ff n studiebreak

Bij klassieke muziek moet je niet aan je grijze oma denken, maar aan YouTube. 5 tips van Lucas en Arthur Jussen.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

Geschreven door:

anoniem (3 vwo)

Datum ingestuurd:

12 juni 2001

Taal:

Woorden:

2.200

Bekeken:

2698 keer (2 deze maand)

Waardering:

2.6/5 (21 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 

Het verhaal begint met een proloog waarin het decor van het verhaal wordt verteld en de hoofdpersoon en de bijpersonen aan je voorgesteld worden. De hoofdpersoon van het boek is Anton Steenwijk. In het begin van het boek is hij 12 jaar oud, aan het einde 48 of 49 jaar. Tijdens de Tweede Wereldoorlog woonde Anton Steenwijk in Haarlem. Aan een kade in een wijk die nog niet afgemaakt was lagen vier huizen. In “Welgelegen” woonden de Beumers, in “Buitenrust” Anton met zijn ouders en broer Peter, in “Nooitgedacht” meneer Korteweg en zijn dochter Karin en in “Rustenburg” het echtpaar Aarts, met wie men weinig contact had. Anton lag vaak in het jaagpad lang het kanaal. En vaak zag hij bootjes voorbij varen: “Dan was de man aan boord en liep over de zijkant van de aak naar voren, terwijl hij de stok achter zich aan door het water sleepte; op de voorplecht aangekomen, plantte hij hem schuin in de bodem, greep hem vast en liep terug, zodat hij de boot onder zich vandaan naar voren duwde. Dat vond Anton altijd het mooist: een man die naar achteren liep om iets naar voren te duwen; en tegelijk op dezelfde plaats bleef. Daar was iets heel raars aan de hand, maar hij sprak er met niemand over. Het was zijn geheim.” (p.9/10) De dikgedrukte zin slaat op Anton in zijn verdere leven, en hoe het boek dus verder gaat. Doorleven, maar met het verleden in je hoofd gegrift.

Anton leek op zijn vader die griffier was bij de arrondissementsbank. Beiden waren ze slank, hadden donker haar, donkere wenkbrauwen en een gave huid in de tint van noten. In tegenstelling tot Anton en zijn vader waren moeder en broer Peter blond en hadden ze blauwe ogen. Maar over de familie valt niet echt veel te zeggen.

Het verhaal begint meteen met het hoogtepunt van het boek, als op een januari-avond in 1945 de familie Steenwijk wordt opgeschikt door zes schoten. Voor het huis van de buren Kortewijk ligt een lijk, het is Fake Ploeg, een hoofdinspecteur van de politie, wiens zoon bij Anton in de klas zit. Maar meneer Korteweg en Karin leggen het lijk voor hun huis neer. Peter gaat naar buiten om het dode lichaam weer terug te zeulen, omdat hij bang is voor represailles. Maar hij is te laat, de Duitsers komen. Peter vlucht weg en neemt het pistool van Ploeg mee. Anton en zijn ouders worden uit hun huis gehaald en het wordt in brand gestoken. Anton wordt in een auto gestopt en weggevoerd. Anton bedenkt dat hij nooit zal weten waar zijn ouders terecht zijn gekomen. Jaren later komt hij toch achter de waarheid.

Hij wordt in een cel in het politiebureau in Heemstede gezet. In deze cel zit al een jonge vrouw. Zij troost hem en ze hebben een diepgaand gesprek over de fascisten, ook al kunnen ze elkaar niet zien omdat het veel te donker is. De volgende dag wordt Anton overgebracht naar de Ortskommandant in Haarlem, van wie hij naar zijn oom en tante in Amsterdam mag gaan. Tijdens de rit van Haarlem naar Amsterdam wordt het konvooi door een Engels vliegtuig beschoten, waarbij enige doden vallen. Eenmaal aangekomen in Amsterdam wordt hij opgehaald door zijn oom. Ook over de oom en tante, die hem in huis nemen, valt niet veel te zeggen. Het is een kinderloos doktersechtpaar die aan de Apollolaan in Amsterdam wonen en zij voeden hem op. Na de oorlog blijkt dat zijn ouders en Peter in de fatale nacht ter plekke zijn doodgeschoten. Maar Anton blijft rustig, hij gaat niet op onderzoek uit. Hij denkt niet veel aan de aanslag. Hij heeft de aanslag diep in zichzelf afgesloten. Na het Gymnasium gaat hij medicijnen studeren. Al hij tweedejaars is, wordt hij door een studiegenoot uitgenodigd op een feestje in Haarlem. Zo komt hij voor het eerst in 1952 weer terug in de stad die hij in januari 1945 verlaten heeft. Het feestje wordt voor hem een teleurstelling, omdat een paar flauwe studenten kwetsende opmerkingen maken over dingen die hem herinneren aan wat hij in de oorlog heeft meegemaakt. Als het hem allemaal te veel wordt besluit hij het feestje vroegtijdig te verlaten.

