Info over dit verslag

Geschreven door:

Kees van der Pol [meer]

Kwaliteit:

Waardering:

Taal:

Nederlands

Woorden:

4110

Opvragingen:

78

Hulpmiddeltjes

Openen in tekstverwerker Openen in tekstverwerker

Printen Printen

Emailen Emailen

Waardering

Gemiddelde waardering: 5 uit 5 (2 stemmen)

Heb je er iets aan gehad? Geef zelf je waardering:
Erg goed bruikbaar
Goed bruikbaar
Bruikbaar
Een beetje bruikbaar
Niks aan gehad

Titels van Jaap Scholten

Laatst gewijzigd op 12 mei 2008


Gebruikte editie voor het boekverslag
Gebruikte druk: 1e
Verschijningsdatum eerste druk: mei 2008
Aantal bladzijden: 267
Uitgegeven bij: Uitgeverij Contact te Amsterdam

Beschrijving voorkant
Op de cover staat de afbeelding van een herkenkop met gewei. Een deel van de inhoud van de roman gaat namelijk over jagen als passie.

Genre van het boek
Het is een psychologische roman voornamelijk over de verhouding tussen twee broers van wie de oudste aan kanker sterft.

De aangeleverde flaptekst
In De Wet van Spengler vertelt Frederik het verhaal van de vijf Spengler-broers, die hun vroege jeugd in armoede doorbrengen in een vijandig rooms provinciestadje ver van alles en iedereen. Tot het moment dat zij door hun moeder op de trein worden gezet en naar het landgoed van hun grootouders reizen, een ongekend Xanadu. Ze komen terecht in de verdwijnende wereld van ouderwetse grootindustriëlen. De schilderlerares van grootvader geeft in een waas van laudanum negus - warm en zonder suiker - haar montere kijk op de zaken: ‘Zoals de ene familie nu eenmaal stouter is dan de andere, zo is de ene familie ook veerkrachtiger dan de andere...’ Die veerkracht blijkt jaren later - ze hebben zich inmiddels over de wereld verspreid, Frederik heeft zich in Roemenië gevestigd - wanneer de oudste Spengler-broer ernstig ziek blijkt en de vijf broers weer moeten zijn wat ze eigenlijk het liefste zijn: strijdbroeders.
De wet van Spengler is de excentrieke familiegeschiedenis van de Spengler-broers, maar bovenal is het een monument voor de oudste van hen.
 

Interview met de schrijver
In De Pers van 28 april 2008 wordt een interview afgedrukt met Jaap Scholten over zijn nieuwe roman.

