CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

ff n studiebreak

Meiden, laser je binnenste schaamlippen lekker weg joh. Want je vriendje wil een playboypoesje.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

Geschreven door:

Kees van der Pol (Docent) [meer]

Datum ingestuurd:

1 januari 2010

Taal:

Woorden:

6.600

Bekeken:

1085 keer (37 deze maand)

Waardering:

3.9/5 (8 stemmen)

Deel op:

  • Door otto op 01-01-2010
    Ik vind dit een goed verslag van een moeilijk boek.


Feitelijke gegevens over het boek
Gebruikte druk: 1e
Verschijningsdatum 1e druk: oktober 2009
Aantal bladzijden: 252
Uitgegeven door: De Bezige Bij

Beschrijving van de cover
Op de voorkant staan twee vlinders afgebeeld: een grote zwart-wit gestreepte en een kleine geel gekleurde.

Opdracht
Voor S.B. en K.B.

Genreaanduiding van het boek
“De Spelers” is een psychologische roman over het zoeken naar de zin van het bestaan in het leven. Het is goed om te weten dat het verhaal elementen uit het echte leven van Manon Uphoff bevat. De hoofdfiguur Manja wordt in de decembermaand van 1962 geboren en dat is ook het geval met Manon zelf. Manja is net als Manon lerares aan een Roc. Er zit natuurlijk ook een fraaie overeenkomst in de namen: allebei 5 letters; de eerste drie zijn hetzelfde, de andere twee vormen het woord ”ja” of het woord”no.” Is het boek de belichaming van het YinYang gevoel van Manon Uphoff? Je zou dus ook kunnen stellen dat “de Spelers”een semi-autobiografische roman is.

Uit het NRC van 25 oktober 2009: Vijf jaar geleden luchtte Manon Uphoff in een interview haar hart over de wonden die de oorlog in Bosnië had geslagen in de levens van haar schoonfamilie en van haarzelf. ‘Mijn man komt uit Bosnië. Wat daar is gebeurd heeft mij beroofd van het vooruitgangsgeloof.’ Ze vertelde over de diepe indruk die haar bezoeken aan Sarajevo op haar hadden gemaakt. ‘Mijn inmiddels overleden schoonmoeder woonde daar in zo’n typisch communistische flat. En als je daar dan voor de zoveelste keer vrouwen tegenkomt wier volwassen kinderen in de oorlog zijn weggemaaid, dan voel je dat je te maken hebt met mensen die weten dat hun investering, alles wat ze aan emotie, aan liefde, aan agressie, hoop en verlangen ergens in gestopt hebben, er niet meer is.’

De flaptekst
De 29-jarige Manja vat een argeloze liefde op voor de jonge deserteur J., die begin jaren negentig de puinhopen van Joegoslavië ontvlucht. J.'s leven in Nederland wordt beheerst door een verlangen naar orde in zijn bestaan. Manja reist met hem naar Sarajevo. Aanvankelijk denkt ze toeschouwer te kunnen blijven in een decor van vernieling. Ze volgt zijn wanhopige pogingen de boel weer in het gareel te krijgen, maar al snel maakt J.’s verwarde familie deel uit van haar eigen leven."

Structuur en/of verhaalopbouw
Het verhaal heeft een overwegend chronologisch verloop, maar het is opvallend dat er geen indeling in hoofdstukken is. Er is steeds sprake van een stukje tekst dat met een witregel van een ander stukje tekst wordt gescheiden.
Is het een symbolisch teken dat de hoofdfiguur J. die orde in zijn chaotisch bestaan wil scheppen als man die tussen twee werelden leeft, daartoe niet in staat is? Een indeling in hoofdstukken in een verhaal betekent namelijk ordening in de fabel.

Over de structuur merkt de schrijfster in een interview op www. Literatuurplein op : Op zich houd ik van een duidelijke indeling van hoofdstukken, maar bij dit boek had ik het idee dat de tekst gewoon moest doorlopen. Dat was overigens geen klinische keuze. De stijl wordt opgeroepen. Bij elk verhaal probeer ik de taal te vinden die recht doet aan het onderwerp. Er is dan gewoon geen andere stem mogelijk. Ik hoop dat deze roman de weg opent naar andersoortig werk. Wat betreft de stijl, ik weet niets over stijl, sommige mensen haten mijn stijl, de metaforen, anderen vinden haar prachtig, ik heb zelf geen andere methode, ik heb zelfs geen échte methode, al is elk schrijven methodisch. Ik ervaar stijl als het middel om een patroon te onderkennen.

Gebruikt perspectief
De 29-jarige Manja is de ik-vertelster in de o.v.t. van deze roman. Ze is lerares op een instituut waar allochtonen Nederlands moeten leren. Daarbij ontmoet ze de Joegoslaaf J.
Ze is een achterafvertelster die aan de lezer vertelt hoe J. steeds terugkeert naar Joegoslavië en daar met zijn. Ook in de tekst kun je merken dat er sprake is van een achterafvertelster.
Op de voorlaatste bladzijde meldt ze dat het 200- is, wanneer ze haar verhaal op papier heeft gezet,

Over de vertelster zegt Manon in een interview: Ik weet hoe dat proces van schrijven gegaan is, misschien is dat de reden waarom het zo lang heeft geduurd. Ik heb geprobeerd de moed op te brengen mijn identiteit af te breken om te zien waaruit deze is opgebouwd. Daar is tijd voor nodig en dan moet je door alle veiligheid heen. Meer dan bij andere boeken heb ik met deze roman het idee dat ik in een soort zoete nachtmerrie gleed. Waar ik langzaam ingetrokken werd, of eerder langzaam in afdaalde. Als ik ga schrijven over wat ik gezien heb, en natuurlijk is het vervormd en verdikt, dan moet ik ook de moed hebben om te laten zien waaruit ik opgebouwd ben. Ik heb de pest aan het autobiografische om het autobiografische, maar hier moest het. Anders had ik dit verhaal niet kunnen vertellen.

