geef je mening
Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?
ff n studiebreak
Annemieke blikt terug op dat dagenlange surfen van vroeger. Tegenwoordig ben je binnen een half uur klaar.

CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.
SAMENVATTING
WE GEVEN EERST EEN SAMENVATTING VAN HET VERHAAL ZODAT OOK DE MENSEN, DIE EEN FORSE ACHTERSTAND IN HUN ALGEME ONTWIKKELING HEBBEN, WETEN WAAR WE HET OVER HEBBEN ALS WE SPREKEN VAN ‘HET VERHAAL VAN MARIKEN VAN NIEUMEGHEN’
Als wij het tegenwoordig over literatuur hebben dan denken wij vooral aan boeken. Maar vroeger, in de Middeleeuwen dus, werd onze literatuur zelden of nooit in geschreven taal vastgelegd(Ja Niels, ik kan wel normaal praten…). Vaak waren het gewoon liedjes of verhalen (toneelstukken) aan elkaar werden doorvertelt.
Opvallent aan de middeleeuwse literatuur is dat bijna alles draait om godsdienst(katholicisme) Het leven op aarde werd gezien als een soort voorbereiding op het leven na de dood.
SAMENVATTING
Op een dag ontmoet Mariken de duivel, ook wel Moenen genoemd. Ze loopt hem tegen het lijf als ze op een nacht alleen buiten langs een weggetje zit. Ze kwam daar, omdat ze in de stad boodschappen voor haar en d’r oom ging doen, maar ze mocht niet als verwacht bij haar tante de nacht doorbrengen en probeerde dus ‘s nachts nog naar huis te gaan. De duivel(hij noemt zichzelf in dit verhaal dus Moenen), die Mariken aanspreekt omdat hij haar ziel voor zich wil winnen, heeft maar één oog.
De duivel kwam in die tijd wel vaker voor in het leven van de mensen. Niet alleen in verhalen, maar ook met mensen die door de duivel in de ban waren genomen(net als Mariken dus eigenlijk). De duivel kwam meestal als medemens of ander, aangenaam gestalte naar de aarde om zielen te winnen. Mensen die verstand hadden van de duivel konden hem vaak herkennen, want er was altijd wel iets mis met de “verkleedde” duivel. Hij hinkte bijvoorbeeld, of net als in het verhaal van Mariken had hij maar één oog.
Maar goed. Moenen belooft Mariken juwelen en geld, maar buiten dat, ook kennis: Hij zal haar de zeven vrije kunsten leren. Gefascineerd gaat Mariken met hem mee. Moenen vindt dat haar naam; Mariken, te veel op; Maria, lijkt en hij vraagt haar die naam te veranderen. Mariken besluit in ieder geval haar eerste letter te houden en haar nieuwe naam is; Emmeken. Moenen en Emmeken trekken naar Antwerpen, waar Emmeken in de herberg Den Gulden Boom en loflied (op rijm) voordraagt. De mannen in de herberg vinden Emmeken allemaal wel leuk en raken in gevecht. De eerst dode valt.(De duivel wil zielen winnen met Mariken. Dus het was al zijn bedoeling dat er doden door Mariken (of Emmeken) gingen vallen.)
Zo leven Moenen en Emmeken zeven haar lang vrolijk samen. Dan krijgt Emmeken heimwee en wil naar Nijmegen terug. Daar ziet ze een opvoering van het wagenspel “Masscheroen”* en komt daardoor tot inkeer. Moenen wordt woedend. Hij neemt haar mee de lucht in, en laat haar dan plotseling vallen. Mariken(of Emmeken) blijft ‘door als een wonder’, ongedeerd. Samen met haar oom reist ze naar Rome waar de paus drie ijzeren ringen om haar hals en polsen aanbrengt: wanneer deze afvallen is alles haar vergeven. Nadat Marien enkele jaren in een klooster heeft geleefd en boete heeft gedaan, worden de ringen door een engel bij haar afgedaan.