Acht jaar na Morgenster is er eindelijk een nieuwe Jaap Scholten: De Wet van Spengler. ‘Ik laat het leven nogal eens prevaleren boven de literatuur.’
Vijf jaar geleden, tijdens een interview vlak voor zijn verhuizing naar Hongarije, drukte hij me tijdens een interview een op oud bruin papier gedrukt ‘visitekaartje’ in de handen. In sierlijke letters stond daarop geschreven: ‘Momenteel werkt JF Scholten aan de voltooiing van Sweetheart of the rodeo, een liefdesgeschiedenis.’ Scholten (44) kan nu hard lachen om dat gebaar. ‘Oh ja, inderdaad. Waar is Sweetheart gebleven hè? Het is een novelle geworden, 100 pagina’s in mijn computer, maar ik vond het niet goed genoeg. Die vrouw waar het over ging was niet geloofwaardig. Ik voelde geen passie, ze was bleek, van bordkarton.’
Hij spreekt behoedzaam en lijkt ieder woord op een gouden weegschaaltje te leggen, om vervolgens met heldere statements te komen. Zoals deze: wil er een volwaardige roman uit zijn vingers komen, dan moet Scholten van zijn personages houden. En dus greep Scholten terug naar de vijf Spengler-broers uit Tachtig! (1996), zijn goed ontvangen debuut. ‘Ik had gewoon nog heel veel te vertellen over die familie.’
Net als die debuutroman vertoont De Wet van Spengler (uitgeverij Contact) weer opvallend veel parallellen met Scholtens eigen leven. Hoofdpersoon Frederik (Scholtens tweede naam) en zijn vier broers komen uit een vermogende Twentse textielfamilie, net als Scholten zelf. Frederik is met zijn vrouw Gabriella verhuisd naar Roemenië, waar ze met hun drie zoons een nieuw leven beginnen, zoals Scholten dat vijf jaar geleden met vrouw en zoons begon in Hongarije. Frederik vult zijn dagen met het opknappen van hun huizen, tot zijn leven plots in het teken komt te staan van zijn oudste broer Julius, die een tumor in zijn hoofd blijkt te hebben.
Scholten schreef het overgrote deel van de roman na de zomer, waarin zijn broer Jan Willem aan kanker overleed. Hij droeg de roman aan zijn oudste broer op. ‘Ik moet dicht bij mezelf blijven. Wat soms lastig is, want ik ben veel te keurig opgevoed. Als schrijver moet je soms rücksichtslos durven zijn - en ik pas nogal eens zelfcensuur toe, wil de mensen om me heen vooral niet kwetsen.’ Het was dan ook niet meer dan logisch, dat hij zijn broer om toestemming vroeg dit verhaal te schrijven, benadrukt Scholten. ‘Hij was de ultieme autoriteit. Als hij het niet gewild had, dan was het een andere roman geworden, een ander soort familiegeschiedenis. Zo’n amateur ben ik ook wel weer.’ Gelukkig heeft zijn broer sommige delen van de roman nog kunnen horen. ‘Hij vond het prettig om voorgelezen te worden. Dan lag hij op de bank en ging ik naast hem zitten. Het helpt mij om een roman voor iemand te schrijven, dat heb ik nodig om me ergens op te storten.’
Hoewel hij er naar eigen zeggen nooit onrustig van werd dat er jarenlang geen opvolger kwam van Morgenster (2000), is hij blij met De Wet van Spengler. ‘Dit is mijn vorm en dat ik die in een paar maanden vond en doorschreef, stemt blij. Het is niet zo dat ik de afgelopen acht jaar niets heb gedaan, er moesten twee huizen verbouwd worden en ik schrijf een column voor het NRC, maar het echte zitten voor een roman... Het leven is zo aantrekkelijk, dat laat ik vaak prevaleren boven literatuur.’ En dat aantrekkelijke leven blijft hij misschien wel voorgoed leiden in Hongarije. Voor De Wet van Spengler was zijn verblijf daar in ieder geval heel goed: ‘Ik denk dat het makkelijker is om over een wereld te schrijven als je er zelf niet in zit. Dat je ook een groot verlangen naar die wereld hebt. Ik koester Twente als ik in Hongarije ben, die liefde zie je terug in mijn roman.’ Dat is ook zijn grootste kracht, vindt Scholten, dat hij, als hij maar wil, met liefde ergens over kan schrijven zonder al te ingewikkeld te doen. ‘Een plot interesseert me nauwelijks. Veel boeken zijn te bijdehand, die zijn na een paar pagina’s niet meer interessant. Ik heb liever de ziel dan het intellect. Alles dat met liefde is gemaakt, levert iets mooiers op, of het nu een vogelhuisje is of een boek.’ Scholten lacht hard: ‘Ik heb dit allemaal tijdens het schrijven van De Wet bedacht hoor, dus wie weet achterhaalt deze theorie zich binnen de kortste keren. Misschien kom ik er wel achter dat ik net genoeg passie heb voor een boek in de acht jaar!’


Titelverklaring
In deze roman schrijft Scholten over de welgestelde, industriële familie Spengler: het gaat om hun levenswijze, hun rituelen en hun moraal en zeden. De wet van Spengler is ook dat je je mannetje staat wanneer het erop aankomt. Dat is o.a het geval wanneer de broertjes voor elkaar op komen wanneer ze in Frankrijk aangevallen worden door een stel lokale raddraaiers.