De keuze voor de eerste persoon enkelvoud is daarbij niet bepaald de weg van de minste weerstand.
Het was voor mij, en misschien ook voor de lezer, eenvoudiger geweest als ik een alwetende verteller had gecreëerd. Veel veiliger op alle vlakken

Waarom de deserteur uit het Joegoslavische leger slechts met J. wordt aangeduid , terwijl de andere personages (Olga, Spiro, Dinko) allemaal bij naam genoemd worden, is mij niet direct duidelijk. Het geeft het verhaal de schijn van ‘echt gebeurd’, en dat is het in zekere zin ook. Uphoff heeft net als Manja sinds 1992 een vluchteling uit Sarajevo als partner (Bebek) , met wie ze regelmatig in de jaren na de oorlog naar deze stad is gereisd.

De tijd van het verhaal
Het verhaal begint in 1992 en eindigt in de nacht van de wisseling in het millennium 2000. (blz. 242)
In het begin is Manja 29 jaar (ze is in de koude winter van 1962-63 geboren -blz. 7) Dat houdt in dat ze doorgroeit naar 37 jaar, wanneer het verhaal eindigt.
Ze schrijft het verhaal van J. op in 200- .
Welk jaar dat precies is, kan hieruit niet worden opgemaakt.

De plaats van handeling
Het verhaal speelt zich steeds af op twee plaatsen. In Nederlands is dat een grote stad met een historische binnenstad in het midden van het land. Het ligt voor de hand om hierbij aan Utrecht te denken, waar Uphoff zelf woont.
J. is een deserteur uit het Joegoslavische leger en keert enkele keren terug naar zijn moederland en hij verblijft dan in Sarajevo. Ook komt de moslimenclave Srebrenietsa in het verhaal voor, waar Nederlandse blauwhelmen een weinig verheffende rol hebben gespeeld in het deporteren van en de genocide op bewoners van het land. J. gaat daar enkele maanden werken als klusjesman.

Samenvatting van de inhoud
Manja (29 jaar, lerares op een instituut waar buitenlanders de Nederlandse taal leren ) komt onder de indruk van de Joegoslavische deserteur J. (alleen op blz. 164 wordt de man door een junkie bij zijn eigen naam genoemd, Jiri) Voor de rest krijgt de vriend van Manja het gehele verhaal door de aanduiding J. mee. Daartegenover staat dat zijn zus Olga wordt genoemd en zijn zwager Spiro, terwijl hun achterlijke zoontje ook steeds bij zijn naam wordt genoemd, Dinko. Maar goed die blijven de eerste 57 bladzijden buiten beeld. Pas wanneer J. voor de eerste keer met Manja naar Sarajevo terugkeert, komen ze in het verhaal. Hun liefde is zeker ook lichamelijk opwindend.
Ze beschrijft op blz. 18 hoe vaak en op welke manier ze met elkaar neuken. Dat ze in vrij expliciete bewoorden. Altijd stond hij klaar zijn lul, even solide als lood, roodgloeiend als gesmolten en weer afgekoeld koper, zo stijf omhoog alsof hij nooit meer omlaag kon, een totem, een token.
Bovendien wil J. een kind bij Manja maken, maar die houdt die vurige voortplantingswens van haar minnaar af. Ze wordt zelfs een keer boos als ze zonder condoom hebben gevreeën.

Daarvòòr wordt beschreven hoe Manja verliefd wordt op de deserteur. Hij tracht steeds orde in de chaos van zijn bestaan te scheppen en hamert bij haar op uiterste hygiëne en netheid. Manja heeft dat gevoel veel minder.
(vgl. blz. 16 : Ik voelde me thuis in de chaos die hij zo vurig en met alle hem ter beschikking staande middelen probeerde te bestrijden.
Zo zit hij in zijn woning steeds achter de kakkerlakken aan en beschuldigt hij Manja er vaak van dat ze iets niet goed heeft opgeruimd of heeft laten slingeren. J. is met een vriend naar Nederland gekomen (1992) en zijn vriend, de gokker, is inmiddels weer teruggegaan naar Bosnië. Omdat J. gedeserteerd is, kan hij nog niet terug naar zijn land. Hij wacht op zijn A-status als vluchteling, maar de eigenaar van het opvangtehuis is nogal slordig en bovendien een tijdje afwezig, waardoor hij te laat hoort dat zijn vader op 17 december 1992 in Sarajevo overleden is.

Op het Instituut waar Manja mondjesmaat werkt, vindt men het minder leuk dat ze met J. omgaat: ze heeft haar professionele distantie verloren, vindt men. Manja is dat niet met hen eens. Ze zegt op blz. 34 Ik wilde haar zeggen dat ze het bij het verkeerde eind hadden. Dat ik altijd een waarnemer ben geweest, ongeacht mijn Begeerte. Niettemin wordt ze aan het einde van het schooljaar als eerste ontslagen, omdat er geen lesuren meer voor haar zouden zijn.

Er is op een bepaald moment telefonisch contact tussen J. en een vrouw. Hij wil het niet laten merken aan Manja, maar het is zijn vroegere vriendin in Joegoslavië. Vanaf dat moment gaat Manja ook als waarnemer naar J. kijken. Ze beschrijft in korte zinnen wat hij allemaal doet, als ware ze een schrijfster. J. moet op zijn paspoort wachten.

