CASA Nederland en Scholieren.com reiken dit jaar de CASA Werkstuk Award uit. Het allerbeste werkstuk wint een reis voor 2 personen t.w.v. €500, een snuffelstage en eeuwige roem! Dit jaar is het thema abortus. De redactie bedacht alvast 13 invalshoeken, klik hier en stuur je werkstuk op.

geef je mening

Tjeerd pleit tegen internetdaten. Heb jij al eens een date (of meer) gehad met iemand die je online leerde kennen?



» resultaten poll

ff n studiebreak

Meiden, laser je binnenste schaamlippen lekker weg joh. Want je vriendje wil een playboypoesje.

Geschreven door:

Kees van der Pol (Docent) [meer]

Datum ingestuurd:

1 februari 2009

Taal:

Woorden:

2.450

Bekeken:

2937 keer (22 deze maand)

Waardering:

4.3/5 (11 stemmen)

Deel op:

Naam:


Klas/niveau:


E-mail:


Bericht:


Bestemd voor

Geheime code: 


 


Gebruikte editie voor het boekverslag
Gebruikte druk: 4e
Verschijningsdatum eerste druk: november 2008
Aantal bladzijden: 52
Uitgegeven bij: Van Oorschot

Genre
“Toen ik dit zag” is een gedichtenbundel van Rutger Kopland.

De aangeleverde flaptekst
Met zijn nieuwe dichtbundel Toen ik dit zag, de eerste in vier jaar, zet Rutger Kopland dát voort waaraan hij zijn faam te danken heeft: het in kaart brengen van de ruimte tussen onszelf en wat wij waarnemen.
Zoals bekend raakte Rutger Kopland eind 2005 betrokken bij een auto-ongeluk, waarvan hij gelukkig herstelde. Niettemin maakte deze gebeurtenis een diepe indruk op hem. Het zal zijn vele duizenden bewonderaars dan ook niet verbazen dat hij in zijn nieuwe, veertiende, bundel des te sterker aandacht heeft voor wat zijn latere werk kenmerkt: proberen de wereld te zien zoals deze zijn kan zonder dat wijzelf er zijn.
In een nauwkeurige schouwing van jeneverbes, merel, nacht, roeiboot en vertrouwde tuin wikkelt Kopland kluwen af van hetgeen hij ziet totdat er een ware gedaante is. In een detailstudie van de koe, naar aanleiding van een serie schilderijen van zijn broer Jaap, komt de lezer steeds dichter bij de dag en de avond zoals die kan zijn in de ogen van dit dier. En kijkend naar Rembrandts beroemde schilderij van zijn peinzende zoontje Titus legt Kopland het moment vast waarop Titus denkt aan iets dat niet geschreven kan worden. Hij verlaagt het tempo van de lezer, waardoor diens blik zich verdiept en waarmee hij zijn ruimte vergroot.


Gesprek

Ze kijkt me vragend aan
je zwijgt zegt ze en waarover

inderdaad waarover zwijg ik
en ik begin te zoeken naar
een antwoord

ik kijk voorbij haar gezicht
naar de muur en van de muur
naar het raam en van het raam
naar mijn handen in mijn schoot
en weer terug naar haar gezicht

ze kijkt mij nog steeds aan
ik hoor de stilte in haar kamer

ik zou willen zeggen dat ik zwijg
over mijzelf want ik weet niet
wie dat is




Structuur van de bundel
De bundel bestaat uit drie delen:
1 Toen de nacht: 12 gedichten
2 Koe: 6 gedichten n.a.v. schilderijen van de broer van de dichter
3 Aan het grensland: 10 gedichten
In totaal staan er dus 28 gedichten in de bundel.

Type gedichten
Rutger Kopland schrijft altijd modernistische gedichten.
Die worden gekenmerkt door:
- onregelmatige strofenbouw
- onregelmatige verslengte
- het ontbreken van interpunctie
- geen eindrijm
- veel enjambementen
Daarbij komt dat de gedichten van Rutger Kopland meestal vrij kort zijn.

De aanleiding voor het verschijnen van de bundel
In 2005 kreeg de dichter een hartaanval, waarna hij in een auto-ongeluk betrokken raakte. Hij werd zwaargewond naar het ziekenhuis gebracht en moest revalideren. Ook mentaal gezien moest hij bijkomen in de inrichting waarvan hij vroeger de leiding had. Dat werd dus een pijnlijke confrontatie met het leven. Afscheid nemen (toch al geen onbekend motief in het oeuvre van de dichter) staat dan ook in een aantal gedichten centraal.