In de “Proloog”staat op blz. 14 : In moeilijke situaties was er ineens die verbondenheid en intensiteit met mama en mijn broers, waar we gewoonlijk als een stel autisten bij elkaar hadden gezeten en het ophalen van vechtpartijen het intiemste was waartoe we in staat waren. We begonnen pas te functioneren in tijdens van oorlog. We waren gemaakt voor de waanzin. Eindelijk kwamen wij, moeder en haar zonen, pas in leven als de noodtoestand was afgekondigd.


Structuur en/of verhaalopbouw
Er is een korte proloog. Daarna wordt het boek verdeeld in twee delen.
Deel I Masray, 1970 (blz. 15-93)
Deel II Boekarest, 2006 (blz. 97-269)
De beide delen zijn onderverdeeld in korte hoofdstukken van gemiddeld 3 à 4 pagina’s. Dat maakt het lezen vrij gemakkelijk, maar het geeft vooral deel I een wat fragmentarisch karakter. Het eerste deel gaat voornamelijk over de jeugd van de hoofdfiguur. Het tweede deel heeft als inhoud de ernstige ziekte waaraan zijn oudste broer lijdt, wat tenslotte lijdt tot de dood. Het lijkt erop alsof die tweede deel een vorm van een verwerkingsproces is. Ook in deel II komen nog enkele flashbacks (o.a. over het samen beleven van de jacht op het Schotse eiland Kintra)voor.

Gebruikt perspectief
De hoofdfiguur is Frederik Spengler, één van de vijf Spenglerbroers ( Junius, Bathazar,
Engelbert, Frederik en Boris) Frederik is een ik-verteller: hij is 44 jaar wanneer hij aan het einde van de roman de dood van zijn broer beschrijft. Hij is een achterafvertellende ikfiguur en vertelt daarom in de o.v.t.

Tijd en plaats van het verhaal
Deel I speelt zich zoals de titel aangeeft in de zeventiger jaren. Masray is de plaats in het zuiden van Nederland waar het gezin Spengler in armoede opgroeit. Google geeft geen hits bij het intikken van deze plaatsnaam. De roman begint in het jaar 1970.

Deel II speelt vanaf 2006 tot aan juli 2007: vanaf het moment dat de oudste broer Junius in Roemenië op bezoek is bij Frederik tot aan de dag van zijn crematie
Maar beide delen spelen zich ook af in Twente: de stad E. blijkt Enschede te zijn, omdat er in de roman wordt gesproken over een vuurwerkramp in 2000.

Opdracht
De roman wordt opgedragen aan “Jan-Willem, mijn oudste broer” Deze broer is in 2007 aan kanker overleden, waaruit je als lezer mag opmaken dat een groot gedeelte van de roman semi-autobiografisch is.

Motto
De roman begint met twee Engelstalige motto’s: het eerste betreft een beschrijving over de Twente industrie in de 19e eeuw en het andere gaat over het Dadaïsme. Het zijn vrij lange motto’s en het is niet zo zinvol om deze hier te citeren.

Samenvatting van de inhoud
Proloog
In de proloog reist de ik-verteller vanuit Roemenië naar Twente: (per vliegtuig en per trein)
Eigenlijk hoort de proloog achter deel 2. Hij eindigt met een brief van zijn nichtje Louise die graag met de verteller naar Parijs wil: zie deel II.