*Zulke wagenspelen waren enorm eenvoudig. Op markten en kermissen verschenen cabotijns, de met hun kar rondtrekkende komedianten. Zij stellen hun armzalige wagen in positie; versieren hem met een achterdoen, een eenvoudige blauwe lap, zetten hem vast, dat hij niet kantelen of wippen kan en klaar is kees.
En daar verschijnt dan plotseling God-Vader met een witte baard en een kroon van papier of goedkoop klatergoud, een rode, gelaptje en gekreukelde mantel om de schouders. Naast hem Maria, een pruik van lang golvend haar, een wit kleed en een fraaie mantel en een kleine kroon op het blonde haar. Maar als derde persoon is daar Masscheroen, de duivel in eigen persoon, fantastisch uitgedost met een gekskap en bellen of als een raar sinjeur met horentjes op zijn voorhoofd in een rood, nauwsluitend pak, een rood kapje met lange hanen- of pauwenveer op zijn scherp getekende en beschilderde kop. En die begint daar uit te pakken over de gemeenheden van de mensen en dat God hen wederom veel te mild behandelt, dat ze nu eindelijk eens gestraft behoren te worden. Maar als God op het punt staat gehoor te verlenen aan Masscheroens aanklacht, staat daar Maria en spreekt op milde toon een pleidooi voor den verdorven mens. (ik weet echt niet hoe ik dat anders kan zeggen) Ze tracht goed te praten wat hij misdreven heeft, hij toont toch berouw en hij heeft God lief in het diepst van zijn hart. Zal God dan niet genade voor rechtlaten gelden en nogmaals hem sparen, nogmaals hem helpen en in liefde aanvaarden zijn berouw tonende ziel…
Als Mariken dit allemaal hoort en ziet is het voor haar onmogelijk om nog maar één minuut(ik overdrijf misschien een beetje, maar anders is het zo saaaaaaaiiiiiii……) langer met Moenen te leven. Moenen ziet dat hij bijna een ziel aan het verliezen is, en raakt in paniek. Dan tilt haar dus uit woede op en gooit Mariken voor het huis van haar oom neer. Nou, en verder ken je het verhaal wel….
TONEEL
Ik ga nu nog even proberen om wat meer te vertellen over de toneelstukken uit die tijd (Mariken van Nieumeghen is trouwens uit 1514) Het middeleeuwse toneel is in de kerk ontstaan. In korte scènes voordat de eigenlijke dienst begon wilden de priester, de wat minder ontwikkelde gelovigen, toch op een wat ‘lossere’ manier het “basisgeloof” leren(gewoon wat standaard dingen waar je in hoort te geloven. Ik weet niet hoe je dat noemt dus vandaar “basisgeloof”)
Maar met verloop van tijd voegde de toneelstukjes eigenlijk niets meer toe aan de godsdienstige inhoud van de dienst. Zo begon het eigenlijk dat het toneel meer loskwam van de kerk. Er waren nog wel meer dingen die veranderen in de loop van de tijd:
-de spelers waren eerst priesters, later leken.
-De taal was in het begin het Latijn, later de volkstaal.
-De plaats van opvoering was eerst de kerk, later het marktplein.
Het wat verder ontwikkelde toneel, dus toen het al niet meer alleen in de kerken werd gebruikt, kun je eigenlijk in twee grote groepen indelen: het wereldlijke toneel, en het geestelijke toneel. Ik ga nu wat verder in op het geestelijke toneel want tot die groep behoort het verhaal van Mariken.
Het geestelijke toneel in de Middeleeuwen omvat drie soorten toneelstukken…:
1. De mysteriespelen, waarin gebeurtenissen uit de bijbel op het toneel werden opgevoerd. Soms groeiden die stukken uit tot monsterdrama’s die dagenlang duurden en waaraan honderden spelers meededen. De teksten van deze stukken zijn nauwelijks bekend. Van een reeks van zeven toneelstukken, die in de vijftiende eeuw in Brussel werden opgevoerd en die de vreugden of ‘bliscappen’ van Maria behandelden, zijn er maar twee bewaard gebleven.