Pas in 1995 is het zover. Intussen is het kleine stadje Srebrenietsa in handen gevallen van de tegenstanders. Duizenden mannen waren er weggevoerd onder toezicht van de Nederlandse legermacht, maar voor J. was de val de mogelijkheid om terug te keren naar zijn moederland. In het voorjaar van 1996 is het eindelijk zover. Met het vliegtuig gaan J. en Manja naar Sarajevo, een gewonde stad. Hij ontmoet er zijn moeder (zijn vader was immers overleden) en zijn zus Olga, die met een soldaat Spiro is getrouwd en een klein kind, Dinko, heeft. De omstandigheden waaronder ze leven zijn verschrikkelijk. J. had het in Nederland als vluchteling in Nederland aanmerkelijk beter. Manja krijgt van J.’s moeder wat sieraden. De meeste indruk op Manja maakt echter zwager Spiro H. Heviboviets; ze heeft nog nooit een zo intimiderende man ontmoet als hij. Deze personages praten een soort brabbeltaaltje (een mix van Joegoslavisch, Engels en Duits) Spiro heeft in het Bosnische leger gediend en heeft zich daarbij niet onbetuigd gelaten in het maken van slachtoffers, maar in een oorlog zijn andere wetten van toepassing. Nu is hij echter een boodschappensul. J. heeft ronduit een hekel aan zijn onbeschaafde zwager die hij een zwijn noemt. Bovendien voedt hij zijn imbeciele zoon Dinko verkeerd op. Spiro vertelt in een van de verhalen die zijn familie intussen wel kent, dat hij in de oorlog mensen heeft gedood. Manja is wel geïnteresseerd in zijn verhaal. Vlak voordat ze weer teruggaan naar Nederland ontmoet J. een oude vriend met wie gaat zuipen. Manja verneemt dat de vorige vriendin van J. ( die ooit naar Nederland belde) een goedkope hoer geworden is. Tijdens die avond komt Jasmina ook nog opdraven, Manja is niet jaloers want de vrouw ziet er niet echt fraai uit (zo is ze bijvoorbeeld enkele tanden kwijt) Ze is een goedkope hoer die voor een handvol erwten zich laat gebruiken en Manja snapt dat J. hiervoor niet meer gevoelig zal zijn. Hij drinkt verder zoveel slivovitsj dat hij geen seks meer kan hebben die avond.

Daarna vliegen ze terug naar Nederland. J. zal geld sturen uit Nederland, waar hij inmiddels een baan heeft gevonden. De volgende keer dat ze naar zijn moeder gaan, reizen ze per auto. De toestand is helemaal niet verbeterd: Olga en Spiro wonen in een door joden verlaten huis. De moeder van J. heeft ook niet veel meer te vertellen en Dinko is een achterlijk kind dat weinig ontwikkeling doormaakt. Hij kan eigenlijk alleen maar een beetje hameren met een speelgoedhamertje. Spiro wordt door het leger aan het lijntje gehouden: hij is wel in dienst, maar ontvangt geen soldij. J. neemt afstand van alle dingen die hij daar ziet. Hij geeft af op zijn neefje dat vijf jaar oud is en nog in zijn broek poept. (blz.122
Hij doet verwoede pogingen om het ventje iets te leren, maar dat schiet allemaal niet op. Spiro wil iets terug doen en hij nodigt hen uit zijn familie in Herzegovina te bezoeken. Het is allemaal erg afgelegen en ze zijn op elkaar aangewezen. J. vermoedt dat ze het met elkaar doen. Ze eten er het traditionele gerecht van de streek. Ze leven er geheel op “natuurlijke wijze.” Kort daarna vertrekken Manja en J. weer naar Nederland om enkele maanden later weer terug te vliegen naar Sarajevo.

Ze worden opgehaald door Spiro die steeds meer over zijn kwalen begint te klagen. Op kosten van J. en Manja besluiten ze om het houten kruis dat het graf van zijn vader siert te vervangen door een steen met inscriptie. Manja voelt zich een soort sponsor van de familie. Vervolgens vertrekken ze weer naar Nederland. J. blijft weer aandringen op een kind, maar Manja weigert. Het zou immers een kind zijn 'van een deserteur, een ongewenst kind dat gedumpt op de stoep ligt, een kapot kind, een droomkind, een hond, een kat, een vogel, een hompje brood, een plant, een vlieg, een luis, een vlo, een bacterie, een gedachte...' (blz. 151)

Omdat de kleine Dinko met zijn onbehouwen gedrag nogal wat schade aanricht, moeten Manja en J. vaak geld overmaken. In een zomer komt het bericht dat J’s moedert door een verkeerde medicatie in een coma is geraakt. Natuurlijk vliegen ze weer naar Sarajevo.
De ziekenhuisomstandigheden zijn beroerd: familieleden moeten zelf eten brengen en aandringen op behandelingen, maar met de moeder van J. gaat het niet goed. Met cadeautjes (dure geurtjes die Manja heeft meegenomen) is het personeel van het ziekenhuis bereid om wat extra;’s te doen. Dinko doet ook een leuke duit in het zakje door de katheter uit zijn grootmoeder te trekken. Spiro’s moeder maakt van de gelegenheid gebruik om J., te vragen 15.000 euro te dokken voor het uitdrijven van de kwade geest die in Dinko huist. J. wordt daardoor woedend op de familie van Spiro. Hij kookt nog wat bouillon van rundernek voor zijn moeder, die daardoor even lijkt op te knappen, maar kort daarop toch sterft. Ze wordt bijgezet in het graf van zijn vader. Daarvoor moeten wel eerst de beenderen van zijn vader worden opgegraven, want er is destijds geen plek voor twee graven gereserveerd.