Deel I Masray, 1970
Dit deel geeft een aantal fragmenten uit het leven van de jonge Frederik Spengler. Hij is nog maar een jongetje van zes/zeven jaar en hij begrijpt een heleboel zaken nog niet. Zo wordt hij van school gehaald om een nieuw broertje of zusje te kunnen begroeten, maar ineens wordt er niet meer over gesproken. Ook wordt verteld over zijn zieke vader Pol (die mogelijk een echte Stradivarius had bezeten) maar hij mag niet in de kamer komen waar hij ligt. Wanneer hij toch een keer in de kamer gaat, ziet hij dat hij leeg is. Dan worden de vier broers door hun moeder op de trein gezet naar Twente, waar de grootouders Dupont hen van de trein halen. Ze hoeven niet naar school en beleven een prachtige tijd bij de steenrijke grootouders. Opnieuw zijn de hoofdstukken wat fragmentarisch: zo voert Frederik de kippen met zijn opa wat hem een leuke herinnering bezorgt ; de gewoonten van de familie Dupont zijn die van de rijke industriëlen met een flinke borrel op zijn tijd.
Opa en oma waren van de generatie die de gewoonte had vanaf vier uur ’s middags whisky’s, gin-tonics of portjes te drinken. Van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat werd er gerookt, opa sigaren en pijp, oma Lucky Strikes, en de asbak in de auto stond bol van de peuken en as.’
Frederik mag op jonge leeftijd ook al golfen en wanneer hij een keer met zijn bal een ruit inslaat, vindt zijn opa dat een “nice shot.” Ook is opa enigszins bezeten van de oorlog en hij laat de broers de onderduikkamer zien, waarin alles heel goed georganiseerd was en je de oorlog gemakkelijk ondergedoken kon doorbrengen.
Frederik beseft ook dat je het bloed van de Spenglers altijd in je genen blijft houden, waar je ook over de wereld heentrekt: ‘Ik kon naar de andere kant van de wereld verhuizen, in een holle boom bij de Papoea’s gaan wonen en de rest van mijn leven eiwitrijke wurmen op mijn tong laten smelten, mijn genen en ingesleten hebbelijkheden bleven me verraden’.

Na een tijdje moeten de broers weer naar huis en dan komt er toch een nieuwe baby, het broertje Boris. Daarna wordt vader weer opgenomen in een inrichting en mag Frederik een keer met zijn moeder op bezoek. Ze zijn nauwelijks thuis of vader is dood: hij is formeel van een brancard gevallen, maar gezien het aantal toespelingen van Frederik in deel II op het fenomeen zelfmoord, lijkt het waarschijnlijk aan te nemen dat vader Pol zelfmoord heeft gepleegd, omdat hij depressief was. Frederik krijgt via zijn opa Dupont tekenles van tante Eliane. Hij heeft een leuke tijd met haar en met zijn opa, die op een zeker moment ook dood gaat als gevolg van een auto-ongeluk. Na de begrafenis is de toch wat afstandelijker oma Dupont vol lof over opa. Frederik heeft behalve verdriet om het verlies van zijn opa ook verdriet over het verdwijnen van zijn vriendje Tijn. Het was zijn eerste vriendschap en Tijn moet meeverhuizen met zijn ouders. Een derde groot verdriet is het sterven van een duif van Frederik. Daarmee wordt deel I afgesloten.