Bespreking en samenvatting van de inhoud van de bundel
In het eerste deel beschrijft Kopland in zijn gedichten dingen (bomen, boerderijen, dieren) die er niet meer zijn. Het afscheid moeten nemen van de dingen, het afwezig zijn in een wereld is een veelvuldig voorkomend motief. De dichter observeert de natuur, neemt waar en kijkt. In deze bundel komen de werkwoorden “zien” en kijken” dan ook herhaaldelijk voor.

In het eerste gedicht “De rode beuk “ luidt het

“[….] Hier staat de rode beuk
hij ziet en hij hoort ons
en is ons vergeten

Hier staat de rode beuk
voor hem is het altijd altijd
en hier is het nergens.


Simpel gezegd: de beuk is er langer dan de mensen die naar hem kijken. Hij trekt zich weinig aan van wat de mensen doen en vinden.

In het volgende gedicht “Verdwenen esdoorn” overleeft de esdoorn ook al de tijd, omdat de dichter hem in zijn gedachten kan oproepen.
[…]nu is hij weg –ik zie hem
alleen nog voor me
als ik aan hem denk

als ik door de ruimte kijk
boven de lege plek
waar hij leefde


Bomen die doodgaan maar vaak wel de mens overleven, zijn natuurlijk een veelgebruikte poëtische metafoor voor het afscheid nemen. Maar je kunt bij wijze van spreken jaloers zijn op de bomen: die zijn tijdloos, trotseren de tijd en trekken zich niets aan van de mensen die naar hen kijken. Zij zijn er nog als de mens al afscheid heeft moeten nemen…

Zo’n gevoel van weemoed en afscheid komt ook terug in het gedicht “Boerderij. “ Met alweer een vruchtboom in de tuin, die “een beetje heeft gebloeid.

Wat zag ik toen ik bleef staan
en bleef kijken naar hoe
de boerderij daar stond

wat vertelde mij dat ze daar
langzaam stond weg te gaan
dat ze voorgoed verlaten was

ze stond daar in haar tuin
met een oude vruchtboom
die nog een beetje gebloeid had

er was een grazig weiland
er stroomde een vredige beek
de wereld was nog als toen

ik denk dat ik zag
wat ik voelde


En in het daarop volgende gedicht denkt de dichter met weemoed terug aan de “Oude geit
[….] ze is het geitje
dat ik als kind heb gekend
maar ze is oud geworden- mager en stram
met een verre blik in haar gezicht

en altijd als ik dit schilderij zie
denk ik: hier zie ik wat afscheid is.


De dichter beschrijft hier wat hij ziet, als hij naar het gelijknamige schilderij van Jan Mankes uit 1912 kijkt. Dat beschrijven van weemoedige gevoelens bij het kijken naar schilderijen is ook al een terugkerend motief in de gedichten in deze bundel.

Dat doet Kopland bijv. in “Titus aan zijn schrijftafel” (een schilderij van Rembrandt uit 1665) Rembrandt laat zijn zoon aan de schrijftafel zien die wacht met schrijven. We kijken naar iets wat niet geschreven kan worden. Is het misschien een verwijzing naar de problematiek waar de dichter Kopland zelf mee heeft geworsteld: het niet op papier kunnen krijgen van de woorden waarmee je een gedachte wil uitdrukken. Spreekt het schilderij hem daarom zo aan?

Ook in “ Zelfportret als apostel Paulus” (eveneens van Rembrandt) is ene schilderij het onderwerp van een gedicht. Rembrandt beschrijft zich zelf als de Apostel Paulus en Kopland ziet in de blik van de schilder het volgende:
[….] dan krijgt het iets peinzends- met een zweem
van meewarigheid, van twijfel
van milde spot

maar misschien is het ook teleurstelling
de melancholie van een man die in zichzelf kijkt
en ziet hoeveel er voorbij is

was dit het wat hij zag?


Het gevoel van de schilder bekruipt hier ook de dichter Kopland: is dit het nu allemaal het leven?

De zin van het bestaan in al haar proporties komt ook terug in het prachtige gedicht “Park “

We wandelden tot aan de oever
van een vijver – daar stonden we
te luisteren en te kijken

We hoorden de geluiden van de stad
maar het was alsof we daarachter
een grote stilte hoorden.

We keken in het water en zagen
ver voorbij de kruinen van de bomen
de lege hemel in de diepte.

We liepen terug en wisten waar
we voor gekomen waren.