Hij besluit, na lang aarzelen, een kijkje te nemen in zijn oude straat. Als hij in de straat staat, komt mevrouw Beumer naar buiten en roept hem naar binnen. Ze vertelt dat Anton's moeder die nacht in januari een Duitser is aangevlogen en dat zij en haar man daarna samen met andere gijzelaars zijn geliquideerd. Ze vertelt dat de Kortewegs kort na de bevrijding verhuisd zijn. Ze wist kennelijk dus niet dat Ploeg eerst voor het huis van Korteweg had gelegen. Anton had het nog nooit aan iemand verteld. Ook vertelt zij dat er aan het einde van de straat, op de plek waar geschoten werd, een monument is opgericht. Anton gaat het monument bekijken, hij ziet de namen van zijn ouders, maar Peter staat er niet bij. Bij navraag blijkt, dat zijn oom hem wel verteld heeft over het monument, maar dat Anton de onthulling niet wilde bijwonen. Anton voelt voor het eerst iets van angst voor het afgesloten verleden, het probleem van de hoofdpersoon begint zich hier te ontwikkelen.

Na zijn kandidaatsexamen in ’56 gaat Anton op kamers wonen in de binnenstad van Amsterdam. Dan vallen de Russen Hongarije binnen. Dagenlang is het rumoerig in de binnenstad. Tijdens een relletje ontmoet Anton in een portiek van zijn huis Fake Ploeg jr., die een kei in zijn hand heeft. Op de kamer van Anton hebben zij een heftig gesprek. Omdat Fake’s vader in de oorlog fout was, kon hij niet gaan studeren. Hij werkt nu in een zaak voor huishoudelijke artikelen. Fake verdedigt zijn vader, volgens hem was de dood van zijn vader en van Anton’s ouders de schuld van de communisten. Anton probeert hem ervan te overtuigen dat zijn vader fout was, maar dat hij ondanks dat toch wel van hem kon houden. Kwaad gooit Fake de kei tegen Anton’s spiegel. Ondertussen ontploft de kachel ook nog eens. Fake rent weg, maar hij komt terug om te zeggen dat hij nooit zal vergeten dat Anton hem op school een keer geholpen heeft. (Fake was toen in uniform; de onderwijzer wilde daarom geen les geven en hield iedereen buiten de klas, maar Anton glipte onder zijn arm door en brak het verzet.)

In 1595 doet Anton artsexamen en krijgt hij een assistentschap in de anesthesie. In 1961 trouwt hij met Saskia de Graaff, die hij in Londen ontmoet heeft en op wie hij meteen bij het zien van de blik in haar ogen verliefd is geworden. In 1962 word hun dochtertje Sandra geboren. In 1966 is er een begrafenis van een oud-verzetsstrijder, een vriend van Saskia's vader die in de oorlog een belangrijke rol speelde in het verzet. Na de begrafenis wordt er door de oud-verzetsstrijders nog wat nagepraat. Opeens hoort Anton iemand vertellen over schoten. Het is Takes, de man die Ploeg doodgeschoten heeft. Takes verteld dat hij liever gewild had dat de aanslag niet gepleegd was. Niet omdat Antons ouders vermoord waren, want dat was niet te voorzien volgens hem en bovendien hadden de moffen dat gedaan, niet de verzetsstrijders. Maar Takes had de aanslag samen met zijn vriendin gepleegd, die gewond gevangen was genomen en later in de duinen was geëxecuteerd. Anton begint dan te huilen. Hij realiseert zich dat dat de jonge vrouw in de cel moet zijn geweest. En dat hij haar onbewust zijn hele leven heeft gezocht. Later op de avond bedenkt hij dat de uitdrukking van Saskia dezelfde moet zijn als hoe hij de jonge vrouw in de cel heeft voorgesteld. De volgende dag gaat hij naar Takes toe. Hij ziet de foto van de jonge vrouw, Truus Coster: ze had dezelfde blik in haar ogen als Saskia…
Takes wil weten wat Truus gezegd heeft in de cel, maar Anton kan het zich niet meer herinneren.