Manja denkt na de begrafenis na over het aangedane leed. (blz. 183 Waarom neem ik mijn eigen ervaring toch steeds als uitgangspunt?, dacht ik. Waarom doe ik dat toch keer op keer? Omdat die je dierbaar is, schoot het door me heen. Steeds als je iets voelt, ziet, hoort, proeft, ruikt of waarneemt, weet je ook dat het over jou zelf gaat, en zo moet het wel met iedereen zijn. Ik keen naar Spiro. Ook hij denkt dat zijn eigen ervaring de enige echte en belangrijkste is

Wanneer ze weer terug zijn in Nederland, leest J. een advertentie in de krant waarin handige klusjesmannen worden opgeroepen om naar Srebrenietsa te komen. Manja vindt het goed dat hij erheen gaat. Het lijkt erop alsof hij een schuld ten aanzien van zijn moederland wil inlossen. Ze zal aan het einde van het project naar hem afreizen. J. gaat naar Srebrenietsa.
Manja schrijft denkbeeldige brieven aan J. die ze echter niet verstuurt maar waarin ze doet alsof ze hem gaat verlaten. Na een paar maanden gaat ze hem opzoeken in Srebrenietsa. Er is één kroeg (Venera) en één eethuisje. J. vertelt over de vrouwen in het dorp die nog steeds denken dat hun mannen zullen terugkomen en daarom eten in het bos neerzetten, dat door de honden wordt opgevreten. Op een dag wordt er ook een einde gemaakt aan het leven van de vele zwerfhonden, wanneer de burgemeester een jachtvergunning verstrekt. J. is er erg boos over. In de kroeg Venera zitten mannen te kaartten en op te scheppen over wat ze met de vrouwen gedaan hebben. Manja hoort het gelaten aan.

Daarna gaan Manja en J. terug naar Sarajevo, waar ze Olga en Spiro weer ontmoeten. Spiro denkt dat hij een goede baan gevonden heeft Als colporteur, maar J. vermoedt dat Spiro beetgenomen is door een stelletje zwendelaars. Dinko is nog steeds een vreemd kind dar rare fratsen uithaalt.
Op oudejaarsavond 1999 (de Millenniumnacht als symbool voor een nieuw begin) zitten J. en Manja met een vriend A te drinken, naar porno te kijken en plannen te maken voor de toekomst. Dan barst het vuurwerk los.

Het laatste deel wordt aangegeven met 200-. Manja vertelt:
Ik heb mijn notities afgerond. In de kamer is het koud geworden. De dingen gebeuren snel, maar het kost tijd om het verhaal te vertellen.
“Wat doe je,? zegt J.”
“”Ik maak aantekeningen.”
“Ik verbied het je.”.
Maar wat niet in de boeken staat, is niet in de wereld.
(blz. 252)


Titelverklaring
De titel van de roman is ontleend aan een passage op blz. 202-203. Op een gegeven ogenblik gaan Manja en J. naar een kroeg in Srebrenica waar een groep lachende, rokende, hard pratende jonge mannen zit te kaarten. Hun woorden, althans wat ze ervan meent te verstaan, blijven 'als gloeiende kooltjes' nasmeulen: '"Eerst die kleine, het kleine meisje... (het kleine zwijntje) - mali svinja - toen die oude knol (stari konj). Kurwa, ona... plakat! (Een hoer, zij... janken!) Ali vlazan (maar vochtig)".'

Maar waarschijnlijk moet je de titel breder en symbolischer opvatten en worden met “de spelers” ook de belangrijkste personages bedoeld, die als een soort toneelspelers optreden op het schouwtoneel dat wereld heet.

De aanhef van het boek is immers: (blz. 7) Als kind wist ik niet veel meer van de wereld dan dat je er eindeloos over rond kunt dwalen, al zijn er die beweren dat onze hele wereld een bevlieging is, een zinsbegoocheling die alleen in onze geest bestaat.
J. en Manja, Olga en Spiro zijn de spelers in een chaotische wereld, waarop ze allen proberen vat te krijgen. Het verhaal van Manja is min of meer ook een zoektocht naar haar zelf: op welke wijze sta je zelf als toneelspeelster in die bizarre wereld?.

Thematiek en interpretatie
In “De Spelers”gaat het voornamelijk om drie thema’s.
In de eerste plaats is er de liefde tussen een man en een vrouw van twee verschillende culturen. Zo’n liefde levert vaak problemen op. Manja is vooral in het begin van het verhaal erg aangetrokken door de fysieke kwaliteiten van J. Later wordt dat minder: ze wil geen kind van hem, terwijl J. dolgraag nageslacht wil. De moeilijkheden ontstaan wanneer ze kennis maakt met de door de oorlog beschadigde familieleden van J.

Het Balkanconflict is ook een van de thema’s in deze roman. Op de wijze van een (bijna VN)-waarnemer beschrijft Manja wat er gebeurt in het naoorlogse Joegoslavië. Er zijn natuurlijke enorme tegenstellingen tussen de bevolkingsgroepen ontstaan. Groepen mensen zijn mishandeld en uitgemoord. Maar zelfs als Spiro over zijn oorlogsmisdaden vertelt, is Manja niet degene die hem moreel veroordeelt. Ook de desertie van haar vriend J. veroordeelt ze niet. Manja neemt waar en beschrijft

Het derde thema is dat van het schrijverschap. Manja begint aantekeningen te maken over het gedrag van J. Enkele daarvan staan cursief in het boek afgedrukt. Aan het einde zegt ze dat ze klaar is met het maken van de aantekeningen. Ze vindt het belangrijk dat ze dingen heeft vastgelegd, want wanneer iets niet in een boek staat , is het niet in de wereld opgenomen. De Bosnische oorlog is belangrijk genoeg om in de boeken vermeld te worden. Manon Uphoff heeft door haar privéleven (partner is een vluchteling) een andere kijk op de situatie op de Balkan dan de gemiddelde Nederlander. Daarmee is de roman “De Spelers” maatschappelijk geëngageerde literatuur geworden, waarmee de roman boven het individuele niveau van een liefdesrelatie wordt uitgetild.