Deel II begint in 2006 in Roemenië, waarnaar Frederik met zijn vrouw Gabriella is verhuisd. Julius de oudste broer komt op bezoek en alles staat in het teken van de jacht, een hobby en een tijdverdrijf waar de Spenglers zich met gretigheid aan over geven. Maar Julius voelt zich niet lekker: hij heeft steeds koppijn en van de afgesproken jachtpartij bij één van zijn zakenrelaties komt weinig terecht.
Gabriella is de dochter van een rijke, maar door het regime verdreven familie. Waar in Nederland de verhoudingen tussen baas en knecht zijn verdwenen, is die relatie in Roemenië nog steeds geldig.
Julius is bang voor een hersentumor en die vrees wordt bewaarheid. Hij wordt snel na het ontdekken ervan geopereerd en wil weer alles gaan doen. Maar de hersentumor lijkt niet de primaire tumor en die moet natuurlijk ook worden opgespoord. Frederik en Balthazar bezoeken Julius ’s nachts in het ziekenhuis: hij zegt dat hij niet bang is voor de dood en dat hij een mooi leven heeft gehad. Hij heeft een vrouw en drie kinderen. Acht weken na de operatie bezoekt
Frederik opnieuw zijn oudste broer: hij nodigt hem uit voor een jachtpartij in Roemenië, maar Julius heeft er niet meer de energie voor. Er komen steeds meer uitzaaiingen (nieren,lever, longen en hersenen) en Julius voert een ongelijke strijd tegen de kanker. Frederik wordt ook de man die moet doorgeven wie er wel en wie niet op visite mogen komen. In maart 2007 wordt Julius 50 jaar en de broers steken paasvuren af. Hij vraagt Frederik om de hoofdspeech op de begrafenis te houden. Verder wil hij wat zaken regelen rondom de erfenis en hij vraagt Frederik met zijn dochters mee te gaan naar Parijs om hen het duurste hotel en de duurste winkels te laten zien. Als teken van afscheid geeft hij zijn broer een kus en Julius doet hetzelfde. Dat was heel ongebruikelijk in de familie van de Spenglers. De mannen moeten zich altijd heel stoer gedragen. Zo is er een flashback waarin het verblijf van de broers op het Schotse eiland Kintra wordt beschreven: hier bedrijven de mannen de hertenjacht.
Frederik gaat terug naar Roemenië en wacht op een telefoontje van zijn moeder. Na haar noodoproep wil hij meteen terug naar Nederland, maar onderweg naar het vliegveld hoort hij dat zijn broer al overleden is. Wanner hij met Tine naar het mortuarium gaat om het lijk te bekijken, beseft hij pas goed dat zijn broer dood is. Hij gaat zijn speech voorbreiden, waarin hij vooral moet gedenken dat Julius heel gelukkig is geweest met zijn vrouw en kinderen. Op de dag van de crematie brengen de vier broers een eresaluut aan het lijk van Julius, waneer de lijkauto de familie komt ophalen. In moeilijke tijden staan de vier broers pal achter hun familie: de wet van Spengler.

Thema, motieven en interpretatie
Er zijn in deze mooi geschreven roman twee belangrijke thema’s. De roman heet de Wet van Spengler en dat geeft aan dat de genen van de familie Spengler doordrenkt zijn in de levens van de vijf broers. Niet voor niets zijn het vijf broers die een rol spelen, want de onderlinge verhouding is die van een vrij stoer imago. De contacten tussen de broers zijn zeker niet lichamelijk: hooguit een “Soprano-hug.” Maar ze vormen wel een familie die in moeilijke tijden als één blok achter elkaar staat. Dat lijkt dan ook de wet van Spengler te zijn.
Maar het geeft ook een blik op het leven van een rijke industriële familie van wevers in Twente: hun savoir-vivre wordt beschreven en dat gevoel blijft in je genen zitten waarheen je ook op de wereld verhuist.
Waar het eerste deel nogal fragmentarisch is en minder hecht van structuur, krijgt de roman in het tweede deel een hechtere structuur door de ernstige ziekte waaraan Julius de oudste van de vijf broers gaat lijden: hij krijgt eerst een hersentumor, maar later ook nog eens uitzaaiingen. Daardoor vecht hij een ongelijke strijd en in die strijd staan de broers pal achter elkaar. Frederik komt steeds over uit Roemenië om zijn broer te bezoeken. Ze geven elkaar vlak voor Julius’dood ook nog een kus, de eerste. Mooi is de slotscène waarin de vier achtergebleven broers met hun jachtgeweren een eresaluut aan het lijk van Julius brengen. De verwerking van de dood van zijn eigen broer heeft Jaap Scholten daarmee prachtig beschreven.

Mijn mening
Prachtig geschreven roman over een verhouding binnen een gezin en vooral de kracht die gezinsleden ondervinden wanneer de nood aan de man is. Scholten beschrijft op indringende wijze de ziekte, de aftakeling en de dood van zijn oudste broer, realistisch en zeker niet sentimenteel. Zijn stijl is prachtig en ik citeer een van de mooiste beginzinnen die ik de laatste jaren in een roman heb gelezen.
Het was de tijd waarin duidelijk werd dat Poetin het Westen bij de ballen had met zijn gasreserves, de tijd dat men alleen in de hoogste skigebieden sneeuwzeker was en de tijd dat men dankzij de ouwewijvenwinters met hun abnormaal lange motorrijseizoen in vrijwel heel Europa een overschot aan donororganen had.
Jaap Scholten kan schrijven en zuinig als hij is op zijn talent produceert hij met een lage snelheid. Prima: niet het vele is goed maar het goede is veel.
De waardering op onze literatuurlijst: 3 punten. Amusementswaarde om te lezen voor scholieren van havo en vwo: 8.