Mijn inziens beleven de dichter (en zijn wandelpartner) hier een nieuwe ervaring van het scheppingsverhaal. Het lopen naar de vijver (luisteren en kijken) De grote stilte die ontstaat, het in de verte aanschouwen van een lege hemel en het weten waarvoor je op mens op aarde bent gekomen. Het is een simpele levensles: het genieten van de stilte, dat kan al voldoende zijn. Dat kan ook de essentie van poëzie zijn: “Wat is poëzie”

[….] de trein is voorbij en uit de verte
nadert ons langzame stilte

is er zoiets als een stilte die
kan naderen denk ik


In deel II schrijft Rutger Kopland zes Koe-gedichten (I t/m VI) waarvoor hij de inspiratie vindt in de schilderijen die zijn broer heeft geschilderd. Afbeeldingen van de schilderijen staan in rood/zwarte kleur in deze bundel.

“Koe I “

Haar kop is verschrikkelijk dichtbij mijn gezicht
haar ogen kijken in de mijne maar ik weet niet
of zij mij ziet –het is alsof
zij alleen ruimte ziet alsof ik alleen
de ruimte ben waarin wij staan
heel dichtbij is ze, en ik ben niets


Ook hier zien we het motief dat de natuur (in dit geval de koe) zich niet aan de mensen stoort. Hij kijkt als het ware door de mens heen alsof hij niet bestaat. Simpel gezegd: het zal de koe worst zijn dat er mensen naar hem kijken. Hij heeft immers geen besef van tijd zoals de mens. Dat betekent wel iets voor het ego van de dichter.

Het observeren van de koe en van wat de koe ziet, loopt als een rode draad door de zes gedichten van deze cyclus. In “Koe VI” wordt het dan:

je weet niet meer wat
je ziet - het is misschien
wat overblijft van een koe
van een koe in de avond
een donker vermoeden van
de zwarte rug de zwarte kop
de vlekken uit de rozerode hemel
het einde van een dag
van een koe


In deel 3 heeft Kopland gedichten opgenomen die vooral na het ongeluk dat hem overkwam geschreven zijn. Dat de dood hem op de hielen heeft gezeten, kan blijken uit het gedicht

“De dokter.”
“De dokter keek op mij neer
ik zag zijn gezicht boven het mijne

ik zag wat hij dacht
dat ik dood kon gaan- zo keek hij
terwijl hij luisterde aan mijn borst

hij keek mij aan met een blik
- hoe kan ik dat zeggen – een blik
voorbij mijn gezicht- een blik naar iets
achter mij iets verwegs
alsof hij in de toekomst
probeerde te zien

Hij keek me aan en hij zei
hier mag u niet blijven
ze komen u halen.


Een niet al te lastig te begrijpen gedicht. De dokter meent al iets te weten, wat de dichter nog niet weet. Is hij gewoon de aankondiger van het ontslag uit het ziekenhuis of is hij de veerman Charon die al weet wat er tussen leven en dood voor de dichter in het verschiet ligt ?

In de twee gedichten “De tuin” die daarna volgen, keert Kopland na zijn ziekenhuisopname terug naar huis. Wat hij ziet, is dat de tuin niet veranderd is. Dat is hetzelfde motief als in deel 1 voorkomt. De natuur trekt zich nu eenmaal niets aan van de mensen in wiens buurt ze leven. De dichter had waarschijnlijk gehoopt dat de tuin treurig zou zijn, omdat zijn “baasje” er niet was gedurende enige tijd. Dat hij dan verdrietig zou zijn en misschien wel zijn bladeren had verloren, maar nee, de tuin is gewoon doorblijven gaan met leven.
[…..]
er is niets gebeurd zegt de tuin in het raam
de bomen, de vogels, de zacht waaiende
struiken, het gras, het bleef allemaal zijn
wat het was, er is geen verleden hier
wat er gebeurde in deze tuin “


De tuin zegt eigenlijk: je was er niet, je was tijdelijk afwezig, maar “de wereld draait gewoon door.” Is het een beetje een gevoel van zelfmedelijden van de dichter?
Zoals in het gedicht “Roeiboot”waarbij hij naar een ansichtkaart kijkt waarop zo’n roeiboot is afgebeeld.
[…..]
zo moet het altijd te zien zijn geweest
een boot wachtend op zijn roeier

er is gedacht dat wij ooit zouden worden
gehaald en worden gevaren
naar een verre overkant

daarom


Is ook hier het verlangen naar / de angst voor de dood te zien in het beeld van de roeiboot die naar de andere kant moet worden gevaren. De overzijde van de dood met de roeiboot van alweer Charon. Wanneer word je gehaald ?, zou de gedachte van de dichter kunnen zijn, toen hij in het ziekenhuis belandde.