Manon Uphoff antwoordt in het eerder aangehaalde interview op Literatuurplein op de vraag . “Het boek komt wel heel dicht bij uzelf. “ Tegelijk zit er ook veel afstand in. Het is in brede zin een onderzoek naar de identiteit van de jonge westerse vrouw. Hoe sta ik als ‘westerse’ tegenover deze situatie? En wat zijn alle gedachten en ideeën die ik eng vind en niet wil toelaten, maar die er wel zijn? De hoofdpersoon Manja is een hard personage. Het is de vraag of dat geaccepteerd wordt. Daar is in de Nederlandse literatuur wel ruimte voor, maar dan alleen in de vorm van ‘spielerei’. Moord en doodslag wordt dan als spel gebracht. Ik neem de zaak wat serieuzer.
[…..]
Mijn ouders hebben de Tweede Wereldoorlog meegemaakt. Ik ben opgegroeid met die bagage. Een composthoop waarop de veiligheid en welvaart werden gebouwd. Ik ben doortrokken van dat besef van veiligheid. De Balkanoorlog was voor mij iets heel erg primitiefs. Heel anders dan de Golfoorlog. Die had meer iets van een computerspel. Die zag er schoon uit. Al was er waarschijnlijk op de grond net zoveel ellende. Een kapot lichaam blijft een kapot lichaam. Of het nu door een mes is of door een op afstand bestuurde raket. Het was voor mij een schok dat in het welvarende Europa de oorlog zo’n gruwelijke vorm aan kon nemen. Heel dichtbij. En omgaan met een man die daar vandaan kwam heeft gevechten opgeleverd. Ik vond dat de primitiviteit meer in hem zat dan in mij.


Beoordeling scholieren.com
“De spelers” is zeker in het begin (eerste kennismaking tussen Jiri en Manja, en het eerste bezoek aan Sarajevo) een interessante roman om te lezen. Het oorlogsverhaal op de Balkan verklaart waarom de personages af en toe zo vreemd reageren. Het zijn de naweeën van een echte oorlog, waarbij bevolkingsgroepen die eerst vreedzaam met elkaar samenleefden, elkaar hebben uitgemoord. Dat deel van de roman is zeker ook interessant voor scholieren van havo en vwo. Maar wanneer je over de helft van het verhaal bent, gebeurt er eigenlijk niet meer zo veel. Na de dood van de moeder van J. zijn er vrij weinig spannende verhalende elementen, waardoor het verhaal als een nachtkaars uitgaat. Het verhaal eindigt misschien wel symbolisch op Nieuwjaarsdag, maar of de zoektocht van Manja naar de zin van het bestaan in de wereld, geslaagd is, wordt niet helemaal duidelijk. Dat is jammer. Je (tenminste ik) slaat het boek met een wat onbevredigend gevoel dicht.

Bovendien moet je van de stijl van Manon Uphoff willen houden. In enkele recensies wordt gesteld dat die stijl van haar over het algemeen niet zo sterk is, in andere wordt ze juist om de stijl geroemd. Opvallend is wel dat Manon Uphoff van stevige metaforen houdt.

Enkele voorbeelden hiervan die vrij willekeurig gekozen zijn:
(blz. 35) Daartegenin J’s stem , eerst nog zacht en bezwerend, maar gaandeweg beverig, tot hij begon te struikelen over zijn eigen woorden, Engels met Nederlands en woorden uit zijn eigen taal afwisselde, waarna ook et meisje half op het Engels overschakelde en hun zinnen begonnen te botsen, zich toen om elkaar slingerden als de ranken van een snelgroeiend gewas, “
(blz. 57) In het plafond zat een spatkrater, de muren hadden kogelgaten. Voor het raam hing een versleten canvas scherm in de kleur van een biljartlaken. Toen het werd opgetrokken was een deel van een berg te zien, die als een kanten mouw was afgezet met witte grafzuiltjes.
(blz. 163) Met een brede glimlach op haar hartvormige gezicht dat met de wijd opengesperde ogen leek op een uil, hield J’s vroegere buurmeisje hem staande in de hal, en begon tegen hem te praten met de hese stem van een marktverkoopster,
(blz. 167) Als een kleine sneeuwstorm warrelde de talkpoeder over het laken.”
(blz. 233) Toen ze vertrokken gingen we zitten op de steen die als een deksel op de aarde lag en waarin nu twee namen gegraveerd waren, en keken uit over de stad, die onder de dofpaarse hemel lag als een fata morgana en ik dacht eraan hoe we hier de keer ervoor hadden gestaan, opeen richel aarde, in de verzengende hitte van veertig graden Celsius.

De roman van Manon Uphoff wil ik wel met 2 punten waarderen op onze literatuurlijst.
Het is een moedige poging om een internationaal conflict binnen de kaders van een roman te vatten. Het zou ook mogelijk geweest zijn om er non-fictie van te maken.

De amusementswaarde voor scholieren is m.i. sterk afhankelijk van de
- Ervaring en belezenheid van de kandidaat
- interesse in de oorlogsproblematiek van de Balkanoorlog


Relevante recensies
Een nieuwe roman van Manon Uphoff wordt meestal in alle belangrijke dag -en weekbladen besproken. Dat gebeurde ook met “De spelers.”

