan te komen. Zonder geluid voort te brengen trad hij binnen en werd toeschouwer van een ongewoon tafereel. Madam zat, geknield, met de uier van de geit, Belle, aan haar mond, niet wetend van de binnengetreden Prins. Hij zag haar opengebarsten schede en moest zich beheersen. Een andere bezoeker was inmiddels onopvallend naar binnen geslopen. Beest herkende het baasje, likte een weinig vaginaal vocht weg, maar vond dat niet toereikend en besteeg Madam van voren. Het boeiende tafereel gadeslaand besloot Prins dat hij er een dezer dagen een tekening van moest maken.
Madam, met wat hooi haar schede afvegend, ontdekt Prins, al zittend op de trap naar de hooizolder. Dat was dat, verklaart Madam uitdagend als ze Prins voorbij wandelt met een uitnodigende schoonheid en de trap naar de hooizolder bestijgt. Als de prins mijn hooi beslapen wil, voegt ze er nog aan toe. Prins volgt haar naar boven en bedrijft de liefde met de moeder van zijn geliefde Wonder. Wegzakkend in de bodemloze put van Madam wordt hij opnieuw vastgegrepen door de angst voor het verleden, de droefheid.
Als hij de trap afdaalt ontdekt Prins Wonder in de deuropening. Hij schaamde zich, omdat hij haar had verraden. Prins nam haar in de armen en verklaart dat het enkel uit nieuwsgierigheid was, hij bezocht enkel de grot van waar Wonder op deze wereld kwam.

Wonder en hij zouden trouwen. Bocheltje als ceremoniemeester verbond hun beide in de echt en die nacht zouden zij, voor het eerst, de liefde bedrijven. Als bruid en bruidegom. Zij zou door Prins ontmaagd worden en zij zou zwanger worden. Maar uit angst voor de harde werkelijkheid van zijn vreselijke leven in de stad, durfde Prins zijn zaad niet in Wonder te verliezen.

Bocheltje zal sterven, hij gaat snel achteruit en vraagt Bedsa zijn broer te halen uit een naburig dorp. Zijn broer, jager van beroep mag in de bossen jagen en stropen. Hij zal konijnen vangen en patrijzen voor de avondmalen. Bocheltje sterft, hij wordt begraven in het zomerpaleis, met bloemen overdekt in een tombe onder de eerste zaal. Zijn broer, de jager, als priester door het lange gewaad met de monnikskap over zijn gezicht geschoven.

Wonder, zwanger van Prins, mocht het geluk van het dragen van een zijner kinderen delen met Bedsa, die Prins eveneens, met minder liefde dan bij Wonder, zwanger had gemaakt.
Hij zit in de vijver. Goudvissen schieten langs hem heen, maar ook ratten en amfibieën. Alles rimpelde weg en hij vond zichzelf in het armoedige kamertje van Bocheltje. Naast hem lag zijn driejarig zusje, waarbij men de haren had weggeschoren vanwege platluis. Hij werd geroepen van beneden en stommelde de trap af, met zijn veel te zware bocheltje. Hij neemt en hap van zijn inmiddels koud geworden pap en een traan rolde over zijn als van een aapje gerimpelde wangen.

Thematiek en Stijl
De jongen die opzoek is naar innerlijke schoonheid, in het verhaal speelt hij immers een fiere, jonge Prins. Hij probeert te ontsnappen aan de droefheid en de vuiligheid, de keiharde realiteit van zijn eigen, echte leven. De angst terug te moeten keren naar deze verschrikkelijke plek, speelt duidelijk een rol in het verhaal.

Boon gaf het boek de ondertitel ‘Erotisch poëtisch proza’. Zijn stijl van schrijven is ook een dichterlijke stijl. Daarbij komt dat Boon van oorsprong Belgisch is en dus voor normale Nederlandse woorden een Belgische vervanging neerschrijft. De poëtische, dichterlijke schrijfstijl maakt het boek echter niet moeilijker te lezen, het is enkel een kwestie van wennen.

Tijd en plaats van handeling

Het zou een eindeloos verhaal kunnen zijn, zo lang er steden zijn met gore stadswijken. Het verhaal is geschreven in 1973 maar is in mijn opzicht nog redelijk relevant.

Het werkelijke leven van de jongen speelt zich af in een gore achterstandswijk van een grote stad. Zijn dagdroomkasteel staat ergens midden in de bossen, in zijn fantasie een dag lopen van zijn ouderlijk huis. Waarschijnlijk in België zelf, eventueel een bekende plek in de buurt van Boons eigen woonplaats.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.