De bundel besluit met drie gedichten “Aan het grensland”
Hierin spreekt de dichter zijn wens uit dat hij zou mogen weten wat er aan de andere kant van het “grensland” is. Ook hier is de zin van het bestaan weer een terugkerend motief. Hij denkt in het eerste gedicht aan 1 Korinthië 13 (Bijbelboek uit het Nieuwe Testament waarin over de betekenis van de liefde wordt gesproken. Je bent immers als mens niet veel wanneer je de liefde niet hebt gekend.)

Je kijkt in je hoofd en daar ligt het land
waar je vandaan komt en nooit meer naar terugkeert
je ziet de psalm uit je jeugd met de weiden
de waatren het vee- ja want dit is het grensland

daarachter moet het zijn wat er was voor je er zelf was
het onzichtbaarste het vroeger dan vroegste
je verlangt naar een wat naar een waar
iets misschien iets dat je nooit hebt begrepen

je leest bij Pessoa: het is vreemder dan alles
wat vreemd is dat de dingen werkelijk zijn

wat ze lijken te zijn en dat er niets
valt te begrijpen


In ‘Aan het grensland 3’ kijkt de dichter opnieuw naar het land dat hij het grensland noemt en zegt je weet dat dit land voor niemand bedoeld is. Ineens lijkt hij het geheim van de wereld te kennen (hij citeert dan Oscar Wilde)

[…] je leest: dit uitzicht is het geval
en: het geheim van de wereld is het zichtbare

niet het onzichtbare


En oplossing van het grote geheim waarnaar de dichter in al zijn bundels op zoek is geweest: nl. de zin van het bestaan, de zin van taal, de zin van het mens-zijn, de zin van de liefde. Het geheim ligt gewoon in het zichtbare der dingen. Wanneer de lezer het kleine bundeltje dichtslaat, zal hij daar zeker nog eens over nadenken.

Waardering van scholieren.com
Een kleine maar fraaie bundel moderne gedichten die de thematiek van Rutger Kopland aan het einde van zijn leven in heldere taal en prachtige metaforen goed weergeven.
Heel geschikt voor poëzieliefhebbers van vwo, die immers een bundel gedichten op hun lijst moeten plaatsen.
Rutger Kopland valt hun aan te bevelen.

Over de schrijver en zijn eerder gepubliceerde werk
Bron: website uitgever
Rutger Kopland is de schrijversnaam van de psychiater R.H. van den Hoofdakker (1934). Van den Hoofdakker was hoogleraar aan de Rijksuniversiteit Groningen. Als onderzoeker en behandelaar hield hij zich persoonlijk vooral bezig met de betekenis van de slaap en de biologische klok voor het emotionele leven van zowel gezonde als psychisch gestoorde mensen. Daarbij werkte hij ook als psychotherapeut. Behalve artikelen en hoofdstukken in wetenschappelijke tijdschriften en leerboeken schreef hij ook essays over psychiatrie in de algemene maatschappelijke context. Een aantal van deze stukken werd opgenomen in De mens als speelgoed (1995) en in Twee ambachten (2003).

Als Rutger Kopland publiceerde Van den Hoofdakker dertien gedichtenbundels. Hij debuteerde in 1966 met Onder het vee, zijn meest recente bundel is Een man in de tuin, die verscheen in het najaar van 2004. Kopland schreef daarnaast literaire essays: Het mechaniek van de ontroering (1995) en Mooi, maar dat is het woord niet (1998). Al jaren behoort Kopland tot de meest gelezen dichters in ons land. Bloemlezingen uit zijn werk verschenen in onder meer in Engeland, Finland, Frankrijk, Ierland, Israël, Italië, Noorwegen, Polen en de Verenigde Staten; bundels in het Duits en Italiaans zijn in voorbereiding.
In 1999 en in 2001 ontving Van den Hoofdakker / Kopland eredoctoraten van respectievelijk de Universiteit voor Humanistiek en de Rijksuniversiteit Utrecht, in beide gevallen voor de combinatie van zijn verdiensten op wetenschappelijk en literair gebied. In 1988 ontving de dichter de P.C. Hooft-prijs voor zijn oeuvre en de VSB Poëzieprijs 1998 voor zijn bundel Tot het ons loslaat.
In 2006 verschenen zijn Verzamelde gedichten ter markering van zijn veertigjarig dichterschap.

Dit verslag is bedoeld als naslagwerk, niet om plagiaat mee te plegen. Gebruik geschiedt op eigen risico. De verslagen op Scholieren.com zijn ingestuurd door middelbare scholieren (tenzij anders vermeld) en worden niet gecontroleerd op fouten. Heb je in dit verslag een fout gevonden of heb je een aanvulling? Laat het dan weten door een reactie te geven.