In het NRC van vrijdag 30 oktober is Elsbeth Etty heel kritisch: [….] Observaties van onbeschrijfelijke verschrikkingen, opgetekend door een naïeve buitenstaander met een gouden pen kunnen geweldige, choquerende literatuur opleveren die ons allen een spiegel voorhoudt. Hoe naïef en emotioneel parasitair reageren wij allemaal op veilig leed ver weg? Maar Uphoffs gouden pennetje schiet tekort in deze roman. Ze probeert literatuur te maken van haar eigen verwarring door vrijwel in iedere zin een metafoor te gebruiken (‘En toen was daar die zomer, openbarstend als een rijpe meloen’), maar slaagt er niet in een literaire werkelijkheid te creëren die schokt, ontroert of inzicht verschaft.
Aan het einde van de roman brengen Manja en J. samen met een kennis oudejaarsavond 1999 door in Nederland met porno kijken en lodderige spelletjes. Ook hier is een rijm met Sontag die de komst van het nieuwe millennium vierde met vrienden in Sarajevo. Manja en J. hebben geen enkele vriend in Sarajevo, ze hebben die stad de rug toegekeerd. ‘Misschien is het niet de bedoeling dat we ons thuis voelen in de wereld’, denkt Manja als het vuurwerk is gedoofd. En dat is zo ongeveer de strekking van deze roman over een tragedie die niet de ‘echte tragedie’ wordt waarnaar het personage verlangde, omdat de tragiek het aflegt tegen de geborneerdheid van de ramptoerist.


In Het Parool van 4 november 2009 schrijft ook Arie Storm een niet zo vleiende recensie. Stijl is nooit Uphoffs grote kracht geweest, maar het begin van De spelers is op een bepaalde manier veelbelovend. Dat komt door de wijze waarop ze probeert een nare jeugd glans te verlenen en doordat ze in het ellendige heden vooral oog heeft voor schoonheid, schittering en gloed. 'Ik voelde me thuis in de chaos,' meldt Manja, en haar jeugd, die in enkele zinnen als nogal rampzalig wordt geschetst, ziet ze toch vooral terug in zintuiglijke indrukken als 'knisperende boekenpagina's, de geur van overgekookte melk, een atmosfeer van licht en verwachting als het jaar ten einde liep...'
De gebeurtenissen in het boek lijken hierdoor een uitgesproken literaire aanpak te krijgen, maar die raakt op een gegeven moment volledig op de achtergrond. Dat gebeurt als J. en Manja de in alle opzichten gebutste en ontredderde familie van J. bezoeken in het voormalige Joegoslavië. Het lijkt het verhaal ernstiger te maken, maar juist dan verdwijnt alle literaire spanning als sneeuw voor de zon (om zelf ook maar eens een origineel beeld te gebruiken). Het boek wordt eigenaardig genoeg bijzonder saai om te lezen. Er zit geen stuwende kracht meer in, er is geen enkel verlangen meer bij Manja te bespeuren om er als schrijver iets van te maken; de innerlijke gloed is verdwenen.

'Ik heb mijn notities afgerond,' schrijft Manja bijna aan het einde van De spelers, en zo is het precies - we hebben dan al vele bladzijden saaie notities zitten lezen en geen betoverende roman. De literatuur heeft toch weer verloren.


Jeroen Vullings (Vrij Nederland ) bespreekt op 12 november 2009 de roman als een boek dat geëngageerde literatuur moet geven.
Van Uphoff las ik ooit in een glossy een indrukwekkende getuigenis van haar Bosnië-reis.
Dat ze daar niet uitvoeriger in boekvorm over schreef, lag voor de hand. Weliswaar is ze overwegend een semi-autobiografisch schrijver, maar van engagement gericht op maatschappij en actualiteit heb ik in haar oeuvre vrijwel niets gemerkt. Liever richtte ze zich op de ongewone binnenwereld van haar personages en hun plaats in een even wonderlijke familie.
[……]Juist die speelruimte van de verbeelding, het dwarse en verontrustende fabuleren, is van cruciaal belang voor de schrijver - dat is zijn engagement in zo'n bloeddoordesemde streek waar de feitenjacht van de journalistiek regeert. Terugziend op haar directe confrontatie met de gruwelgeschiedenis in Bosnië, kiest Uphoff de literatuur om rekenschap af te leggen van het belang van de verbeelding. In een roman die ondanks alle Gemis en geweld het leven uitbundig viert.
Kun je het een schrijver kwalijk nemen dat hij die geteisterde gebieden ervaart als Fundgrube, waaruit hij alleen materiaal plukt uit hyperindividualistisch motief? Zonder het toevallige 'project' J. was Manja immers nooit naar Bosnië gegaan. En daar wordt ze, eindelijk, schrijver. Want: 'Wat niet in de boeken is, is niet in de wereld.'

Een dag later wordt het boek door Edith Koenders in De Volkskrant geprezen. De kracht van Uphoff zit in haar volstrekt onsentimentele stijl, nergens kun je haar betrappen op enige teerhartigheid of angst om het slechte en lelijke in de mens en de wereld te laten zien. Moralistisch is ze ook niet, terwijl ze er wel op uit lijkt om gevoelens en gebeurtenissen tot op het bot te ontleden, en woorden te geven. Samen met J. bezoekt ze zijn moeder, zijn zus Olga en zwager Spiro ‘de luitenant-commandant-en-nu-de-veteraan’ en hun zwakzinnige zoontje Dinko. Ze zijn allemaal door de oorlog getekend en slechts schaduwen van zichzelf. Manja windt er geen doekjes om als ze noteert: ‘ja, door jullie zorgen en pijn voel ik weer dat ik leef’, terwijl ze zichzelf ook berispt: ‘waarom neem ik mijn eigen ervaring toch steeds als uitgangspunt?’ […..]Ze heeft iets van een voyeur, ze volgt J. op al zijn bezoekjes, ze brengt uren door in de bedompte huiskamer van zijn moeder, en noteert wat ze ziet, hoort en ruikt. Het broeit in De spelers van de prachtige en zintuiglijke beschrijvingen, al gebruikt Uphoff te veel – soms vergezochte – metaforen, die haar verder zo sterke stijl verzwakken.
J. probeert zijn schuldgevoel te sussen door een poosje als klusjesman te werken in Srebrenica. Manja noteert: ‘hoe meer hij vertelde over de plek en de vrouwen die-alles-verloren-en-nu-niets-meer-te-verliezen-hadden, hoe meer dat alles wegzonk de diepte en duisternis van een vertelling in’.
In De spelers vlecht Uphoff het persoonlijke en politieke zo knap ineen dat de tragiek van de weerbarstige liefde tussen Manja en J. uitstijgt boven het particuliere. J. wil niet dat Manja schrijft, haar rest maar één antwoord: ‘wat niet in de boeken is, is niet in de wereld’.