Recensies
Op 2 mei 2008 is Daniëlle Serdijn in De Volkskrant positief over de mooie roman. Ze geeft ook 4 van de maximale 5 sterren in haar beoordeling. Ze vindt: Scènes van het ziekbed van broer Julius worden afgewisseld met herinneringen aan de jeugd. Hoe zieker Julius, hoe sterker de familieverhalen.
Maar het zijn mooie verhalen waarin opvalt hoe masculien alle beschreven usances zijn. Lijfelijk contact bijvoorbeeld; daar moeten de jongens niets van hebben. Hoogstens ‘een soort van Soprano-hug’. Meer niet. Huilen doen ze niet. Over gevoelens praten evenmin. ‘Wat niet betekende dat we monsters waren, we wilden het er gewoon niet over hebben. Punt.’

Liever praten ze over beren vangen, grote vuren maken, en over de bergen intrekken. Met de dood in het zicht komt paradoxaal genoeg, de man, de oerman, meer en meer tot leven. Voor het laatst maakt Julius, geholpen door de broers, nog eenmaal een groot paasvuur. Daarna is het gauw afgelopen.

Aangevuurd door de dood van zijn broer, en vastgeklonken aan de mores van het Twentse voorgeslacht, kon Scholten bijna geen mooiere roman schrijven dan deze. Het is zijn verbeelding van de man in optima forma, een ode aan het masculiene, en daarmee alles wat een grote broer voor een kleine kan zijn.

De wet van Spengler is het serieuzere equivalent van de oerman in de Bavaria-commercial. Een actueel thema, zo blijkt uit tal van publicaties. Al zit hij ver weg in de Hongaarse bossen, dát heeft Jaap Scholten toch maar fijn in de gaten gehad.


Over de schrijver
Bron: website: uitegver Contact
Jaap Frederik Scholten (1963) werd bekend met zijn roman Tachtig uit 1996, waarin de rebelse jongeman Frederik van H., een telg uit een Twents textielgeslacht, centraal staat. "De ellende met die familie van mij is dat ze allemaal zo verdomd succesvol zijn" luidde de veelbetekenende eerste zin van de roman. Ook Scholten kwam uit zo'n familie: het voorgeslacht van zijn vader bouwde het textielbedrijf J.F. Scholten & Zonen op, dat later fuseerde met enkele andere ondernemingen tot de Koninklijke Nederlandse Textiel Unie (KNTU), totdat dit mammoetbedrijf in het begin van de jaren zeventig failliet ging. Scholtens moeder kwam uit de bekende Stork-familie, die de bekende machinefabriek tot bloei bracht.

Scholten studeerde enige tijd industriële vormgeving in Delft en grafische vormgeving en reclame aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Rotterdam. Daarna had hij verschillende baantjes - deels om afstand te nemen van zijn familie - voordat hij zich op het schrijven richtte. Scholten in Historisch Nieuwsblad over zijn loopbaanwijziging: "Tot afgrijzen van veel familieleden heb ik twee jaar lang verkondigd dat ik postbode wilde worden. Dat leek me de ideale baan om te combineren met schrijven. Dat heb ik nooit gedaan. Wel heb ik allerlei baantjes gehad, van barkeeper tot chauffeur. Het was voor mij heel bevrijdend."

Scholtens debuut was de verhalenbundel Bavianehaar & Chipolatapudding (1990), die verscheen bij Thomas Rap en stond vol met bravoureachtige verhalen van jongemannen als 'Elvis' en 'Hunter' die voortdurend op reis zijn en in café's en op feesten rondhangen; immer volgeladen met drank, maar ook volkomen wezenloos over hun bestaan. "Pas de volgende ochtend begreep ik dat die avond voor mij een nieuw leven was begonnen. Het verheffende bezitsloze leven van de nomade. Zonder fiets, als herder van de zon, loop ik alles en wacht op de dag dat mijn huis in vlammen opgaat."