In het laatste deel van het boek gaat het steeds slechter met Anton. In 1968 trouwt hij met Liesbeth, een jaar na zijn scheiding van Saskia. Een jaar later krijgen zij een zoon, die ze Peter noemen. Anton verdient veel geld en hij heeft dan ook vier huizen. Rond zijn veertigste belandt Anton in een crisis, hij is veel in zijn huis in Italië. Als zijn dochter Sandra 16 jaar is, neemt Anton haar mee naar Haarlem, naar de plaats waar Truus geëxecuteerd werd. Daar herinnert hij zich opeens dat Truus in de cel in Heemstede had gezegd dat ze van Takes hield, maar hij heeft hem nooit meer gezien omdat tegen hem te zeggen. Tijdens een vredesdemonstratie op 21 november 1981 in Amsterdam ontmoet Anton Karin Korteweg. Van haar hoort hij, dat Peter in die nacht in januari 1945 bij hen is binnen gevlucht. De Duitsers hebben hem neergeknald. Ze vertelt hem dat zij en haar vader kort na de bevrijding naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd zijn en dat haar vader daar in 1948 zelfmoord heeft gepleegd. Hij was altijd bang geweest dat Anton wraak zou nemen, omdat hij immers het lichaam van Ploeg had verlegd. Dat was alleen maar om zijn illegale hagedissen, die zijn lust en zijn leven waren niet te laten ontdekken. Na die nacht in januari 1945 had hij ze doodgetrapt. Hij had het lijk niet voor het huis van de familie Aarts gelegd, omdat zij joden verborgen hielden. Verward neemt Anton afscheid van haar. "Was iedereen schuldig en onschuldig?" Maar Anton had zichzelf weer snel in de hand, het was of al die duizenden mensen hem hielpen.
1. Juryvoorzitter

Waarom is het boek “De Aanslag” van Harry Mulisch zo goed?

De personages in het boek worden heel duidelijk en uitgebreid beschreven, er worden veel details verteld. “De drie huizen. Een open plek tussen het eerst en het tweede als een gehavend gebit. Alleen het hek was er nog. Het omvatten een dichte vegetatie van brandnetels en struiken, met daartussen al ranke boompjes, zoals die soms op zestiende-eeuwse schilderijen te zien zijn, met een engel op een heuvel en een kraai die kwaadaardig naar een monsterachtig mannetje straart.”(p.89)? als Anton voor het eerst weer terug gaat naar Haarlem sinds “De aanslag”.

Het boek omtrent een lange periode, namelijk van 1945 tot en met 1981. Mulisch heeft door middel van episodes de periode van 37 jaar, waarover het boek vertelt, op een fantastische manier weten samen te voegen in stukken. Achtereenvolgens: in een proloog, 1e episode:1945, 2e episode: 1952, 3e episode:1956, 4e episode:1966 en de laatste episode: 1981. Het verhaal wordt chronologisch verteld, maar af en toe zijn er wel verwijzingen naar vroegere of latere gebeurtenissen. In de genoemde episodes worden telkens maar één of twee dagen in detail beschreven, maar toch krijg je een heel duidelijk beeld van hoe Anton Steenwijk’s leven er uit heeft gezien. Dat komt ook doordat in elk eerste hoofdstuk van een episode de tijd tussen de vorige en de nieuwe episode is samengevat.

Het boek zit fantastisch in elkaar door de verbanden die er in zitten, waar je eigenlijk pas achterkomt als je het boek helemaal uit hebt gelezen.
“…een man die naar achteren liep om iets naar voren te duwen; en tegelijk op dezelfde plaats bleef. Daar was iets heel raars aan de hand, maar hij sprak er met niemand over. Het was zijn geheim”(p.10)? dit citaat dat in de proloog staat aan het begin van het boek geeft in één zin eigenlijk het hele “probleem” van de hoofdpersoon weer. Hij neemt zijn hele leven de onzekerheden van de desbetreffende nacht, die van januari ’45 met zich mee, en komt pas aan in het verdere verloop van zijn leven achter alle dingen die hij niet wist, niet zéker wist, of die hij voor zichzelf “opgesloten” had.

Een voorbeeld van iets waar Anton zo ongeveer zijn hele leven mee heeft rondgelopen is de vraag waarom de familie Korteweg het lijk van Fake Ploeg bij hen voor de deur sleepte en niet bij het echtpaar Aarts, waar bijna niemand contact mee had.
“Het sprak voor mij vanzelf, dat hij niet bij jullie terecht moet komen, bij jou en Peter, maar bij Aarts, die maar met hun tweeën waren en die ik eigenlijk helemaal niet kende..Ik deed al een stap hun kant op, maar toen zei mijn vader: “Nee, niet daarheen, daar zitten joden”.” (p.250)
In de laatste episode komt hij Karin tegen, die hem dit vertelt.

In het verhaal lijkt het net of er soms een verteller is die het verhaal over Anton vertelt. Vooral in de proloog en op de laatste bladzijde van de roman zien je hem duidelijk aan het woord. Hij maakt algemene opmerkingen, bijvoorbeeld over de namen Anton en Adolf : “In de oorlog noemden fascisten hun zoons regelmatig Adolf, zoals bleek uit trotse geboorteadvertenties met wolfangels of runentekens erboven.” Ook wordt er uitleg in het boek gegeven door een soort “verteller” om het allemaal beter te begrijpen, bijvoorbeeld op pag. 60, als Anton van de Duitsers brood met beleg krijgt. “….., besmeerd met iets in de kleur van matglas, -waarvan hij jaren later, op doorreis in Duitsland, naar zijn huis in Toscane, zou leren dat het ganzenvet was geweest: Schmalz.”

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.