Marja Pruis schrijft in “ De Groene op 25 november 2009 een boeiende recensie. In het begin is ze wel positief, maar verderop in de recensie is ze minder enthousiast. Uphoffs verteller, Manja, is het alter ego van de schrijfster. Zij is de waarnemer, de schrijver die zich ophoudt in de bosjes, en iedereen, ook haar naasten, begluurt, ontleedt, uitkleedt. Het echte leven als schouwtoneel; de titel van de roman zal daar iets mee te maken hebben. Die indruk van het echte leven dringt zich op, omdat, sterker dan in Uphoffs vroegere werk, er een documentaire lading door de roman heen schemert.[…..] De beschrijving van het begin van hun verhouding is heel sterk. De heftigheid waarmee Manja zich laaft aan zijn lichaam wordt op een of andere manier gepareerd door de koppige volhardendheid waarmee J. zich op de Nederlandse taal stort. Uphoffs geheel eigen vertelstijl, afwisselend ironisch en monter, en dan weer ondoorzichtig en poëtisch, is hier op z’n best. Ook al is niet alles letterlijk écht te begrijpen, de stuwende ondertoon van hitsig verlangen geeft de zinnen een overtuigende urgentie. ‘[…..]Het gebrek aan dwingende en boeiende voortgang van de handeling lijkt Uphoff te willen compenseren met zware literaire bombardementen.
[…..]Naarmate het aantal non-events toeneemt, wordt de toon van Uphoff overspannener. Iedereen en alles lijkt de moeite van het gedetailleerde beschrijven waard: de handen van de kioskhouder, de lippen en billen van de verpleegkundige, de grijns van de doodgraver. Met tot gevolg dat alles even dood als looiig wordt, en uiteindelijk niets meer boeit.
Eventjes vlamt er weer wat hoop op als de vertelster zichzelf expliciet bij de kladden neemt: ‘Ja, door jullie zorgen en pijn voel ik weer dat ik leef…’ Krijgen we nu de introspectie van de eeuwige buitenstaander, de schrijver als verrader? Niet echt. Het blijft bij een intermezzo, en het reisverhaal of wat het dan ook is herneemt zijn stuurloze en onevenwichtige loop. Tot de laatste bladzijde dus. Het is inmiddels 200-, de schrijfster heeft haar notities afgerond. J. vraagt waar ze mee bezig is. ‘Ik maak aantekeningen.’ Hij: ‘Ik verbied het je.’ De schrijfster kiest echter voor de eeuwigheid. Haar object heeft het laatste woord: ‘Waarom heb jij mij nutteloos gemaakt?’
Een goeie vraag, een pijnlijke vraag ook. Het feit dat ik daarover nog steeds zit na te denken, neemt me alsnog voor dit project – dat een adequatere benaming voor De spelers lijkt dan roman – in.


Over de schrijfster en eerder gepubliceerde werk
Bron: website schrijfster
Manon Maria Uphoff werd geboren op 20 december 1962 als het negende kind van Petrus Elizius Hendrikus, ‘Piet’, Uphoff en het zesde kind van Antoinette Steenwijk. Toen haar ouders trouwden, vlak na de oorlog, had haar vader uit zijn eerste huwelijk al vijf kinderen en haar moeder (geboren in 1925) twee. De vader (geboren in 1913) kwam zelf ook uit een groot, katholiek gezin. Hij had een opleiding tot priester gevolgd, kreeg later een kantoorbaan, maar was in wezen een kunstenaar: hij schilderde. De moeder van Manon was enig kind, werd vermoedelijk bij geboorte verwisseld, groeide op bij haar mentaal achtergebleven moeder en werd in feite opgevoed door haar grootmoeder. Een vader heeft zij nooit gekend.
Aan het begin van hun huwelijk was het ‘nieuwe’ gezin straatarm. Manons vader werd nadat hij zijn eerste vrouw had verlaten door zijn baas, zijn ex-schoonvader, ontslagen. De vader is zelfs een tijdje gedetineerd geweest wegens ‘creatief boekhouden’, en verwierf daarna maar traag weer een maatschappelijke positie. Toch stichtte hij opnieuw een groot gezin en, zo staat in Koudvuur te lezen, ‘verspilde zijn zaad niet op de rotsen’. Manon werd acht maanden geboren nadat haar broertje Edwin in de straat door een vrachtwagen was overreden. Die gebeurtenis heeft haar jongste jeugd en de opvoeding van haar ouders sterk bepaald. Na Manons geboorte volgden nog een broertje en een zusje. De meeste kinderen, dertien in totaal, groeiden op in een bescheiden bovenwoning in de Damstraat, een winkelstraat in de Utrechtse wijk Lombok. ‘Wie uit een grote familie komt,’ staat er in de roman Gemis, ‘kent de haast tijdens het opscheppen van het eten, het in elkaar verstrikt raken van lichamen en het gevecht om het woord.’
Het gezin Uphoff was chaotisch, arm, en werd gekenmerkt door grote verschillen op alle gebieden. De oudere zonen van de vader waren zakelijk succesvol, terwijl de oudere dochters van de moeder geen enkele opleiding hadden genoten en al snel leefden van de bijstand. De eerste zoon die Manons ouders samen kregen was verstandelijk gehandicapt en manisch depressief. Zijn liefste plek was onder de jassen aan de kapstok. De kinderen ontwikkelden bijna allemaal neuroses en fobieën, leefden, in een ‘glazen universum’. Het was, zo schreef Uphoff later in een brief aan haar uitgever, ‘één groot verrukkuluk samenzijn, vol dreigingen met zelfmoord, nu en dan zelfs pogingen daartoe, uitbarstingen, hartstochtelijke ontboezemingen en verstoord grensbesef. Daar zijn we voor behandeld, maar het helpt niet.’