Na Bavianehaar & Chipolatapudding stortte Scholten zich zowel op het filmschrijven als op de roman Tachtig die in 1996 zou verschijnen. Scholten schreef verder het script voor de film Beauville, over een oude man die voor hij sterft zijn zoutwaterschildpadjes naar zee wil brengen. In 1995 werd dit scenario in Los Angeles verfilmd door de Belgische regisseur Rudolf Mesdag met in de hoofdrollen Julien Schoenaerts en Marianne Sagebrecht.

Tachtig, dat in 1996 verscheen, gaat over de jonge Frederik die uit een patriarchaal geslacht van Textielbaronnen in Twente stamt en al enige tijd probeert aan de jachtlustige familie te ontsnappen. Hij moet een aantal dagen op het huis van zijn grootmoeder passen en wordt zo weer even in de familiesfeer ondergedompeld. Hij is zoekend, maar weet niet waarnaar. Zijn grote liefde Calanda hangt hem de keel uit, maar zijn nieuwe liefdesavonturen beklijven ook niet. De roman speelt zich af in vijf dagen - van dinsdag tot zondag - en wordt, naarmate de dagen vorderen, steeds beklemmender. "Ik sta achter het raam en kijk hoe zij wegfietst. Ik laat haar in de steek. Ik kan niet anders."

Tachtig werd allerwegen bejubeld en Scholten een grote toekomst toegedicht. Arjan Peters noemde de roman in de Volkskrant "goed nieuws voor de vaderlandse romanlezer" en Ed van Eeden roemde in Utrechts Nieuwsblad zowel de stijl als de plot: "geestig, vlot geschreven, razend knap verteld." Onno Blom in Trouw: "Het einde van Scholtens roman verraadt meer idealisme dan het begin deed verwachten. Het sarcasme van Frederik keert langzaam om in zijn tegendeel. Hij dóet iets. `Het is gezegd, het is niet onopgemerkt gebleven', staat er, nu met een knipoog naar Gerard Reve, op één pagina voor het eind. Zo heeft Jaap Scholten - het moet gezegd: zonder al te veel diepgang - de innerlijke tegenstrijdigheid van Frederik in een lekker leesbaar verhaal weten te gieten."

Na het succes van de roman wijdde Scholten zich geheel aan het schrijven. Probleem was daarna lange tijd dat een dergelijk nadrukkelijk schrijversschap hem enigszins verlamde. Ter afleiding deed hij verschillende andere schrijfklusjes, waarvan het merendeel voor film. Zo schreef hij de KRO-televisiefilm Wodan!, onder regie van Norbert ter Hall en een speelfilm met de werktitel Luna (regie Jean van der Velde).

In 2001 verscheen zijn tweede roman Morgenster. Het boek draait om de bekende Molukse treinkaping op 11 juni 1977 in Drente. In de chaos die vervolgens in het dichtstbijzijnde ziekenhuis ontstaat worden de jongetjes Octave en Finn geboren. De baby's worden verwisseld en zo groeien beide jongens op de verkeerde families: de een bij een chique familie, de ander bij een middenklasse muesli-etend gezin. Centraal staat de vraag wat belangrijker is: genen of opvoeding? De moeder die je baart of de moeder die een pleister op je knietje plakt als je bent gevallen?
Sinds enige jaren woont Scholten in Hongarije, van waaruit hij onder andere voor NRC Handelsblad columns en brieven schrijft.

Bibliografie
Tachtig (1996, roman)
Morgenster (2001, roman)
De wet van Spengler (2008, roman)

Belangrijk!
De verslagen op Scholieren.com zijn bedoeld als naslagwerk. Lever nooit verslagen van internet zomaar bij je leraar in. Je bent zelf verantwoordelijk voor de gevolgen van dit soort fraude.

Wij krijgen de verslagen van scholieren. Hierdoor kan het gebeuren dat er foute informatie online staat. Gebruik geschiedt dus op eigen risico. Kom je een fout tegen? Laat het ons weten.