2. De moraliteiten, waarin een bepaalde levensles of geloofswaarheid werd verkondigd. Beroemd is ‘Elckerlijc’. De personages zijn geen mensen van vlees en bloed, maar symbolische figuren.
3. Tot slot hebben we de mirakelspelen, waarin door tussenkomst van Maria of een andere heilige een wonder plaatsvond. In het toneelstuk ‘Mariken van Nieumeghen’ wordt Mariken (je ziet het verband tussen de namen Maria en Mariken toch wel hè?) bij haar val, gered door Maria.(als je niet weet over welke ‘val’, ik het heb…sla jezelf dat eerst heel hard, en lees dan toch nog maar even dat stuk voor ‘onderontwikkelde cultuurbarbaren’.)
REDERIJKERS
De eerste rederijkerskamers, waarin de leden zich bezighielden met het schrijven van gedichten en toneelstukken, zijn in het zuiden van Nederland ontstaan in het begin van de vijftiende eeuw. De kamers waren ingericht als gilden. Belangrijke figuren waren: de prins(een soort beschermheer), de factor (de schrijven en regisseur van de toneelstukken) en de nar (geen verdere uitleg nodig volgens mij). Hoogtepunten waren de landjuwelen, waarblij de kamers uit verscheidene steden samenkwamen en toneelstukken opvoerden.
De rederijkers legden grote nadruk op de vorm van de gedichten. Vooral het refrein met de steeds terugkerende regel was errug popi jopi. Om gedichten en verhalen makkelijker te kunnen onthouden (dat was belangrijk, want zo konden de mensen het goed doorvertellen) hadden ze een paar ‘trucjes’ gevonden. Bijvoorbeeld:
-In een naamdicht (bijv. “het Wilhelmus” ofzo) vormden de beginletters van de opeenvolgende strofen samen de naam van de persoon aan wie het gedicht is opgedragen (WILHELMUS VAN NASSAUE).
-veel gedichten zijn later ook op de melodieën van bekende liedjes uit die tijd gezet.
INFORMATIE OVER HET BOEK
Het is ons overgeleverd in enkele oude drukken, zogenaamde volksboekjes, zoals er inde eerst decenniën van de 16e eeuw vele verschenen zijn. Dr. P. Leendertsz was na van Vloten (1854) de eerst, die het in zijn “Middelnederlandsche Dramatische Poëzie” opnam en van voortreffelijke inleiding en verklarende aantekeningen voorzag. De oudste druk is die van 1518, verschenen in Antwerpen bij Willem Vorsterman. Eén exemplaar is hiervan over, evenals van de in Utrecht gedrukte uitgave uit 1608 en van nog een Antwerpse druk van 1615.
Een oorspronkelijk handschrift is niet bewaard. Wij kennen voorts nog een nadruk van de uitgave van 1615 en een proza-bewerking en het Engels, ook in Antwerpen verschenen in 1518, een Latijnse proza, 1648 verschenen in het Trisagion Marianum en ten slotte ballade van ca. 1610, die hetzelfde onderwerp behandelt.
Dat we de dichter in rederijkerskringen moeten zoeken staat wel vast. De Utrechtse uitgave van 1608 is eigenaardig, omdat de uitgever, Herman van Bovenlo, het geheel te katholiek vond en daarom de figuur van Maria maar helemaal weggewerkt heeft. Hierdoor ging de kern en de tendens van het werk geheel verloren.
Het was een soort ereplicht der vrolijke rederijkers godsdienstige of politieke problemen in hun toneelwerken te behandelen. En wat was voor het roomse volk nou belangwekkender en ontroerender om te zien, dan een overwinning van Maria op de Duivel?
Het stuk moet voor 1500, zo omstreeks 1490, zijn geschreven en ,met succes, vertoond. De Antwerpse uitgave van 1518 bewijst, dat de vraag naar de tekst zelf groot genoeg was, om een uitgever de druk te laten riskeren.
Het gegeven bleef leven onder het volk van Antwerpen, want nog in de 19e eeuw is het bekend, lang voordat de mannen van de wetenschap er zich meester van maken.
Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.