Manon ging aanvankelijk naar de school met den bijbel in de straat – vooral vanwege de veiligheid, haar broertje was immers bij het oversteken verongelukt – en later naar een katholieke school verderop in de wijk. Al vroeg begon zij te tekenen en schrijven. Voornamelijk gruweltekeningen en gruwelteksten. ‘De wond’ is de titel van haar allereerste verhaal – dat is opgenomen in Schaduwvlammen. Alle verhalen tot vandaag. In 1974 verhuisde het gezin, waarvan de meeste inmiddels niet meer thuis woonden, naar een van de eerste nieuwbouwwijken in Nieuwegein. ‘De modelwijk,’ zo staat in Gemis, ‘waarin wij als eersten onze intrek namen, lag tussen de dorpen R. en S. De dorpelingen haatten ons. [..] Ik kon niet aarden. Ik keek naar het landschap, in de hoop iets te zien wat mijn oog plezier deed. Maar het bestond – op de borden na – uit weinig meer dan plakken drassig gras en waterlinten, vaag en rudimentair als de gesso-ondergronden op mijn vaders schilderlinnen.’
Manon bezocht een aantal jaren de gymnasiumafdeling van het Bonifatius College in Utrecht, maar werd daar na ernstig wangedrag en veelvuldig spijbelen weggestuurd. Vervolgens zat ze een tijdje op het Cals College in Nieuwegein, maar ook daar hield zij het niet vol. In 1978 ging zij niet meer naar school en verhuisde naar Groningen, mede vanwege het feit dat zij ernstig aan anorexia leed. Nadat ze vergeefs had geprobeerd tot de kunstacademie te worden toegelaten, keerde ze terug naar Nieuwegein en maakte haar middelbare school af. Vanaf haar zestiende woonde Manon ‘op kamers’. Ze volgde het eerste jaar van de Hogeschool voor de Kunsten - toen nog: Academie voor Expressie door Woord en Gebaar – maar maakte die opleiding niet af. Daarna volgde ze aan de lerarenopleiding aan de Utrechtse Hogeschool de vakken Nederlands, Engels en Tekenen. In 1987 ging ze aan de Rijks Universiteit Utrecht literatuurwetenschap studeren. In hetzelfde jaar werd haar eerste en enige dochter geboren, Iris.
De eerste jaren na de geboorte van haar dochter, die zij alleen opvoedde, gaf Uphoff les aan het ROC in Utrecht en schreef intensief verhalen. Haar eerste stap in de literatuur was de publicatie van het fameuze verhaal ‘Poep’ (tevens opgenomen in Joost Zwagerman’s anthologie van de beste korte verhalen uit de Nederlandse letteren) in 1994 in het literaire tijdschrift De tweede ronde. Een jaar later, in 1995, verscheen haar debuut, de verhalenbundel Begeerte, bij Uitgeverij Podium. De bundel werd zeer enthousiast onthaald en kwam op de shortlist van de AKO Literatuurprijs. Sinds die tijd wijdt Uphoff al haar tijd aan haar schrijversschap en volgden in gestaag tempo de roman Gemis, de bundels De fluwelen machine, Hij Zegt Dat Ik Niet Dansen Kan, de novellen De vanger en De bastaard en de verzamelbundel Alle Verhalen. In 1994 werd Uphoff redacteur van het literaire tijdschrift De Revisor en begon zij haar werk te publiceren bij De Bezige Bij. In 2005 publiceerde zij daar de roman Koudvuur en in 2007 een nieuwe, aangevulde editie van haar verzamelde verhalen, Schaduwvlammen, alle verhalen tot vandaag.

Het oeuvre van Uphoff wordt gekenmerkt door een grote beeldende kracht. Haar zinnen zijn scherp, mooi en plastisch. Vaak hebben haar verhalen iets sprookjesachtigs, al blijken het, naarmate de verhalen vorderen, steevast boze sprookjes. Haar allereerste verhaal, ‘De wond’, dat ook is opgenomen in Schaduwvlammen, vormt daarvan al het bewijs. Uphoffs literaire universum is, net als dat van Willem Frederik Hermans, ‘sadistisch’. Betoverend, maar gevaarlijk. Helder en duister tegelijk. De verhalen van Uphoff verschillen daarin niet van de romans, die overwegend autobiografisch zijn geïnspireerd. Ook in het leven van de jonge Mara uit Gemis en Ninon uit Koudvuur is de dreiging immer voelbaar, hoe fraai Uphoff hun bestaan zich ook laat ontrollen. Door de literaire kritiek is het werk van Uphoff altijd hoog geprezen. ‘Wat een hartstocht, gevoeligheid en beschrijvingskunst,’ schreef NRC Handelsblad.
In 2002 gaat de eerste C.C.S.Croneprijs naar Manon Uphoff. Een tweejaarlijkse literaire oeuvreprijs van de stad Utrecht.
Latere winnaars zijn Ronald Giphart (2004) en Arthur Japin (2006).
Manon Uphoff woont vanaf 1992 in Utrecht en reist sinds die tijd regelmatig heen en weer tussen Nederland en voormalig Joegoslavië. De ervaringen van die jaren vormden de inspiratie voor haar meest recente roman De Spelers, die in oktober 2009 bij De Bezige Bij verscheen.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.